4. Teweeggebracht of bevorderd moet zijn de ontucht van minderjarigen.

Het is een délit collectif of délit d'habitude; enkele daden van

proxénétisme vallen buiten 't bereik der strafwet. Nypels vraagt in

zijn werk: "Combien de faits faut-il pour constituer l'habitude?"

Zijn antwoord is "Une jurisprudence, qui parait bien établie,

exige qu'il en faut au moins trois" (Arr. Bruxelles 18 Avril 1856;

Pasicr. 1856, II, 215).

Het derde bestanddeel is ingevoegd door de wet van 15 Juni

1846. (Vóordien bestond in België omtrent de kwestie of de bevordering

van ontucht voor eigen passie ook strafbaar was even grooten strijd

als in Frankrijk en ten onzent onder vigueur van den C.P.)

Wat den leeftijd aangaat onderscheidt de wet tusschen minderjarigen

boven de 14 jaar, beneden de 14 en boven de 11 en ten slotte beneden

de 11 jaar.

M.i. behoeft de dader niet geweten te hebben, dat de leeftijd van

den minderjarige juist boven de 14 òf tusschen de 14 en 11 òf onder

de 11 jaar was.

Voldoende is, als hij wist met een minderjarige te doen te hebben,

dolus eventualis in dit opzet begrepen. Volgens Servais (Code Pénal

belge interprété par Nypels) behoeft het Openbaar Ministerie niet

het bewijs te leveren dat de beschuldigde den leeftijd van zijn

slachtoffer kende. Zooals uit hetgeen ik zooeven zeide, blijkt,

kan ik mij hiermede niet vereenigen. Bewezen moet worden, dat de

beklaagde wist met een minderjarige te doen te hebben (c.q. is dolus

ev. voldoende). Hieruit volgt zijn wil het strafbare feit te plegen;

de lagere leeftijden, die de artt. 379 en 380 stellen, zijn als

objectief verzwarende omstandigheden aan te merken. Wanneer evenwel

de dolus ten opzichte der minderjarigheid vaststaat, is het bestaan

der objectief verzwarende omstandigheden niet zoo hard voor den dader,

als het wel schijnt. In de meeste gevallen toch zal ook ten opzichte

van deze feiten een dolus eventualis aan te nemen zijn.

Onder vigueur van de oude Codebepaling art. 334 heeft de rechtbank

te Luik een vonnis gewezen in zake een geval van meisjeshandel. Hare

beslissing was aldus: "Celui, qui détermine une mineure à se placer

comme servante dans une maison, avec l'assurance qu'elle entrerait

dans une maison honnête est coupable de complicité du délit prévu

par l'article 334 du Code pénal (379 du C. p. de 1897), s'il a su

qu'au lieu d'y être reçu en qualité de domestique cette mineure

serait livrée habituellement à la prostitution, qui s'est réellement

consommée. (Liège, 14 dec. 1844. Pas. 1845 II 165).

Ware dit feit berecht onder den herzienen Code van 1867 dan had de

uitspraak naar gelang der omstandigheden anders kunnen zijn. Dit is

toe te schrijven aan de wijze waarop de leer der hulpverleening in

het Belgische recht thans is geregeld.

Ik heb 't oog op art. 66 2o en 67 3o van den C. P. B. Ze luiden aldus:

De 'handel in blanke slavinnen'. · 第 34 / 63 题