Een kreet van woede ontsnapte aan Levisons dikke lippen. Als
krankzinnig danste de kleine man van het eene been op het andere.
Buiten zichzelf van woede sloeg hij zich met de gebalde vuisten tegen
het voorhoofd en riep:
„O, ezel die ik ben! Tiendubbel kameel! En ik heb zelf dezen schurk,
dezen bedrieger een handje geholpen!”
Mr. Dickson, wien dit onaangename voorval in zijn huis uiterst pijnlijk
was, wilde den opgewonden man tot kalmte brengen.
Deze sloeg echter met handen en voeten om zich heen en schreeuwde:
„Ezel, die ik ben! Ezel, die ik ben!—Zulk een aartsgauwdief, zoo’n
schurk, zoo’n ellendeling! Eerst heeft hij mij den handschoen
ontstolen, zoodat ik 8000 francs schade heb en nu gaat hij er nog
vandoor met mijn ring en horloge! O, zoo’n schurk, zoo’n gauwdief!”
Door het geschreeuw waren de andere gasten naderbij gekomen—het
trappenhuis vulde zich met de genoodigden van Mr. Dickson.
Als een loopend vuurtje verspreidde zich onder hen het bericht van den
grooten diefstal.
Kreten als: „Zulk een dief! Hoe, die charmante graaf! Raffles!—De
spitsboef!—Waar is de schurk?—” klonken verward dooreen.
Eenige dames waren flauw gevallen, wat de algemeene verwarring nog
grooter maakte.
„Een dokter!”—„Water!”—„Eau de cologne!”—„De Dief!”—„Hulp!”—„Ik
sterf!”—„Politie!”— —
Te midden van dit oorverdoovend lawaai klonken drie forsche slagen op
de deur, die toegang gaf tot de villa.
Als geëlectriseerd luisterden allen.
Dat waren de drie slagen, welke de terugkomst van den toovenaar zouden
aankondigen. Zou dan toch alles een nieuwe grap zijn geweest?—
Vol blijde verrassing keken de gasten elkaar aan en uit damesmonden
klonk het:
„Daar is hij weer terug, de beminnelijke graaf! Gelukkig! Ik wist het
wel!—Dat kon onmogelijk een spitsboef zijn!”
De bedienden haastten zich om de deur te openen en binnen kwam,—wel is
waar niet de vurig verwachte graaf Armani—maar wel de bekende
politie-inspecteur Baxter.... Hij was vergezeld door den gemoedelijken
detective Marholm en een aantal agenten.
Een algemeene kreet van verbazing weerklonk, toen de beambte beleefd
groette en sprak:
„Mr. Dickson, gij hebt mij laten roepen naar aanleiding van den bij u
gepleegden diefstal. Hier ben ik om nadere bijzonderheden vast te
stellen.”
Dickson was stom van verbazing.
„Zou ik u hebben laten roepen?” stamelde hij eindelijk. „Ik ben de
laatste uren mijn huis niet uit geweest en heb een dergelijk bevel ook
niet gegeven.”
Inspecteur Baxter’s voorhoofd vertoonde diepe rimpels. Op ernstigen
toon antwoordde hij:
„Voor ongeveer tien minuten geleden hebt gij persoonlijk het bureau van
politie telefonisch opgeroepen en medegedeeld, dat bij u een groote
diefstal was gepleegd. De dief bevond zich nog in uw huis, er moesten
dus onmiddellijk beambten worden gezonden.”
„Ik? Maar geen haar op mijn hoofd heeft daaraan gedacht!”
„Maar Mr. Dickson, gij hebt immers nadrukkelijk verlangd, dat ik,
inspecteur Baxter, persoonlijk zou meekomen.”
Geheel van streek antwoordde de rentenier:
„Ik heb u werkelijk niet laten roepen, inspecteur, maar— — —”
Baxter liet hem niet uitspreken en vroeg op barschen toon, zich tot de
gasten richtend:
„Is hier iemand bestolen?”
„Zeker, ik!”—„Ik ook!”—„Wij allen!”—„Mijn armband!”—„Mijn ring is
weg!”—„Mijn horloge heeft de schurk!”—„Ik ben ook bestolen!”—klonk het
van alle kanten.
Inspecteur Baxter nam Dickson van top tot teen op en sprak:
„Eerst maakt gij melding van den diefstal en nu wilt gij ontkennen?—Wie
zoo doet, handelt zeer verdacht,” voegde hij er met nadruk aan toe.
„Neem mij niet kwalijk...” wilde de huisheer zich verdedigen.
„Gij moet uw mond houden, totdat ik u iets vraag!” snauwde Baxter.
Hierop wendde hij zich tot twee beambten en beval:
„Brengt dien man daar in die leege kamer en bewaakt hem!”
Dickson voelde zich ten diepste gekrenkt en was woedend. Hij verzette
zich wanhopig met handen en voeten, maar het hielp hem niets.
Twee pootige politie-agenten grepen den mageren rentenier beet en
duwden hem in de leege kamer, waarvan zij de deur achter zich sloten.
Toen de politie zoo opeens op het tapijt verscheen, greep met Levison
een merkwaardige verandering plaats.
Hij scheen zich niet op zijn gemak te voelen. Met schuwe blikken keek
hij om zich heen en trachtte ongemerkt een schuilhoek te vinden. Hij
had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en bedekte daarmee, terwijl hij
schijnbaar zijn neus snoot, zijn gelaat. Intusschen trachtte hij,
zonder opgemerkt te worden, de trap op te sluipen om in een anderen
vleugel van het huis te verdwijnen.
Nadat men Dickson had weggebracht, vloog de blik van Baxter langs het
gezelschap.
„Niemand mag het huis verlaten! Alle uitgangen moeten worden bezet!”
De beambten volgden dit bevel op en inspecteur Baxter klom met Marholm
en eenige agenten de breede trappen op.
Boven gekomen, liet hij een tafel voor zich neerzetten en nam plaats om
het verhoor te beginnen.
Allen drongen naderbij en iedereen deed moeite om het eerst aan het
woord te komen.
Luide kreten klonken door elkaar, zoodat de inspecteur nauwelijks aan
het woord kon komen. Met kracht sloeg hij met de vuist op tafel en
luidkeels riep hij:
„De een na den ander! Alleen hij mag antwoorden, wien ik iets vraag!”
Toen eindelijk het eigenlijke verhoor kon beginnen, was het eerste, wat
in zijn ooren klonk, de naam Raffles.
Als door een venijnig beest gestoken, sprong Baxter op. Een donkere
blos bedekte zijn gelaat en woedend riep hij uit:
„Wat? Alweer die aarts-schurk?”
Men overhandigde hem het briefje, dat men in de Indische vaas had
gevonden.
Bij het lezen daarvan was Baxters gelaat van woede verwrongen, terwijl
Marholm een glimlach niet kon onderdrukken.
In den inspecteur was onmiddellijk de vurige wensch opgekomen om den
reeds zoolang gezochten vijand tot elken prijs in handen te krijgen.
Hij staakte het verdere verhoor en snelde bijna zinneloos van
opgewondenheid naar de vertrekken in den anderen vleugel van het
gebouw, want hij was ervan overtuigd, dat Raffles zich nog in huis
bevond.
Na eenige oogenblikken reeds kwam een bediende naar hem toe.
„Heeft iemand het huis verlaten?” beet hij dezen toe.
„Een heer ging zooeven de achterdeur bij de keuken uit.”
Zonder een nadere verklaring af te wachten, snelde Baxter voorwaarts.
Haastig had hij de achterdeur der villa bereikt en, buiten komend, zag
hij, hoe een man zoo snel mogelijk trachtte te ontkomen.
Baxter ijlde, zoo snel hij kon, den vluchteling na.
Toen deze bemerkte, dat hij achtervolgd werd, spande hij zijn krachten
in tot het uiterste.
Het werd een dolle jacht.
Toen de vluchteling een hoek omsloeg, kwam er juist een leeg rijtuig
aan. Hij sprong er in en voorwaarts ging het, in vluggen draf.
Een kreet van woede kwam van Baxter’s lippen, toen hij den vluchteling
zag wegrijden. Hij keek om, of er ook voor hem niet een rijtuig
verscheen, maar daar het reeds laat was, was de straat eenzaam en
verlaten.
Baxter wist niet, wat hij zou doen. Een geheelen tijd trachtte hij het
rijtuig te volgen, maar hij zag wel in, dat hij dit onmogelijk vol kon
houden.
Eindelijk kwam bij de volgende straat een leeg rijtuig van den anderen
kant aanrollen.
Baxter sprong er in en beval den koetsier, het rijtuig, dat in de verte
zichtbaar was, zoo snel mogelijk te volgen.
Het rijtuig, waarin de inspecteur zat, had uitstekende paarden en
weldra werd de afstand tusschen den vluchteling en diens vervolger
kleiner.
Baxter stond in ademlooze spanning rechtop in het rijtuig.
Hij had zijn revolver te voorschijn gehaald en vuurde nu in de lucht om
de aandacht te trekken van den koetsier, die den vluchteling reed.
Deze keerde zich dan ook om en Baxter schreeuwde met alle kracht van
zijn longen:
„Stilstaan! In naam der wet!”
De dolle vaart wekte de aandacht der voorbijgangers op, vooral, daar
men nu in drukkere straten was gekomen.
Toen het eerste rijtuig stil bleef staan, had zich dadelijk een groote
menschenmassa gevormd, die met elk oogenblik nog grooter werd, daar het
schot tot op verren afstand was gehoord.
Men meende een gevaarlijk misdadiger voor zich te hebben. Het volk, als
altijd strijdlustig gezind, had den man, die in het rijtuig zat, onder
luid hoerageroep gegrepen en naar buiten getrokken.
Vuistslagen vielen als hagelsteenen neer op den glimmenden cylinder van
den vluchteling, zoodat deze hem reeds tot over de ooren was gezakt,
toen inspecteur Baxter aankwam.
Deze baande zich een weg door de menigte.
Uit het inwendige van den hoed klonken doffe kreten.
„Wacht, jou schurk, nu heb ik je eindelijk!” riep Baxter en trok den
hoed van het hoofd, dat hij nog niet gezien had.
Toen kwam het van angst verwrongen gelaat van den kleinen Levison te
voorschijn.
Zooals deze reeds aan den valschen graaf Armani had verteld, wenschte
hij volstrekt niet met de politie in aanraking te komen. Toen deze nu
zoo onverwacht in de villa van Dickson was verschenen, hield Levison
het voor raadzaam om zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken
en door zijn overgrooten angst was hij nu in de val geloopen.
Baxter, voor wien Levison geen onbekende was, keek zijn gevangene
verbaasd aan.
In de verwarring van het oogenblik stamelde hij:
„Maar gij zijt Raffles toch niet?”
„Ach neen, inspecteur, ik ben Levison,” antwoordde een klagende stem.
„Voor den duivel, mijnheer, wat doet gij hier?”
„Ik was op weg naar huis!”
De inspecteur had zijn zelfbeheersching teruggekregen en vroeg op
strengen toon:
„Gij komt immers uit de villa van Mr. Dickson?”
Levison antwoordde bevestigend.
„Ik heb immers verboden, dat zich iemand van daar mag verwijderen. Mijn
bevelen moeten nauwkeurig worden opgevolgd! Ge gaat oogenblikkelijk mee
terug!”
„Met genoegen, heer inspecteur,” verzekerde de kleine man met een zucht
en stapte in het rijtuig van den inspecteur.
In zijn verwarring had hij echter vergeten, zijn koetsier te betalen.
Deze drong zich nu door de menschenmassa en eischte op energischen toon
zijn geld. Met bedroefd hart moest de gevangene, die op dezen
ongelukkigen tocht reeds zijn mooien cylinder had verloren en wiens
elegante smoking danig gehavend was, nu ook nog betalen.
Onder het gejoel en de scheldwoorden der omstanders reed hierop het
rijtuig naar Dickson’s villa terug.
Daar heerschte groote verwarring.
De aanwezigen waren zeer ongeduldig geworden en tot het uiterste
verbolgen over het optreden van inspecteur Baxter, die was weggegaan en
hen allen als gevangenen had achtergelaten.
Toen de beambten van politie Mr. Dickson op zulk een brutale manier in
de leege kamer hadden opgesloten, was zijn echtgenoote in onmacht
gevallen. Men hield zich met haar bezig, en wilde om een dokter zenden,
maar ook dit werd niet toegestaan door de politie-agenten, die zich
strikt aan de bevelen van hun chef hielden en niemand veroorloofden om
het huis te verlaten.
Zoodoende was voor allen de toestand zeer pijnlijk en men herademde
letterlijk, toen eindelijk de inspecteur, vergezeld door Levison,
terugkwam.
Het verschijnen van den vluchteling was een nieuwe verrassing, want
niemand had opgemerkt, dat Levison er van door was gegaan en niemand
kon begrijpen hoe de kleine man in zulk een beklagenswaardigen toestand
was gekomen.
Op de vragen, die men hem van alle kanten deed, antwoordde hij slechts
met een verlegen schouderophalen en men vernam alleen, dat hij had
getracht, zoo snel mogelijk naar huis te komen, omdat hij genoeg had
gehad van het lawaai.
Na een paar uur was eindelijk het uitvoerige verhoor der aanwezigen
afgeloopen en had Baxter zijn proces-verbaal gesloten.
Door de mededeeling der gasten had hij zich overtuigd, dat op Mr.
Dickson geen spoor van verdenking kon vallen en hij zag zich gedwongen
den zoo onrechtvaardig behandelden gastheer weer vrij te laten.
Hij was echter zoo verontwaardigd over het feit, dat Raffles hem ook
dezen keer weer was ontkomen, dat hij geen enkel woord van
verontschuldiging kon vinden.
Met de woorden:
„U zult er wel meer van hooren!” verliet hij de villa van den
rentenier, terwijl de gasten met zeer gemengde gewaarwordingen
achterbleven.