DE VALSCHE RAFFLES.

Toen Raffles en Charly ongemerkt de villa van den rentenier hadden

verlaten en in een auto hadden plaats genomen, wilde de Groote

Onbekende zijn vriend de geroofde kostbaarheden in bewaring geven.

Deze weigerde echter en sprak:

„Ik ben het niet met die maatregelen eens, Edward. Wat hebben die

menschen misdaan, dat je hen bijna allen hebt bestolen? Dat was

onbillijk van je!”

„Mijn beste Charly, ik weet heel goed, wat ik doe. Die lieden kunnen

hun kleinoodiën best missen en zullen, ondanks dit verlies, geen gebrek

lijden.

„De waardevolle artikelen, die ik hier heb, zullen mij echter in staat

stellen een rampzalige voor het ergste te bewaren en hem uit een groot

gevaar te redden.

„Ik weet nog niet, of het mij zal gelukken nog heden den jongen Lord

Clowdon tenminste voor een gedeelte te helpen aan het vermogen, dat hij

heeft verkwist ter wille van de hebzuchtige Anna Fleuron.

„Hij moet echter weg uit Londen en zoo mogelijk in de eerstvolgende

uren; anders zou het best kunnen zijn, dat hij ook nog in hechtenis

wordt genomen, daar die vrouw er zich niet voor heeft geschaamd, om de

zoogenaamde poging tot moord als reclamemiddel bekend te maken.

„Ik zelf ben op het oogenblik niet in staat, hem het noodige geld te

verschaffen en daarom moeten, in geval van nood, deze kostbaarheden

helpen.”

„Eigenlijk maak je mij altijd beschaamd, Edward; ik meende je te

betrappen op oneerlijke handelingen en moet weer erkennen, dat je je

edel doel om de nooddruftigen te helpen, nooit uit het oog verliest.”

Charly drukte zijn vriend innig de hand.

Op dit oogenblik reed de auto langs een postkantoor.

Raffles liet stilhouden en, zonder zijn vriend te vertellen wat hij

ging doen, verdween hij snel in het gebouw.

Reeds na eenige minuten verscheen hij weer. Hij lachte vergenoegd en

sprak, weer instappend, tot Charly:

„Ik heb onzen geachten gastheer de moeite bespaard om de politie te

alarmeeren. In zijn naam heb ik zoo even per telefoon mijn vrienden van

Scotland Yard meegedeeld, dat bij Mr. Dickson een groote diefstal heeft

plaats gehad.

„In elk geval zal men zeer verbaasd zijn, als daar plotseling de

politie komt opdagen. Nu kunnen de gasten hun verklaringen onmiddellijk

laten opschrijven, zoodat het proces-verbaal kan worden opgemaakt. Ja,

ja, men moet zijn lieven medemenschen het leven altijd zoo aangenaam

mogelijk maken.”

Charly moest hartelijk lachen om deze overmoedige daad van zijn vriend.

Raffles was ernstig geworden. Hij keek peinzend uit de raampjes der

auto naar buiten en het was zeer duidelijk aan zijn intelligent gelaat

te zien, dat hij nieuwe plannen smeedde.

Na een korte pauze sprak hij tot Charly:

„Jij rijdt dus nu zoo snel mogelijk naar het hotel, betaalt onze

rekeningen en bezorgt alles aan het station.—

„Ik spoed mij intusschen naar het rendez-vous, dat ik met Fleuron heb

en zal eens zien, wat ik in het belang van den jongen Lord Clowdon kan

doen.

„Hopelijk zal mijn plan gelukken.

„Je moet mij aan het station wachten. Ik denk over hoogstens een uur

daar te zijn en dan zullen wij wel eens zien, waarheen wij ons

voorloopig zullen begeven.”

Raffles liet de auto stilhouden, hij deelde den chauffeur het adres

mede van het hotel, waar zij woonden en waarheen Charly zou

terugkeeren, om alles voor de op handen zijnde reis in gereedheid te

brengen.

Toen de gasten, die in de salons van den heer Dickson bijeen waren,

vernamen, dat een der beide heeren plotseling ongesteld was geworden,

spraken allen hun leedwezen hierover uit.

De bange voorgevoelens, die bij sommige der gasten waren opgekomen,

verdwenen weer, want dit was immers de verklaring, waarom de graaf en

zijn vriend nog niet waren teruggekeerd.

Alleen kon men niet goed begrijpen, waarom geen der beide heeren iets

had medegedeeld van die plotselinge ongesteldheid, of tenminste had

getracht, hulp te verkrijgen in de woning van den gastheer. Aan de

kostbaarheden dacht men op dat oogenblik niet eens.

De vrouw des huizes, die haar kostbaar collier in de Indische vaas had

gelegd, was de eerste, die zoekend naar haar eigendom rondkeek.

Nergens echter was de vaas te ontdekken.

Een der bedienden fluisterde Mr. Dickson toe, dat hij had gezien, hoe

de heeren bij het verlaten der kamer de vaas hadden meegenomen.

„Dan zal zij ginds in de voorkamer staan,” sprak Dickson en begaf zich

daarheen.

Eenige der gasten volgden hem en—ziedaar, in een der vensternissen

stond het gezochte voorwerp.

Levison, die, vervuld met sombere voorgevoelens, met den gastheer was

meegegaan, was de eerste, die zich haastte om in de vaas te kijken.

Na eenige oogenblikken richtte hij zijn hoofd weer op; zijn gelaat was

doodsbleek geworden en het angstzweet parelde op zijn voorhoofd.

Lord Lister No. 0037: De Diamantenkoningin · 第 25 / 31 题