Aan de rechterzijde van den gastheer was den voornaamsten gast—Graaf
Armani—een plaats aangewezen.
Het souper verliep schitterend.
De graaf wist door zijn beminnelijkheid, zijne groote gave om boeiend
te vertellen en door zijn geestige invallen niet alleen het geheele
gezelschap voortdurend aan zijn lippen te doen hangen, maar verwierf
ook de grootst mogelijke belangstelling van alle aanwezigen, vooral van
de leden van het schoone geslacht.
Door zijn grappige gezegden had hij zelfs de wolken verdreven van
Levisons voorhoofd.
Men was aan het dessert begonnen, toen Levison, die schuin tegenover
Raffles zat, zich tot dezen overboog en hem vroeg, of hij misschien, om
de algemeene vroolijkheid te verhoogen, eenige van zijn tooverstukjes
ten beste wilde geven.
Deze woorden waren door de tafelburen gehoord. Dadelijk werd het
voorstel met geestdrift begroet en allen verzochten den graaf om een
paar kunststukjes te vertoonen.
„Mijn beste dames en heeren, het is werkelijk niets bijzonders, wat ik
kan. Het zijn eigenlijk niets dan doodgewone zakkenrollerskunstjes.
Gelooft mij, ik beschik over geen bovenaardsche gaven, al is het
resultaat ook overbluffend. Maar ten slotte, ik geef er u mijn woord
op, is het toch eigenlijk niets anders dan—bedrog!”
Raffles had deze laatste woorden met bijzonderen nadruk uitgesproken en
een veelbeteekenend glimlachje vloog over zijn gelaat.
Men haastte zich om hem te verzekeren, dat men niets buitengewoons
verwachtte en met alles tevreden zou zijn, wat de gast hun zou
vertoonen.
Aan het algemeene, dringende verzoek kon Raffles geen weerstand bieden
en hij verzocht een spel kaarten.
Men verdrong zich om hem heen en John Raffles legde met een handigheid
en vlugheid, die de algemeene verbazing opwekte, proeven van groote
bekwaamheid af.
Nadat men zich een tijdlang met deze kunstjes had vermaakt, ging hij
over tot andere, meer of minder bekende tooverstukjes.
Hij liet zich door een der aanwezigen een geldstuk geven en verzocht
den eigenaar er een geheim teekentje op te zetten, opdat hij in staat
zou zijn, zich ervan te overtuigen, dat het geldstuk hetwelk hij terug
zou krijgen, hetzelfde was, dat hij aan graaf Armani had gegeven.
Dit aldus gemerkte geldstuk tooverde hij in een bepaald leeg glas,
zonder dit met zijn handen te hebben aangeraakt. Hij liet het glas
rondgaan en iedereen kon zich ervan overtuigen, dat het geldstuk met
het geheime teekentje er zich werkelijk in bevond.
Daarna zette hij het glas voor zich neer, bedekte het met een servet en
mompelde geheimzinnige spreuken.
Toen hij na eenige oogenblikken het servet verwijderde, was het
geldstuk verdwenen en tot algemeene verbazing lag het onder het bord
van een dame aan het andere einde van de tafel.
Hoe het daar was gekomen bleef voor allen een raadsel, want Raffles had
zijn stoel niet verlaten.
Levison, die er trotsch op was, dat zijn verzoek aan den graaf, om de
gasten te amuseeren door tooverkunsten, zulk een grooten bijval had
gevonden, voelde zich geroepen om zijn avontuur met den zegelring te
vertellen.
„Ik verzeker u, dames en heeren, dat hij den ring werkelijk buiten de
kamer heeft gegooid. Ik heb het duidelijk gezien en ook gehoord, hoe de
ring over den vloer rolde.
„Geen oogenblik heeft hij ons tafeltje verlaten en toch duurde het niet
eens lang, of ik vond den ring terug in mijn sigarenkoker.”
Dit verhaal wekte de algemeene bewondering op en men bestormde Raffles
van alle zijden om nu een dergelijk kunststuk te vertoonen.
Na lang bidden verklaarde hij zich eindelijk bereid en sprak:
„Goed! Als gij het dan volstrekt wilt, zal ik iets laten verdwijnen.
Gij moet zelf maar zeggen, wat het moet zijn.”
Nu werden hem van alle kanten kostbaarheden, zooals ringen,
paarlencolliers en dergelijke sieraden overhandigd.
Een bijna onmerkbaar lachje vertoonde zich op Raffles’ gelaat, hij
stond op en sprak:
„Zooals ik zie, zijt gij allen op bijzonder welwillende manier bereid
om uw eigendommen te mijner beschikking te stellen.
„Om aan al uw wenschen tegelijk te kunnen voldoen, zal ik een kunststuk
vertoonen, waaraan elk van u kan deelnemen.
„Maar ik maak er u opmerkzaam op, dat dit voor vanavond mijn laatste
tooverkunstje zal zijn.”
Hij nam een groote Indische vaas van een voetstuk en ging met deze de
rondte doen om de tafel.
Hij verzocht iedereen, aan sieraden daarin te werpen, wat men wilde en
beloofde met grappige woorden, dat hij nu een zoo verrassend kunststuk
ten beste zou geven, dat geen der aanwezigen het ooit weer zou
vergeten.
Onder lachen en schertsen haastte men zich, sieraden van allerlei soort
in de vaas te deponeeren.
Vooral de dames waren er bijzonder op gesteld, den mooien, innemenden
Italiaanschen graaf zooveel kostbaarheden als maar mogelijk was toe te
vertrouwen.
Toen de graaf bij allen was geweest, ging hij met een buiging naar zijn
plaats terug.
Hij zette de vaas met haar kostbaren inhoud op een klein tafeltje, dat
dichtbij de deur der eetzaal stond.
Nu verzocht hij het gezelschap, met het gezicht naar de vensters te
gaan zitten.
Terwijl de bedienden druk bezig waren, de zitplaatsen naar zijn bevelen
te regelen, stond de Groote Onbekende midden in de zaal onder de
gaskroon. Men zag hem een zakboekje te voorschijn halen, waaruit hij
een blaadje scheurde. Hierop schreef hij eenige woorden en stak toen
alles weer in den zak.
In de vroolijkste stemming, onder gelach en allerlei gekheid, had men
volgens den wensch van den tooverkunstenaar plaats genomen.
Deze ging nu voor zijn toeschouwers in een vensternis staan en sprak:
„Mijn waarde dames en heeren!
„In de eerste plaats dank ik u nogmaals hartelijk, dat gij allen mij op
zoo bijzonder beminnelijke wijze tegemoet komt. Ik herhaal mijn
belofte, dat dit kunststuk zoodanig zal zijn, dat gij het nooit in uw
leven zult vergeten. Mijn taak is echter niet gemakkelijk en ik heb
daarom bij de uitvoering ervan hulp noodig.”
Hij keek den kring rond en wenkte zijn vriend Charly Brand, hem
verzoekend, bij de deur der eetzaal te gaan staan.
„Aha! Natuurlijk een goede kennis!” klonk het uit den kring.
Vroolijk sprak Raffles nu:
„Ik heb er u reeds op gewezen, dat het niets bovennatuurlijks is, ten
slotte niets anders dan bedrog! Daarom heb ik ook een bekende als
helper noodig!—
„Nu moet ik nog verzoeken, de lichten uit te draaien en met groote
aandacht naar de vensters te kijken.”
Men haastte zich, aan het verzoek van den tooverkunstenaar te voldoen.
De bedienden draaiden het licht uit en het groote vertrek was in
volslagen duisternis gehuld.
Toen dit was geschied, hoorde men Raffles nog zeggen:
„Blijft nu, alstublieft, volmaakt rustig. Het duurt een poosje, voordat
ik mijn toebereidselen heb gemaakt. Zoodra drie slagen op de deur
worden gehoord, moet gij geen oog van de vensters afwenden.”
Het gezelschap zat bijna roerloos bijeen in de groote zaal. Af en toe
vernam men alleen een zacht gefluister of onderdrukt lachen.
De minuten verstreken echter, zonder dat de aangekondigde drie slagen
op de deur zich deden hooren, welke een eind zouden maken aan het
gedwongen stilzwijgen.
Men had reeds ongeveer tien minuten in donker gezeten, toen eenige
personen, bij wie achterdocht kwam, luide om den graaf Armani begonnen
te roepen.
Deze werden echter tot stilte aangemaand, daar vooral de dames niet
wenschten, dat de mooie Italiaansche graaf door de ongeduldigen
misschien gestoord zou worden.
Toen opnieuw eenige minuten waren verstreken, wilden de heeren zich
echter niet meer laten overreden en daar het roepen om den graaf
vruchteloos bleef, verlangde men met nadruk om licht.
De bedienden, die op bevel van graaf Armani in het donkere vertrek
waren gebleven, ontstaken, ondanks het protest van eenige dames, op
bevel van den gastheer het licht.
Men keek rond naar den graaf, maar deze was nergens te bespeuren.
Een steeds grooter wordende ongerustheid maakte zich meester van de
aanwezigen. Men doorzocht de aangrenzende vertrekken, het trappenhuis
en kwam ten slotte zelfs beneden in het vertrek van den portier der
villa.
Deze deelde mede, dat twee heeren van het gezelschap meer dan een
kwartier geleden het huis hadden verlaten. Een van hen had verteld, dat
hij plotseling ongesteld was geworden. Hij had de overjassen voor de
heeren uit de kleedkamer gehaald en had gezien, dat zij in een auto
waren weggereden.