EEN VLUCHT.

Toen de beide heeren het „Hotel du Roi” te Rouaan betraden, waarin zij

hun intrek hadden genomen, hoorden zij den man, dien zij reeds in de

kapel te St. Rire hadden gezien, druk spreken met den hotelhouder.

Het scheen echter, dat deze de meening van zijn gast niet deelde, want

hij sprak op beleefden, maar beslisten toon:

„Ik kan u stellig verzekeren, monsieur, dat gij zelfs met de snelste

paarden de aansluiting niet kunt halen”.

Lord Lister sprak tot zijn vriend:

„Het schijnt, dat de kerel haast heeft om het gestolene in veiligheid

te brengen. Maar wat gaat het ons aan.”

„Weet je, Edward, ik heb eigenlijk medelijden met den bewaker. Je hebt

immers zijn laatste woorden gehoord. Het kwam mij voor, alsof hij niet

voor zijn pleizier de misdaad bedreef. Misschien heeft deze schurk

misbruik gemaakt van zijn treurige omstandigheden.”

„Dat kon wel eens waar zijn, Charly. Wij zullen in die geschiedenis dus

een oogje in het zeil houden”.

De beide Londenaars gingen zich verfrisschen en begaven zich naar de

eetzaal van het hotel om te soupeeren.

Toen zij den corridor doorgingen, zagen zij den reliquieëndief in een

rijtuig stappen. De koetsier gaf den paarden een flinken zweepslag en

in snellen draf ratelde het voertuig over het hobbelige plaveisel.

In de eetzaal namen zij plaats aan een klein tafeltje, deden een keus

uit de welvoorziene spijskaart en bestelden een flesch wijn.

Op dit oogenblik ging de hotelier hun tafeltje voorbij.

Lord Lister riep hem en vroeg:

„Wanneer gaat morgen de eerste trein naar Dieppe?”

„Om 11 uur 26, monsieur”, antwoordde de hotelier en vervolgde:

„Het was van dien heer ook veel verstandiger geweest, als hij den nacht

nog in mijn hotel had doorgebracht en dien trein van 11 uur had

genomen. Hij haalt het toch niet meer!”

„Hij haalt het niet meer? Wat bedoelt gij daarmee?” vroeg Lord Lister.

„Een Engelschman, Mr. Levison, heeft drie dagen bij mij gelogeerd.

Hedenmorgen informeerde hij ernaar, om hoe laat men des morgens het

best naar Dieppe kon komen. Ik noemde hem denzelfden trein, dien ik u

zooeven opgaf en hij scheen dat goed te vinden.

„Na ongeveer 20 minuten geleden komt hij plotseling geheel buiten adem

terug van een wandeling en vertelt mij, dat hij een telegram heeft

ontvangen en onmiddellijk moet afreizen.

„Dit kan echter onmogelijk waar zijn, want waar zou hij het telegram

hebben ontvangen? Op straat? Onderweg? Hier is in elk geval niets voor

hem bezorgd, hij heeft dus blijkbaar een uitvlucht gezocht. Ik liet

echter niets merken en vertelde hem, dat vanavond geen enkele trein

meer in die richting ging.

„Hij was hierdoor erg teleurgesteld en verlangde een rijtuig, want hij

wilde probeeren langs den rechten weg over Cleres den laatsten trein,

die reeds 10 minuten geleden was vertrokken, nog te bereiken.

„Ik maakte hem duidelijk, dat dit een absolute onmogelijkheid was, maar

hij wilde mij niet gelooven. Nu, het laat mij verder onverschillig!”

„Misschien had die heer er reden voor om zoo overhaast te willen

vertrekken?”

„Welke reden kon hij daarvoor hebben? In mijn hotel is hij uitstekend

onderdak. Kamers en bedden zijn goed, het eten en drinken is

voortreffelijk...”

De Lord brak den woordenstroom van den hotelier af door lachend te

zeggen:

„Ik ben ervan overtuigd, dat hier alles uitmuntend is, maar die heer

zou toch zeer goed een particuliere reden kunnen hebben, die het hem

wenschelijk maakte om zoo spoedig mogelijk hier vandaan te komen.”

De hotelhouder scheen dit niet te willen inzien.

Hij schudde het hoofd.

Toen de vreemdelingen gesoupeerd hadden, sprak de Lord, terwijl hij op

zijn gemak in een fauteuil achterover leunde en een sigaret opstak:

„Het schijnt bijna, alsof die nobele heer hetzelfde reisplan heeft als

wij. Ook wij gaan naar Dieppe en van daar per boot naar Brighton. Ik

durf wedden, dat Mr. Levison dezelfde reis wil maken.”

Charly antwoordde niet, maar sprak na een poosje op ernstigen toon:

„Zou het niet de moeite waard zijn, kennis te maken met dien gauwdief,

Edward?”

„Eigenlijk wilde ik mij niet met de zaak bemoeien. Nu echter schijnt ze

jou bijzonder te interesseeren. Begin je smaak voor dergelijke

avonturen te krijgen?” vroeg Lord Lister lachend.

„Och Edward, ik moet voortdurend aan den ouden bewaker denken. Hij zag

er zoo terneer geslagen en ongelukkig uit.”

Gedurende dit korte gesprek had het gelaat van den Lord een peinzende

uitdrukking aangenomen. Men kon zien, dat hij over iets nadacht. Hij

scheen een plan te hebben opgevat en sprak met vastberaden stem:

„Goed! Wij zullen morgen in alle vroegte je beschermeling opzoeken en

naar zijn omstandigheden informeeren. Is het de moeite waard om iets

voor den man te doen, dan zullen wij hem goeden raad geven en verder

zien.”

„Maar Edward”, sprak Charly op aarzelenden toon, „dan hebben wij het

spoor van Mr. Levison verloren.”

„Maak je daar niet bezorgd over, mijn beste! Nu in den nacht kunnen wij

toch niets doen. Ik vertrouw, als altijd, op mijn goed gesternte; wij

zullen den eerbiedwaardigen Mr. Levison wel vinden. Maar laten wij nu

gaan slapen.”

Zij gaven het bevel, om half acht gewekt te worden en gelastten om al

hun bagage te bezorgen aan den trein, die om ongeveer 11 uur naar

Dieppe vertrok.

Daarop begaven zij zich naar hun kamers.

Lord Lister No. 0037: De Diamantenkoningin · 第 6 / 31 题