Z.

Zachts, 't mag wel, 't is wel billijk.

Geef me een bittere, maar een kanjer hoor, want ik krijg maar één;

zachts dat-ie goed is.

Die gannef heeft een karvol, zachts dat ik er ook een paar heb.

Zain, 7.

Zakken, laten zakken (in 't water werpen).

Zand er ieber, (zand er over). Zwijg er verder van. (Schwamm drüber).

Zeeferen, stelen, zweeten. Hij begint te zeeferen. (Hij wordt benauwd,

bang). Ze hadden kimmel (3) knaken (rijksd.) van een sjikkeren

gooser gezeeverd. Mijn broertje is voor 't kippen-zeeferen voor 2

jaar naar Alkmaar.

Zeeferaar, dief, geslachtsziekte.

Zeik, pis. Stinken naar de zeik.

Zeiken, wateren.

Zeil, iemand onder zeil brengen. (Iemand in slaap maken).

Zerouang, arm (lichaamsdeel).

Zeventandje, soort Engelsche sleutel.

Zitterik, stoel.

Zoei, soep. Een bord zoei.

Zoeterik, koek.

Zog, vocht, drank (koffie, chocolade). Een kop zog.

Zojen, 7.

Zoldertippelaar, iemand, die zijn werk maakt van 't stelen van

waschgoed, dat op zolders te drogen hangt.

Zoof, gulden (zie Soof).

Zuipen, winnen. Hij zoop van morgen een kwart meier (25 gld.).

Zuipen, verliezen. Hij zuipt. (Hij gaat onder, hij is zijn geld

gauw kwijt).

Zuur, gesnapt.

Zwabber, dronkenlap.

Zwartje, koffie.

Zwartjes Bargoensch, Zigeuner Bargoensch.

Zweet of Zweeterik, koffie. Een bak zweet.

Zwel, fat, kwast.

Zwellen, verwaand worden.

Zwerver, gestolen parapluie.

Zwerverssteeg, de Servetsteeg.

Zwiepen, slingeren, werpen (zie Swiepen).

Zwik, in een soort kaartspel (zwikken) 3 boeren, 3 vrouwen en 3 heeren.

Zwirren, kijken. Zwir link. (Houd het goed in de gaten. Ook wel:

kijk uit, er is onraad).

Zwijn, fiets.

Zwijnrijder, fietsrijder.

Zwijnenverhuurder, Zwijnenbollebof, fietsenverhuurder.

Zwijnenjacht, op de zwijnenjacht gaan (op 't stelen van fietsen

uitgaan).

Zijden ezel, zijden halsdoek, foulard.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 32 / 32 题