Een reiziger was beladen met goud en zilver. Uit vreeze voor roovers
had hy zich voorzien van wapenen. Ook volgden hem z'n dienstknechten
in groot getal, ja er waren er meer dan alle roovers in 't gansche
land saemgenomen. Hy was zoo goed gewapend en vergezeld, dat een
geheel leger niet in-staat zou zyn, hem z'n rykdommen te ontnemen.
Sommige roovers die dit niet wisten, vielen hem aan, maar zouden
hierover lang berouw gehad hebben, als ze niet terstond gesneuveld
waren.
Een roover, voorzichtig geworden door het voorbeeld zyner broederen,
raadpleegde 'n heiligen kluizenaar, die raad wist in alle dingen, omdat
hy lang alleen was geweest met twee doodsbeenderen en 'n kruik water.
--Hoe moet ik doen, o heilige man, om heer te worden over de schatten
van dien reiziger!
--Het middel is zeer eenvoudig, antwoordde de vrome heremiet. Werp hem
den strik dien ik u geven zal, om den hals, dan zal hy geen weerstand
bieden. Hy zal z'n knechten gelasten zich voor u ter-aarde te buigen,
en u geven wat gy begeert.
En het geschiedde zoo-als de heilige man gezegd had. Maar de reiziger
en z'n gezellen bevonden zich zeer slecht daarby.
Die strik heette "Geloof" en heeft z'n kracht behouden tot op
dezen dag.