2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.

Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk

verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne

strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der

goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten

toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van

minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181,

voorzoover ik ze citeerde.

Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip

koppelarij. "Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine

Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit

der Unzucht Vorschub leistet." Er dient op gelet te worden, dit is

het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de

wetgever het niet strafbaar.

Voor het Vergehen van art. 180 vordert de wet dat de Kuppelei

gewohnheitsmässig of aus Eigennutz geschiedt; voor het Verbrechen van

181 1o. dat "hinterlistige Kunstgriffe" aangewend zijn. In hoeverre er

sprake kan zijn van Vorschub leisten is quaestio facti. Doch dit moet

geschieden òf door Vermittelung van den dader òf door Verschaffung

von Gelegenheit.

"Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich

der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere

Voraussetzungen geschaffen werden" (Olshausen ad art. 180).

"Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit

wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer

Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen

geschaffen werden (id.)"

En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: "Der

Dolus der Kuppelei erfordert das Bewusstsein, dass durch die

geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen

befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10

Oct. 1882.)" Dolus eventualis is evenzeer voldoende.

Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld,

is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.

Von Liszt (Lehrbuch pag. 395) zegt:

"Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung

usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die

Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen

mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung

von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich."

Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het

bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd,

is verboden. Sous-entendu moet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel

onbestaanbaar zijn.

Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet

bestaat, en dat daarvoor meisjes door een placeur geleverd worden,

dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit,

dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider

der meisjes loopt vrij rond. Is 't soms mogelijk, dat ook ten opzichte

van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?

Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is

toepassing van art 180 mogelijk.

In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip

"koppelarij" kan gezegd worden der ontucht Vorschub zu leisten durch

seine Vermittlung.

Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onder Vermittlung moet

verstaan worden, zegt Olshausen "Die Thätigkeit muss somit auf das

Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob

unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden

Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob

mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen

für ein Bordell."

't Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte,

doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn het

gewohnheitsmässig handelen of het handelen aus Eigennutz. Dit punt

vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste

het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: "de aanbieding van

een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide

koppelarij."

Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs

aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze

poging, (23 Sept. 1880) (id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van het

Reichsgericht van den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid

't aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede

in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik

in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer

waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp

van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in

het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den

meisjeshandel gedacht is.

Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180

kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij

voldoen. "Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder

Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet."

't Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte

bemiddeling; ze laat dit geheel in 't midden. 't Behoeft geen betoog,

dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere

indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men

dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen,

zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal

juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid

de bescherming der strafwet niet verdienen.

Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte

bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecte

Vermittelung niet voldoen aan de etymologische beteekenis van het

woord koppelen. Dit is tot een koppel binden; duidelijk is het, dat de

placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet

wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan

ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En

dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonder

uitdrukkelijke uitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium,

dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er

wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die

om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere

interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de

koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der

placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We

moeten hen dan straffen als Beihülfen van hen, die strafbaar zijn

wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan

den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden,

dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.

Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de

bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke

aan de behoefte voldoet.

De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus;

von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.

Wanneer dan het begrip koppelarij in dien ruimen zin uitgelegd wordt,

bestaat in art. 181 1o. een geducht wapen tegen den binnenlandschen

meisjeshandel.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig

noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren

zu bestrafen, wenn:

1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe

angewendet worden sind.

Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied

is door aanwending van "hinterlistige Kunstgriffe."

De "hinterlistige Kunstgriffe" zijn het juist die bij den meisjeshandel

zoo'n grooten rol spelen.

"Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie

sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete

auf Täuschung berechnete Massnahmen."

"Hinterlist ist--nach Grimm's Wörterbuch--Kunst hinter Jemandes Rücken

zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt

also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist,

so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn

ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist."

"Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht

haben ist nicht erforderlich."

Aldus Olshausen ad art. 1811º.

Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring van hinterlistige

Kunstgriffen:

"Unter "hinterlistigen Kunstgriffen" sind alle listigen Vorkehrungen zu

verstehen, durch welche Jemand geneigt gemacht wird an Orte zu kommen,

wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis

zu geben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender

Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender

Getränke etc.

(Dresden. 17 Sept. '77.)

Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: "also die Erregung oder

Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung

oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit,

Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder

einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist

mit dem Kunstgriff) vollendet."

Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen

allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.

Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het

plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking

van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn

evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door

valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van

dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor 't verder

vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij

geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen

brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet

ook onder de hinterlistige Kunstgriffen gerangschikt worden. Doch

er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte

was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook

dolus eventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij

met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel

bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje

van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen

zou kunnen rechtvaardigen.

De "hinterlistige Kunstgriffe" van art. 1811º. zijn voor het strafbaar

feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van

art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook

van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires

recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend

feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn

wegens art. 1811o.: concursus realis heeft plaats.

Voor voltooiing is het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij;

zooals von Liszt zegt: "Mit der Vorschubleistung, meist mit dem

Kunstgriff vollendet." Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt

zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het

opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het

bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de

verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de "listige Kunstgriffen"

begrepen worden. Art. 1811o. vordert deze beide vereischten niet

uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.

Dit heeft ten gevolge, dat de "hinterlistige Kunstgriffe" ook in

anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten

den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleiding

ten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat

overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.

Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den

export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre

deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten 't bereik van

art. 1801o. valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen

pas aan de overzijde der grens begint.

Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote

moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd

zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van

het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig

leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet

zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken

moeten worden.

Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende

bepaling:

Mit Haft wird gestraft:

6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen)

Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.

't Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide

meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de

praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden

in die gevallen, in welke misbruiken aan 't licht zouden kunnen komen.

Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdag door

afgevaardigden het bestaan van den meisjeshandel was ter sprake

gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de

door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België

uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2de lezing van het ontwerp-wet

"Ueber das Auswanderungswesen" op voorstel van de afgevaardigden

Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet

gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie

volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka

bij de 3de lezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door

den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.

Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9

Juni 1807:

"Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen

Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes

zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren

bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen

Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von

einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit

von Polizei-aufsicht erkannt werden.

"Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher

mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes

die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind

mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter

drei Monaten ein, neben welcher auf Geldstrafe von einhundertfünfzig

bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann."

Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden

is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van

Hoofdstuk VIII, dat de "Strafbestimmungen" inhoudt ter sanctioneering

en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze

wet opgelegd. 't Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van

administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de

perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de "eigenlijke

strafwetten" gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor

de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent

daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij, die emigreeren willen,

niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door

't voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.

Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat

aldus luidt:

Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung

falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder

durch andere auf Täuschung berechnete Mittel zur Auswanderung zu

verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren

bestraft."

Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den

internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich

zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van

art. 48.

Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren

en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en

veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in

't algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt

overgehaald, tegengaan.

In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het

combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten

van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere

strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de

koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing

der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.

Art. 48 eerste lid vordert:

De 'handel in blanke slavinnen'. · 第 27 / 63 题