Bos. De Boekhouder.
BOS. Dòl! Ze zou in staat zijn me goeie naam met d’r kostschoolfratse
te bederve! – Wie ’r verder komt, zend je weg, begrepen? – Tuig! –
Rapalje! – Dat hééle nest deugde niet. – Die vérdómde dronkelap! – Die
kerel die na jenever stinkt! (weerklinkt buiten Jelle’s viool) – Dat
mot ’r nog bijkomme! (voor het raam) Ruk uit! Nee, geen cent! (de
muziek houdt op) ’k Ben gewoon ondersteboven... (smakt in zijn stoel,
neemt vinnig Clémentine’s schetsboek op, bladert er in, smijt het op
den grond, bukt zich, rukt er eenige blaadjes uit, verscheurt die. Een
oogenblik zit hij in gedachten, schelt aan de telefoon) Hallo! – Met
Dirksen – Dirksen, zeg ik – de assuradeur! (wacht somber kijkend) –
Hallo! Ben jij daar, Dirksen? – ’t Is mis met de Hoop van Zegen – ’n
Luik met mijn merk angespoeld en ’t lijk van ’n matroos (in ruzietoon
overgaand) Wat zeg-je? Kan je begrijpe! – Geen kwestie van! Twéé en
zestig dage! De waarschijnlijkheidskans is zóo groot – (gekalmeerd)
Goed – ’k Zal je bij me op kantoor wachte – Maar ’n beetje spoed, hè? –
Ja – voor veertienduuzend gulden – Bejour! (schelt af – bij de laatste
woorden is Kniertje binnengekomen).