XVIII.

De Hervorming gevestigd.

Ook buiten de muren van Luthers vreedzame pastorie was het een

tijdlang rustig geweest. Eigenbelang had Karel V zoowel als de paus,

die met elkander in oorlog waren, genoodzaakt, aangaande de Hervorming

maar wat door de vingers te zien; en daarom was in 1526 door den

Rijksdag te Spiers besloten, dat de vorsten met de uitvoering van het

edict van Worms--de vogelvrijverklaring van Luther en zijn

aanhangers--naar goeddunken mochten handelen.

Maar nauwelijks was tusschen keizer en paus de vrede hersteld, of het

was voor de Hervorming met de rust weer gedaan. In 1529 werd te Spiers

een nieuwe Rijksdag belegd, die de verleende vrijheid weer introk. In

de Roomschgezinde staten zou alle ketterij weer ten strengste worden

gestraft, en in de Hervormingsgezinde, waar de nieuwe leer reeds te

veel voortgang had gemaakt om haar te kunnen uitroeien, mochten geen

verdere nieuwigheden ingevoerd en geen oude gebruiken meer afgeschaft

worden. Zoodoende zou de Hervorming dus tot staan worden gebracht,

en daar konden de Evangelische vorsten natuurlijk geen genoegen mee

nemen. Ze teekenden verzet aan tegen dit besluit; en dit verzet of

_protest_ boden ze den Rijksdag aan.

Door dit _protest_ kregen ze, vooral van hun tegenstanders, den naam

van _Protestanten_; een naam, die toen op alle Hervormden is

overgegaan, en dien wij nu ook nog dragen.

Zoo hadden zich twee partijen gevormd, die vijandig tegenover elkander

stonden. Om aan de verdeeldheid een einde te maken, schreef de keizer

in 1530 weer een Rijksdag uit, die te Augsburg zou gehouden worden.

Daar, zoo maakte hij in een vriendelijken brief aan de vorsten bekend,

konden beide partijen in liefde en vrede zich dan doen hooren en met

elkander spreken, ten einde tot eenheid te komen in de leer. Maar zijn

eigenlijk doel was, gelijk al spoedig bleek, om de Hervorming er onder

te krijgen, zoo niet goedschiks, dan kwaadschiks.

Keurvorst Johann van Saksen ging er met Melanchton en nog eenigen van

zijn godgeleerden heen. Luther, die nog onder den rijksban lag, kon

hij natuurlijk niet onder de oogen van den keizer brengen; maar hij

wilde hem toch, als zijn besten raadsman, zoo dicht mogelijk bij zich

hebben. Daarom had hij hem op zijn doorreis in Coburg achtergelaten,

een stad, 't dichtst bij de Saksische grens, waar hij hem het kasteel

Ehrenburg tot verblijf had gegeven. Luther heeft daar een half jaar

gewoond, zoolang de Rijksdag geduurd heeft. En al dien tijd is

hij daar zijn vrienden te Augsburg tot steun geweest, met zijn

raadgevingen, zijn bemoedigende brieven, en vooral met zijn gebed.

Hier heeft hij ook zijn wereldberoemd geloofslied gedicht, Gezang 264,

waarvan wij het eerste vers al zoo dikwijls gezongen hebben:

Een vaste burg is onze God!

Een toevlucht voor de Zijnen!

Al drukt het leed, al dreigt het lot,

Hij doet Zijn hulp verschijnen!

De vijand rukt vast aan

Met opgestoken vaan;

Hij draagt zijn rusting nog

Van gruwel en bedrog,

Maar zal als kaf verdwijnen!

Geen aardsche macht begeeren wij;

Die gaat alras verloren!

Ons staat de sterke Held terzij,

Dien God ons heeft verkoren!

Vraagt gij Zijn naam? Zoo weet

Dat Hij de Christus heet,

Gods Eengeboren Zoon,

Verwinnaar op den troon!

De zege is ons beschoren!

En grimde ook de open hel ons aan,

Met al haar duizendtallen,

Toch zal geen vrees ons nederslaan,

Toch doen wij 't krijgslied schallen!

Hoe ook de satan woedt,

Wij staan hem, voet voor voet!

Wij tarten zijn geweld!

Zijn vonnis is geveld!

Één woord reeds doet hem vallen!

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid

En zal geen duimbreed wijken!

Beef, satan! Hij, die ons geleidt,

Zal u de vlag doen strijken!

Delf vrouw en kind'ren 't graf,

Neem goed en bloed ons af,

Het brengt u geen gewin;

Wij gaan ten Hemel in

En erven Koninkrijken!

Dit lied, waar Luther zelf de wijs bij maakte, werd gedurende den

Rijksdag in Augsburg en in heel Saksen gezongen.

Aan Melanchton had de keurvorst opgedragen een geloofsbelijdenis,

_confessie_, op te stellen, dit is een verklaring van wat de

Evangelischen geloofden; en toen dit stuk door allen goedgekeurd

was, werd het door de vorsten en predikers onderteekend. Ook de jonge

vorst van Anhalt, dezelfde die als twaalfjarige knaap het Leipziger

twistgesprek met zooveel belangstelling had bijgewoond, greep vol

geestdrift de pen. »Ik heb in mijn leven reeds menige lans gebroken,

maar nu sta ik gereed om voor de edelste zaak, voor de eer van mijn

Zaligmaker Jezus Christus den kamp te wagen,« sprak hij met vuur. »Als

ik er op het oogenblik mijn leven voor moest geven, zou ik het gaarne

doen.« Toen zijn naam er stond en hij de pen neerlegde, zei hij, zich

stralend naar de leeraars keerend: »Ik zou liever mijn vaderlijk

erfgoed als balling verlaten en met het nederigste werk mijn brood

verdienen, dan een leer aannemen, die niet overeenkomt met deze

geloofsbelijdenis.«

Den 25sten Juni werd de confessie met veel plechtigheid aan den

keizer en heel den Rijksdag in de Duitsche taal voorgelezen en een

Latijnsch afschrift er van aan den keizer overhandigd met de woorden:

»Allergenadigste Keizer! ziedaar een geloofsbelijdenis, die met Gods

hulp tegen de poorten der hel bestand is.«

De voorlezing had diepen indruk gemaakt. Velen moesten bekennen

dat deze belijdenis heel anders klonk, dan wat men van de ketters

vertelde. »'t Is volkomen waar, wat daar voorgelezen is; we kunnen het

niet loochenen,« verklaarde de bisschop van Augsburg. De hertog van

Beieren vroeg aan Eck, den man van het Leipziger twistgesprek: »Wel,

doctor, kunt ge de confessie op goede gronden weerleggen?«

»Niet als ik het alleen uit den Bijbel moet doen, maar wel uit de

kerkvaders,« was het antwoord.

»Dat beteekent dus,« zei de hertog niet heel vriendelijk, »dat de

Protestanten _in_ de Schrift staan en wij er _naast_.«

Velen van de nog Roomschgezinde vorsten werden dan ook door de

_belijdenis_ voor het Evangelie gewonnen. Luther had wel goed gezien,

toen hij zeide: »De confessie zal tot alle volken doordringen haar

stem in alle landen vernomen worden;« want zij werd in alle

Europeesche talen overgezet, en door haar kreeg de Hervorming, ook

buiten Duitschland, tal van nieuwe vrienden.

't Gelukte den keizer niet, hoe lang en veel er werd gepraat, om de

afvalligen in der minne, zooals hij gehoopt had, met de Roomsche

kerkleer te verzoenen en beide partijen weer tot één te brengen. 't

Hielp niet, dat hij, naar den wensch van zijn raadgevers, door Eck en

eenige anderen een weerlegging van hun belijdenis liet opstellen en

hen dwong zich daaraan te houden. De Protestanten bleven standvastig

weigeren iets aan te nemen, wat niet overeenkwam met den Bijbel en

hun geweten. Daarom was Karels laatste besluit: dan de ketterij maar

uitroeien met geweld. »Wij zullen elkander met het zwaard in de vuist

onder de oogen zien; en dan zal het blijken, wie de sterkste is!« riep

hij in een vlaag van woede. Men had den keizer nog zelden zóó boos

gezien.

Zoo ging de Rijksdag uiteen. De vijanden verlieten Augsburg in het

onbehaaglijk gevoel, een zware nederlaag te hebben geleden. Maar de

vrienden juichten over de hulp, door God hun verleend. 't Was zooals

Luther het in zijn eenzaamheid had uitgezongen, hun stond _de_ sterke

Held ter zij; daarom was hùn de zege beschoren.

De Rijksdag van Augsburg, die ten doel had, de Hervorming uit te

roeien, was juist het middel geweest om haar voorgoed te vestigen.

't Was nu voor allen duidelijk geworden: dit werk kòn niet verbroken

worden.

Toch wilde Karel V het beproeven. »Ik ben besloten met alle macht

tegen de Lutheranen te handelen en deze zaak geheel naar uw wensch ten

einde te brengen,« schreef hij aan paus Clemens. In al zijn staten

werden reeds de legers er voor bijeengebracht.

[Illustratie: DE ANDREASKERK TE EISLEBEN.]

Nu begon het er echt dreigend uit te zien voor de Hervorming.

Maar--»al drukt het leed, al dreigt het lot, God doet Zijn hulp

verschijnen!« zong Luther. En thans verscheen die hulp in den

Turkschen sultan Soliman, die met een groote krijgsmacht Hongarije

kwam binnenvallen. Inplaats van met de Duitsche vorsten te gaan

vèchten, moest Karel nu juist hun hulp inroepen tegen zijn Turkschen

vijand. En die hulp wilden ze hem alleen verleenen, als hij eerst

de edicten van Worms en Augsburg introk. Er schoot Karel dus niets

anders over dan het te doen. En zoo werd in 1532 te Neurenberg een

voorloopige godsdienstvrede gesloten, waarbij aan de Protestanten

vrijheid van godsdienst en geweten werd toegestaan.

Het waren rustige jaren, die nu voor de Hervorming volgden. Keizer

Karel had het vooreerst te druk met zijn vele oorlogen om zich met de

»ketterij« bezig te houden; en dus konden de hervormers ongehinderd

voortgaan met hun heerlijk werk.

't Was altijd Luthers innige wensch en bede geweest, dat er gedurende

zijn leven om het Evangelie geen oorlog mocht komen; en zijn gebed is

verhoord. Toen zijn groote taak op aarde was afgedaan, nam de Heer hem

in vrede tot zich, in zijn drie en zestigste jaar.

Den 28sten Januari was Luther op verzoek van de graven van Mansfeld

te Eisleben gekomen om er een familietwist over hun erfgoederen bij

te leggen. Toen hij met zijn zonen bij ruw weer op reis ging, was hij

al lijdend en zwak, en door een onderweg gevatte koude werd het er

in Eisleben niet beter op. Toch preekte hij er nog viermaal in de

Andreaskerk. Zijn laatste preek, vier dagen vóór zijn dood, was over

Matth. 11: 25-30 en eindigde met de woorden: »Er zou nog veel meer van

te zeggen zijn. Maar ik ben te zwak. We zullen het dus hierbij laten.

Onze lieve God schenke ons de genade, dat wij Zijn dierbaar Woord met

dankbaarheid aannemen, en in het geloof in Zijn lieven Zoon, onzen

Heere Jezus Christus, wassen en toenemen en ten einde toe volharden.

Amen.«

Toen hij er na drie weken de zaken in orde gebracht had, wilde hij

zonder uitstel naar Wittenberg terug, want hij gevoelde, dat hij wel

spoedig zou sterven. Dienzelfden dag sprak hij aan tafel met groote

opgewektheid over het heerlijke van een eeuwig weerzien van vader,

moeder en zoovele vrienden na den dood.

Na den avondmaaltijd ging hij weer naar boven, naar zijn kamers. Daar

kreeg hij hevige benauwdheden. »Ach,« zei hij, toen hij zich te bed

had gelegd, »ik denk dat ik hier in Eisleben, waar ik geboren en

gedoopt ben, wel blijven zal.« Hij sliep een paar uren, maar stond

toen weer op en was erg onrustig. Dit bleef zoo het verdere van den

avond. Telkens hoorde men hem bidden. Eindelijk legde hij zich weer

neer. 't Was intusschen al nacht geworden.

Zwijgend stonden de saamgeroepenen met den dokter en zijn drie zonen

om zijn rustbed. Af en toe hoorde men hem spreken, woorden van geloof

en hoop. Ook zijn lievelingstekst, Joh. 3: 16; »Alzoo lief heeft God

de wereld gehad«. Toen het einde naderde, vouwde hij nog eenmaal de

handen en hoorde men: »Aan U, o Heere Jezus Christus beveel ik mijn

ziel! Ik verlaat deze wereld, maar ik weet, dat ik eeuwig bij U zal

leven. O Heere! waarachtige God! in Uw handen beveel ik mijn geest;

want Gij hebt mij verlost.«

Even daarna vroeg zijn vriend Justus Jonas hem: »Eerwaarde Vader, zult

ge op Christus en de leer, die gij gepredikt hebt, nu ook standvastig

sterven?«

»Ja!« klonk het met een blijde, heldere stem door de kamer.

Dit was Luthers laatste woord. Kort daarop ging de ziel van den

grooten hervormer naar het Vaderhuis, 18 Februari 1546, 's morgens te

4 uur.

Luther had een vorstelijke uitvaart. 19 Febr., te 3 uur werd zijn

stoffelijk overschot, onder klokgelui en gezang, naar de Andreaskerk

gedragen, gevolgd door vorsten, graven en gravinnen, en een

ontzaglijke menigte volks. Daar, vóór het altaar, werd het neergezet

en door Justus Jonas een gedachtenisrede gehouden. Den volgenden

middag stond er opnieuw een onafzienbare menigte op de straat

saamgepakt of zag aan ramen en van daken toe, terwijl de stoet gevormd

werd, die den doode, op verlangen van den keurvorst, naar Wittenberg

zou overbrengen. Tusschen twaalf en één uur zette de lijkstoet, door

twee jonge graven van Mansfeld en meer dan vijftig ruiters begeleid,

onder het luiden van al de klokken zich in beweging.

Het geheele land was met rouw vervuld en beweende den geliefden doode

als een vader. Door heel Saksen werden in alle steden en dorpen, waar

de stoet doortrok, de klokken geluid. Te Wittenberg werd hij bij de

Elsterpoort door de geheele bevolking opgewacht. Vóór de pastorie

sloot zijn bedroefde vrouw met haar elfjarig dochtertje en eenige

vriendinnen in een kleinen wagen zich er bij aan. En zoo ging het,

langs de universiteit, de Slotkerk binnen, door dezelfde deur, waar

hij acht en twintig jaren geleden, toen onbewust nog, het groote

hervormingswerk begonnen was. Daar rust Maarten Luther naast zijn

keurvorst, dicht bij den preekstoel, waar hij zoo menigmaal de Blijde

Boodschap heeft doen hooren.

Zelfs de haat moest hem laten rusten. Toen er namelijk in het volgende

jaar werkelijk een godsdienstoorlog uitbrak en keizer Karel als

overwinnaar in Wittenberg kwam, zag hij daar in de Slotkerk het graf

van Luther. De wreede hertog van Alva stond bij hem en gaf hem den

raad, het gebeente van dien ketter te laten opgraven en verbranden.

Maar de keizer antwoordde: »Laat hem rusten. Hij heeft zijn rechter

reeds gevonden. Ik strijd tegen levenden, niet tegen dooden.«

Zoo sprak de zegevierende keizer. Maar de oorlogskans keerde. Na

enkele jaren werd de overwinnaar door keurvorst Maurits van Saksen

zelf overwonnen en op de vlucht gejaagd, en moest hij alles

teruggeven, wat hij in 1547 gewonnen had. Niet lang daarna, in 1555,

kwam er een vrede tot stand, de _Augsburgsche Godsdienstvrede_

genaamd, waarbij de Hervorming als wettig werd erkend en den

Evangelischen volle vrijheid in de uitoefening van hun godsdienst

werd gewaarborgd.

[Illustratie: KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT.]

Met dank- en vreugdefeesten werd deze vrede door hen gevierd; en als

een overwinningslied klonk door de Duitsche landen de dankbare

jubeltoon: De rechterhand des Heeren is verhoogd! De rechterhand des

Heeren doet krachtige daden!

* * * * *

Te Worms is bij gelegenheid van het drie en een halve Eeuwfeest der

Hervorming een prachtig gedenkteeken opgericht. De middengroep ervan

zien we op het omslag van dit boekje afgebeeld.

In het midden, als hoofdpersoon, rijst boven alle uit de kloeke figuur

van Maarten Luther, den blik naar boven gericht en de rechterhand op

den Bijbel, dien hij met de linker omvat houdt, als wilde hij het der

wereld nòg toeroepen: »Dat Woord wil en kan ik niet laten varen!«

Aan zijn voeten zitten de voorloopers der Hervorming: Petrus Waldus en

John Wicklef, die we er niet, Johannes Hus en Savonarola, een

Italiaansche monnik, die we er wèl op kunnen zien.

Op het voetstuk leest men op den voorkant Luthers heldenwoord op den

Rijksdag te Worms: »Hier sta ik. Ik kan niet anders. God helpe mij.

Amen!«

Om die hoofdgroep heen staan op de vier hoeken keurvorst Frederik de

Wijze, landgraaf Philips van Hessen, en de beide geleerden Johann

Reuchlin en Philippus Melanchton, die door hun groote taalkennis, de

eerste van het Hebreeuwsch, de laatste van het Grieksch, Luther van

zooveel nut zijn geweest bij het vertalen van den Bijbel.

Daartusschen zitten drie stedemaagden, beelden van Spiers, de stad van

het _Protest_, waarnaar wij nog Protestanten heeten; Augsburg, de stad

van de _Geloofsbelijdenis_ en van den _Godsdienstvrede_, en het arme

Maagdenburg, dat veel geleden heeft om het geloof en in den

dertigjarigen oorlog geplunderd, verbrand en gruwelijk uitgemoord is.

Dat gedenkteeken van Worms is het grootste Hervormingsmonument van de

wereld.

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 24 / 27 题