Z.

[48] Ziegler spreekt voor Duitschers en handelt over Duitsche

toestanden. Het leek mij beter den tekst niet te veranderen en geheel

naar Hollandsche toestanden te wijzigen. Het is ook voor ons leerzaam de

moeilijkheden te zien waarmede men elders kampt. Dat ten onzent het

vraagstuk van de verhouding van kerk en staat oud en onopgelost is,

behoeft hier slechts vermeld te worden. Vergeleken bij andere

Protestantsche landen is de toestand hier zeer bevredigend. De band

tusschen kerk en staat is zoo los als eenerzijds de godsdienst zelf en

de volledige geloofsvrijheid, anderzijds het staatkundig leven en het

belang dat de staat heeft bij bevordering van religieus-moreele

volksopvoeding dat vorderen. Historische toestanden en rechten doen zich

daarbij natuurlijk nog gelden. De veelheid en verscheidenheid der

kerkgenootschappen, die, wanneer ze door den Staat zijn erkend, gelijke

voorrechten en vrijheden genieten, blijkt meer en meer bevorderlijk aan

de door Ziegler terecht gewenschte vrije ontwikkeling van het

godsdienstig gemeenschapsleven. Daarnaast is plaats en werkkring voor

godsdienstige vereenigingen van gelijkgezinden, die zich uitbreiden over

de kerkgenootschappelijke grenzen heen. Maar in een land als het onze

waar de godsdienstige tradities, innig samengeweven met de geschiedenis

van land en volk, krachtig nawerken, is dan ook veel minder behoefte aan

die losse, tijdelijke kringen waarin het godsdienstig leven van Amerika

zich veelal heeft belichaamd. Kerken zijn bij ons slechts godsdienstige

organisaties met historische beginselen, eigen karakter en vrijheid van

zelfbestuur, door den staat niet boven andere bevoorrecht, hoogstens

krachtens verkregen rechten finantieel gesteund, en onderworpen aan voor

allen geldende wetten die gelijke rechten en vrijheden waarborgen. Moge

misschien het beginsel der scheiding van kerk en staat in bijzonderheden

nog beter zijn toe te passen, al heeft de beginselruiterij, hiermede

vaak gedreven, zeker zijn bezwaren en gevaren, de toestanden zijn toch

ten onzent zoo dat het persoonlijk en gemeenschappelijk godsdienstig

leven zich naar eigen eisch volkomen vrij ontwikkelen kan.

Godsdienst en godsdiensten · 第 62 / 83 题