Levison had verstaan, wat Mr. Dickson met halfluide stem voorlas. Zijn
oogen puilden bijna uit de kassen en dikke zweetdroppels stonden op
zijn voorhoofd. Hij scheen een onmacht nabij te zijn.
Een jonger persoon, die dicht bij de tafel had gestaan, nam den
glacé-handschoen op en zwaaide dien boven zijn hoofd.
Het voorval aan de tafel, dat zich zeer snel had afgespeeld, was aan de
aandacht der meeste gasten ontsnapt, daar deze zich ongedwongen door de
verschillende vertrekken bewogen.
Dichtbij den gastheer stonden behalve Levison, Raffles en Charly alleen
de jonge man, die den handschoen in de hoogte had gezwaaid en met luide
stem riep:
„Ziet gij, mijne heeren, dat is de zeldzaamheid, die Mr. Dickson ons
wilde laten zien. Het is inderdaad een merkwaardigheid, want de
handschoen is zoo oud en versleten, dat hij nauwelijks meer den naam
handschoen kan dragen.”
Het grootste deel der gasten dacht niet anders dan dat Mr. Dickson een
grap had willen uithalen. En men was het er niet over eens of deze
gelukt was of niet. Vooral drie oude heeren, die bekend stonden als
handelaren in oudheden, schudden afkeurend het hoofd.
Spoedig echter had de vroolijke stemming weer de overhand. De
handschoen ging van hand tot hand en men lachte om de geestigheid van
den gastheer.
Dezen was het zeer aangenaam dat de zaak door den inval van den jongen
man dezen loop had genomen.
Toen Levison zag wat er gebeurde, wilde hij driftig uitvallen. Dickson
echter gebood hem het zwijgen en wist door een korte, humoristische
rede tot zijn gasten een schandaal te vermijden. Hij wilde tot elken
prijs de zaak in den doofpot stoppen, daar hem uit het geheimzinnige
briefje duidelijk was geworden, dat Levison de reliquie niet op
rechtmatige wijze in het buitenland had gekregen.
Hij gaf bevel ververschingen rond te dienen. Dit geschiedde en het
duurde niet lang of de gasten verspreidden zich weer in de zalen der
benedenverdieping, vanwaar de muziek tot hen doordrong.
Levison had zich in zijn wanhoop tot Raffles gewend, die naast hem
stond.
„Heer graaf, wat zegt gij ervan? Ik ben een verloren man.”
„Wat is er dan toch, beste Levison,” vroeg Raffles met het
onschuldigste gezicht van de wereld, „het is immers een alleraardigste
grap. Wanneer dat de kostbare schat was, dien gij op reis zoo
zorgvuldig hebt bewaard, dan was die voorzichtigheid wel een beetje
overdreven. Een ouden handschoen hadt ge ook wel in Londen kunnen
krijgen,” sprak hij met een spottend lachje.
„Maar heer graaf, gij weet immers in het geheel niet waarom het te doen
is. Ik heb er 8000 francs voor betaald— —”
„Hoeveel?” vroeg Raffles.
„Achtduizend francs aan goudgeld, zooals Mr. Dickson wel zal willen
bevestigen,” verzekerde hij.
„Zeker, jij gauwdief, 80 francs heb je betaald, en 8000 wou je van
Dickson hebben,” mompelde Raffles tusschen zijn tanden.
„Verbeeld u nu eens,” vervolgde Levison, „al mijn geld is verloren,
want ik moet Mr. Dickson toch die 8000 francs teruggeven.”
„Je verliest er maar 80 francs bij, die straf is veel te gering voor
jou,” dacht Raffles.
Een grenzelooze woede had zich van Levison meester gemaakt, bij de
gedachte aan zijn verlies.
„Zoo’n spitsboef, zoo’n dief!” siste hij.
Daar Raffles en Dickson alleen met Levison waren achtergebleven, gaf
hij nu aan zijn woorden den vrijen loop.
„Wien bedoelt gij toch?” vroeg Raffles met een onnoozel gezicht.
„Natuurlijk, heer graaf, dat kunt gij niet weten, want gij komt uit
Italië, en daar zijn zulke schurken niet, die een fatsoenlijk man als
mij zoo schandelijk bedriegen!”
„Nu, wat dat betreft, men vindt in Italië genoeg dergelijk gespuis.”
„Dat is het juist. Daar is het „gespuis,” en daarvoor kan men zich in
acht nemen, maar hier in Londen is het een gentleman.”
„Onmogelijk,” sprak Raffles verbaasd.
„Wat ik u zeg, een gentleman! Lord Lister moet hij heeten. Hij dringt
zich in de familiegezelschappen en besteelt alle gasten.”
„Nu, als men weet, dat het een Lord——hoe was zijn naam?”
„Lister.”
„Juist, dat het een Lord Lister is, dan moet de politie hem toch gauw
vinden.”
„Och, de politie,” antwoordde Levison schouderophalend. „Ik verzeker u,
die is zoo geslepen, dat ook de politie hem niet krijgt. Overmoedig is
hij.”
Nu vertelde Levison alle geschiedenissen van Raffles, die hij kende.
Schijnbaar zeer oplettend luisterde de groote onbekende, en eindelijk
sprak hij:
„Maar dat is ontzettend! En denkt gij, dat bij uw zaak Raffles ook weer
de hand in ’t spel heeft gehad?”
„Maar, dat is zeker, hij heeft immers weer geschreven.”
„Hoe bedoelt u dat?”
Mr. Dickson overhandigde Raffles nu het blad papier, dat hij bij den
handschoen had gevonden, en waarvan Raffles den inhoud maar al te goed
kende.
Hij deed, alsof hij het ernstig bestudeerde en sprak:
„Ja, er schijnt geen twijfel mogelijk te zijn. In uw plaats zou ik
onmiddellijk de politie waarschuwen.”
„Lieve graaf, dat is zoo moeilijk.” Levison krabde zich verlegen op het
hoofd. „Als de politie komt, wil ze alles weten, en— —”
Lord Lister glimlachte veelbeteekenend, toen hij antwoordde:
„En wat mag de politie dan niet weten?”
„Och, ziet ge— —, die menschen zijn veel te nieuwsgierig,” sprak
Levison met een ongelukkig gezicht.
„Ziet gij, heer graaf, dat is het ergste bij dien Raffles, hij weet het
altijd zoo in te richten, dat men niet zoo tegen hem kan optreden als
men dat graag zou willen.”
„Nu, dan zal men hem ook wel moeilijk te pakken kunnen krijgen,” lachte
Raffles.
Levison antwoordde, den nadruk leggend op ieder woord:
„Als ik eens tegenover dien schurk stond, dan zou ik wel slimmer zijn
dan hij.”
„Dan wensch ik den armen Raffles toe, dat hij nooit in uw gevaarlijke
nabijheid komt.”
Bij deze woorden wendde Lord Lister zich lachend tot den gastheer en
ging met dezen de trap af, daar de bediende had aangekondigd, dat het
souper gereed was.
In zichzelf vloekend en schimpend volgde Levison het tweetal.