Het Leipziger twistgesprek.
Intusschen wachtte den hervormer nieuwe strijd. Docter Eck,
hoogleeraar te Ingolstadt, nogal een vroegere vriend, ging ook heftig
tegen Luthers geschriften te keer. Hij kon het maar niet verdragen,
dat de boeken van dien »nietigen monnik« door heel Europa zoo gretig
gekocht en gelezen werden en wilde in het openbaar met hem
redetwisten, om voor aller oog aan te toonen, dat Luther ongelijk had.
Luther moest nu zijn belofte om te zwijgen wel breken. De vrienden
waren weer vol vrees. Niemand had nog ooit Dr. Eck durven weerleggen.
En dan het ònderwerp van den twist: Het oppergezag van den paus! Hoe
durfde de arme monnik zich dááraan te wagen!
Ook zijn keurvorst was ongerust. Maar Luther sprak al dien
vreesachtigen moed in. »De waarheid zal zegepralen,« zei hij; »niet
door _mijn_ hand, noch door de _uwe_, noch door die van eenig ander
mensch; maar door de rechterhand van God. Mocht ik ook bezwijken, de
wereld zal met mij niet vergaan.«
En zoo ging de dappere man in den zomer van 1519, in gezelschap van
zijn Wittenbergsche vrienden en een menigte studenten, naar Leipzig,
waar het twistgesprek zou gehouden worden in de groote ridderzaal van
het hertogelijk kasteel Pleissenburg, ten aanhoore van hertog George
van Saksen, een groote schare van graven, abten, ridders en andere
aanzienlijke en geleerde mannen.
De hoogmoedige Eck, prat op zijn geleerdheid, hield zich vooruit al
van de overwinning verzekerd. Het ging, als gezegd, voor een groot
deel over het oppergezag in de Kerk. Eck zei, dat de paus het
opperhoofd was, als stedehouder van Christus, en grondde al zijn
beweringen op de uitspraken van de Kerkvaders. Maar Luther antwoordde:
»Christus zelf is het Hoofd en niet een mensch. _Christus moet als
Koning heerschen_, zegt de Bijbel. En wanneer alle Kerkvaders anders
leerden, zou ik mij tegen hen allen aankanten, steunende op het gezag
van de H. Schrift.«
Luther beriep zich trouwens bij alles op den Bijbel. De Bijbel was
zijn eenig wapen in elken strijd. En daar kon zijn tegenstander niet
tegenop. »Dr. Eck is bang voor den Bijbel en loopt over de H. Schrift
heen als een spin over het water,« verweet Luther.
En dat was waar. Eck moest het dan ook tegen Luther afleggen. Hij deed
wel alsof hij het gewonnen had, maar in zijn hart wist hij wel beter;
en de verstandigen dreven den spot met hem, zelfs in zijn eigen land;
vooral met de pen. Maar _dit_ keurde Luther niet goed. »'t Is beter
openlijk aan te vallen dan achter een heg verscholen te bijten,« zei
hij.
Dat Leipziger twistgesprek, dat bijna drie weken geduurd heeft, had
voor de zaak der Hervorming heerlijke gevolgen. Want het pas ontstoken
licht der waarheid, dat door Luthers belofte aan Von Miltitz, in
Duitschland althans dreigde gedoofd te worden, vlamde er opnieuw hoog
door op. En dat niet door toedoen van Luther, die uit zichzelf het
zwijgen niet verbroken zou hebben, maar juist door zijn tegenstanders.
Wel een krachtig bewijs, dat de Hervorming geen menschenwerk, maar
Gods werk was.
De kleine prins George von Anhalt, een jongen van pas twaalf jaar, die
te Leipzig studeerde, was ook onder de toehoorders geweest, en had er,
op een van de voor het Hof bestemde zetels, met alle aandacht
geluisterd. Een groote dorst naar kennis, en vooral naar waarheid,
leefde er in dat jongenshart. »Een vorst past geen leugentaal,« was
een van zijn leuzen. Gedurig smeekte hij God om toch zijn hart tot de
waarheid te neigen. »Doe met Uw knecht naar Uw barmhartigheid en leer
mij Uw inzettingen,« bad hij vaak onder tranen. Door den dood van zijn
moeder, een vrome vrouw, die in stilte de nieuwe leer aanhing, was hij
in het bezit van al Luthers geschriften gekomen. En wat hij nu op den
Pleissenburg tusschen die beide geleerden had hooren verhandelen, had
hem, zoo jong als hij was, ernstig aan 't denken gebracht en een
oprechte genegenheid voor Luther doen opvatten. Met volle overtuiging
en zonder eenige vrees schaarde die lieve jongen zich openlijk aan de
zijde van het Evangelie, zonder zich te laten weerhouden door de
schoone beloften noch door de bedreigingen van zijn voogden en zelfs
van hertog George. De Hervorming heeft in hem steeds een trouw vriend
gehad. Later, als regeerend vorst, heeft hij zelf aan zijn onderdanen
het Evangelie verkondigd.
Ook voor den hervormer zelf was die redetwist van groot belang; want
door die nieuwe verdediging van de waarheid tegen de dwaling, leerde
hij de waarheid nòg weer beter verstaan. Hij was nu ook tot de volle
overtuiging gekomen, dat hij met de Roomsche Kerkleer breken moest.
»Mijn besluit is genomen,« zei hij. »Ik wil met Rome geen gemeenschap
meer hebben. Ik veracht zijn woede en ik veracht zijn gunst. 't Is nu
uit met mijn toegeeflijkheid.«
Luther gevoelde zich nu tegenover Rome volkomen vrij; en in een
ernstigen, gemoedelijken brief deelde hij den paus de reden mee van
zijn scheiden. Hij schetst daarin het bedrog van Rome en zegt dan: »O,
voortreffelijkste Leo! wel verre van ooit een slechte gedachte omtrent
u gekoesterd te hebben, wensch ik u voor de eeuwigheid de kostbaarste
goederen. Ik heb slechts één zaak gedaan: ik heb het Woord der
waarheid gehandhaafd. Ik ben bereid om voor allen in alles te wijken;
maar dat Woord wil en kan ik niet laten varen. Wie anders van mij
denkt, denkt verkeerd. 't Is waar dat ik het Hof van Rome aangevallen
heb; maar noch gijzelf, noch eenig mensch op aarde kan ontkennen, dat
er aangaande de goddeloosheid die er heerscht, geen hoop op genezing
bestaat. Ja, ik ben met schrik vervuld geweest, ziende dat men onder
uw naam het arme volk van Christus bedroog.... O Leo, mijn Vader! hoor
niet naar de vleiers, die u zeggen dat gij niet een mensch, maar een
halve god zijt, en dat gij alles kunt bevelen, wat u behaagt. Ik ben
mogelijk te stoutmoedig, maar de liefde dringt mij en ik moet een stem
van waarschuwing en heil doen hooren.... O Leo, mijn Vader! gij zetelt
op den gevaarlijksten troon. Ik zeg u de waarheid, omdat ik u
hartelijk genegen ben.... Ziedaar waarom ik tegen dien zetel, die den
dood aanbrengt, uitgevaren ben. Wel verre van tegen uw persoon op te
staan, heb ik er door voor uw behoud meenen te werken.... Maar ziende
dat al mijn zorgen om den Stoel van Rome te hulp te komen vergeefsch
waren, heb ik hem den scheidbrief gegeven en gezegd: Vaarwel,
Rome!...« En dan biedt hij den paus een boekje aan, dat hij pas
geschreven had: _De vrijheid van een Christenmensch_. »Ik ben arm en
heb niets anders om u aan te bieden,« zegt hij; »maar hebt gij iets
anders nóódig dan geestelijke gaven?.... De Heere Jezus behoede u
eeuwig. Amen!«
Terwijl Luther aldus afscheid nam van Kerk en paus, was Eck, uit wraak
over zijn nederlaag, op hooge beenen naar Rome gereisd en had daar
weten te bewerken, dat er een banbul tegen Luther uitgevaardigd werd,
waarin de paus beval, al zijn als kettersch verklaarde schriften in
het openbaar te verbranden, hem het prediken, onderwijzen en schrijven
te verbieden, en, zoo hij binnen zestig dagen niet herriep en zich met
de Kerk verzoende, hem en zijn aanhangers als vervloekte ketters
gevangen te nemen en naar Rome te brengen.
Eck zelf bracht de bul in September 1520 in triomf naar Saksen, om
daar te worden afgekondigd. Maar hij legde er niet veel eer mee in. In
de eene stad werd ze aangeplakt op een plaats, waar niemand haar kon
lezen; in andere steden plakte men haar in 't geheel niet aan. De
studenten, op een relletje belust, maakten het er den overbrenger zoo
lastig om, dat hij de wijk moest nemen en naar hetzelfde klooster
vluchtte, waar Tetzel een schuilplaats had gezocht. Toen ze den man
zelf niet meer te pakken konden krijgen, vergenoegden ze zich met een
liedje op hem te maken en dit langs de straten te zingen. Eck hoorde
het in zijn gevangenis. Later, toen hij zijn kans schoon zag, kwam hij
met zijn bul in Erfurt. Maar de studenten dáár verscheurden al de
exemplaren en wierpen de stukken in het water. »Een bul[1] moet
zwemmen,« zeiden ze.--»Nu is het een echte bul«, grapte Luther, toen
hij er van hoorde.
Intusschen werden er reeds in onderscheiden plaatsen buiten
Duitschland brandstapels opgericht voor de schriften van den ketter.
Die zouden er den schrik wel inbrengen, hoopten Rome's dienaren.
Zoo ook te Leuven. »Luther«, zoo kwamen daar de leeraren van de
hoogeschool zich bij Margaretha, de landvoogdes der Nederlanden
beklagen, »Luther keert het heele Christelijke geloof om.«
»Wie is die Luther?« vroeg de landvoogdes.
»Een domme monnik,« was het antwoord.
»Welnu«, luidde haar raad, »gij, die geleerd en met zoo velen zijt,
schrijft tegen hem. De wereld zal eerder vele geleerden dan één dom
mensch gelooven.«
De geleerden vonden echter gemakkelijker de werken van dien »dommen
monnik« te verbranden dan ze te bestrijden. En terwijl ze daarmee
onder veel bekijks bezig waren, kwamen studenten en burgers met nog
meer boeken aandragen. De geleerde stokers verheugden zich reeds over
dien bijval. Maar hun blijdschap sloeg in woede over toen ze
ontdekten, dat men hen beet had en het Roomsche boeken waren, die daar
lagen te branden in hetzelfde vuur, dat de werken van den ketter
verteerde.
Luther was de eenige, die rustig bleef temidden van al het rumoer.
»Laat men mijn werken maar vernielen,« zei hij. »Ik heb eenige zielen
tot den Bijbel willen leiden. Als ze _dien_ kennen, hebben ze _mijn_
schriften niet meer noodig.«--Vrees kende hij niet, want hij
vertrouwde onder alles op God. »Geen blad van een boom valt op de
aarde zonder den wil van onzen Vader,« bemoedigde hij zijn bezorgde
vrienden, »hoeveel minder dan wij! Het zegt weinig, voor het Woord te
sterven, daar het Woord vleesch voor ons werd en voor ons gestorven
is. Ik verblijd mij, dat ik voor de beste zaak wat kwaad te lijden
heb.«
Zoo had zelfs Rome's banbul hem niet kunnen verschrikken. Zijn eenig
antwoord daarop was een nieuw geschrift: _Tegen de bul van den
Antichrist_. Zoo noemde hij nu den paus.
[Illustratie: LUTHER VERBRANDT DE PAUSELIJKE BUL.]
Maar Luther meende nog meer te moeten doen. Hij had in het openbaar
tegen den aflaathandel gestreden, thans wilde hij in het openbaar de
gehoorzaamheid aan den paus opzeggen. Sinds het hem duidelijk was
geworden, dat de paus Gods Woord niet eerde en de dienaren van
Christus vervolgde, kon hij hem niet langer gehoorzaam zijn. En zoo
liet hij den 10den December, in de vroegte, aan den muur van de
hoogeschool te Wittenberg een kennisgeving aanplakken, dat doctor
Martin Luther voornemens was, dien morgen te negen uur, buiten de
Elsterpoort, de pauselijke bul en andere Roomsche geschriften te
verbranden, en iedereen uitnoodigde om daarbij tegenwoordig te zijn.
In minder dan geen tijd wist heel de stad het; en op het bepaalde uur
stroomde alles er heen; professoren, studenten, en een groote menigte
volks, ouden en jongen, rijken en armen, voor- en tegenstanders. Een
houtmijt werd opgericht. Een der leeraren stak die aan. En na eerst de
andere schriften verbrand te hebben, nam Luther de bul, hief die
omhoog en wierp ze voor aller oog in de vlammen, met de woorden:
»Omdat gij de heiligen des Heeren bedroefd hebt, zoo vertere u het
eeuwige vuur!«