Geweirim, kameraden. Is dat je geweirim? (zijn dat je gabbers?)

Geweldje, geweldpleging. Een krakie (inbraak) en een geweldje;

't wil wat zeggen ook.

Gewikst, glad, slim, loos, scherpzinnig.

Gewoer of gewoerig maken, wegstoppen. Ik heb het gewoere gemaakt

onder de derig (aardoppervlakte).

Gezeeferd of gesewerd, gestolen. Een kar met gezeeferd blauw laken

(gestolen lood).

Gezopen, beetgenomen.

Gibbissen, bijten. Dat joekel (hond) heb me in me fiets gegibbist.

Gies, meid, dienstmaagd, vrouw.

Gif, slim. Zoo gif binne we ook wel.

Gif (Kif), boosheid. De gooser sloeg alles kort en klein; dat komt

door de kif.

Giftig, boos.

Gila, spek.

Gilleskrauter, dief of inbreker op klaarlichten dag.

Gilkemen, Gilkunnen of Gilkanen, deelen. Zie Geilkenen.

Gimme, boter.

Gis, loos, verstandig. Hij is een gisse jongen; hij laat zich niet

meevoeren.

Ook: onveilig. 't Is me hier een beetje al te gis. Zie ook Ges.

Glamonius, ruit.

Glimmende gajes, politiemannen in uniform.

Glimmende gassie, agent van politie.

Glimmert, politieagent.

Glimmerik, oog, ook politieagent. Ze hebben hem in de

glimmerikken. Gekleurde glimmerikken (blauwe oogen).

Glonis, raam, glasruit. Kijk me die gooser daar zitten roojemen door

die glonissen. (Kijk me dien vent daar zitten kijken door de ruiten).

Gnajen, (ngajin), 70.

Gnorel, onbesnedene, christen. (Zie Orel).

Gochem, loos.

Godin, oprecht, echt, vertrouwd, best. Een godinne jongen. Godin! ik

weet het niet.

Jozef Godin (de eerlijke Jozef). Godinne schoren (kostelijke of

eerlijk verkregen goederen).

Godinne, houd je goed!

Goïm, christen.

Goj, de mannelijkheid.

Gok bajes, speelhuis.

Gokken, spelen om geld.

Gokker, speler.

Goksie, voor de goksie (voor de grap).

Golof, melk.

Gondel, dame. Frits is verschud (opgepakt); hij nam een vinkie

(portemonnaie) met 23 centen van een gondel.

Ook: de achterzak op de japon van een dame. Daar zit een vinkie in

die gondel. Kijk, wat een gondel, 't lijkt wel een gaper.

Ik besteedde mijn laatsten schrabber (cent) aan een kluif voor

me gondel.

Gondelbajes, Gondelspiese, Gondeltas, Bordeel.

Gons, een steek, een por.

Goochem, loos.

Goochemerd, de rechter van instructie. Je moet voor den goochemerd

kotsen (opbiechten).

Gooferd of Goofertje, hoed. Geef je goofertje maar hier!

Gooien, ik heb er alle kienen (sleutels) opgegooid (aangewend).

Goozer, kerel; ook vrijer. Een haaie goozer (een sterke kerel). Uitgaan

op sikkere goozers (dronken kerels).

Heb je mijn goozer van avond nog gezien?

Kijk me die goozers eens tippelen.

Goozertjes, id. id., ik ga op de goozertjes tippelen.

Goozertippelaar, die bij avond op dronken lui uitgaat, om ze te

berooven.

Gouden ploeg, groote dievenbende.

Gouden regen, rijke buit.

Gouden spie, gouden tientje (fokse spie).

Goudvink, officier.

Grammonen, gereedschap voor inbraak.

Granderik, hemel.

Grandig, voornaam, deftig. Grandig gekloft of geklopt (deftig gekleed).

Grandige, heerschap. Zeg grandige, stiek (geef) me een bas (stuiver),

dan heb ik net luimspieën (centen voor slaapgeld) genoeg.

Grandige(r), politieman.

Grauwe erwten, hij is in de grauwe erwten gevallen (hij is mottig).

Grazen, iemand te grazen nemen (beetnemen, bedotten).

Greppel, grens. Over de greppel gaan. (Over de grens of naar 't

buitenland gaan).

Gribus, gevangenis. Ook een verdachte steeg. Pas op dat je niet in

die gribus gaat.

Grikse, wandluizen.

Grimmerigen, lachen. Loek, de gooser grimmerigt. (Zie de vent

lacht). Wat grimmerigt die gooser schijnheilig. (Wat lacht die kerel

smerig).

Groen, dom, onnoozel. Er zijn nog wel groene goosers onder de

prinserij.

Groene deken, het gras. Luimen op de groene deken. (In 't gras slapen).

Groentjes, onervaren jongens.

Grom, klein.

Grom, kleintje (kind). Dat niese zit met grom (is zwanger).

Grommerig, jong, klein. Hij heeft zulke grommerige jatten (kleine

handen), dat hij haai (goed) op de meeluk kan peezen (zakken rollen).

Grommetje, kind. Bet heeft twee kleine grommetjes. Ze zit den heelen

dag met de grommetjes opgescheept.

Ook meisje. Een grommetje waarschuwde hem, dat de vrijer (man) een

nijf in zijn jat had.

Groot Bajes, strafgevangenis te Leeuwarden.

Grootlef, hart, moed; ook wel goed geluk, avontuur. Op groot

lef tippelen (zonder vrees, zonder iets te ontzien op diefstal

uitgaan). Hij had bij "Moeke" een goede cent schuld; dus ging hij op

groot lef tippelen. Ze hebben hem op grootlef geplakt (ze hebben hem

op goed geluk aangehouden).

Groot-Mokum, Amsterdam.

Groote knoop, rijksdaalder.

Grijns, gezicht. Hij gaf den rus (rechercheur) een mekajem (klap)

voor zijn grijns, dat ie tuimelde.

Grijnzen, huilen.

Grijpelingen, vingers.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 10 / 32 题