[31] Een interessante en fijne verklaring van veel vreemds en
tegenstrijdigs in Luthers vroomheid, o. a. zijn wonderlijke
gemeenzaamheid naast zijn diepen eerbied, zijn innig vertrouwen en
grootmoedig afhankelijkheidsgevoel naast dit bijna brutale gevoel van
rechten te hebben op God en eischen te mogen stellen, vindt men in
Otto’s meergenoemde boek. De boven aangehaalde uiting wordt bij het
vertalen in zijn ruwe oprechtheid licht te plomp en blijve daarom liever
onvertaald. Men kan toch in de eerlijke hartstochtelijkheid van dit
wanhopig verlangen en de felle kracht van het gevoel dat hij alles van
God alleen hebben moest de geweldige uiting van sterk levende godsvrucht
vinden.