[1] kaoengstrootje, sigaret gerold van zeker soort blad.
[2] desa, dorp.
[3] lebaran, einde der vasten, tevens begin van 't nieuwe jaar der
Mohamedanen, dat steeds feestelijk gevierd wordt.
[4] kotta, stad.
[5] tjilaka, ongeluk.
[6] goeroe, godsdienstleeraar.
[7] botja angon, kleine veehoeder.
[8] legi, naam van een der 5 dagen van de Mohamedaansche week.
[9] bahoe, oppervlaktemaat.
[10] njai, huishoudster.
[11] assistènan, huis van den assistent-resident.
[12] patjol, spade.
[13] padi, 't Indische koren.
[14] pending, metalen buikband.
[15] giwangs, oorknoppen.
[16] toessoek kondé, haarspeld.
[17] padjeg, belasting.
[18] wedana, Javaansch bestuursambtenaar, tevens belast met
politiezaken.
[19] sawah, rijstveld.
[20] walang sangit, hama mentek, insecten, die schade aanrichten in
't te velde staand gewas.
[21] menir, inferieurste kwaliteit rijst door gebroken korrel.
[22] poesaka, erfstuk.
[23] djimat, talisman.
[24] soeling, fluit.
[25] kawedanan, woning van den wedana.
[26] kambodja, boomsoort, die bijna uitsluitend op Javaansche kerkhoven
geplant wordt.
[27] djoeroetoelis, schrijver.
[28] emper, afdak.
[29] kadjang, wand van gevlochten bamboe of van gedroogde palmbladeren.
[30] sambal djeroek, toespijs van Spaansche peper en citroen.
[31] sajoer, sausje.
[32] reboeng, bamboespruit, als ze pas boven den grond uitkomt en
nog eetbaar is.
[33] tikar, mat.
[34] tegalan, veld, weide.
[35] merang, stoppels van de padi.
[36] galangan, berm.
[37] arit, sikkelvormig grasmes.
[38] bandjir, overstrooming.
[39] kandjeng regent, Z.E. de regent. Kandjeng is 'n titel voor
hoogwaardigheidsbekleeders en staat gelijk met excellentie.
[40] toean besar, groote heer; in dit geval: de administrateur.
[41] toean ziender, opzichter.
[42] oentoeng, geluk, zegen.
[43] kwassa, macht.
[44] oedjan'mas, gouden regen ('n Javaansch lied).
[45] panajagan, gamelanslager, bespeler van 't Javaansche
muziekinstrument, de gamelan.
[46] ketoek, kromong, kempoel, ronde koperen bekkens van verschillende
grootte.
[47] kendang, trom.
[48] rebab, viool.
[49] bendeh, plat koperen bekken.
[50] go-ong, gong, koperen muziekinstrument.
[51] sarons, metalen staven, op koorden over 'n houten bak gespannen
en waarop met 'n hamer gespeeld wordt.
[52] lagoe blenderan, wijs die gespeeld wordt bij aankomst van
hooge gasten.
[53] giroh, krijgsmarsch.
[54] koewoe, dorpshoofd.
[55] pendopo, open galerij.
[56] demang, ondergeschikt Javaansch politiebeambte.
[57] tandakken, dansen.
[58] boré, geele verfstof, waarmee Javaansche mannen en vrouwen zich
bij feestelijke gelegenheden wel plegen te blanketten.
[59] kondé, haarwrong.
[60] gendi, aarden waterkruik.
[61] paso, aarden kom.
[62] tjobek, aarden bord.
[63] tempajan, martavaan, aarden watervat.
[64] slametan, feestmaal.
[65] oentoeng, geluk, zegen.
[66] printah, last; hier: bevelschrift.
[67] prang Atjeh, oorlog in Atjeh.
[68] pedatti, kar.
[69] boenkoesans, bundel.
[70] parang, hakbijl.
[71] golok, kapmes.
[72] penghoeloe, Mohamedaansche priester.
[73] setoe, stroompje, vijver, poel.
[74] atap, dakbedekking van kokosbladeren.
[75] sasaks, wanden van gevlochten bamboe.
[76] baleh, bank, bed.
[77] klamboe, gordijn.
[78] tjoeké, belasting aan den grondeigenaar, bestaande in 'n deel
van den oogst.
[79] padjeg, belasting.
[80] galangan, berm.
[81] picol, 60 K.G.
[82] kwee-kwee, gebak.
[83] traté, waterplant, waarvan de bladeren gebruikt worden om koopwaar
in te pakken.
[84] palawidja, tweede gewas, het gewas dat na afloop van den
rijstoogst op de velden verbouwd wordt.
[85] boedjang, ondergeschikte.
[86] petah, stuk sawahgrond.
[87] doekoen, vroedvrouw.
[88] pidjitten, masseeren.
[89] menjan, wierook.
[90] panèn, oogsttijd.
[91] rameh, vroolijkheid.
[92] kattie, 't honderdste gedeelte van 1 picol.
[93] Mas, titel, die ieder beschaafde Javaan, welke 'n
gouvernementsbetrekking bekleedt, met toestemming van 't hoogste
bestuurshoofd, voeren mag.
[94] koelit langsep duidt 'n kleur aan overeenkomende met die van de
schil van de langsep (Jav. vrucht).
[95] tjemara, hier: valsche haarvlecht.
[96] radènajoe, Javaansche vrouw van adellijke geboorte.
[97] kétèh, aap.
[98] kandjeng gouvernement, 't Gouvernement. 't Woord "kandjeng"
ervoor duidt eerbied aan.
[99] blanda's, Hollanders.
[100] tjodot, vleermuis.
[101] seneng, rustig, naar den zin.
[102] kang, oudere broer.
[103] doekoen, Javaansch dokter, ook wel: vroedvrouw.
[104] rantja, moerassig terrein, met hoog gras en klein struikgewas
begroeid.
[105] hama oeret en hama poetik zijn insecten, die schadelijk zijn
voor het gewas.
[106] Pjoe! uitroep van minachting.
[107] slendang, katoenen of zijden sjerp, die Javaansche vrouwen over
den schouder dragen als zij uitgaan.
[108] katjang, boonen.
[109] rawah, moeras.
[110] rantja, als voren.
[111] obat, medicijn.
[112] ikan gaboes, 'n soort visch.
[113] sedekah, feestmaal.
[114] nasi koening, gele rijst.
[115] sambalans, gekruide toespijzen bij de rijst.
[116] wadjik, 'n Javaansche taart.
[117] assamkoekjes, tamarindekoekjes.
[118] adat, gebruik, gewoonte, zede.
[119] ikan sepat, 'n soort visch.
[120] sajor lodé, 'n sausje, toespijs bij de rijst.
[121] soendoeng, 'n korf of haak van bamboe, waarin gras of ander
veevoeder geklemd wordt.
[122] anak sawah, letterlijk: kind van 't veld; kind, dat op 't veld
geboren werd.
[123] tani, landbouwer.
[124] gendi, aarden waterkruik.
[125] Bapah-moe 'ntenni, je vader wacht je.
[126] Loh, uitroep van verbazing.
[127] Slamat, gelukgewenscht.
[128] Oentoeng temen, groot geluk.
[129] palita, olielampje.
[130] bilik, gevlochten bamboe.
[131] besaran, administrateurswoning.
[132] Halo, Soerja, toean besar doeloe, Hallo, Soerja, eerst de
administrateur.
[133] jongos, anggoer, bawah anggoer, jongen, breng wijn.
[134] bendy, tweewielig rijtuig.
[135] tani's, boeren, landbouwers.
[136] akals, listen, streken.
[137] gé-gé, of G. G., Gouverneur-Generaal.
[138] hormatcirculaires, bedoeld worden de circulaires
over de afschaffing van eerbetoon van de Javanen aan de
overheidspersonen.--hormat, eerbetoon.
[139] soedah is 'n woord dat moeielijk in 't Hollandsch is over te
zetten. 't Kan beteekenen: "laat maar blijven" of "ik wil er niet
meer van hooren" of "genoeg daarover".
[140] ge"rold", voor de politierol gebracht.
[141] ringgit, rijksdaalder.
[142] stali, 'n kwartje.
[143] loemboeng, rijstschuur.
[144] gobang, halve stuiver.
[145] djakat, belasting aan de geestelijkheid.
[146] mandiën, 'n bad nemen.
[147] pasang lampoe, steek de lamp aan.
[148] zienderan, huis van den "ziender" (opzichter).
[149] warong, Javaansch kruidenierswinkeltje.
[150] tjilepoek, 'n uil, die volgens 't Javaansche bijgeloof onheil
voorspelt.
[151] tjilaka, ongeluk.
[152] loerah, dessahoofd.
[153] katjang, boonen.
[154] ketan, ook 'n graansoort, wat vetter en machtiger dan rijst.
[155] karangs, brokken koraalsteen.
[156] djagong of djagoeng, maïs.
[157] kalong, vliegende hond.
[158] tjodot, vleermuis.
[159] pantoen, volkswijze, melodie.
[160] ilmoe, kennis, kunde, gave.
[161] kafirs, ongeloovigen.
[162] ramih, vezelplant.
[163] pesoeratan, de man, die de brieven van de onderneming naar
't naaste postkantoor brengt en omgekeerd.
[164] orang tani, landbouwers.
[165] bamboe petoeng, zeker soort bamboe.
[166] kedelé, ook een soort boon, evenals de katjang.
[167] ketella rambat, knolplant, die zich over den grond uitbreidt.
[168] gadoe of gadoeng, knolgewas, dat veel in de bosschen groeit en
in tijd van hongersnood de bevolking tot voedsel dient.
[169] dokters djawa, Javaansche geneesheeren.
[170] nènèh, hier: oud besje; soms: grootmoeder.
[171] toekang, arbeider, werkman.
[172] boedjang, bediende, knecht.
[173] perkara, zaak.
[174] perloe, urgent, dringend, van belang.
[175] orang Selam, mohamedaan.
[176] rampok, roofpartij.
[177] gekampakt, afgeleid van 't woord kampak (bijl), beteekent met
'n bijl neerslaan.
[178] prentah kasar, strenge order, last, bevel.
[179] roesoe, wanordelijkheden.
[180] procureur bamboe, is iemand die niet gestudeerd heeft, maar zich
genoeg op de hoogte gesteld heeft van 't recht om den minderen man van
raad te dienen, ten einde er zijn eigen voordeel mee te doen, ja, zelfs
met dit doel de bevolking wijst op rechten, die zij kan doen gelden.
[181] trang, klaar, helder, duidelijk.
[182] garok, heerendienst.
[183] Astaga is 'n uitroep.
[184] roegi, verlies.
[185] djaksa, Javaansch politiehoofd.
[186] Noon inggeh, kandjeng, Ja, heer. (Hoog Javaansch).
[187] sobat, vriend.
[188] garok ketjil, kleine heerendienst.
[189] 'Mboh, zoo spreekt de Javaan 'n oudere vrouw aan. 't Woord
beteekent feitelijk: tante.
[190] tlèdèk, danseres.
[191] koekoesan, peperhuisvormige mand, waarin de rijst gestoomd wordt.
[192] dandang, pot van aarde of metaal, waarin de koekoesan past en
waarin 't water kookt, dat voor 't stoomen van de rijst noodig is.
[193] gobang, halve stuiver.
[194] oedit, buikband.
[195] gebedakt, geblanket.
[196] koetang, onderlijfje.
[197] dagang, koopman.
[198] kassian, uitroep van medelijden.
[199] Toelong ... amok, Help ... moord.
[200] doro, meester.
[201] Koerang priksa, doro. "Ik weet 't niet meester." Letterlijk:
"Ik heb 't niet onderzocht," wat in 't Maleisch beleefder gezegd is
dan: "Ik weet 't niet."
[202] aloon-aloon, groot plein, waarop meestal de regentswoning
uitziet.
[203] anaks, kinderen, in dit geval: jonge pisangboompjes, die om de
moederplant heen uit den grond opschieten.
[204] lawoe of laboe, klimplant, waaraan eetbare vruchten komen.
[205] Pasoendan, naam van een landstreek; 't woord heeft 'n meervoudig
begrip.
[206] talang, waterleiding.
[207] prentah aloes, zacht bevel.
[208] in silo-houding, in zittende houding, de beenen onder 't
lichaam gekruist.
[209] 'n doro of doro, afkorting van bendoro, meester.
[210] siraman, gieter.
[211] wong tani of orang tani, landbouwers.
[212] bapa, bij verkorting: pah, vader.
[213] datjin, unster.
[214] gantang, inhoudsmaat, waarvan er 10 in 'n picol gaan.
[215] toetoepen, in de doofpot stoppen.
[216] kojang, feitelijk 'n gewichtsmaat, ofschoon men toch spreekt van
'n prauw met 'n inhoud van 10 of 20 kojangs.
[217] ketan, 'n graansoort, die veel overeenkomst heeft met rijst,
en ook wel "kleefrijst" genoemd wordt.
[218] padi-tjiré, minderwaardige rijstsoort.
[219] boaja, (letterlijk: krokodil), leeglooper.
[220] lindoeng, aal.--si is 'n voorvoegsel.
[221] tempo doeloe, de oude tijd.
[222] pasangans, beteekent hetzelfde als ophitsing.
[223] Soedah matti, al dood.
[224] Ambil itoe portefeuille itam di atas medja toelis, Haal de
zwarte portefeuille op de schrijftafel.
[225] badoet, clown.
[226] klambi, lijfje, baadje.
[227] koetang, onderlijfje.
[228] adoe, uitroep van pijn.
[229] madat, opium.
[230] ada, in dit geval: hier is 't, ik heb 't.
[231] koempoelan, verzameling.
[232] boepati, regent.
[233] barang, goed, bezittingen, eigendommen.
[234] lempoeng, klei.
[235] bajem, eetbare plant, overeenkomend met spinazie.
[236] sembah, groet, waarbij de Javaan de beide handen met de palmen
tegen elkaar naar 't gezicht brengt.
[237] boeboer, pap.
[238] pagger, haag; ook wel: omheining van bamboe.
[239] spen, huisknecht.
[240] Siapa? Wie is daar?
[241] Siapa kowee? Wie ben je?
[242] Dari mana, maoe apa? Waar kom je vandaan, wat wil je?
[243] Dari Gatok. Ik kom van Gatok.
[244] ketrangans, ophelderingen, bewijzen.
[245] titiran, instrument van bamboe, waarmee men, door er op 'n
bepaalde manier op te slaan, in de desa bekend maakt, dat er 'n moord
gepleegd is en de moordenaar nog niet gevonden is, de desabewoners
uitnoodigende, naar hem te helpen zoeken. Ook andere signalen worden
op de titiran geslagen, b. v. "brand" en "verzamelen."