De Engelsche stoomboot „Winchester” lag gereed om de terugreis naar
Brighton te aanvaarden.
De sneltrein van Rouaan was aan het station aangekomen, en de beide
vrienden begaven zich naar de aanlegplaats van de boot. Juist wilde
Lord Lister passagebewijzen nemen voor zichzelf en zijn vriend, toen
deze laatste uitriep:
„Kijk eens, Edward, onze vriend is er reeds!”
Zijn scherp oog had den gauwdief ontdekt, die over het dek van het
schip wandelde.
De bagage der beide vrienden werd aan boord gebracht en korten tijd
daarna weerklonk het sein tot de afvaart.
De machine zuchtte en kraakte, de boot begon te dreunen en fier stoomde
de „Winchester” in de richting der Engelsche kust.
Raffles en Charly maakten een kleine wandeling op dek, gedurende welke
zij een gesprek aanknoopten met Mr. Levison.
Deze voelde zich zeer gevleid, dat zulk een deftig, voornaam heer als
de graaf Armani, onder welken naam Lord Lister zich aan hem had
voorgesteld, hem met zijn gezelschap vereerde.
Graaf Armani wist door zijn schitterende welbespraaktheid en
neerbuigende vriendelijkheid Levison al spoedig zoozeer voor zich in te
nemen, dat deze erop gezworen zou hebben, dat er geen beminnelijker
mensch kon bestaan.
De Groote Onbekende wist zeer boeiend te vertellen van zijn reizen en
avonturen.
Terloops vertelde hij, dat hij met zijn vriend juist uit zijn
vaderland, Italië, kwam om Londen te leeren kennen, dat hem tot
dusverre vreemd was gebleven.
Onmiddellijk bood Levison zijn diensten als gids aan.
Dit was juist de bedoeling van Lord Lister. In elk geval wist hij nu
zeker, dat ook zijn wild naar Londen reisde en het heiligdom van St.
Rire dus daarheen verhuisde.
Door dit te weten kon hij echter ook vrij zeker zijn, op de snelste en
gemakkelijkste wijze een middel te vinden om de verblijfplaats van den
handschoen uit te vinden.
De gauwdief, die graag voor man van de wereld wilde doorgaan en zich
veel inbeeldde omtrent zijn succes bij het schoone geslacht, wist het
gesprek handig op muziek en theaters te brengen.
„Weet gij, heer graaf, om treurspelen geef ik niet; die zijn altijd zoo
treurig. Maar de operette met al die aardige meisjes in de koren, of
een kwieke zangeres, dat is mijn genre”, beweerde hij in den loop van
het gesprek.
Lord Lister verzekerde, hoewel hij het er totaal niet mee eens was, dat
dit ook zijn meening was.
Blijkbaar gevleid door dezen bijval, glimlachte de kleine man
vergenoegd en vroeg:
„Hebt gij de mooie Anna Fleuron reeds gehoord? Zij is nu voor vier
weken bij ons in Londen. Ik ken haar zeer goed”.
Levison keek Lister van terzijde aan en deed zijn woorden vergezeld
gaan van een veelbeteekenend knipoogje.
Hij had zijn linkerhand weer in het armsgat van zijn vest gestoken,
maakte met de vingers van zijn rechterhand een klappend geluid en
vervolgde:
„Ik verzeker u, prima, prima!” en hij deed een poging om zijn dikke
lippen te spitsen.
Lord Lister antwoordde, dat hij te Parijs geen gelegenheid had gehad om
die operette-koningin te zien.
„Het is een prachtvrouw, gij moet haar leeren kennen! Ik zal er wel
voor zorgen. Maar gij moet u in acht nemen. Het is een heks. Zij dweept
met brillanten, met echte natuurlijk!”
„Daar kan ik haar geen ongelijk in geven”, glimlachte de Lord. „Ik stel
ook alleen belang in echte steenen”.
„Zeg geen kwaad van de nagemaakte. Ik zal u eens een grap vertellen,
die ik met de kleine Fleuron heb gehad. Ik verzeker u, dat zij
kieskeurig is; slechts brillanten kunnen haar verteederen”.
Hij lachte zelf met voldoening om deze geestigheid en vervolgde daarna
zijn verhaal:
„Eerst beproefde ik, haar gouden hartje met bloemen te veroveren. Ik
verzeker u, met kostbare bloemen—maar in elk geval goedkooper dan
brillanten”.
Ook deze geestigheid maakte niet den gewenschten indruk op den Lord.
Levison echter liet zich zijn goed humeur niet bederven, maar wreef
zich, vergenoegd lachend, de handen.
„Nu had ik een prachtigen, kostbaren ring gekocht. Heel goedkoop, want
echt was hij niet!
„Gij moet weten, heer graaf, dat ik handig ben in dergelijke zaken.
„Ik koop namelijk veel antiquiteiten en zeldzaamheden en heb daarvoor
in de voornaamste Londensche kringen altijd afnemers.
„Dus, de ring, dien ik haar gaf, was heel mooi. Zij heeft hem voor echt
aangenomen en draagt hem.
„Ik zal niet zoo dom zijn als de jonge Lord Clowdon!”
„Wie is dat?” vroeg Lister, hoewel hij den naam zeer goed kende.
„Dat is een jonge man van de wereld, die zich reeds voor de mooie,
kleine Fleuron heeft geruïneerd.
„Hij heeft maandenlang met haar gereisd en haar met kostbaarheden
overladen.
„De kleine heks is echter onverzadelijk, zij wil altijd meer hebben.
Korten tijd geleden zei ze tegen mij: „Brillanten kan men altijd
gebruiken, het is een goede geldbelegging”. Gij ziet, welk een
handelsgeest er in de kleine zit.
„Omdat zij zoo met die juweelen dweept, en Lord Clowdon haar van top
tot teen met dergelijke kostbaarheden heeft behangen, noemt men haar
overal de diamantenkoningin.”
„Heel aardig! Maar gij wildet van Lord Clowdon vertellen.”
„Och, wat zal ik u daar veel van vertellen. Nu hij zich voor haar heeft
geruïneerd en niets meer bezit, wil zij hem den bons geven, want zij is
precies zoo als alle vrouwen van dat slag. En wat zal het eind zijn?—
„Hij zal zich doodschieten om een ongelukkige liefde; dan heeft hij den
dood en zij de brillanten.”
„Ik zou die kleine duivelin wel eens willen leeren kennen”, sprak Lord
Lister plotseling, die reeds een plan had ontworpen.
„Dat kunt gij, waarde graaf. Het zal een eer voor mij zijn, u aan haar
voor te stellen. Ik zei u reeds, de kleine Fleuron en ik kennen elkaar
zeer goed.
„Ik heb haar beloofd om haar iets van mijn reis mee te brengen. Ik zal
het u eens laten zien. Verontschuldig mij een oogenblik, heeren, ik zal
het uit mijn koffer halen.”
„Doe niet zooveel moeite. Als gij het goedvindt, gaan wij even mee naar
uw hut.”
Haastig had de groote onbekende deze woorden gesproken. Het was hem
alles waard, om nu uit te vinden, waar de kerel de reliquie had
verborgen.
„Het zal mij een hooge eer zijn, mijne heeren”, antwoordde Levison met
een diepe buiging en met hun drieën begaven zij zich naar de hut.
Daar gekomen, opende hij een zwarten handkoffer en nam er een étui uit,
waarin een klein gouden hart lag.
De antiquiteitenhandelaar liet het licht vallen op de door brillanten
en saffieren gevormde arabesk; de steenen vonkelden en schitterden.
„Is dat inderdaad imitatie?” vroeg Lord Lister verbaasd.
„Zeker”, antwoordde Levison. „Ik heb niet meer dan twintig francs voor
dit hartje gegeven.”
„Dan is het in elk geval prachtig nagemaakt. Als gij mij niet zelf
verteldet, dat het onecht was, zou ik het sieraad zeer zeker voor echt
houden.”
„Dat doet mij veel genoegen, heer graaf. Als gij het voor echt houdt,
zal de kleine Fleuron dat ook doen en—zij zal er mij haar dankbaarheid
voor toonen.”
De kleine man glimlachte innig verheugd en maakte aanstalten om het
étui weer in den koffer te sluiten.
„Wilt gij deze kostbaarheid werkelijk op zulk een onvoldoende wijze
bewaren? Ik houd dat voor eenigszins onvoorzichtig”, merkte Lord Lister
op.
„Hoe meent gij dat, heer graaf?”
„Ik wil u niet angstig maken, mijn beste Mr. Levison, maar mij heeft
men een paar maanden geleden op een zeereis uit een gesloten hut een
voorwerp ontstolen, dat voor mij van onschatbare waarde was.
„Alle zoeken bleef echter tevergeefs en ik moest in het verlies
berusten.
„Als dat gouden hart nu eens plotseling verdwenen was, zou misschien
ook het hartje der kleine Fleuron voor u verloren zijn en dat zou u
zeer zeker spijten”, vervolgde hij met een glimlach.
„Maak mij niet bang, heer graaf! Meent gij inderdaad, dat deze koffer
geen veilige bewaarplaats is?”
„Ik kan u alleen vertellen wat ik zelf heb ondervonden. Maar gij
behoeft niet zoo angstig te zijn. Daar het sieraad niet echt is, zou
het geldelijke verlies niet zoo groot zijn.”
„Daarin hebt gij gelijk, heer graaf. Ik zou er mij ook niet ongerust
over maken, als het alleen die 20 francs betrof, maar ik heb hier nog
iets anders.”
Zijn stem daalde af tot een zacht gefluister, toen hij vervolgde:
„Ik heb voor heel veel geld in Rouaan een voorwerp van groote waarde
gekocht. Een zakenvriend, die dergelijke antieke stukken gaarne heeft,
betaalt er mij een hoogen prijs voor. Als ik dit zou verliezen, was ik
een verloren man.”
„Dan zou ik u toch raden, dat kostbare voorwerp beter te bewaren.”
„Daarin hebt gij gelijk, heer graaf. Ik zal het bij mij steken, dan kan
niemand het mij ontstelen.”
De antiquiteitenhandelaar had een klein pakje uit den koffer genomen.
Het was in gewoon bruin pakpapier gewikkeld en met een touwtje stevig
vastgebonden. De uiteinden van het touw waren verzegeld.
John Raffles keek met scherpen blik naar het pakje.
Levison zag dit en sprak:
„Gij schijnt u ook voor dergelijke dingen te interesseeren. Ik zou u
dit gaarne laten zien, maar gij hebt mij nu angstig gemaakt.
„Het is zoo goed verpakt en verzegeld. Ik wil het hier aan boord liever
niet openen. Misschien echter morgen, als wij samen naar Londen
reizen.”
Raffles wist nu alles, wat hij wilde weten en zei daarom:
„O, dat behoeft niet, mijn waarde. Het is veel veiliger en beter als
gij het pakje niet opent.”
De antiquiteitenhandelaar deed nu alle moeite om het waardevolle pakje
in den borstzak van zijn jas te bergen.
Dit was echter onmogelijk, daar het te groot was en zoo moest hij er
toe besluiten om het pakje een plaats te geven in een van de zakken,
die zich achter in de panden van de jas bevonden.
De heeren zouden juist de hut verlaten, toen Lord Lister plotseling tot
Charly en Levison sprak:
„Willen de heeren mij voor een oogenblik verontschuldigen? Gij kunt wel
alvast naar boven gaan. Waar vinden wij elkaar?”
Charly begreep onmiddellijk, dat zijn vriend iets van plan was en zei:
„Zullen wij elkaar in het rooksalon ontmoeten?”
„Goed,” antwoordde de Lord, „ik kom daar straks ook.”
Bij deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de beide heeren zich
naar het salon begaven.
Daar gekomen, bestelde Charly, die de bedoeling, van zijn vriend
vrijwel doorzag, een flesch wijn en het tweetal was in een geanimeerd
gesprek, toen eenigen tijd later Raffles het salon binnenkwam en zich
bij hen voegde.
Levison stelde voor, een partijtje kaart te spelen om den tijd te
dooden, daar een vrij sterke wind was komen opzetten, die het verblijf
op dek minder aangenaam maakte.
Lord Lister en Charly stemden toe en de antiquiteitenhandelaar stond op
om den steward te bellen en dezen een spel kaarten te vragen.
Van dit oogenblik maakte Raffles gebruik om zijn vriend een pakje in de
hand te duwen en hem eenige woorden toe te fluisteren.
De steward bracht kaarten. Lord Lister bestelde een flesch champagne en
dronk herhaaldelijk met Levison.
Het was er hem om te doen om den man in een vroolijke stemming te
brengen.
Levison, die zich zeer vereerd voelde, dat de Italiaansche graaf en
diens vriend zich bijna uitsluitend met hem bezighielden, voelde zich
verplicht om, nadat de eerste flesch was geledigd, ook champagne te
bestellen.
De heeren dronken samen en vroolijk stieten zij met elkaar aan.
Na eenigen tijd, toen het spel uit was, vroeg Lord Lister, of zijn
nieuwe kennis van kunstjes met speelkaarten hield.
Deze bevestigde dit en John Raffles wist den man door zijn groote
handigheid zoo te overbluffen, dat deze verbaasd uitriep:
„Maar heer graaf, gij kunt tooveren!”
Lord Lister had zijn vriend Charly een wenk gegeven, dat deze het salon
zou verlaten.
Deze verwijderde zich schijnbaar toevallig en wachtte voor de deur af,
wat zijn vriend en meester zou doen.
Raffles vatte het gesprek weer op en sprak:
„Beste Mr. Levison, ik ben volstrekt geen toovenaar, maar ik heb op
mijn reizen veel van dergelijke dingen geleerd en ook in Indië veel
kunstjes afgekeken van de fakirs.”
Levison was vol belangstelling.
Hij verzocht den Lord dringend, eens een dergelijk kunststuk te
vertoonen. Maar Raffles antwoordde:
„Wij zullen in Londen immers nog wel gelegenheid hebben om elkaar te
ontmoeten. Op het oogenblik ben ik daartoe niet in de stemming.”
Levison hield echter niet op met vragen en eindelijk sprak Raffles
lachend:
„Nu, dan zullen wij eens probeeren of het gaan zal.”
Hij keek als zoekend in het vertrek rond en zei plotseling:
„Geef mij alstublieft uw zegelring, dien gij daar aan uw vinger hebt.
Ik zal hem buiten de deur gooien en na eenigen tijd zal,—als alles goed
gaat—de ring zich in uw zak bevinden.”
De antiquiteitenhandelaar zette een ongeloovig gezicht en draaide zijn
zegelring aan den vinger rond.
„Gij zijt misschien bang, dat uw ring verloren zal gaan?” vroeg de Lord
lachend.
„O, hoe kunt gij denken, heer graaf, dat— —”
„Neem mijn horloge als onderpand, dat de ring goed en wel weer in uw
bezit komt.”
Lord Lister reikte hem zijn prachtigen, met juweelen bezetten
chronometer toe.
Levison wilde dien eerst niet aannemen, maar eindigde toch met het
horloge in zijn zak te steken.
Daarop legde hij zijn zegelring in de uitgestrekte rechterhand van Lord
Lister.
Nu nam Raffles hem tusschen duim en wijsvinger der rechterhand en liep
met hoog opgeheven arm naar de deur van het salon, waardoor een poosje
geleden Charly onopgemerkt was verdwenen.
Hier toonde hij Mr. Levison nogmaals den ring, opende daarop de deur en
wierp den ring naar buiten in de gang.
Levison had de bewegingen van den Lord met de grootste oplettendheid
gevolgd.
Toen Raffles den ring door de geopende deur wierp, hoorde men duidelijk
het neervallen en wegrollen van het kleinood.
Lord Lister liet zijn opgeheven, ledige handen zien, zoodat Levison er
zich van kon overtuigen, dat de ring niet meer in zijn bezit was.
Hierop nam hij weer aan tafel plaats.
Lachend sprak Levison:
„Nu zou ik wel eens willen zien, hoe de ring in mijn zak zou kunnen
komen!”
Bij die woorden knoopte hij zijn jas van onder tot boven dicht.
„Dit moet gij afwachten!”
John Raffles begon van zijn avonturen in Indië te vertellen en wist al
spoedig de belangstelling van Levison zoo volkomen op te wekken, dat
deze het geheele voorval bijna vergat.
Juist vertelde Raffles van de verbranding eener weduwe, welke hij in
Indië had bijgewoond, en hoe het hem was gelukt, het beeldschoone
jeugdige slachtoffer uit de handen harer beulen te redden, toen Charly
het rooksalon weer binnentrad.
Het schip schommelde sterk. Charly scheen niet vast op zijn voeten te
staan en wilde zich aan den stoel van den Lord vasthouden. Hij greep
echter mis en viel languit op den vloer.
Levison was opgesprongen om den jongen man te helpen.
Hierdoor zag hij niet, dat Raffles snel zijn sigarenkoker, die op tafel
lag, opende en een voorwerp, dat Charly hem, op het oogenblik, dat hij
op den grond viel in de hand had gegeven, in den koker stopte en deze
weer sloot.
„Maar, Charly, wat zoek je daar beneden?” vroeg Lord Lister
schertsende, terwijl ook hij zijn vriend te hulp kwam.
Lachend over dit kleine ongeluk namen de heeren plaats en de groote
onbekende wist weldra de aandacht weer te boeien door zijn interessante
verhalen.
De steward bracht reeds de derde flesch champagne.
Levison was steeds vroolijker geworden; hij stond nu op en hield een
speech, waarin hij de hoop uitsprak, in Londen nog verscheidene
prettige dagen met de beide heeren door te mogen brengen.
Of hij door een plotselinge hoestbui werd overvallen, of dat de
schuimende champagne hem in den neus prikkelde—hoe het zij, hij begon
opeens hevig te niezen en te hoesten.
De tranen stonden hem in de oogen en haastig greep hij naar den
achterzak van zijn rok om zijn zakdoek te voorschijn te halen.
Hij bemerkte niet, dat bij deze beweging het kostbare pakje op den
stoel gleed.
John Raffles had zich bliksemsnel omgedraaid, hem al lachende op den
rug kloppend, inderdaad echter om het kleine pakketje onopgemerkt te
grijpen en het in zijn eigen zak te doen verdwijnen.
Op hetzelfde oogenblik liet Charly een pakje, dat er precies zoo
uitzag, onder tafel glijden.
Nog geheel buiten adem van het hoesten, was Levison juist weer gaan
zitten, toen de steward kwam berichten, dat het tijd werd om zich
gereed te maken, daar de boot de haven reeds binnenliep.
„Zoo, zijn wij al zoo ver?” riep de groote onbekende.
„Hoe laat is het eigenlijk?”
Hij greep naar zijn vestzakje—dit was ledig.
„Ach ja!—mag ik u om mijn horloge verzoeken?” vroeg hij met een
beleefde buiging naar Levison.
„Ja, ja! zeker,—maar mijn ring—” stamelde deze, die het tooverkunstje
intusschen was vergeten.
„Maar, mijn waarde heer, dien hebt gij allang weer in den zak.”
„Ik!?— — —”
Levison begon ijverig te zoeken, maar kon niets vinden.
De Lord keek lachend naar hem en riep op vroolijken toon uit:
„Kijk dan eens in uw sigarenkoker!”
Levison haalde zijn sigarenétui te voorschijn, dat hij in den loop van
het gesprek achteloos bij zich had gestoken.
Hij opende het—en de ring lag erin.
„Neen, heer graaf, gij zijt toch werkelijk een toovenaar. Inderdaad
merkwaardig, zeer merkwaardig!”
Onder lachen en schertsen waren de heeren opgestaan en maakten zich
gereed om het rooksalon te verlaten, toen Charly, die vooruitliep, naar
de tafel wees, waaraan de heeren hadden gezeten en vroeg:
„Maar wat ligt daar? Heeft iemand iets verloren?”
Levison greep onwillekeurig naar zijn rokzak en keek tegelijkertijd om.
Hij verbleekte en als een roofvogel wierp hij zich op het pakje, dat op
den grond lag.
„Mijn pakje!” riep hij uit.
Zijn knieën knikten letterlijk.
De schrik had hem weer nuchter gemaakt.