EEN SPROOKJE.

Er waren eens een koning en een koningin, die een beeldschoon

dochtertje hadden, dat Eveline heette. Nu wilde echter het ongeluk, dat

het prinsesje één groot gebrek had; zij was zeer snoepzuchtig. Zoo kwam

het dat men Eveline, toen zij acht jaar geworden was, nooit bij haar

eigen naam noemde, doch dat elkeen sprak van Prinses Zoetekauw! Dit

veroorzaakte H.H. M.M. veel verdriet.

Op een avond nadat Eveline naar bed gegaan was, bespraken haar ouders

juist de noodzakelijkheid, haar van hare fout te genezen, toen er

gescheld werd en Antje de meid vlak daarop een kaart binnenbracht

van den volgenden inhoud:

ADELGONDE,

FEE.

Directrice van het Herstellingsoord "Excelsior". Beveelt zich

beleefd aan voor het verbeteren van kinderen met onvolmaakt

karakter.

Billijke condities.--Ook aan huis te ontbieden.--Gezonde,

boschrijke streek.--Prima referentiën bij de deftigste

families.--Strikte geheimhouding verzekerd.

Prospectus wordt desgewenscht gratis toegezonden.

De ouders van Eveline zagen elkaar verbaasd aan. Toen zei de koning:

"Laat de juffrouw binnenkomen, Antje."

De Fee trad binnen, nam den haar beleefd aangeboden stoel en glimlachte

vriendelijk.

"Mag ik u vragen, Fee," zeide Eveline's vader, "waaraan ik de eer

van uw bezoek te danken heb?"

"Zooals u wel zult vermoeden, meneer de koning," begon de Fee,

"heeft de helaas algemeen bekende snoepzucht van uw overigens aardig

dochtertje mijn schreden hierheen geleid."

H.H. M.M. zuchtten diep.

"Ik geloof namelijk," vervolgde de Fee opbeurend, "het prinsesje te

kunnen genezen."

H.H. M.M. zagen elkaar hoopvol aan.

De Fee stond op en zwaaide de tooverparapluie, welke zij steeds

bij zich droeg. In een oogenblik was de kamer vol eigenaardige

wezens. Elfen, kabouters, hulpfeeën, enz.

"Dit is mijn personeel", zeide Adelgonde. "Het staat mij met ijver en

plichtsbetrachting bij in mijn somtijds moeielijke taak. Onze kabouters

hebben u, zooals u zien zult, een der laarzen meegebracht van den Reus,

die niet zelf kon binnenkomen wegens zijn reusachtigheid".

Vervolgens stelde de Fee de aanwezigen één voor één aan

H.H. M.M. voor. Nadat de hulpfeeën: de dames zuster Silentia, zuster

Attentia, zuster Patientia en zuster Olympia hare nijging hadden

gemaakt en minzaam door het vorstelijk echtpaar waren toegesproken,

kwam de beurt aan de kabouters: de heeren, Jokniet, Morsniet,

Snoepniet, Pulkniet, Kijfniet, Zeurniet en Gilniet.

H.H. M.M. onderhielden zich daarop een tijdlang met elk der aanwezigen

afzonderlijk en lieten zich hunne denkbeelden uiteenzetten. In het

bijzonder interesseerde H. M. de Koningin zich voor het praktisch

werk door zuster Olympia verricht. Hare Majesteit liet deze hulpfee

haar nieuwste systeem verklaren, dat op een combinatie van nuttige

handwerken en lichamelijke opvoeding berust, en gaf door de vragen,

die het Haar behaagde te stellen, blijk van Haar belangstelling

en kennis van zaken. Onderwijl leende Haar gemaal een gewillig oor

aan de belangwekkende theorieën van den heer Jokniet over de jacht,

een onderwerp dat den vorst buitengemeen interesseerde.

"Mijn personeel", vervolgde de Fee, het woord weder opnemend,

"bestaat uit prima werkkrachten. Ik heb de eer in het bijzonder de

aandacht van Uwe Majesteiten te vestigen op onzen heer Snoepniet,

sedert vele jaren bij mij werkzaam, aan wiens zorgen ik gaarne de

behandeling van Hare K. Hoogheid wenschte te zien toevertrouwd."

Eveline's ouders maakten nader kennis met dezen bekwamen en

welwillenden kabouter. Besloten werd, dat Eveline een tijdlang

verpleegd zou worden in het herstellingsoord "Excelsior" en aan de

zorg van den paedagoog Snoepniet zou worden toevertrouwd.

Den volgenden dag vertrok zij, alleen vergezeld van de particuliere

hoffotografe der koningin. Haar afscheid van het koninklijk echtpaar

was kort maar roerend.

De reis was zeer voorspoedig.

De ontvangst was allerhartelijkst. De jongste verpleegde, 2 1/2

jaar oud, in behandeling voor duimzuigen, bood de hooge gast een

ruiker aan. Het woud Excelsior wemelde van berispelijke kinderen,

daarheen gezonden, om verpleegd te worden tot den waarlijk billijken

prijs van f 1.- per dag, per persoon, met volledig pension (buiten de

wasch). Meer kinderen uit één gezin gereduceerd tarief (wij citeeren

den prospectus).

De kinderen waren in ploegen verdeeld, en werkten acht uur per dag

onder toezicht van de kabouters. De arbeid van iedere ploeg was er

op berekend, de kinderen, die er toe behoorden, van hun bepaalde

ondeugd te genezen. Had een kind meer dan één ondeugd, dan werkte het

afwisselend in verschillende ploegen en dan duurde de kuur natuurlijk

langer.

Prinses Zoetekauw werkte, met nog vijf andere kinderen, onder toezicht

van den welmeenenden, doch gestrengen afdeelingschef Snoepniet.

De arbeid bestond in het proeven van taartjes, gebak, bonbons, koekjes

enz. In den beginne lachte deze bezigheid ons prinsesje niet weinig

toe, zooals men denken kan. Weldra werd dit echter anders.

Het proeven moest namelijk zeer schielijk geschieden. Ieder kind

moest een taartje of koekje een oogenblik proeven, en er een stukje

afbijten, waarop het aan wie volgde werd overgereikt, enzoovoort,

de rij langs. Met de linkerhand werd doorgegeven, met de rechter

schreef men zijn oordeel op. De voorraad werd niet ververscht, vóór

dat elk taartje op was. Ander voedsel kreeg deze afdeeling niet. Men

mocht zich niet verwijderen.

De taak van Snoepniet, die acht moest geven dat elk kind werkelijk

proefde en slikte, en dat opgeschoten werd was alles behalve

licht! Voortdurend klonk zijn stem: "Doorgeven daar! Opschieten

daar! Slikken daar! Wie volgt! Blijven zitten daar!"

Is het wonder dat Eveline en haar kornuitjes weldra een innigen afkeer

gingen koesteren tegen alle snoeperij?

Des Zondags werd niet gewerkt. De kinderen verzamelden zich op

een heuvel tot het hooren van eenige lezingen en voordrachten. Het

programma van de matinée was vol afwisseling. De inleidster, Tante

Adelgonde, zette, in een welsprekend pleidooi, het doel van Excelsior

uiteen.

De fee begon met erop te wijzen dat "Excelsior" streefde naar

hooger. Evenwel moeten wij niet slechts naar buiten maar ook naar

binnen omhoog streven. (Applaus!) Excelsior heeft nog een vruchtbaar

arbeidsveld voor den boeg! Wij willen dezen dag vieren als een

mijlpaal, die den stoot geeft tot nog grooter inspanning en waarop

wij krachtig moeten voortbouwen. Het tot nogtoe bereikte mag ons tot

blijdschap stemmen, dit moet ons daarom nog geen reden zijn op onze

lauweren te rusten, (gelach) doch integendeel een spoorslag om de

handen inéén en met frisschen moed aan den ploeg te slaan! (Daverend

applaus!) De spreekster wees verder op de noodzakelijkheid van

propaganda en gaf vervolgens het woord aan de ijverige secretaresse,

de hulpfee Patientia, die het jaarverslag uitbracht.

De volgende spreker was de heer Jokniet, die de toehoorders tot tranen

wist te roeren, terwijl hij op zijn overtuigende wijze alle jokkernij

aanviel en daarop mededeelingen deed omtrent een bezoek door hem,

in opdracht van Excelsior, gebracht aan den Ooievaar.

Spreker werd door den voorkomenden patriarch met de grootste

welwillendheid ontvangen.

Het gesprek kwam, na eenige inleidende beleefdheden, natuurlijk

spoedig op het vraagstuk der moeilijke kindervragen.

De Ooievaar was overtuigd namens zijne geest- en bloedverwanten te

spreken, wanneer hij ten stelligste ontkende, dat zijn fractie nu

of ooit eenige medewerking bij de geboorte der menschenkinderen zou

hebben verleend! Hij brandmerkte dit gerucht als een bloot verzinsel,

hij wilde niet zeggen een unfaire verdachtmaking van een deel der

pers. Sommige groepen, meende de vriendelijke gastheer, trachten uit

bedenkelijke zucht om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven,

zijn fractie aansprakelijk te stellen voor de tegenwoordige crisis.

Op de vraag van spreker wat zijn opinie was aangaande eerlijke

antwoorden op kindervragen, achtte de Ooievaar het een dringende

plicht zich met de meeste omzichtigheid te uiten, zoolang het program

van zijn groep nog niet definitief was vastgesteld. Slechts geloofde

hij verantwoord te zijn, wanneer hij als zijn vaste overtuiging te

kennen gaf dat de tijd thans nog niet rijp was voor de oplossing van

het verwante probleem: wie er het eerst was, de kip of het ei. Een

brochure van zijn vleugel over dit onderwerp is overigens ter perse.

Terugkomende op de eerste vraag, verzekerde de ooievaar nog eens ten

stelligste, dat voor deze geruchten elke grond ontbrak. Er bestaat

volkomen overeenstemming in den boezem mijner groep, verzekerde hij.

Ware het mogelijk de geboorte van kikkers te bevorderen, hij en zijne

vrienden zouden gewis niet werkeloos blijven. Nog vestigde hij er

onze aandacht op, dat geen enkel ooievaar de bevoegdheid bezit tot

het verleenen van medische hulp, en geen enkele ooiemoer diploma

voor vroedvrouw.

Nadat dit onderhoud tot des heeren Jokniets bevrediging geëindigd was,

wenschte deze zich nog naar een niet minder bevoegde persoonlijkheid

te begeven, om diens oordeel te vernemen over een andere hardnekkige

legende, volgens welke deze zelf, zekere St. Nicolaas, nog altijd

op den 5en December (den avond vóór zijn geboortedag) geschenken en

straffen zou uitdeelen om op verouderd-paedagogische wijze het gedrag

van het kind te beïnvloeden.

Deze poging mocht evenwel niet met hetzelfde succes worden

bekroond. Noch het adresboek van Spanje, noch de ijverige nasporingen

der politie konden het verblijf van den z.g. Sint aan het licht

brengen. Hoogst waarschijnlijk heeft men in dit geval met een

oplichter te doen, die misbruik maakt van den goeden naam des lang

overleden bisschops, om het kinderpubliek beloften en concessies af

te persen. Men zij gewaarschuwd!

Niet minder bijval oogstte de heer Morsniet met zijn vurige bestrijding

der morsgewoonte. De heer Snoepniet, die op aanschouwelijke wijze een

bedorven maag schilderde, vond eveneens een uitbundig onthaal. Met

groote belangstelling volgden de aanwezigen de voordracht van den heer

Pulkniet, over het neuspeuteren, met lichtbeelden. De zon had hierbij

hare belangelooze medewerking verleend door zoolang te verdwijnen. Niet

minder toonde het publiek zich ingenomen met de belangwekkende rede

van den heer Kijfniet, die het kijven op zijn bekende krachtige wijze

bestreed. De heer Zeurniet zeide over het zeuren kort te zullen

zijn en voegde, in een bondig betoog van slechts enkele uren, de

daad bij het woord. De heer Zeurniet koos tot thema een vers, dat,

naar zijn meening zeer ten onrechte in bepaalde kringen van kinderen

en opvoeders een zekere mate van populariteit genoot.

Spreker begon met de voorlezing van dit vers, een noodzakelijke

inleiding waarmee hij het geduld der vergadering tot zijn spijt een

weinig op de proef zou moeten stellen:

Dit is de sleutel van den Bibelbontschen berg

Op dien Bibelbontschen berg

Wonen Bibelbontsche menschen

En die Bibelbontsche menschen

Hebben Bibelbontsche kinderen

En die Bibelbontsche kinderen

Eten Bibelbontsche pap

Met een Bibelbontschen lepel

Uit een Bibelbontsche nap.

Spreker wilde zijne bedenkingen tegen dit vers neerleggen in een

reeks vragen:

1. Schijnt het niet vreemd dat men een sleutel noodig zou hebben

inplaats van b.v. een alpenstok om een berg te bestijgen?

2. Acht gij de herhaling van dat woord Bibelbontsch in elken regel,

bij menschen, kinderen, pap, lepel en nap, niet overbodig?

3. Houdt gij met mij het woord Bibelbontsch niet voor een

klankwoord zonder aardrijkskundige beteekenis, en de gansche

omslachtige mededeeling derhalve voor waardeloos en

nonsensikaal?

4. Is in dit vers, waarin toch van zekere pap wordt gewag gemaakt,

niet een belangrijke leerstof verwaarloosd, daar niet vermeld

wordt, uit welke bestanddeelen dit voedsel bestaat?

Spreker beantwoordde al deze vragen bevestigend, en achtte,

resumeerende, dit vers:

a. onzinnig,

b. vol herhalingen, dus zeurig,

c. onwetenschappelijk,

d. ongeschikt,

conclusies welke hij in een heldere detailcritiek nader toelichtte.

Het viel te betreuren, dat de beschaafde causerie van den heer Gilniet,

over het gillen, onverstaanbaar was.

Dit feit gaf aanleiding tot een INCIDENT.

De heer Kijfniet vroeg aan de voorzitster of het niet mogelijk was een

leerstoel voor methodisch spreken in te stellen. De heer Gilniet zegt,

dit als een insinuatie te beschouwen.

Parodieën · 第 30 / 38 题