1º. ....
2º. eine bisher unbescholtene unverheiratete Frauensperson unter
fünfundzwanzig Jahren in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein
Hurenhaus oder an einen andern Ort zum Zwecke der Prostitution oder
des fleischlichen Verkehrs verlockt oder verführt;
3º. ...
ist der Entführung schuldig und mit Einsperrung bis zu fünf Jahren
oder mit Geldstrafe bis zu 1000 Dollars allein oder in Verbindung
mit einander zu bestrafen.
Art. 322. Wer ein übelberüchtigtes Haus oder ein Bordell irgend
welcher Art oder ein Haus oder einen Ort für Personen hält, welche
zum Zweck unerlaubten fleischlichen Verkehrs oder zu irgend einem
andern liederlichen, unzüchtigen oder unabständigen Zweck besucht
werden, oder wer ein unordentliches Haus oder einen allgemeinen
besuchten Ort hält, wodurch der Friede, die Behaglichkeit oder
der Anstand der Nachbarschaft regelmässig gestört wird, oder wer
als Agent oder Eigentümer ein Gebäude oder ein Teil eines Gebäudes,
wissend dass dasselbe zu einem der in diesem Paragraphen bezeichneten
Zwecke gebraucht werden soll, vermietet, oder einen solchen Gebrauch
eines Gebäudes oder eines Teils eines Gebäudes zulässt, ist eines
Vergehens schuldig.
(Art. 385. Gemeinschaden ist ein Verbrechen gegen die Ordnung und
Wirtschaft des Staates und besteht in einer ungesetzlichen Handlung
oder Unterlassung, welche 2º. den öffentlichen Anstand verletzt.)
Art. 322 maakt het bestaan van bordeelen juridisch
onmogelijk. Juridisch is dan ook onmogelijk de binnenlandsche- en
de importhandel.
Art. 382 2° stelt het strafbare feit der "Verführung" daar; ik zou
het met de koppelarij willen gelijkstellen.
Het artikel geeft evenwel aanleiding tot de meening, dat het
teweegbrengen (of bevorderen) van de ontucht zonder dat het opzet
bestaat, dat dit geschiedt op een bepaalde plaats, buiten het
bereik der strafwet valt. Anders waren toch de woorden "in ein Haus
von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einem andern Ort"
geheel overbodig. Valt nu de meisjeshandelaar onder het bereik van dit
artikel? In mijn oog is dit wel mogelijk, voorzoover de vrouw eerbaar,
ongehuwd en beneden de 25 jaar oud is. De interpretatie van het woord
"verlockt" belet deze meening mijns inziens niet; doch tevens vallen
de gevallen er onder, dat de vrouw wel degelijk weet, dat zij in een
huis van ontucht belandt. De buitenlandsche handel wordt natuurlijk
op gelijke wijze getroffen; processueele moeilijkheden zullen hier
natuurlijk dikwijls vrijspraak ten gevolge hebben.
Het Mexicaansche wetboek van 7 Dec. 1871 (Z. f. d. g. Srtr. W. 14e
deel) geldend voor het Bondsdistrict en het Territoir Neder-Californië
wat de gemeene delikten betreft en voor de geheele Republiek wat de
vergrijpen tegen den Bond aangaat, bevat de volgende strafbepalingen,
in verband met mijn onderwerp te vermelden:
Art. 803. Das vergehen der Verführung Minderjähriger wird nur bestraft
wenn es vollendet worden ist.
Art. 804. Wer gewohnheitsmässig die Verführung Minderjähriger unter 18
Jahren bewirkt oder unterstützt, oder die letzteren dazu anregt, um die
schändlichen Eigenschaften eines andern zu befriedigen, wird u. s. w.
Strafverzwaring, indien de minderjarige beneden de 11 jaar is.
Als gewohnheitsmässig gilt dies Vergehen, wenn der Angeklagte es
drei oder mehrere Male ausgeübt hat, auch wenn es sich jedesmal um
ein und denselben Minderjährigen gehandelt hat.
Art. 805 stelt afzonderlijke straffen, indien het delict uit winstbejag
begaan wordt, terwijl 't dan geen delictum collectivum behoeft te
wezen; Art. 806, strafverzwaring in de gevallen van artt. 804 en 805
bij 't bestaan van zekere betrekkingen.
Het komt mij overbodig voor deze artikelen te bespreken, daar ze zóo
veel overeenkomst toonen met de koppelarij-artikelen van vele andere
strafwetten, dat het duidelijk is dat de blanke slavinnenhandelaar
evenmin door gene getroffen wordt als hij onder het bereik van deze
laatst bedoelden zoude vallen, zooals de bespreking van deze te
rechter plaatse ons aantoonde.
Het Braziliaansche Wetboek van 11 Oct. 1890 straft de koppelarij in
art. 278, dat in de Fransche vertaling van dezen inhoud is:
"Induire des femmes en abusant de leur faiblesse ou de leur misère, ou
en les contraignant par des intimidations ou des menaces à s'employer
dans le trafic de la prostitution; leur prêter pour compte propre
ou d'autrui, sous sa propre responsabilité ou sous celle d'un tiers,
assistance habitation et secours dans le but d'obtenir, directement
ou indirectement, un profit de cette spéculation.
(Peine--prison cellulaire d'un à deux ans et une amende de 500 $
000 à 1000 $ 000)."
Dit art. 278 betreft niet den meisjeshandel, want volgens den
duidelijken tekst is de vrouw op de hoogte van het feit dat zij
zich aan de prostitutie overlevert, alhoewel zij zich slechts ten
gevolge van de praktijken die het artikel aangeeft aan de ontucht
overlevert. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart, etc. (II) vind ik
als inhoud van de artt. 277 en 376 het volgende aangegeven: "Kuppelei
(lenocinio, art. 277, 278) is die Herbeiführung, Begünstigung oder
Erleichterung der Prostituierung einer Person, um die unsittlichen
Absichten oder unkeuschen Gelüste eines Anderen zu befriedigen;
gewohnheitsmässige oder gewerbsmässige Begehung ist zur Strafbarkeit
nicht erforderlich."
De Nederlandsche Consul-Generaal van Brazilië, die mij ook den
bovengenoemden tekst van art. 278 verschafte, zegt in zijn schrijven,
dat de politie een vreemdeling, zoodra zij weet, dat hij placeur is,
maar daarvoor de wettige bewijzen niet te bekomen zijn, aan boord
van eene naar het buitenland vertrekkende boot brengt en aldus dwingt
het land te verlaten.
Op welke wijze de koppelarij in het wetboek van Uruguay van 1889
precies strafbaar gesteld is, is mij onbekend. In de Strafgesetzgebung
der Gegenwart II vind ik onder de "Delikte gegen die guten Sitten"
o. a. vermeld "die Verführung Minderjähriger." Ook dit wetboek voldoet
dus blijkbaar niet aan het verlangen, dat het ook den meisjeshandel
kunne treffen.
Tot mijn leedwezen moet ik hetzelfde opmerken aangaande de voorziening
van bepalingen tegen deze handelingen in het wetboek van Argentinië
uit 't jaar 1886. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart wordt slechts
aangegeven dat het bijzondere deel van deze strafwet ook strafbare
feiten "gegen die Geschlechtsehre" bevat. Algemeener kan het werkelijk
niet aangeduid worden. Ik moet mij natuurlijk onthouden uit deze
algemeene aanduiding conclusies te trekken.
§ 14. AZIË.
Wat de strafrechterlijke bepalingen in Azië geldende betreft wensch
ik mij op hetzelfde standpunt te stellen als bij Amerika en mij
te occupeeren met die landen, waar zooals de feiten aantoonen de
meisjeshandel een zekeren omvang bereikt heeft. Het zijn Nederlandsch
Oost-Indië, Japan, Hongkong en de Straits Settlements en Britsch
Oost-Indië.
Art. 250 van het Ned. Ind. Wetb. voor Europeanen gearresteerd bij
Koninklijk Besluit van 10 Febr. 1866 No. 54 (Staatsblad 55) luidt:
"Ieder, die zich tegen de zeden vergrijpt door er zijn werk van te
maken de ontucht of de onzedelijkheid van jonge lieden van de een
of andere kunne beneden de 21 jaren op te wekken, te begunstigen of
gemakkelijk te maken, wordt gestraft etc."
Art. 252 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders (en Inlandsche
Christenen--Ord. van 6 Mei 1872, ingevoerd 1 Mei 1873) is gelijkluidend
met het juist geciteerde artikel 250 met uitzondering dat voor
Europeesche minderjarigen de leeftijd van 21 jaar, voor Inlandsche
die van 18 jaar gevorderd wordt. Buitendien bestaat er verschil
in strafmate.
Het behoeft voorzeker niet nader aangetoond te worden, dat
bovengenoemde artikelen niet aan onze wenschen kunnen voldoen.
Het Japansche strafwetboek bestaat sedert Juli 1880; in werking
getreden 1 Jan. 1881.
Art. 233 van dit wetboek luidt:
"Wer gewerbsmässig unbescholtene Frauenspersonen zum geschlechtlichen
Verkehre veranlasst, wird mit Zuchthaus bis zu einem Jahre oder mit
Geldstrafe Bakkin bis zu einhundert Yen bestraft."
(Duitsche vertaling uit das Z. f. d. Ges. Strafr. W. 1899.) Het is
werkelijk niet veel, dat het Japansche wetboek ons biedt. Dit artikel
is dan ook volkomen ontoereikend om een placeur te kunnen treffen,
al ware het alleen omdat de vrouw ten opzichte van hetgeen er met
haar gaat geschieden niet onwetend is.
In Hongkong geldt "The Women and Girls Protection Ordinance 11"
sedert 1890, die krachtige maatregelen treft tegen den handel met
Chineesche vrouwen en meisjes met 't oogmerk ze aan de prostitutie
over te leveren. (Die Strafges.geb. der Gegenwart II).
Het is mij niet mogen gelukken een exemplaar van deze verordening
machtig te worden: in Engeland was ze niet verkrijgbaar, in Hongkong
zelf was ze uitverkocht.
Eene wet van 1891 (Ord. 7) verbiedt het houden van bordeelen, indien
zij tot last strekken der omwonenden.
Van de Straits Settlements heb ik vooral het oog gevestigd op
Singapore. "Hier geldt volgens die Strafg. geb. der Gegenwart II een
strafwet (Ord. IV van 1870) die op een enkele uitzondering na volkomen
gelijkluidend is met het strafwetboek van Britsch Oost-Indië.
De strafwet, die in deze koloniën geldt, dateert van 1860. Hier
stelt de leeftijdgrens van 16 jaar een scheidspaal vast. Beneden de
16 jaar kan slechts sprake zijn van "kidnapping" om zoo te zeggen
"schaking". Boven de 16 jaar kan er slechts van verleiding sprake zijn
(abduction); dwang of bedriegelijke middelen moeten aangewend zijn.
Art. 372 en 373 straffen volgens de Strafges.geb. der Gegenw. II
de koop en verkoop van minderjarige meisjes met 't oogmerk ze aan
de ontucht over te leveren. Hoe de tekst dezer artikelen luidt is
mij onbekend.
Ik wil nog vermelden, dat in Britsch Oost-Indië sedert 1883 (Wet
No. XXI) een wet vigeert, die de emigratie regelt.
§ 15. AFRIKA.
In Afrika vragen de Zuid-Afrikaansche Republiek en de Kaapkolonie
een oogenblik onze aandacht.
In de Transvaal werkte sedert 1897 eene wet "tot het tegengaan van
ontucht in de Zuid-Afrikaansche Republiek". Deze wet is vervangen
door eene wet van betrekkelijk zeer recenten datum, te vinden
in de Staatscourant der Zuid-Afrikaansche Republiek van den 11
Oct. 1899. Deze wet van 11 Sept. 1899 zijnde "de Wet op Ontucht"
bevat de volgende in verband met dit onderwerp te vermelden artikelen:
Art. 2, 4, 5, 9.
Art. 2 al. 1 verbiedt het houden van bordeelen. Een zevental nummers
van art. 2 al. 2 werkt het begrip bordeelhouder zeer uit en stelt
met dezen de meest verschillende personen gelijk b.v. ook den
souteneur. Ik veronderstel, dat de minder juiste redactie op 't oog
had de in die nummers genoemde personen onder dezelfde strafbepaling
als den bordeelhouder te willen laten vallen, zonder hem nu juist
met dezen gelijk te stellen.
Art. 4 straft de vrouw die zich prostitueert. Art. 5 treft dezelfde
feiten, die de Engelsche Crim. Law Amendment act van 1885 in art. 8
straft. Art. 9 bevat eene strafbepaling tegen de gewone koppelarij
uit winstbejag ten opzichte van minderjarigen. In art. 2 al. 2 sub. c
wordt als de houder van een bordeel beschouwd:
Art 2.c "Eenig persoon, die eene vrouw of vrouwen van elders invoert
of van de eene plaats naar de andere in deze Republiek vervoert of
laat vervoeren voor onzedelijke doeleinden."
Onder deze strafbepaling valt de placeur; doch het artikel is veel
ruimer gesteld, zoodat het ook treft feiten, die in veel mindere mate
ingrijpen in de samenleving en in de rechtssfeer van den individu. Voor
de bepaling der straf wordt evenwel geen onderscheid gemaakt. Zij is
evenwel ruim genoeg gesteld om den placeur naar behooren te straffen:
gevangenisstraf met of zonder harden arbeid van ten hoogste 5 jaren
met of zonder verbanning uit de Republiek. Welk een verschil toch
tusschen de daad van hem, die een eerbare vrouw met 't oogmerk haar
aan de prostitutie over te leveren in een bordeel lokt, haar evenwel
dat oogmerk bedriegelijk verzwijgende, en de daad van hem, door wiens
tusschenkomst eene beroepsprostituée uit 't eene bordeel naar het
andere overgebracht wordt!
Voor de voltooiing behoeft de ontucht niet gepleegd te zijn. De
exporthandel wordt niet in 't bijzonder zwaarder getroffen; ze zal
er ook niet dikwijls voorkomen; dit zal wel de reden zijn van de niet
bijzondere vermelding in het artikel.
Wat de Kaapkolonie aangaat, zoo vermeldt de Strafges.geb. der
Gegenwart II, dat de grondslag van het aldaar geldende strafrecht
is het Hollandsch-Roomsche Recht. We hoeven hier dus geen
strafrechtelijke bepalingen te zoeken tegen moderne maatschappelijke
euvels. Trouwens vind ik in Hugo de Groot "Inleydinge tot de
Hollandsche Regtsgeleerdheid" door van Groenewegen bewerkt in het
35ste deel van het 3e boek, dat het opschrift "Van Hoon" draagt (§
1 Misdaed jegens de Vrijheyt werd genoemt Hoon) zeer weinig variatie
in de misdrijven tegen de zeden. Koppelarij is hier in 't geheel niet
te vinden.
§ 16. AUSTRALIË.
Bij 't nagaan, wat de strafwetten van Australië ons bieden in
zake koppelarij en meisjeshandel, ben ik aan zeer beperkte bronnen
gebonden. Die "Strafgesetzgebung der Gegenwart II" biedt toch niet
veel, en wat ze ons geeft, is zeer beknopt.
Het strafwetboek van Victoria geldt sedert 1 Aug. 1890 (The crimes act
1890). Het bijzondere deel straft in §§ 42-52: Notzucht, Kuppelei,
Entführung und Verführung. (Gegenwart II). Ik zou mij overigens wel
kunnen onthouden om na te gaan in hoeverre N. Z. Wales, Queensland,
Nieuw-Zeeland, Tasmania in dit onderwerp voorzien; behalve Melbourne
treedt geen andere plaats ter zake van den handel in blanke slavinnen
op den voorgrond. Evenwel wil ik niet nalaten te vermelden dat volgens
Gegenwart II de strafwet van Nieuw-Zeeland uit 't jaar 1893 in Titel
IV Deel XIV het houden van huizen van ontucht verbiedt.