Den volgenden morgen belde Lord Lister om den kellner om warm water te
bestellen, maar niemand verscheen.
Geërgerd opende hij de deur en riep op luiden toon:
„Jan! Jan!”
Eindelijk kwam de kellner aangesneld; hij zag er bleek en ontdaan uit.
„Waarom komt gij niet, als ik bel? Wat gebeurt daar beneden?” vroeg
Lord Lister op scherpen toon.
De kellner werd verlegen. Hij scheen onder den indruk te zijn van een
gewichtige gebeurtenis en stamelde:
„Ach, monsieur, wat een ongeluk! Wat een ongeluk!”
„Nu, wat is er dan? Is je meisje je ontrouw geworden?”
Jan schudde het hoofd en sprak diepbedroefd de handen wringend:
„O, monsieur, een ongeluk voor de geheele streek.
„Wij krijgen onze melk reeds langen tijd uit St. Rire. Anders is de
leverancier altijd zeer stipt; heden echter kwam hij niet, zoodat wij
al onaangenaamheden hadden met de gasten, welke met de vroegtreinen
moesten vertrekken. Nu is de melkleverancier zooeven gekomen en—o, denk
eens, welk een ongeluk—”
„Mijn beste Jan, je bent wel een beetje breedsprakig. Wat is er dan wel
voor vreeselijks gebeurd? Is zijn melk zuur geworden of hebben alle
katten van Rouaan zich op den ongelukkige geworpen om te ontbijten?”
„Neen, genadige heer. Maar in St. Rire is een diefstal gepleegd. De
wonderdadige handschoen is vannacht uit de kapel gestolen. Toen de
vroegmis gelezen zou worden, heeft men het ontdekt.”
„Zoo, zoo, dat is heel onaangenaam. Maar daardoor zal noch St. Rire,
noch Rouaan te gronde gaan.”
„O, monsieur, zeg dat toch niet. Het is een groot verlies voor de
geheele streek. Alle vreemdelingen, die naar St. Rire kwamen om het
reliquie te zien en die daar niet konden overnachten, kwamen altijd
naar Rouaan, zoodat wij goede zaken maakten.
„Dat alles zal nu ophouden!”
„Zoo? Dat is erg jammer en ik hoop, dat er spoedig een andere
handschoen gevonden zal worden, opdat gij geen schade in uw zaak
ondervindt”, sprak de Lord op sarcastischen toon. „Maar breng mij nu
zoo snel mogelijk het water.”
De kellner vloog de kamer uit om het bevel uit te voeren en Lord Lister
sprak vroolijk tot zijn vriend:
„Men zou het bijna niet kunnen gelooven, welke groote gevolgen kleine
oorzaken toch kunnen hebben. Mr. Levison laat een ouden handschoen
stelen en daarom moeten de beklagenswaardige inwoners van Rouaan
urenlang op hun melk wachten!”
Toen beiden hun toilet hadden voltooid, gingen zij naar beneden om in
de eetzaal te ontbijten.
In het restauratielokaal heerschte groote opgewondenheid. De hotelier
haastte zich om zijn gasten nog voordat deze hadden plaats genomen,
alle bijzonderheden betreffende den diefstal te vertellen, zooals hij
deze van den melkboer had vernomen.
Zoodoende vormde de diefstal van den wonderdadigen handschoen van St.
Rire het algemeene onderwerp der gesprekken, zoolang John Raffles en
Charly Brand zich in de eetzaal bevonden.
Lord Lister herinnerde er nogeens aan, dat de bagage aan den trein van
elf uur moest zijn; daarop begaven zij zich op weg om den bewaker op te
zoeken.
Het was een prachtige ochtend. De zon scheen heerlijk en in de best
mogelijke stemming wandelden zij naar het dorpje toe.
Toen zij het huisje, waarin de ontrouwe wachter woonde, hadden bereikt,
klopte Raffles aan.
Er volgde echter geen antwoord, zoodat de Groote Onbekende de deur
trachtte te openen.
Deze was gesloten.
Eerst toen Lord Lister voor den tweeden keer had geklopt, vroeg een
hoog kinderstemmetje, wie er was.
Op het antwoord, dat iemand den bewaker dringend wenschte te spreken,
werd de deur geopend.
Een klein meisje van ongeveer acht jaar stond tegenover hen. Het kind
zag er bleek en mager uit.
Het armzalige lichaampje was gekleed in een schamel katoenen jurkje en
tranen rolden onophoudelijk langs de magere wangetjes.
„Waarom huil je, mijn kind?” vroeg John Raffles, zijn hand op het hoofd
der kleine leggend.
Snikkend antwoordde de kleine:
„Ach, mijn lieve heer, mijn moedertje is zoo erg ziek. Mijn broer is al
dood en zooeven hebben slechte mannen vader ook weggehaald.”
Geroerd door het verdriet van het kind streelde Raffles de wang van het
kleine meisje, terwijl hij en Charly het lage kamertje binnentraden.
„Wees maar gerust, kindje! Je vader zal wel gauw terugkomen.”
Terwijl hij in de kamer rondkeek, vroeg hij verder:
„Waar is je moeder, mijn kind?”
De kleine veegde met haar schort de tranen af en wees naar een deur.
Lord Lister ging er door. Voor zijn blikken vertoonde zich een kale,
halfdonkere ruimte.
In een oud, wormstekig ledikant lag een vrouw onder een paar oude
dekens. De magere handen waren gevouwen over de borst, het hoofd was
naar achteren gezonken.
Een vale bleekheid bedekte de vermagerde wangen en alleen de trillende
oogleden en de hijgende adem bewezen, dat er nog leven in het lichaam
was.
Een diep medelijden vertoonde zich op de trekken der vreemdelingen,
toen zij zich weer zachtjes naar de voorkamer begaven.
Lord Lister boog zich over het kind neer en sprak, terwijl hij haar een
goudstuk in de hand drukte:
„Koop je moeder hier wat voor, opdat zij spoedig weer beter wordt.”
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de ontrouwe wachter wankelde
de kamer binnen.
Zijn gelaat was verwrongen door angst en verdriet. Hij had de oogen
neergeslagen en viel zwaar op een stoel neer, die dichtbij de deur
stond.
Toen het kind haar vader zag snelde het met een jubelkreet naar hem toe
en vloog hem om den hals.
„Kijk, vadertje, kijk! Dit heeft die goede mijnheer mij voor moedertje
gegeven!”
De heldere kinderstem wekte den peinzenden man uit zijn droevige
gedachten. Hij keek op en zag eerst nu de beide vreemdelingen, die zich
bij zijn binnenkomen in een hoek hadden teruggetrokken.
Hij schrikte hevig en zijn gelaat werd vaalbleek. Sidderend stond hij
op en met angstig bevende stem vroeg hij:
„Wat wenschen de heeren?”
Lord Lister ging naar den man toe, legde hem de hand op den schouder en
sprak op ernstigen toon:
„Wij hebben gezien, dat gij in groote zorgen verkeert. Dit alleen kan
uw handelwijze begrijpelijk maken, al is die ook niet te billijken.”
Toen de man hoorde, dat de vreemdeling op de hoogte was van zijn
misdaad, welke hij zoo angstvallig geheim trachtte te houden, zonk hij
op een stoel neer en verborg het gelaat in beide handen.
Met toonlooze stem klonk het:
„Weet gij het?”
„Alles!” antwoordde Lord Lister. „Wij waren gisteren getuige van den
diefstal.”
„Mijn arme vrouw! Mijn kind!” snikte de bewaker. „Als ik een anderen
uitweg had gezien, was ik niet voor de verzoeking bezweken!”
„Laat dat nu maar rusten”, sprak Raffles op gestrengen, maar niet
onvriendelijken toon. „Ter wille van uw familie echter wil ik u redden.
Luister!”
De ongelukkige keek den vreemden heer aan en een glimp van hoop kwam op
zijn gelaat.
„Heeft men u reeds verhoord?” vroeg Lord Lister.
De man knikte zwijgend.
„Hebt gij de waarheid bekend?”
„Neen, nog niet”, klonk het op benepen toon van de lippen van den
bewaker. „Maar ik zal teruggaan en alles vertellen, want ik kan het
niet voor mijn geweten verantwoorden”.
„Als ik u zal redden, moet gij dat niet doen. Gij moet alle schuld
ontkennen. Ik geef u mijn woord, dat binnen eenige dagen het kleinood
weer op zijn plaats zal zijn. Ik zal voor u wel een bewijs van onschuld
verzinnen.
„Maar ik red u alleen dan, als gij mij plechtig belooft, nimmer meer
iets dergelijks te zullen doen”.
„Ik zweer het u”, sprak de oude man en legde zijn hand in die van Lord
Lister, terwijl groote tranen langs zijn wangen rolden.
„Gij weet nu, wat u te doen staat. Voor al het andere zal ik zorgen”.
De bewaker scheen een zwaren innerlijken strijd te voeren. Met angstig
vragenden blik keek hij naar zijn bezoeker en eindelijk klonk het van
zijn lippen:
„Ja, maar het geld, dat ik heb gekregen, moet ik toch teruggeven. Aan
wien zal ik het zenden?”
„Hoeveel was het?” vroeg de groote onbekende.
„Tachtig francs!” luidde het angstige antwoord.
Lord Lister sprak op zachten toon tot Charly:
„Het is bijna niet te gelooven! Deze schurk heeft den armen man, dien
hij tot een misdaad bracht, zoo’n klein bedrag gegeven, en ik zou
durven wedden, dat zijn lastgever hem minstens 8000 voor deze reliquie
moet betalen”.
Zich tot den ouden man wendend, sprak hij:
„Behoud het geld gerust. Die schurk en bloedzuiger heeft het toch niet
op eerlijke wijze gekregen. Hij kan het wel missen, en u zal het wel te
pas komen”.
Terwijl hij den ongelukkige nogmaals de hand reikte, nam hij afscheid.
Daarop spoedden de beide vrienden zich naar het station om per
ochtendtrein de reis naar Dieppe te ondernemen.