2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become,
either within or without the Queen's dominions, a common prostitute; or
3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the
United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a
brothel elsewhere; or
4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her
usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a
brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution,
become an inmate of a brothel within or without the Queen's dominions,
shall be guilty etc.
Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was de common
law in Engeland, dat als misdemeanour (délit) gestraft werd het feit,
dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding
of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te
brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.
De Heer Craies deelt in zijn Rapport op 't Congres te Londen mede,
dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen
zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een
bestanddeel was van het delikt.
De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng,
althans voor hem, die op 't standpunt staat van de bestrijding van
den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet,
daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden
the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel
uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar
kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede
zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over 't
algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen
en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in
de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der
eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ook onder de strafbepaling
van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet
van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift
der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende
nos van art. 2 zal dit aantoonen.
De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven
een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel
verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. 't Kan
dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats
heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3
bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen
dat 't geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in
een wet niet te pas komt.
Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder
art. 2 2º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen
meisjeshandel wordt getroffen door art. 2 2º., 3º. en 4º.
't Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen
toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo
ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven,
getroffen worden.
Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware
vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden
als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring
voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken
naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde
strafbepaling en wel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of
zonder dwangarbeid.
Art. 2 2º.
De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf
zelf. Evenzoo bij 2 3º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de
prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 2 2º. bij poging
moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het
misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée
geworden is.
Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de
prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht
onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk
het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk
bewezen zij.
Art. 2 2º. laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel
in het midden, welke middelen aangewend zijn.
Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig
is of niet.
Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft
is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch
voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.
Art. 2 3º.
Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk
verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang
van hem, die 't oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig
leven in een bordeel over te leveren.
Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van
den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet
niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo
afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk
heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar
tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is
in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen
initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die
op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid
niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.
Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée
te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is,
haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool
haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts
met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of
haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats
bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, 't Spreekt van zelf
dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.
Art. 2 4o.
Deze bepaling vult voor een deel art. 2 2o. aan, in zooverre, dat
wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de
dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de
vrouw haar huidig verblijf verlaat.
't Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onder art 23º. met
uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van 't artikel
(2 4º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans
mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen,
dat de strafbaarheid in art 2 3º. pas begint, op het oogenblik, dat zij
"leaves the United Kingdom" terwijl in art. 2 4º. de strafwet reeds
werkt, wanneer zij "leaves her usual of abode in the United Kingdom?"
't Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 2 3º. "With intent
that she may become an inmate of a brothel elsewhere" niets anders
beteekenen dan die van art. 2 4º. "With intent that she may, for
the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within
or without the Queen's dominions." Het woord "inmate" kan toch
slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel;
ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een
"inmate of a brothel."
Art. 2 ^4º. treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in
zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het
huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden
in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, dat she may
"for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel";
indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.
Het eerste lid van art. 2 luidt: