Een woord vooraf, dat ik vriendelijk verzoek nu eens niet ongelezen te
laten. Niet alleen omdat de vertaler en de inleider, naar goed gebruik,
aan den schrijver en de lezers even rekenschap willen geven van de wijze
waarop zij hunne taak volbrachten en Ziegler’s aantrekkelijk boek in
samenwerking met den auteur hebben herzien en aangevuld, zoodat deze
Nederlandsche bewerking een nieuwe, en naar wij meenen, veel verbeterde
uitgave geworden is. Maar vooreerst omdat er nog altijd vele, overigens
algemeen ontwikkelde menschen zijn, die een boek over godsdienst liefst
ongelezen laten; en juist dezen mogen wel eens hooren waarom het ook hun
wordt aangeboden en waarom het hunne belangstelling verdient. En
voorts omdat onder de vele en velerlei lezers, die een boek uit de
Wereldbibliotheek mag verwachten, de theologisch weinig ontwikkelden,
maar ook predikanten en godsdienstonderwijzers, wien Ziegler stellig nog
wel iets te leeren en te denken geeft, vooraf mogen vernemen, dat het
boek geen godsdienst wil prediken, geen stichtelijk doel heeft, maar met
zijn rijken inhoud bij beknopten vorm kennis en inzicht in zake
godsdienst wil bevorderen, die ook hun van groot nut kan zijn. Om die
redenen hoop ik dat aan deze voorafgaande opmerkingen een ander lot dan
aan de meeste inleidingen beschoren is.
Er is in de „algemeene ontwikkeling”, waarin men roemt en waarin ieder
deel meent te hebben, een verwonderlijk gebrek. Dat is het in allerlei
kring en op allerlei wijze zich vertoonend gemis aan eenvoudige, klare,
zekere kennis omtrent den godsdienst, zijn aard, zijn oorsprong, zijn
beteekenis, zijn vormen, verschijnselen en geschiedenis; en, in verband
daarmede, het meestal zeer gebrekkig inzicht, welke rechtmatige plaats,
welken natuurlijken invloed in het zieleleven van den enkelen mensch en
in de samenleving de godsdienst mag en moet hebben. Kortom, een zeker
soort veel geprezen en alom begeerde „algemeene ontwikkeling” sluit bij
velen kennis van alles en nog wat in, maar kennis van den godsdienst
vrijwel uit.
Godsdienst is voor vele beschaafden niet veel meer dan een leeg woord.
Men denkt er niets bij, of hoogstens dat men er niet aan „doet” en er
dus ook _niet_ over denkt. Men wil er nu eenmaal niet van weten en vindt
het geen gebrek in zijn ontwikkeling, misschien omgekeerd een bewijs hoe
„algemeen” men ontwikkeld is, dat men er nagenoeg niets van weet. Toch
is het niet-weten meestal oorzaak dat men er niet van weten wil. Zou men
zich op ieder ander levensgebied voor een dergelijke onwetendheid niet
een beetje geneeren? Maar de algemeen ontwikkelde weet raad. Hij mag
een weinig verlegen staan met de vraag wat hij denkt bij het
woord godsdienst, eenige algemeene voorstellingen van bepaalde
godsdienstvormen heeft zijn ontwikkeling hem wel geschonken. Hij is
volkomen tevreden met de wetenschap, dat godsdienst iets te maken heeft
met een geloof dat hij niet gelooft, al weet hij niet precies wát niet
en wáarom niet en wat hij dan wèl gelooft; dat de Roomsche bidt, vast,
biecht, wat hij ook niet doet, al is het hem niet duidelijk dat een
ontwikkeld mensch dat wèl doet; dat de Protestant bidt, zingt, naar
preeken luistert en den Bijbel vereert, wat hem toch niet heelemaal op
de hoogte van den tijd lijkt; en dat er nog vele godsdiensten zijn, die
òf erg „dom” zijn òf waarin veel „moois” moet zijn, veel meer dan in het
Christendom, waarvan hij vanwege de Christelijke politiek en den
schoolstrijd en de kerkelijke partijen niet weten wil. Reikt zijn
kennis nog dieper, dan heeft hij een vaag besef, dat godsdienst iets met
het gemoed te maken heeft, iets is dat verheft en verwarmt en een mensch
iets „hoogs” voorhoudt en van „het hoogere” vervult. Welnu, hij is
ontwikkeld genoeg om daarvoor te voelen en het ook te hebben op zijn
manier. Mijn godsdienst, zegt hij, is de kunst, of de wetenschap, of de
wijsbegeerte, of de sociale quaestie, algemeener nog: het goede.
Godsdienstig zijn is voor hem ongeveer hetzelfde als goed zijn en voor
het goede ijveren. Maar zijn ontwikkeling is juist niet algemeen genoeg
om hem te doen inzien, dat godsdienstig leven dit alles mede kan
omvatten, verheffen, verdiepen, maar dat een mensch zeer kunstlievend,
geleerd, wijsgeerig, sociaal voelend en zedelijk goed kan zijn en toch
nog aan den godsdienst niet toe zijn gekomen. Dit zijn de typen eener
beschaving, die zich om vele dingen, maar het minst om de „eeuwige
dingen” bekommert, en voor wie wat Jezus „het eenige noodige” heeft
genoemd, met hoffelijk respect het eene overbodige is geworden.
Ik noemde dit gebrek verwonderlijk, omdat het zoo lang heeft geduurd eer
men het als een gebrek is gaan erkennen. Ook de niet muzikale beschaafde
zou zich schamen nooit van Bach’s Matthaeuspassion te hebben gehoord,
maar het kan voorkomen, dat de muzikale bewonderaar van dit werk zonder
blikken of blozen vraagt: Matthaeus, wie was dat ook weer? Geringe zin
voor beeldende kunst ontslaat niemand van den beschavingsplicht om iets
van Rembrandts bijbelkunst te weten, maar het wordt niet erg gevonden
als men niets weet van wat hem tot zijn schepping inspireerde. Een
mensch die behoorlijk een diploma H.B.S. of Gymnasium verwierf zou het
niet durven bekennen het rechte van Pythagoras en zijn theorema, van
Newton en de wet der zwaartekracht niet meer te weten, maar als hij de
tien geboden niet kent en aarzelt of hij daarbij aan Jezus, Koning
David of Mozes moet denken, dan moet hij er „zelf om lachen”. Nu, dat is
verstandig. Want er is iets belachelijks in een algemeene ontwikkeling
met zoo’n gat er in. En het is niet zonder komische kracht wanneer een
schrijver van den dag plotseling tot de ontdekking komt, dat het boek
der eeuwen veel schoonheid bevat, en dat de blunders van vele schrijvers
uit gemis aan bijbelkennis een litteraire misdaad zijn. Toch is dat
gemis minder de oorzaak, dan wel gevolg en bewijs van de veel grooter,
veel algemeener onkunde in zake allen godsdienst.
Zelfs in de kringen waar men niet van den godsdienst en het religieus
gemeenschapsleven is vervreemd, doet dit gemis aan breeder en dieper
inzicht zich gevoelen. De arbeid van kerken en godsdienstige
vereenigingen door onderwijs, prediking, lezingen en een rijke
litteratuur, doet ongetwijfeld veel goed. Maar men bereikt er slechts
een deel der „ontwikkelden”, en niet eens alle geloovigen mede. In de
meeste gevallen blijft het een „prêcher pour les convertis”. Nu is dat
zeker een goed en nuttig werk, van veel grooter beteekenis dan de
buitenstaander kan begrijpen. Maar er is in onzen tijd nog iets meer en
iets anders noodig dan dit „prêcher”, ook voor de „convertis”. Hebben de
godsdienstigen van alle belijdenis reeds voldoende begrip van den
godsdienst die in alle godsdiensten leeft? Is het niet vaak slechts de
karikatuur van het Roomsche Christendom die de Protestant, van het
Protestantsche die de Roomsche kent? Een karikatuur is de overdrijving
van het verkeerde, de miskenning van het wezenlijk goede en waardevolle.
Is het meer dan de onbewuste karikatuur van het dogmatische,
rechtzinnige Christendom die vrijzinnigen tot de oppervlakkige meening
brengt dat dit nu voor hen „voorbij” is, en den rechtzinnige tot de niet
veel dieper bewering verleidt dat het vrijzinnige Christendom niet meer
is dan een „fata morgana”? En er bestaat nog heel wat van die soort
verlichting, die in zijn strijd tegen „dominee, pastoor en rabbi” niets
dan een karikatuur van allen godsdienst en godsdienstvormen samen, dus
welbeschouwd zijn eigen kortzichtigheid in het licht stelt.
Slechts in éen opzicht zijn die verschijnselen niet verwonderlijk. Want
de oorzaken liggen voor het grijpen. Ik noem er een paar. De verwarring
en de verwildering op het gebied van het godsdienstig leven hebben er
toe geleid, dat in de opvoeding en in het onderwijs het religieuze als
onmisbare factor in de ontwikkeling van het geestesleven is
voorbijgezien of al te gebrekkig is tot zijn recht gebracht. Men heeft
uit gemis aan kennis en inzicht niet begrepen, dat godsdienst zoowel de
uiting als de bevrediging is van behoeften, die voortkwamen uit den
normalen zielsaanleg van een mensch. Men heeft dus ook niet ingezien hoe
onvervangbaar dit element van hooger geestesleven is. En waar men het
wel inzag, heeft men niet altijd voldoende kennis en inzicht getoond om
aan die eeuwige behoeften naar den eisch des tijds te voldoen en naast
de andere vermogens van ons geestesleven, ook dezen verborgen, diepen,
machtigen aanleg, die inniger dan iets anders samenhangt met heel ons
geestelijk bestaan, ons kennen en denken, ons gevoel en onzen wil, tot
evenredige ontwikkeling te brengen.
Hoevelen hebben nooit godsdienstonderwijs ontvangen en verbeelden zich
dat een mensch van deze bijkomstigheid voldoende „op de hoogte” komt
door wat hij toevalligerwijs opvangt uit de lectuur van den dag of uit
de vluchtige indrukken van verschijnselen om zich heen. Zoo kan men
misschien wel eens tot verrassende ontdekkingen komen. Maar het is geen
prettige verrassing, te ontdekken dat er een leegte is in geest en
gemoed, en zij blijve ons liever gespaard. En wie verrast wordt, blijft
er meer van „staan kijken” dan dat hij er door vooruit gaat. Bij anderen
wordt het godsdienstonderwijs niet versmaad en voor het opgroeiend
geslacht begeerd, hetzij uit respectabele traditie, hetzij uit welbewust
inzicht, hetzij omdat men „van deze dingen toch ook wel wat weten
moet”,--wat nog zoo dwaas niet is gedacht. Maar hoe vaak blijkt dan dat
onderwijs te onmethodisch en onbeholpen, te vaag en onzeker om
godsdienstige kennis en kennis omtrent den godsdienst bij te brengen,
gezwegen nog van den eisch dat het wezenlijk religieus leven wekt,
overtuigingen helpt vestigen, beginselen leert vormen. Daarbij, ach het
is de eindelooze klacht, in deze cultuur-periode, die van veelweterij
leeft en aan veelweterij doodgaat, staat het enkele uurtje aan
voorlichting in de hoogste levensvragen, aan opbouw van ’s menschen
hoogste zieleleven gewijd, hopeloos achter bij het minste leervak, dat
door middel van schoolrapporten en examens mede moet werken tot het
verkrijgen van een of ander diploma van „algemeene” ontwikkeling.
Is het wonder dat er een geslacht is gekomen dat eigenlijk niet weet wat
godsdienst is, wat het aan godsdienst heeft en waarom het geen of maar
een schijntje godsdienst heeft. Is er toch iets van ontwikkelingsdrang,
van levensbehoefte op dit gebied, krachtens een gunstigen gemoedsaanleg
of tengevolge van de geestelijke atmosfeer waarin men opwies, of doordat
indrukken van menschen en boeken een sluimerende neiging hebben gewekt,
dan begint het zoeken, nu hier, dan daar en overal, waarbij toch maar
weinig van blijvenden invloed wordt gevonden. In ons hoogere
overtuigingsleven, gemoedsleven en denkleven is onze tijd een tijd van
„zoekende zielen”. En het is een tijd van surrogaten meteen. Hier is de
kunst, die onuitputtelijk genot aan schoonheid biedt, en daaronder ook
het genot van de schoone uitingen van den godsdienst .... van een
ander,--surrogaat voor eigen religieus leven. Daar is de wetenschap en
de wijsbegeerte, met haar verrassende ontdekkingen, inzichten,
uitzichten, misschien wel met klare gedachten over een geestelijken
wereldgrond, wereldleiding, werelddoel, dus met iets als: er is een
God,--surrogaat al weer voor het eenige dat alle religie belijdt: gij
zijt mìjn God. Surrogaten nu zijn niet waardeloos, maar zijn slechts
namaak van voedsel, want zij geven de ware voeding niet al lijken zij er
op, en nemen de gezonde zucht naar het voedende voedsel nog weg. Met wat
meer kennis zou men het verschil zien, en begrijpen waarom men onvoldaan
blijft.
Een reeks van verschijnselen derhalve, die zonder veel moeite uit te
breiden was, brengt ons van alle kanten tot de overtuiging, dat hier nog
veel kan, veel moet gedaan worden. Naast al hetgeen de kerken en de
godsdienstige vereenigingen doen om godsdienstig geloof te verbreiden,
godsdienstig leven te wekken en te kweeken, is er, in het belang onzer
beschaving, ter bevordering van een waarlijk eenigszins algemeene,
liever zou ik zeggen: veelzijdige geestesontwikkeling, nog heel wat te
doen om in ruimen kring eenvoudige, degelijke kennis omtrent den
godsdienst, helder inzicht in zijn wezen en krachten, invloed en
beteekenis te verbreiden. Iedere poging om in dit opzicht iets goeds te
doen, ieder geschrift dat dit doel kan bevorderen, hebben wij met dank
en sympathie te begroeten, welk standpunt wij ook meenen te moeten
innemen in de godsdienstige wereld of daarbuiten en daartegenover. Want
geen ernstig man, al is hij persoonlijk van alle religie vervreemd, kan
de waarde ontkennen van deskundige voorlichting ook op dit gebied. En
geen godsdienstig mensch, van welke richting of belijdenis hij moge
zijn, zal kunnen meenen dat zijn godsdienst het licht dat de studie van
alle religie ontstak, niet kan verdragen. Misschien zal over een
onderwerp zoo veelzijdig, zoo diep, zoo van alle kanten rakend het
persoonlijkste onzer persoonlijkheid, nooit iets geschreven worden dat
allen voldoet. Maar er kan veel geschreven worden waaruit velen veel
leeren. En dat juist hebben wij allen noodig.
* * * * *
Overwegingen van deze soort hebben mij reeds lang het voornemen doen
koesteren in die richting iets te beproeven. In populaire en meer
wetenschappelijke voordrachten deed ik wat ik kon, studiewerk belette
mij meer te doen. Toen kwam het boekje van Ziegler mij ter hand, en het
leek mij, al is het reeds eenige jaren oud, zoo frisch, en al moest het
hier en daar herzien en aangevuld worden, zoo leerzaam, rijk aan goede
en klare gedachten, dat er in goede bewerking veel goeds mede kon worden
gedaan. Mijn zoon voelde er veel voor om het te vertalen, ik om het in
te leiden en met aanteekeningen te voorzien, de schrijver om het om- en
bij te werken en zoo weer nieuw te maken, de uitgevers der
Wereldbibliotheek, die hun tijd begrijpen, om er hunne verzameling van
leerzame en belangrijke geschriften op ieder gebied mede te verrijken.
Het plan was nauwelijks geopperd of de arbeid was al begonnen. Laat ik
er nu nog iets van mededeelen, over het boekje zelf, over de bewerking
en over hetgeen er mede beoogd wordt.
Prof. Ziegler gaf er zelf een inleiding bij, die ik, om een dubbele
voorrede te vermijden, niet afzonderlijk liet vertalen maar, voor zoover
zij noodig is, in mijne inleiding opneem. Hij deelt eerst mede dat het
boek vijf voordrachten bevat door hem gehouden voor het _Freie Deutsche
Hochstift_ te Frankfort a. M., in een kring van ontwikkelde mannen en
vrouwen. Zijn hoorders hadden er op aangedrongen dat hij ze uitgaf, hij
zelf begeerde niet anders. En hij wilde ze liefst geven in den vorm
waarin ze waren uitgesproken, met behoud van den lossen, vrijen stijl.
„Juist in den bescheiden eenvoud van zulk een voordracht, vrij van alle
academische geleerdheid, maar ook van alle rhetoriek en rhetorische
fraaiigheid hebben zij invloed geoefend en kunnen allicht nog meer goed
doen. Een paar aanteekeningen aan het slot en een opgave van litteratuur
zijn voor degenen die zich verder willen oriënteeren, en bevatten
bovendien de behoorlijke aanwijzing der bronnen.”
„Wat die voordrachten willen zijn en doen, moeten zij zelven maar
zeggen. Of zij als een vreedzaam geschrift vriendelijk zullen worden
ontvangen of als een aanval worden beschouwd en hartstochtelijk
bestreden, dat zal wel afhangen van wie ze lezen en van de stemming
waarin ze gelezen worden. Bedoeld zijn ze bovenal in den eerstgenoemden
zin, al hebben ze wellicht hier en daar iets van den toon en de
uitwerking van een strijdschrift: dat ligt nu eenmaal zoowel in mijn
aard als in de zaak zelve. Derhalve richt zich dit geschrift niet
zoozeer tot allen die vijandig tegenover het vrije onderzoek staan of
angstig daarvoor hun hart sluiten, ook niet tot de beschaafde of
onbeschaafde verachters van allen godsdienst, maar tot de zoekende
zielen te midden van die groote crisis, waarin wij ons zoowel in het
godsdienstige als in het sociale leven bevinden. Den godsdienst zelf te
kennen en te verstaan hebben wij daarbij, naar ik meen, voor het
oogenblik meer noodig dan dat wij ons onderling óver den godsdienst
leeren verstaan, waarvoor de tijd of nog niet gekomen of reeds voorbij
is. Tot dit kennen en verstaan iets bij te dragen is mijn wensch.”--
Dat is eenvoudig, duidelijk en aantrekkelijk als het boekje zelf.
Ziegler is ook een denker naar wien men dadelijk luistert. Wie hem kent
uit zijn prachtige zielkundige studie over het gevoel en uit het andere
werk dat onze Wereldbibliotheek van hem opnam, weet vooraf dat hij van
dezen ernstigen geleerde degelijke kennis, van dezen klaren denker
helder licht ontvangen zal. Bij wijsgeeren is de diepte wel eens
omgekeerd evenredig aan de klaarheid. Waarmede ik overigens niet zeggen
wil, dat de opgeblazen oratorische wijsgeerige duisterheid van veel
mode-philosophen, waaraan alleen de onkunde zich vergaapt, bewijs is van
wezenlijke diepte en rijkdom van denken. Heel diepe en heel rijke
gedachten zijn soms zoo verwonderlijk helder. Maar ook hier is, zooals
Spinoza zegt, al het voortreffelijke even moeielijk als zeldzaam. Het is
echter niet moeielijk over duistere en ingewikkelde problemen duister en
ingewikkeld te schrijven, veel moeielijker ze eerst zelf klaar te
doorzien en dan voor anderen doorzichtig te maken. En de beste denkers
zijn stellig niet zij, die met de geleende lamp van een of anderen
stelsel-philosoof het heelal meenen te verlichten en alle denkvragen te
ontraadselen. De grootsten zijn reeds dankbaar als het hun gelukt in de
oneindige schemering der eeuwige geestesvragen hier en daar een
kleineren of grooteren straal van helder licht te laten vallen; of in
het dooreengewarde weten en denken, dat ons geestelijk bezit vormt, hier
de verwikkelde draden wat te ontwarren, daar een vasten knoop te leggen,
die helpen kan er een degelijk weefsel van te maken. Dat heeft ook
Ziegler beproefd. En eens, of niet eens, men kan altijd van hem leeren.
Daarbij acht ik het een voordeel dat het nu eens geen theoloog is die
over den godsdienst schrijft. Men kan hem ten minste niet verdenken, dat
hij in zijn professorale toga eigenlijk een prediker verstopt. Ik acht
het allerminst een nadeel, dat de wetenschappelijke onderzoeker van den
godsdienst niet onverschillig staat tegenover zijn object. Wat zou een
kunstkenner zijn zonder kunstzin, een zedekundige zonder krachtig
zedelijk bewustzijn? Een beoefenaar van de godsdienstwetenschap zonder
innig, diep, sterk godsdienstig leven ware een heel of half blinde
die spreekt over scheppingen van kleur en lijn. Maar wie heelemaal
buiten het erf van den godsdienst en buiten het arbeidsveld der
godsdienstwetenschap staan, zijn zelf zelden onbevangen en
onbevooroordeeld genoeg om niet overal partijzuchtige strikken en
kerkelijke vallen te vermoeden, wat, krachtens de volkswijsheid omtrent
den waard en zijn gasten, niet pleit voor hun geestelijke vrijheid, en
veeleer doet vermoeden dat ze zelf in een antigodsdienstig klemmetje
vast zitten. Die daar werkelijk aan ontkomen is, zal gemakkelijk
erkennen, dat deze denker terecht zijn religieuze persoonlijkheid niet
verbergt, die hem juist in staat stelt te verstaan wat hij overdenkt, en
dat hij man van wetenschap genoeg is om veelzijdig, grondig en eerlijk
de waarheid uit te spreken die hij vindt, met geen ander oogmerk dan
onze kennis te vermeerderen, ons inzicht te verhelderen en te verdiepen.
Theologen van beroep en godsdienstigen van dezelfde of van anders
gekleurde godsdienstigheid mogen bereid zijn met zijn kennis, zijn
ruimen blik, zijn rustigen waarheidszin hun winst te doen.
De vertaler heeft terecht den gewonen vorm van een redevoering en de
aanspraak tot de toehoorders weggelaten, en van de vijf lezingen
eenvoudig hoofdstukken gemaakt. Voor ons zijn het geen lezingen meer. De
lezer mag echter niet vergeten, dat ze het zijn geweest. Dat heeft
nadeelen, maar nog grooter voordeelen. De hoofdstukken zijn vrij vol, en
men zou geneigd zijn den inhoud in nog meer deelen te splitsen. De stof
is rijk en ieder onderwerp zou zich leenen tot veel uitvoeriger
behandeling. Ook zou een lezer op allerlei punten misschien dieper
willen indringen in de stof dan voor een hoorder gewenscht is. Maar
juist dat ze op mondelinge voordrachten berekend waren, geeft er èn het
levendige èn het beknopte aan, dat ze hier en daar zoo frisch en boeiend
maakt. De klaarheid voor den hoorder komt ook den lezer ten goede. De
veelheid der aardige, soms verrassende kijkjes die ons onder de
wandeling worden gegeven, doet toch overal den breeden horizon zien, die
alles verbindt en die overal helder is. De stijl zou aan levendigheid
en lenigheid zeker hebben ingeboet, ware het een geleerd betoog
geworden. Fijn schrijver en spreker als Ziegler blijkbaar is, heeft zijn
stijl den vertaler moeite genoeg bereid. Niet alle geestige
woordspelingen en wendingen zijn in onze taal te bewaren of door
gelijkwaardige te vervangen. Maar hij heeft ernstig getracht zoo weinig
mogelijk verloren te laten gaan en zoo zuiver mogelijk toon, kleur en
lijn te bewaren. Vele mooie bladzijden zullen, vertrouw ik, ook in de
vertaling wel tot hun recht komen.
Ik heb Zieglers aanteekeningen, omwerkingen en uitbreidingen naar zijn
schriftelijke opgave nauwkeurig overgenomen en met een Z. aangewezen.
Mijnerzijds heb ik een en ander in de aanteekeningen, de
litteratuuropgaven en het register, er aan toegevoegd, en dat met een G.
gemerkt. Slechts een paar maal moest ik geheel van Ziegler’s tekst
afwijken. Waar hij verwijst naar kerkelijke en theologische
gebeurtenissen in zijn vaderland die hier onbekend zijn gebleven, heb ik
mij veroorloofd in de plaats daarvan over Hollandsche toestanden te
spreken, die voor den gedachtengang denzelfden dienst kunnen doen. Zulke
veranderingen vindt men natuurlijk in de aanteekeningen vermeld. Ik heb
gemeend mij te moeten onthouden van kritische opmerkingen of afwijkende
beschouwingen: niet ik, maar Ziegler is hier aan het woord. Maar een
enkele afwijkende meening meende ik hier en daar zijdelings wel even te
mogen aangeven. Het kan het zelfstandig onderzoek ten goede komen,
waartoe dit geschrift mede den weg wil wijzen. Van volledigheid kan
natuurlijk bij lastige kwesties in een beknopt geschrift als dit evenmin
sprake zijn als in de verwijzing naar litteratuur. De opgave zelfs maar
van de belangrijkste geschriften over vragen van wijsgeerige
godsdienstwetenschap zou een boekdeel vorderen. Meer dan een enkelen
lossen greep konden wij niet doen. Wie dus een goed werk niet vermeld
vindt, zie daar allerminst miskenning van zijn beteekenis in.
Zoo worde dan onze Wereldbibliotheek ook in dien zin weder meer haar
naam waardig, dat zij over het groote wereldverschijnsel dat godsdienst
heet, dat de menschenwereld zal blijven bewegen en vervullen gelijk het
de menschenziel van alle tijden beweegt en vervult, helpt kennis
verspreiden en licht ontsteken. Komt het den godsdienst in zijn
ontwikkeling eenigermate ten goede, wij zullen er dankbaar voor zijn.
Voorloopig zullen wij reeds tevreden zijn, indien dit geschrift iets
bijdraagt tot die ware ontwikkeling, voor welke geen der hoogere
uitingen van menschelijk geestesleven een gesloten boek is.
_Dec. 1917._