MINNEBRIEVEN

Aan den Heer ......

Doctor in de letteren.

Waarde Heer!

Ik noem u "Waarde Heer" omdat ge een zonderling mensch zyt. De reden

dat ik u dit bundeltje opdraag, ligt in het gevoel myner verplichting

u ten-toon te stellen, wat ik dan ook doe door de verklaring dat ik

u hoogacht.

Hoe, gy zyt maar der Letteren Doctor ... ge bezit niet den minsten

kruidenierswinkel ... nooit waart ge minister of tabakskontraktant

... en ge verstout u wèl te doen?

Dat roept om wraak!

In naam der geschonden rechten van al wat ryk en machtig is en gedreven

door een onoverwinnelyke jalousie le metier, straf ik u voor die

uitmiddelpuntigheid, door deze openlyke betuiging myner symphathie.

Maar ... koop nu 'n revolver, schaf en trek u 'n wambuis aan, van

staaldraad, want denk er aan:

"Charitas odium parit!"

Amsterdam, 8 Juni 1861.

Multatuli.

Z'n rok was kaal, maar dit scheen hy niet te weten. Wie denkt aan

eigen rok, by zooveel ellende van anderen?

Zoo zeggen de boeken.

Maar in de wereld is 't zoo niet. Waarachtig, het is zoo niet! Er

bestaan inderdaad menschen, die 'n hevigen tegenzin hebben in kale

rokken, als ze niet hangen om de schouders van 'n ander. Geen rampen

zyn lichter te dragen, dan de rampen van 'n buurman. Alleen brand en

pokken maken een uitzondering: die dingen slaan soms over!

Ik had wel lust 'n boek te schryven over al de leugens die men in

boeken vindt. Maar ten-eerste zou 't wat lang duren vóór ik klaar

was, en ten-tweede zou dan 'n ander, om myn ongelyk te bewyzen, weer

zeggen, dat het bewys myner stelling in m'n eigen boek lag ... juist

als 't zekeren Kretenser ging, die beweerde, dat alle Kretensers

leugenaars waren.

Ook zou 't jammer zyn, het publiek in den waan te brengen dat alles

wat men schryft, onwaar is. Och, laten wy het kaf sparen om 't koren!

Z'n rok dan was kaal, en hy klopte aan de deur...

Hy had al vaak geklopt aan andere deuren, maar altyd zonder baat! Zou

't nu lukken, nu?

Daar binnen zat iemand te schryven, die haastig "ja" riep, als waren

ze nog te-veel, de twee letters, die wat wegstalen van z'n indrukken.

Hierop volgde een gesprek, dat niemand begrypen zal. Toch zal ik

't u mededeelen. Misschien begrypt men 't later.

De man in de kamer zei eenvoudig, dat hy geen geld had, en dat hy

verliefd was.

Was de bezoeker een schuldeischer?

Ditmaal niet, en wel by uitzondering.

--Ik kan waarachtig niet helpen! Geld heb ik niet, en geen tyd ook. Ik

schryf aan Fancy, en dus ...

--Fancy?

--Fancy of fancy ... fancy van de varkens in de Tijdspiegel ... Fancy

of Fancy, al naar ge wilt. 't Is iemand die ik liefheb ... ze ligt in

'n koffer te Laeken ... ik kan haar niet hier laten komen ... dan wordt

ze betast door de douanen ... dit duld ik niet ... want ge begrypt

dat ze schuw is. En halen kan ik haar ook niet, omdat ik geen geld

heb voor de reis. Maar hier woont ze op de Leliegracht, geloof ik

... Zie eens, ze heeft my 'n langen brief geschreven. Ik moet haar

antwoorden. Ze vraagt of ze my mag liefhebben? Wel zeker! Mag ze

niet? Tine zegt dat het heel goed is. En gy?

Wat de aangesprokene dacht? Wèl, hy dacht dat de man in de kamer

gek was.

En dat dachten veel menschen.

Maar vóór de bezoeker z'n onbeleefde meening uitte, kwam hy terug op

de reden zyner komst.

--Er moet hulp zyn, vóór elf Juni. Die man is radeloos ... hy heeft

aan alles gebrek. Z'n vrouw en kinderen....

--Kinderen ook? Kinderen? O, dat is hard! Eene vrouw is niets. Maar

... kinderen, zegt ge? Ja, dat is verschrikkelyk!

En de man in de kamer stond op, en demonstreerde met veel vuur, dat

'n vrouw "niets" was.

--Een kind is wreed, m'nheer! O, ik ken de barbaars....

Ik weet waarachtig niet hoe ik 't woord spellen moet, dat hy uitsprak

zonder den minsten c. h.

... o, ik ken de barbaarsheid, waarmee 'n kind vraagt: "maar, vader,

waarom zyt gy ook niet ryk, als oom, die draaibanken koopt voor zyn

kinderen?" "Hoe moet men doen, vader, om 'n koets te hebben, als

de Duchesse de Brabant?" "Vader! is het kindje dat zy gister op den

schoot had, zoeter dan Nonni?" "Mogen wy nooit uitryden met onze mama,

zoo als dàt kindje?" "Zou dat meisjen alle dagen vleesch eten, vader,

even als de kinderen by oom?" "Wat hebt ge toch gedaan, vader, dat

men ons zoo arm laat blyven?" Ziet ge! dat wondt! Want aan 'n kind kan

men zoo alles niet uitleggen: cet âge est sans pitié! Ja zelfs er is

veel, dat men niet kan uitleggen, aan groote menschen die veelal kind

blyven op dat punt ... zoodra hun belang 't niet begrypen meebrengt.

Maar ... 'n vrouw! O, dàt steunt! dàt verheft, dàt adelt! Hebt gy

een vrouw?

--Neen, maar....

--Nu, dan kunt ge 't niet weten! Anders ... foei, m'nheer, zeg dat

die man lydt om z'n kinderen, maar haal niet de vrouw daarby, als

ware ook zy 'n lastpost op de begrooting zyner ellende!

Helpt ze hem niet? Troost ze hem niet? Zou hy sterker wezen zonder

haar?

Wat drommel, waarom trouwde ze 'm dan? Ze moet toch eens "ja" gezegd

hebben, toen hy haar vraagde of ze lief en leed met hem deelen woû?

O, die vervloekte tweede en derde ban der schuttery! Ja, ja,

ik weet het wel: officieël zelfs is de vrouw 'n certificaat van

onbruikbaarheid? 't Land is in nood ... voorwaarts! ... Hoe noemen ze

't ook, als alles naar de grens loopt? Alles? Wel neen, de man, die 'n

vrouw heeft, blyft thuis voorloopig! De vrouw staat op het lystje van

vrystellende ziekten ... tusschen kanker en impotentie zeker! De man

is onbekwaam tot heldenmoed en geweerpoetsen ... tot nader order! Tot

nader order, als de jongens òp zyn, de jongens, die vóorgaan!

Dat was anders in Troje ... zie maar dat afscheid van Hektor en

Andromache ... 't hoeveelsche boek weet ik niet. De kleine jongen

wordt bang voor Hektors pluim ... maar Hektor gaat!

--'t Staat in 't zesde boek, zei de bezoeker die doctor in de

Letteren was:

Hôs eipôy ou paidos orexato Phaidimos Hektôr.

aps d' pais......

--Goed, maar Hektor gaat ...

--Ja, maar Andromache wilde dat hy niet zou gaan.

--Dat was infaam van Andromache! En als 't my gebeurd was ... maar

zóó-iets gebeurt my niet! Zie hier ...

Hy toonde z'n bezoeker een brief ... een brief van zyn

Andromache! Zoo-iets droomde Homerus niet. Ja, daar stond het:

Ik ben woedend! Men durft zulke voorstellen doen aan U! En men

spekuleert op 't gebrek-lyden onzer kinderen? Ik verbied u, aan my,

aan ons, te denken. Liever bedel ik myn brood van deur tot deur, dan

gevoed te worden tot zulken prys! Weiger, weiger ruw en barsch, zóó

dat men 't nooit meer vraagt! Zeg dat ik u verachten zou, als ge uit

nood, en om onzent-wille, uwe denkbeelden, uw styl, uw ziel verkocht,

Vraag geld, leen--'t komt er niet op aan van wien, honderdvoud zult ge

't weer geven--maar buig niet onder de eischen van hen, die u willen

misbruiken voor hun doel. En kunt ge ons niet langer voeden, Max, dan

sterven wy .. maar nog is er geen nood! Ik heb nog voor drie dagen ...

--Myn God, van wie is die brief? vraagde de bezoeker.

--Wel, van Tine! Begrypt ge dàt niet? Wie anders zou zóo schryven? Zie

eens, hoe slordig. Ze schryft niet altyd zoo slordig, maar ze was

driftig toen ze dàt schreef ...

--Wat had men u voorgesteld?

--Den heer Duymaer van Twist te sparen, die in de Tweede-Kamer

meespreekt over vryen arbeid, en den heer Rochussen aantevallen. Ik

toon u den brief niet waarin dat staat: hoe schandelyk ook van

inhoud--dàt noemen ze politiek!--die brief was geschreven met zekere

vertrouwelykheid ...

--Door den heer v. H.?

--Neen! Zelfs ben ik overtuigd, dat deze niet bekend was met den vryen

arbeid, dien men my wilde opleggen voor wat loon. En wélk loon? 't Loon

dat de apen in Artis krygen ... voor den kost! En die hoeven daarvoor

geen leugens te schryven: gelukkige apen! Ze hebben alles te danken aan

hun staart. Zonder dat ding zou men ze ook dwingen tot vryen arbeid ...

Maar ziet ge wel, m'nheer, dat een vrouw niets is? Niets by de

optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, ja alles, zoodra er

spraak is van hulp en steun? Ik zou volstrekt geen pleizier hebben

in gebrek-lyden, als ik m'n vrouw niet had ...

De bezoeker vond dit een vreemd pleizier, al was er dan ook 'n

vrouw by.

--O, ge weet niet hoe 'n vrouw lief heeft ... ge kunt niet begrypen,

met hoe groote woekerwinst zy den man de indrukken weergeeft, die hy

neerschreef in haar ziel!... Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele

mannen daarin niets wisten neer te schryven? Kan men oogst verwachten,

waar niet gezaaid is ... baring, zonder bevruchting?

Ja, ja, er is iets schoons in die tweeslachtigheid van de liefde! Stof

en ziel! ... Ziel, zeg ik by wyze van spreken ... alles zal wel

stof wezen, goed! Ik bedoel dan met dat woord die werking der stof,

welke door velen voor onstoffelyk wordt aangezien, uit hoogmoed of ter

bekorting ... weet ik het? Over woorden stryd ik niet. Welnu, zie eens

hoe heerlyk symmetrisch de lieve Natuur alles gemaakt heeft. Liefde

is neiging tot geven en uitstorten aan den eenen kant, tot ontvangen

aan de andere zyde! De grove uitlegging--neen, ook die zaak is niet

grof! Ze maken haar grof, zy die alles scheppen of omscheppen naar hun

beeld!--die uitlegging spaar ik u, om nu alleen acht te geven op de

andere. Liefde is drang tot geven en ontvangen ... tot bevruchten en

baren. Wat ik weet--o, 't is bitter weinig, kan ik dat helpen,--wat

ik weet, begryp, gevoel, droom ... zie dat alles geef ik háár!

--Aan uw vrouw?

--Wel neen, aan Fancy, ... dat is m'n vrouw!

--Juist! Weinigen begrypen wat liefde is. Ik geef haar m'n ziel,

onverdeeld, zonder de minste terughouding. Ik plant m'n denkbeelden

in haar gemoed, en als dan 't oogenblik der voldragenheid gekomen is,

dan legt ze my het reuzekind in de armen ...

De bezoeker dacht met medelyden aan het reuzekind, behebt met zulke

ouders, en hy nam zich voor, te vertrekken terstond na het Q. E. D. van

de bedreigde demonstratie, dat een vrouw "niets" was.

--Ja, als de tyd dààr is, vind ik 'n boomstam, waar ik 'n zaadje

uitstrooide. Er vloeit 'n stroom, waar ik 'n drup gaf. En, waar ik

'n steentje neerlegde, vind ik 'n rots weer.

Schooner, krachtiger, edeler, geheel volwassen, vind ik dan de

denkbeelden terug, die ik toevertrouwde aan den vruchtbaren bodem van

haar hart. Ik vraag, als Haydn, by het ondergaan zyner schepping, toen

men zyn "Schepping" uitvoerde: Myn god, heb ik dat gemaakt? Begrypt

ge dit?

--Neen, zeide de bezoeker.

--Welnu--want de man in de kamer had "ja" verstaan, omdat hy luisterde

naar den weerklank zyner woorden in z'n eigen hart--welnu, zóó geeft

de vrouw met oneindigen woeker terug, wat de man, die haar liefhad,

zaaide in hare ziel. En, als er dan geleden wordt, veel geleden,

want menschen, die zóó liefhebben, moeten lyden ... begrypt ge dit?

Neen.

Juist, zulke menschen moeten lyden! als dan de gure noordewind van

't lot door de reten blaast van de kale woning ... als er wond op

wond wordt geslagen door de ruwe hand van ... 't doet er niet van

wien! Ik scheld niet graag op menschen ... ik ben ook 'n mensch en

heb veel fouten ... nil humani ...

--Me alineum puto, zei de doctor in de letteren.

--Ja, ja, zoo is het! Nu, als er zulke diepe wonden worden geslagen

door de ... noodzakelykheid, dat is God ... als men diep neergebogen

door smart, op het punt staat te vergaan in wanhoop, dan treedt de

vrouw op en toont u den oogst van haar huwelyk. Glimlachend zegt ze:

"Waarom weent ge? Hebt ge my niet 'n schat te bewaren gegeven? Zie,

hoe ik gewoekerd heb met het talent, dat ge neerlaagt in myn schoot. We

zyn ryk, ryk in liefde, ryk in adel! Ik heb bewaard wat gy weggaaft! Ik

heb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist! Ik

ben uw huishoudster geweest, ja, de huishoudster uwer ziel!

"Wat deert u? Lydt ge aan eerzucht? Ik maak u koning, ik kroon u! Acht

ge my minder dan 'n paus?

"Wat deert u? Drukt u de laster? Ik noem u groot, ik noem u edel,

ik die alléén u ken, en de armen beklaag die u niet kennen!

"Wat deert u? Armoed? Leugen! Ryk zyn we, schatryk! Zie onze kinderen

met hun dichterhartjes! Met hun zucht tot weten, tot begrypen, tot

geven, tot liefhebben! Ryk zyn we, Max, schatryk! Zie de boomen,

hoe groen! Zie het veld, hoe bont! Zie de heele lieve natuur, die

... vrywillig arbeidt zonder 't minste stelsel van kultuur ... O,

ik wist wel, dat ik u zou doen glimlachen!

"Wat deert u? Angst, vrees? Angst, voor wat? Welke vrees? Zyn we niet

reeds over de helft van 't leven? Hebben we niet eerlang aanspraak

op rust? Ge weet niets van die rust? Ik ook niet ... maar gyzelf hebt

gezegd: er is geen God, of Hy moet goed zyn! [1]

"Dan moet hy óns liefhebben, Max!

"Wat deert u? Zorg voor heden, voor morgen? Heden hebben de kinderen

gespysd ... Ook morgen heb ik nog 't noodige ... Max, Max, moogt gy

minder vertrouwend zyn dan de Christenen, die voorgeven te berusten

in Gods wil? Minder kalm en gelaten dan de Mohammedaan, die werkelyk

berust in de schikking van 't lot? Max, geloof me, het doet geen

pyn ...

--Hoe heette zy?

--Ik erken dat ik in de war ben, Tine of ... Fancy, of ...

--Neen, lang geleden?

--Porcia, antwoordde de doctor in de Letteren. [2]

--Goed, Porcia! Maar ziet ge nu wel, dat 'n vrouw "niets" is by

optelling van lasten? O, die vervloekte tweede en derde ban der

schuttery!

Maar--dit is waar!--niet alle vrouwen zyn vruchtbaar, zegt men. Ik

geloof, dat deze onvruchtbaarheid in 't zedelyke meestal moet worden

toegeschreven aan 'n zeer onzedelyke onmacht der mannen ... die in

suiker of koffi doen, God betere 't!

--Maar ... mag men dan geen suiker of koffi verkoopen?

--Wel zeker! Maar de kultuur der vrouw moet vóórgaan. En dit

is in de wereld zoo niet! Wilt ge 'n klein bewys ... één uit de

velen? Presenteer 'n glas bitter aan iemand, die naar de beurs gaat,

of madera of zoo-iets ... hy zal weigeren, want hy is stipt op z'n

zaken! Nooit gebruikt hy iets in zaken. O, hy zou zich onteerd achten

als 'n principaal, 'n vriend--"vriend" wil zeggen: iemand, met wien

men zaken doet, style commis voyageur--als zoo'n vriend bemerkte dat

hy iets gebruikt had, zooals ze dat noemen.

Goed, kom dan na de beurs!

Na de beurs is hy uw man. Wel zeker! Dan wachten hem geen zaken! Dan

wachten hem maar 'n vrouw en 'n paar kinderen die geboren werden

tegen hun wil! Die vrouw is geen principaal, die kinderen zyn geen

vrienden. Zy mogen 't wel weten, dat hy iets "gebruikt" heeft! Zy mogen

't wel merken dat papa riekt als 'n koetsier of stalknecht! Hier doet

het er weinig toe, of z'n taal ook riekt naar bok of stal. De kus

die hy hààr of hùn geeft mag verpest wezen ... never mind! Daardoor

immers zal geen zaak afspringen! Als de kinderen maar stil zyn,

en niet lastig, en als 't eten maar goed is, en als papa maar alles

naar z'n zin heeft! Papa is moe, moe van gort, stroop, Oostenrykers

en assurantie. Moe van koffihuispraat en beursgedrang. Moe vooral

van Boonekamp, en de vele "halfjes", waarvan er maar anderhalf op

'n heel gaan.

Wat plant zóó'n man in de ziel zyner vrouw? Jenever! Mag hy zich

beklagen als deze besproejing later blykt alle vrucht te hebben

gedood? Is de vrouw onvruchtbaar, die niet baart na zulke bevruchting.

En, ook zonder dien noodlottigen drank, wat geeft de man aan de vrouw,

die hy zegt lief te hebben? Een sjaal, 'n étagère, wat kleeren en de

kost? O, geef méér aan de uwe, als ge trouwt ... geef iets anders! Maak

uwe vrouw tot 'n spaarbank uwer denkbeelden, tot 'n levensverzekering

van uw gemoed! Als dan de kwade dagen komen, zult ge inzien dat ik

gelyk heb ... waarachtig, 'n vrouw is niets!

Maar nu, laat my alleen: ik schryf aan Fancy, en heb veel te doen!

De bezoeker stond op, reikte de hand met hartelykheid of

... medelyden. Dit wist hyzelf niet. Want hy begreep niet recht,

of de man in de kamer boven of beneden anderen stond, al voelde hy

dat er geen spraak kon zyn van gelykheid. Als post-scriptum van z'n

bezoek, herhaalde hy weggaande de reeds vaak gemompelde woorden:

--Die arme man:

Ik weet weer niet, of hy ditmaal hiermee bedoelde den man in de kamer,

of de persoon die voor 11 Juni moest worden geholpen met wat geld,

om niet reddeloos verloren te gaan met vrouw en kinderen. Misschien

dacht hy aan beiden.

Maar de man in de kamer dacht nooit aan zichzelf, als er gesproken werd

over andere menschen, schoon hy toch, wel beschouwd, niet zeer ryk was.

Op straffe van op-nieuw me schuldig te maken aan de verregaande

tuchteloosheid, die de heer Buys my ten-rechte verwyt in de

Wetenschappelijke Bladen, mocht ik hier 'n opmerking inlasschen,

om u te bewyzen, lezer, dat ik altyd de waarheid zeg, vooral waar ik

beweer, dat er zooveel leugens verteld worden in de boeken. Ik zal

u daarom bewyzen, dat alles wat ik u verhaalde gelogen is.

Die man in de kamer was arm. De bezoeker moest dit weten, daar

ieder het weet. Hy had voor z'n beschermeling overal tevergeefs

hulp gevraagd, Prins die had bedankt voor de eer, en v. B. was naar

buiten. De ryke C. had juist geen geld--treffende juistheid!--en

Mevrouw H. wou graag helpen, maar moest eerst weten of de man die in

nood verkeerde, misschien eenmaal iets verkeerds had gedaan? Dàn hielp

zy natuurlyk niet, want "men mag niet styven in verkeerdheid." Dat

is 'n vast principe van alle brave menschen die nooit iets verkeerds

deden. Kort-om, de man met den kalen rok die zich zooveel moeite gaf

voor 't wanhopig gezin, was overal afgewezen, overal ...

Nu vraag ik u, of 't waarschynlyk, of 't mogelyk, of 't waar kan

wezen, dat hy, na dit alles, op het denkbeeld kon komen, hulp te

vragen aan iemand:

Primo: Die zelf dood-arm is. (Van publieke bekendheid).

Secundo: Die gek is. (Dit zal terstond blyken).

Tertio: Die een slecht sujet is. (Te informeeren bij allen die

hem kennen, liefst by z'n naaste betrekkingen, die 't

precies weten, en die het niet zeggen zouden, als 't

niet waar was).

Quarto: Die, als getrouwd man, minnebrieven schryft. (Ge hebt

die in handen, lieve, brave, onberispelyke lezer!)

en Quinto: Nog-eens: by iemand die dood arm is! (Als dit toch

niet zoo ware, kwam de rest er minder op aan.)

Is dit mogelyk? Neen! Zulke leugens gelooft men eerst als ze

achttienhonderd jaar oud zyn!

De reden dat ik die leugens vertel, is deze. Ik wil ditmaal tien vel

volschryven, en ik zie geen kans het te doen met waarheid. Dit immers

zou 'n korte geschiedenis wezen:

"De Javaan wordt mishandeld."

"Ik zal daaraan een eind maken."

Nu weer leugens:

--Die arme man! had de bezoeker gezegd. En de ander:

--'t Is toch verdrietig ... ik kan u niet zóó laten vertrekken:

ik heb niets. Als ik 't niet zoo druk had met m'n liefde, zou ik u

voorslaan voor dat gezin iets te schryven maar ... o, 'n idee!

De dwaas wreef zich de handen by zyn idee.

--Wacht 'n oogenblik! Elf Juni, zegt ge? Heden den achtsten? Ga

weer zitten.

De bezoeker nam weer de plaats in, die hy zoo even vry troosteloos

verliet. De dwaas schreef 'n kort briefje, dat hy 't venster uitwierp.

Wacht nu even, zeide hy, rondstarende als zou er iets zeer, vreemds

gebeuren, vreemd voor den ander althans.

En 't was ook vreemd! Het pas weggeworpen briefje vloog het raam in,

dat gesloten was. Er was iets bygeschreven.

--Zie hier, zei de arme dwaas, Fancy zegt dat het goed is!

De bezoeker las:

"Lieve Fancy, Er ís een gezin in nood, mag ik onze brieven verkoopen?"

En daaronder stond:

"Ja. Maar niet van den ... van den....

"En hierop volgde 'n reeks van datums, ter aanduiding van brieven

die niet mochten verkocht worden.

De man in de kamer schreef daarop de volgende acceptatie, die hy niet

het raam uitwierp, maar ter-hand stelde aan z'n bezoeker:

"Goed voor wat geschryf.

--Diskompteer dat:

De vreemde wreef zich de oogen uit.

Diskompteer dat! Maar hoor eens ... is Frits die 'n braaf man?

--Voorzeker!

--Ga dan niet by hem: hy zal niet diskompteeren. Is v. B. die "naar

buiten is" weldadig?

--Zeer weldadig! Er zyn hofjes voor oude vrouwen die zyn naam dragen

... de hofjes.

--Ga dan niet naar v. B.: Hy zal niet diskompteeren. Heeft C. 'n

goed hart?

--Als 'n juweel. Z'n dochters breien wintersokjes voor negerkinderen.

--Ga dan niet naar C: Hy zal niet diskompteeren. Is die Mevrouw

H. godsdienstig?

--Zéér godsdienstig! Zondags laat ze 't eten komen van den kok,

om de keukenmeid tyd te laten tot oefening met de knechts.

--Ga dan niet naar Mevrouw H.: ze zal niet diskompteeren. Ga naar

... naar ... 't is toch wel verdrietig dat alle menschen zoo braaf

zyn! Kent ge geen enkel slecht mensch? 't Is waar, ge bezoekt de

beurs niet....

--Een slecht mensch?

--Ja! Iemand die alle fatsoen met voeten schopt, 'n vyand van deugd

en goede zeden! Een soort van antichrist, iemand die ... ik bén

er. Z'n oog viel op de Dageraad, 't verfoeielyk tydschrift dat op

z'n tafel lag.

--Ik ben er! Zie, daar staat het! Wat drommel, 't is juist als Jan

Luyken zei: wat naby is zoekt men vèr! Wel beschouwd, had ik liever

iemand die 'n kind had opgegeten, maar by-gebrek dááraan, raad ik u

naar den uitgever van de Dageraad te gaan. Zie, 't nummer staat er

by, G. 301.... Dat treft! Die Günst staat zeer ongunstig bekend--ge

begrypt dat deze geestige woordspeling niet van my is: ik hoorde ze

van 'n Dominé--die ongunstig bekende Günst zal helpen, als hy kan. Hy

zal discompteeren! [3] En als deze niet mocht kunnen helpen, ga dan

by Meyer op den Vygendam, waar Voltaire te koop ligt en 't Gebed van

den Onwetende van den krankzinnigen Multatuli en veel ander zedeloos

geschryf. By zulk volk moet ge wezen!

De doctor in de letteren ging de trap af. Het warrelde hem. Echtbreuk,

minnebrieven, Voltaire, 'n meisje dat niet mocht betast worden

door de douanen, en dat op de Leliegracht woonde, schoon ze

te Laeken in 'n koffer logeerde? Brieven die 't gesloten raam

invlogen? Reuzenkinderen? Een vrouw die meer was dan de paus, schoon

ze maar eten had voor drie dagen? Een man die plezier had in gebrek

lyden ...

--Ga van-tyd tot-tyd eens kyken naar den heer op nummer zes, zeide hy,

beneden komende, tot 'n bediende.

En gy lezer?

Dwaas, niet waar? Schandelyk gruwelyk, infaam, onfatsoenlyk en vooral

onbegrypelyk ... niet waar?

Koop, publiek, koop! O, ge zult koopen, ik ken u! Ge hebt geld te-veel,

als er schandaal geveild wordt, gy die den brave laat verhongeren,

wanneer-i geen geloof heeft als gy.

Koop, publiek, koop! Gy, die uw profeten laat leven, om ze langer

te martelen! Men lastert u door te zeggen dat ge den Christus zoudt

gekruist hebben, als de joden; ge hadt hem loopjongen gemaakt in 'n

kruienierswinkel ... niet waar? Ge zoudt gewacht hebben tot hy vrouw en

kind had, om die te laten hongeren ... dat hy 't zou aanzien, en buigen

voor u! Dit treft zekerder, niet waar? Ge zoudt den deurwaarder hebben

belast met uw antwoord op zyn: wee u Jeruzalem! opdat-i moedeloos

en geknakt, z'n wee terugname, by 't veilen van de kleertjes zyner

kinderen, dat hard is te aanschouwen, voor 'n vader! Dat treft wisser,

dieper, dat pynigt langer, niet waar, dan slechts een paar uur sterven!

Koop, publiek, koop, gy die Luther en Cambronne 'n liedje laat

fluiten voor den kost! Gy die 'n menuet eischt voor wat kanariezaad

aan Curtius en d'Assas! [4]

Koop, publiek, koop, er zyn aandoeningen te krygen voor wat geld! Ik

heb de macht u te streelen en te kittelen, tot ge zoo gek wordt dat

ge den prys uwer koffi vergeet, gy die anders zoo hard zyt van huid,

dat de zweep er van kermt!

Koopt, Nederlanders, Christenen--ouwerwetsche en moderne!--koopt,

teekent in, betaalt, strooit geld neer voor wat minneliedjes en

wat geest!

Koopt, gy die spoorwegen bouwt van gestolen geld, en tot betaling

den bestolene bedwelmt met opium, evangelie en jenever!

Koopt en betaalt, gy allen! Ik heb genoeg geleden om den toon te uiten,

dien ge zoo gaarne hoort! Ge hebt my genoeg belogen, gelasterd en

gemarteld, om wat terug te eischen voor uw gemartel, voor uwen laster

en voor uwe leugens!

En als ge dan tevreden zyt met de toonhoogte van den gil, dien ge me

trapt uit de borst....

Zeg dan als gister, als eergister, als vroeger:

Wat schryft die man aardig! Vrindje, ik geef u zóóveel voor 't vel,

zóóveel voor 't liedje! Zing nog wat! Schryf nog wat! Praat nog wat!

Publiek, ik veracht u met groote innigheid.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 5 / 125 题