INDIAANSCHE NOVELLE.

HOOFDSTUK I. De Blauwe Vos.

Het is het recht van den romanschrijver, zonder voorafgaande

plichtplegingen, den lezer te midden zijner personages te voeren. Wij

maken derhalve daarvan gebruik en beluisteren het gesprek van vier

mannen, die zich om gindsch houtvuur hebben geschikt.

Eén van hen, een Indiaan van deftig voorkomen en middelbaren leeftijd,

is beleefd, doch met eenig wantrouwen ontvangen. Het was zijn drie

blanken metgezellen niet onbekend, dat het verkeer met Roodhuiden

eigenaardige moeilijkheden en zelfs gevaren oplevert.

Gustaaf, de jager, was het meest doorkneed in den sierlijken, doch

waar het pas geeft, tevens niet weinig stekeligen conversatietoon,

welke de Indianen zoo gelukkig weten te treffen.

"Als ik mij niet vergis", begon hij, "heb ik de twijfelachtige eer

met een Slangen-Pawnee te spreken?"

De nauwgezette Indiaan nam nu zijn calumet (pijp) en om te toonen, dat

hij aan dit gesprek veel gewicht hechtte, vulde hij die met mochichei

(gewijde tabak). Na een paar trekken bood hij de pijp aan den jager,

die er ernstig aan zoog en ze vervolgens doorgaf aan Edelhart. Deze

beiden wisten de eer op prijs te stellen. Niet aldus echter El

Pantero, die minder vertrouwd was met de gebruiken der Roodhuiden

in het algemeen en van de Slangen-Pawnees in het bijzonder. Toen de

vredespijp hem bereikte, wischte hij met zijn zakdoek het mondstuk

af, een doodelijke beleediging in het oog van hun nieuwen bekende,

die hiervan weliswaar niets liet bemerken, doch er des te meer over

na bleef mokken, zooals wij zullen zien vóór deze roman ten einde is.

Na de pijp met de ongemaakte bevalligheid zijns stams weerom te hebben

genomen, begon de Sachem:

"De Waconda is machtig. Hij ademde den grooten hoofdman de woorden in,

die zijn mond weer uitblaast.

"De Apachen zijn klapachtige oude wijven. Een groot opperhoofd zegt

het! De jakhalzen verwaardigen zich niet hunne verpeste lijken te

verslinden. De zitdeelen der Apachen zijn platgetrapt door hun eigen

hielen bij de razende vlucht voor den Slangen-Pawnee. Hun geraamten

zweeten nog in de graven van de hijgende haast, waarmee zij bij hun

leven vloden voor de zuigelingen van mijn stam! Hunne achterkleinzonen

zullen nog lijden aan piependen adem en hartebons, tengevolge van de

ijlende vaart, waarmee hun voorvaderen aan den haal gingen voor den

Blauwen Vos en zijn broeders.

"De Slangen-Pawnee is de koning der prairiën. De Blauwe Vos is het

grootste opperhoofd der Slangen-Pawnees. De Blauwe Vos is een goed

vriend, een verschrikkelijke vijand. Ik ben de Blauwe Vos."

Geen der aanwezigen wist hieraan iets toe te voegen. De Blauwe Vos

scheen dat ook niet te verwachten, maar vervolgde, na een korte pauze,

op honigzoeten toon:

"Hoe denken mijn bleeke broeders over de Apachen? De ruige jager der

bleekgezichten spreke! Een groot opperhoofd luistert. De wijsheid

van zijn beide grootvaders bezielt de woorden van den ruigen jager

der bleekgezichten!"

Maar Gustaaf wist wat het beteekent als de Slangen-Pawnees u

complimentjes maken!

"Ben ik een oude vrouw, hoofdman?" antwoordde hij, "dat gij mij door

vleiende woorden de tong hoopt te doen draven als een hengst met den

kolder in den kop?"

"Mijn broeder Pelsgezicht heeft naar den Spotvogel geluisterd, de

Spotvogel is een leugenachtige en bedriegelijke Vogel," zeide de

Blauwe Vos.

De hoofdman boog ietwat spijtig en vertrok. Een half uur nadat de

Blauwe Vos onze vrienden verlaten had, werd plotseling de welbekende

kreet der Commanchen vernomen.

Inderdaad naderde een troep krijgers van dezen stam met de

gebruikelijke, omslachtige beleefdheden. Hunne gelaatstrekken zouden

innemend zijn geweest, zonder de uitvoerige beschilderingen, waarmede

een zeker verkeerd schoonheidsgevoel hen genoopt had ze te bedekken.

Het Stille Water, de aanvoerder, nam nu het woord.

"Opent uwe ooren wijd, bleekgezichten, het groote opperhoofd Het Stille

Water spreekt. Het Stille Water houdt niet van babbelen. Het Stille

Water spreekt in zeven dagen niet zooveel woorden als er scalpen

aan zijn gordel bungelen. Nochtans spreekt hij tot u. Ziehier zijn

zonen. Hun arm is sterk, hun hart dapper, hun tong niet leugenachtig,

hun maag leeg".

Hierop antwoordde de jager, na de gebruikelijke plichtplegingen,

daar de Commanchen veel hechten aan etiquette:

"Het Edele Hart, de Panter en mijn persoon groeten den machtigen

stam der Commanchen zeer. Wij hebben geen gespleten tong. Onze huid

is blank, maar ons hart is rood, ons eten nog niet op!"

"Hugh!" riepen de Commanchen en vielen op het maal aan, dat spoedig

verdwenen was, want dit volk presteert op dit gebied veel. Toen de

maaltijd was afgeloopen, traden twee krijgers te voorschijn, die een

Apache gekneveld meevoerden.

"Het hart van de Commanchen", sprak de hoofdman niet zonder aandoening

en te midden van een plechtig stilzwijgen, "is even vol van dank als

de bodem van het gebeente hunner verslagene vijanden. Om dit te toonen

willen zij de blanke broeders de eer waardig keuren om de plechtigheid

bij te wonen die volgt".

De marteling van den gevangene, uitvoerig als al wat tot de zeden

der Commanchen behoort, nam een aanvang. Daar wij geen bewoners der

wildernis zijn en op zulke tafereelen niet belust, doen wij beter

ons te verwijderen, totdat de Apache den geest heeft gegeven. Een

luid applaus kondigt dit tijdstip aan--wij keeren terug. Alsnu kwam

de Sachem voor den dag met het eigenlijk doel zijner komst.

"Een verachtelijke Slangen-Pawnee, de Blauwe Vos", sprak hij, driemaal

op den grond spuwend, "heeft mijn blanke broeders bezocht. Het Stille

Water vermag zijn onreinen scalp niet aan den gordel van een zijner

blanke broeders te ontdekken. Dit bedroeft het Stille Water zeer. Ziet

de dappere hoofdman weent van smart en spijt".

De jager antwoordde voorzichtig:

"Wij hebben den scalp van den Blauwen Vos voor den gordel van het

Stille Water bewaard! Overigens schijnt de Blauwe Vos niet langer

een vriend der Apachen. Hij gaf dezen volksstam leelijke namen. Hij

beschimpte hunne voorvaderen en hunne nazaten".

"Poah! De Blauwe Vos is de vijand der Commanchen. De Blauwe Vos blaast

zijn stinkenden adem in het oor van Sluipvoet, het opperhoofd der

Apachen. Het Stille Water is geen babbelzieke squaw! Mijn broeders

hebben roode harten, maar een bleeken neus, die het verraad niet

ruikt, dat kankert in de ziel van een schurftigen hond van een

Slangen-Pawnee!"

"Het opperhoofd rookte met ons de calumet," zeide Edelhart thans. "Ook

is hij niet wijzer gegaan dan hij kwam".

Het Stille Water scheen eenigszins bevredigd. Hij wenkte zijn mannen

en ging, echter niet zonder het voorgeschreven afscheidsceremonieel

alle recht te doen wedervaren.

De drie reizigers vervolgden des morgens hun tocht ter bevrijding

van de schoone Camilla, respectievelijk hun pleegdochter en geliefde.

HOOFDSTUK II. Camilla's vlucht.

Het rad der fortuin is uiterst wisselvallig! Dit feit moge somtijds bij

den sterveling een onrustig gevoel opwekken, het moet erkend worden,

dat de tand des tijds zelden een groot ongeluk brengt, zonder er

eigenhandig een klein gelukje bij te voegen, als een pleister op de

bloedende wonde, of zooals een oase in de woestijn.

Wij bevinden ons op de eindelooze prairie, eenvoudig, doch schoon

omlijst door het hemelsblauw, echt Mexicaansch, of liever Texaansch

uitspansel. Dit landschap wordt dra gestoffeerd. Een ruiter nadert in

vliegende vaart, als een waterval van de bergtoppen ijlt, schuimend en

spattend, in kokende drift. Het is een vrouw in manskleeren, die haar

vormen zeer voordeelig doen uitkomen. Deze vrouw is Camilla! Op haar

lieftallig gelaat betwisten vertwijfeling en moed elkaar den voorrang.

Een woest gehuil, dierlijk van klank, doch ongetwijfeld uit den mond

van een mensch gekomen, treft ons oor! Zelfs de blanke staat dikwijls

niet hooger dan het laagste dier, vooral in de wildernis! Dit is

treurig, maar waar.

Het is de Bleeke Scalpeur! Camilla heeft dezen ijzingwekkenden man

weten te ontkomen. Maar helaas, hij nadert met de snelheid van den

wervelwind, doch dan in steeds voorwaartsche richting!

Reeds grijpt zijn ruwe hand naar de haren der schoone jonkvrouw. Heeft

hij haar gevat?

De lezer sla het begin van dit hoofdstuk op, hij zal er een opmerking

vinden, die hem tot goed begrip van het nu volgende wel te stade

zal komen!

Camilla's haren zijn van schrik te berge gerezen!

Zoo kan de vervolger er niet bij!

Welnu, op dit oogenblik springen drie mannen te voorschijn.

De eerste is de jager!

De tweede is Edelhart!

De derde is een geheel nieuwe figuur in onze romans, n.l. de neger

Kroeskop, een door de Indianen met bevreemding bejegend man van zuiver

Afrikaansche huidkleur.

HOOFDSTUK III. Een mooie scalp.

De regen viel bij stroomen neder, als schreiden de engelen in de

goedheid hunner harten over de boosheid der menschen, die zich niet

ontzien elkander te haten en zelfs te dooden. De Blauwe Vos, gewend

wind en weder te trotseeren, is met zijn squaw of huisvrouw en kind

op het pad. De Zingende Leeuwerik, zijn jonge vrouw, is niet zonder

typische Indiaansche schoonheid, voor wie daarvan houdt tenminste. Naar

onzen smaak is haar profiel wat hakerig. Beider zoontje, drie jaar oud,

vertoont reeds den listigen en wreedaardigen trek zijns vaders.

Eensklaps legt het hoofd van dit gezin den vinger op de lippen en duikt

weg achter de struiken! Vrouw en kind volgen zijn voorbeeld gezwind.

De neger Kroeskop komt voorbij. Een scalp, zoo zeldzaam als de zijne,

kon niet missen reeds lang de begeerigheid van den rooden schelm te

hebben opgewekt.

Vóór de ongelukkige zwarte, onbekend met de gebruiken des lands,

weet wat geschiedt, is hij van zijn scalp beroofd.

Op dit oogenblik rijst een man als het ware uit den grond op. Het

is de Bleeke Scalpeur. Het zien alleen van dezen geduchten grijsaard

doet het Indiaansch gezin vluchten, den scalp inderhaast achterlatend.

De redder treedt op den neger toe. Is hij te laat gekomen? Het

schijnt zoo. Eens gescalpeerd heeft men gewoonlijk niet veel meer

te vertellen. Doch wat nu voorvalt zal menigeen verbazen, die de

buitengewone taaiheid van de negers en de hardheid van hun schedels

niet uit ondervinding kent!

Kroeskop heeft zijn scalp opgenomen en drukt dezen thans met alle macht

op zijn hoofd. Nu maakt hij vertwijfelde teekenen. Het verblijf in de

wildernis verleent tegenwoordigheid van geest. De grijze reus begrijpt

hem! In een oogwenk staat hij op het hoofd van den gescalpeerde. Dit

krasse middel mist zijn uitwerking niet. Kroeskop is binnen weinige

oogenblikken weer geheel zich zelf. Zijn haar echter is van nu af

aan onherstelbaar uit de krul!

De Bleeke Scalpeur bevindt zich nog in de zoo even geschilderde

menschlievende positie, als Camilla op hem toesnelt.

"Men zegt mij", roept het lieve meisje blozend, "dat gij mijn vader

zijt. Thans wordt mij alles duidelijk!"

"Zoo is het", antwoordt de woeste man, wien de tranen over het

verweerde gelaat loopen. Hij stijgt af--en omhelst zijn kind.

De band des bloeds werpt somtijds een rooskleurig licht op een

schijnbaar zwarte ziel en opent de ruwe schors, die het hart van een

bewoner der wildernis omgeeft!

HOOFDSTUK IV. Een veelbewogen dag.

De prairiën, hoe onherbergzaam ook, zijn evenmin als eenig menschelijk

oord, ontoegankelijk voor de liefde! Gelijk wij gezien hebben, beminden

zoowel El Pantero als Edelhart, Camilla, welke bovendien het eenige

jonge meisje van hun eigen complexie in den ganschen omtrek was.

Het is niet de taak van den romanschrijver, de zoete woorden af te

luisteren, welke El Pantero haar toevoegde; nog minder, deze op te

schrijven. Veeleer doen wij goed den wraakgierigen Blauwen Vos in het

oog te houden, die sluipend naderde, en den tomahawk ophief om de

beleediging, hem in ons eerste hoofdstuk aangedaan, te wreken. Het

verheugt ons te kunnen zeggen, dat Edelhart op datzelfde oogenblik

ten tooneele verscheen en den medeminnaar met een welgemikten kogel

redde, daarbij tevens zich zijn naam waardig toonend.

De vuilaardige Indiaan viel voorover en de Bleeke Scalpeur, die

zijn naam ook niet voor niets droeg, wilde hem van zijn haartooi

berooven. Het kwam den jager echter voor, dat deze onbeschaafde daad

voor een blanke, die bovendien de vader van Camilla was, niet door

den beugel kon. Een strijd ontstond tusschen de bedaagde mannen,

doch spoedig verscheen een nieuwe vijand ter plaatse.

Een troep krijgers van den Blauwen Vos stormde toe om den hoofdman

te wreken.

Maar de redding liet niet lang op zich wachten. Een afdeeling

Commanchen onder aanvoering van Het Stille Water, die weer kwam alsof

hij geroepen was, zond hen in massa naar het schimmenrijk.

Nu scheen alles in orde! Maar zoo iets bestaat in de wildernis

niet. Een regiment Mexicanen naderde in woeste vaart! Om rust te nemen,

nadat men zijn koetjes op het droge heeft gebracht, moet men niet

naar dit--overigens gezonde en schoone--land toe gaan. Thans scheen

alles verloren. Doch dit moet men in de wildernis niet te gauw zeggen!

"Moed gehouden!" riep de jager nu, ontroerd. De geoefende woudlooper

legde het oor tegen den grond, en zeide met de meeste zekerheid:

"Op tien minuten afstand naderen honderd Texanen en 50 Sioux in volle

vaart! Arendsneus heeft het commando."

Hij sprak de waarheid! Maar nog waren de spannende gebeurtenissen

van dezen woeligen dag niet ten einde.

Een bende Apachen vervulde de lucht met hun barbaarsche oorlogskreten,

welke een kwelling zijn voor beschaafde ooren.

Een woedend gevecht volgde, waarbij de Apachen het veld moesten ruimen,

vele dooden achterlatende, ten prooi aan scalpjager en gier... Onze

vrienden verlieten het tooneel van zooveel lief en leed.

Nadat zij zijn verdwenen, werpen wij een laatsten blik op de

prairie... De nacht spreidt den mantel der liefde over de bloedige

overblijfselen van dappere legerscharen. De maan gaat op en verleent

schilderachtigheid aan een tafereel, dat zooeven nog alles behalve

aangenaam aandeed. Wat beweegt daar? De Blauwe Vos--want hij is

het--richt zich kreunend op. Waarheen staart het oog van dezen

schijndoode met zooveel aandacht? Volgen wij zijn blikken, al maakt

zijn loenschheid dit ons moeilijk.

Een tweede krijger wordt door een rilling doorploegd. Het is een

jong opperhoofd der Commanchen, die thans zijn forsch lichaam op den

elleboog opheft. Zijn verglaasde oogen schitteren in den maneschijn

als fosfor...

De beide schijndooden van zooeven wisselen een blik vol haat, afgunst,

verachting en bloeddorst...

Parodieën · 第 28 / 38 题