§ 1. WETBOEK VAN STRAFRECHT.
Den 1sten September 1886 trad onze nationale strafwetgeving in
werking. Vóórdien gold nog steeds de Fransche Code Pénal, zooals deze
in den loop der jaren gewijzigd en aangevuld was. De 2de titel van
dit wetboek, "Misdaden en wanbedrijven tegen bijzondere personen",
bevatte in zijn 4de afdeeling "Aantasting der zeden" art. 334, dat
een strafbepaling inhield tegen de koppelarij. Art. 335 stelde eenige
bijkomende straffen vast.
Art. 334a luidde:
Quiconque aura attenté aux Alwie zich feitelijk tegen de
moeurs en excitant, favorisant zeden vergrepen zal hebben met
et facilitant habituellement zijn werk te maken om de
la débauche ou la corruption ongebondenheid of
de la jeunesse de l'un ou de onzedelijkheid (débauche) of
l'autre sexe au dessous de de verleiding van jonge lieden
l'age de vingt-un ans, sera beneden den ouderdom van 21
puni etc. jaren van de een of andere
kunne op te wekken, te
bevorderen of behulpzaam te
zijn, zal gestraft worden etc.
Bij de behandeling van het Fransche recht hierachter zullen wij
gewaarworden, dat dit Code-artikel niet aan de behoeften voldeed. Het
straft het eenvoudige lenocinium en kan dus niet dienstbaar gemaakt
worden om den placeur te treffen, die uit den aard der zaak in
de meeste gevallen slechts zijne medewerking verleent; of hij
als medeplichtige zou kunnen getroffen worden, is in ieder geval
afzonderlijk te beslissen.
Het nu vigeerend artikel, dat de koppelarij strafbaar stelt, art. 250
Sw., luidt:
Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:
1º met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren, de vader, moeder,
voogd of toeziende voogd, die opzettelijk het plegen van ontucht door
zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij
staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;
2º met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren, ieder ander, die uit
winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige
met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk
teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met
een derde een gewoonte maakt.
De Memorie van Toelichting begint met de woorden: "Het lenocinium is
strafbaar, indien blijkt dat iemand òf uit winstbejag òf als gewoonte
personen jonger dan 21 jaren tot ontucht met anderen aanzet." Hieruit
volgt, dat de daad van den handelaar in blanke slavinnen, die toch
slechts medeplichtigheid aan het lenocinium kan wezen, niet het feit
is, dat art. 250 bedoelt te straffen.
Dit blijkt ook daaruit dat, terwijl de daad van den placeur reeds
afgesloten is, vóordat het plegen van de ontucht heeft plaats gehad,
art. 2502º evenals de koppelarij artikelen in andere wetgevingen
voor het voltooide misdrijf vordert, dat de ontucht teweeggebracht of
bevorderd moet zijn. Een bijkomende voorwaarde van straf waardigheid,
als deze omstandigheid zou daarstellen, mogen we niet vorderen voor de
bestraffing van eene daad van handel in vrouwen en meisjes. Bovendien
is de minderjarige, bij wien de ontucht opgewekt of bevorderd
wordt, op de hoogte van de dingen, die gebeuren zullen. Dit althans
veronderstelt het begrip koppelarij, al staat het niet met zooveel
woorden in het artikel.
Art. 250 2º., dat de eigenlijke koppelarij daarstelt, is ruimer
gesteld dan het overeenkomstige art. 334a van den Code, in zooverre
als de gewoonte niet een noodzakelijk bestanddeel vormt, mits dan
het winstbejag bewezen is. Wat den leeftijd van 23 jaar aangaat,
zoo is het een vereischte, dat de dader bij het plegen daarvan
kennis droeg. Dit volgt uit de plaatsing van het woord opzettelijk
en dit is dan ook meer dan eens in dezen zin door den Hoogen Raad
beslist. Juist dit punt maakt de mogelijkheid eener bestraffing van
den placeur als medeplichtige van den koppelaar nog geringer, daar
toch uit de beginselen der medeplichtigheid volgt, dat het opzet
van de medeplichtige op de door de wet gestelde bestanddeelen van
het misdrijf van den dader gericht mocht zijn; hij moet dus òf zijn
opzet richten daarop, dat de dader uit winstbejag opzettelijk het
plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt
of bevordert, òf dat de dader van het opzettelijk teweegbrengen of
bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene
gewoonte maakt. De wetenschap van de minderjarigheid zal bij den
placeur hoogst moeilijk bewezen kunnen worden; het zal gemakkelijker
gaan, indien het bewijs geleverd is, dat hij opzettelijk valsche
legitimatiepapieren aan den bordeelhouder verschaft heeft. Wanneer
de vrouw klaarblijkelijk zeer jeugdig er uit ziet, kan de leer
van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn toepassing vinden. De
placeur etc. kan slechts dan onder het bereik van art. 250 2º vallen,
indien hij onder valsche voorspiegelingen een meisje, van wie hij de
minderjarigheid kent, aan een derde verkoopt van wien hij weet, dat
deze uit winstbejag de ontucht van haar met een ander zal teweegbrengen
of bevorderen.
Nu moet verder de vraag gesteld worden in hoeverre de placeur
etc. medeplichtig kan zijn aan het feit, dat iemand van het opzettelijk
teweeg brengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met
een derde eene gewoonte maakt.
Wat beteekent art. 250 2º in fine?
Is de dader strafbaar, indien hij van het opzettelijk teweeg brengen
of bevorderen van de ontucht door een enkele minderjarige met een
derde een gewoonte maakt? Of is hij het pas, àls hij er een gewoonte
van maakt opzettelijk de ontucht van minderjarigen met derden teweeg
te brengen of te bevorderen, zoodat in dit geval het aantal keeren,
dat bij een dier minderjarigen de ontucht teweeggebracht of bevorderd
is, niet op een gewoonte behoeven te wijzen. Moet dus het aantal der
minderjarigen kunnen wijzen op eene gewoonte in tegenstelling met het
eerste geval, waarbij 't het aantal malen is, dat ten opzichte van
een minderjarige het teweeg brengen of bevorderen der ontucht plaats
heeft? Dit is niet erg duidelijk en hoe 't wezen moet blijkt ook niet
uit hetgeen bij de tot standkoming der wet heeft plaats gehad. Het is
toch van belang deze kwestie op te lossen. Het O. R. O. luidde: "... of
die van het opzettelijk teweeg brengen of bevorderen van ontucht
door zoodanige personen met derden eene gewoonte maakt". "Zoodanige
personen" sloeg op het voorafgaande "persoon beneden den leeftijd
van 21 jaar", doch toen dit daarna in "minderjarige" veranderd werd
had deze verandering ook plaats bij het daarop volgende; evenwel werd
zonder reden het meervoud door het enkelvoud vervangen.
Ik meen op grond van het feit, dat tijdens de totstandkoming van het
artikel op dit punt de aandacht niet gevestigd is, de heerschende
practijk onder vigeur van art. 334 C. P., die niet alleen pluralité
de victimes, maar ook pluralité de faits ten opzichte van éen
persoon, zoodat de herhaling eene gewoonte opleverde, toestond, bij
de behandeling van het artikel geen tegenspraak ondervond, tot 't
besluit te mogen komen, dat ook nu zoowel de herhaling met betrekking
tot meerdere personen als de herhaling met betrekking tot handelingen
ten opzichte van éen persoon, welke een gewoonte oplevert, binnen de
strafbepaling vallen.
Met betrekking tot de medeplichtigheid valt dit op te merken,
hetgeen uit de medeplichtigheidsleer volgt: in het laatste geval,
pluralité de faits bij een persoon kan de meisjeshandelaar niet als
medeplichtige van den koppelaar vervolgd worden. In het eerste geval,
bij pluralité de victimes, kan hij slechts dan vervolgd worden,
indien hij een minimum aantal medeplichtigheidshandelingen begaat
ten opzichte van de handelingen van den hoofddader, welke beiden eene
gewoonte moeten opleveren.
De makelaar in meisjes, die geregeld aan eenzelfden bordeelhouder
verkoopt, is dus strafbaar, maar hij, die aan alle mogelijke
bordeelhouders slechts nu en dan meisjes afstaat, valt buiten het
bereik onzer strafwet. Verder natuurlijk degene, die slechts éen of
enkele daden van blanke slavinnenhandel verricht.
Afzonderlijke bespreking vereischt nog het geval dat de makelaar in
meisjes zonder opdracht handelt van een bordeelhouder, doch als 't ware
ze op eigen risico aanwerft. Hier hangt de beantwoording der vraag,
of hij naar bovengemelde regels als medeplichtige gestraft kan worden,
allereerst af van de uiterst moeilijke kwestie, of men medeplichtig
kan zijn aan een misdrijf, wanneer het opzet tot het plegen van dat
misdrijf bij hem, aan wien de hulp verleend wordt, op het oogenblik
dat deze verleend wordt, niet aanwezig is. Er is in deze gevallen
natuurlijk slechts sprake van hulpverleening vóor het plegen van een
misdrijf, zooals die in art. 48 2º Sw. beperkt is aangegeven.
Allereerst is het van belang te weten of in het geval, dat een
makelaar met een of meer meisjes zich tot een bordeelhouder wendt,
met wien hij geen afspraak heeft en van wien hij geen last ontving,
zou mogen aangenomen worden, dat bij den bordeelhouder bestaat een
volkomen geïndetermineerd opzet om te koppelen. Een dergelijk in geen
enkel opzicht bepaald opzet wordt zoo goed als algemeen verworpen,
zoodat in het bovengenoemd geval de bordeelhouder geen opzet had een
misdrijf te plegen, op het oogenblik dat de makelaar hem de gelegenheid
of de middelen verschafte om zich schuldig te maken aan art. 2502º
Sw. De zooeven gestelde moeilijke kwestie is door den Hoogen Raad in
zijn arrest van 13 Juni 1898 W. 7145 in dien zin beslist, dat tot het
bestaan van medeplichtigheid aan misdrijf in het algemeen en voor die
omschreven in art. 48 sub 2º in het bijzonder wordt vereischt, dat
het opzet tot het plegen van het misdrijf bij hem, aan wien de hulp
verleend wordt, op het oogenblik, dat deze wordt verleend, aanwezig
wordt gevonden. Dit gevoelen van ons hoogste rechtscollege deel ik.
Dus in het geval, dat de makelaar op eigen risico meisjes misleidt
met het oogmerk ze aan een ontuchtig leven over te leveren, kan hij
niet wegens medeplichtigheid veroordeeld worden.
Na het voorgaande betoog alles resumeerende kom ik tot de volgende
conclusie: de handelaars die meerderjarige vrouwen door misleiding
aan een ontuchtig leven overleveren, komen nimmer te dier zake voor
den strafrechter. Doch waar het minderjarige meisjes geldt, blijven
vele hunner daden volgens onze wet ongestraft.
Gewapend met ons art. 2502º valt dus nagenoeg niet op te treden tegen
den handel in blanke slavinnen. En zelfs dan, wanneer de toedracht
der zaken van dien aard is, dat volgens onze strafwet de daden van
den meisjeshandelaar in het algemeen zouden kunnen vervolgd worden,
dan nog ontsnapt hij de gerechtigheid, wanneer in het speciale geval
de koppelaar zelfs niet wegens strafbare poging kan terechtstaan,
ondanks het feit, dat de placeur al het zijne er toe bijgebracht
heeft om aan zijn daad een gunstig resultaat te verzekeren.
Doch onze strafwet bezit een ander artikel, dat de vermelding waard
is. Het is door de Regeering in het wetsontwerp opgenomen naar
aanleiding van de beraadslagingen in de Tweede Kamer over artikel
250. 't Is artikel 452, dat afgaande op de redevoering van het Kamerlid
van Houten juist moest strekken om bescherming te verleenen aan die
meisjes, die in bordeelen opgenomen worden en het karakter van het
huis niet kennen.
De woorden van den Heer van Houten bij de beraadslagingen over
art. 250 Strafwetboek luiden aldus: "Er is nog eene bepaling, die
ik zeer gaarne aan het Wetboek zag toegevoegd. Men hoort dikwerf,
dat houders van bordeelen meisjes van buitenaf als dienstboden in huis
nemen, zonder dat deze met het karakter van het huis, waarin zij komen,
bekend zijn. Daartegen wordt hier op geenerlei wijze voorzien. Toch
komt het mij zeer wenschelijk voor, eene strafbepaling te maken tegen
hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming van
het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Iedereen zal erkennen,
dat het binnentreden van een meisje in zulk een huis op zich zelf
reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst in gevaar
brengt." Hierop antwoordde de Heer Modderman, Minister van Justitie:
"Eindelijk merk ik den Heer van Houten op, dat ik, geenszins afkeerig
van verscherping, in overleg met de Commissie van Rapporteurs gaarne
zal overwegen of het mogelijk zij in het derde boek eene bepaling
op te nemen als door dien geachten afgevaardigde wordt bedoeld, ter
voorkoming van het opnemen van meisjes in een publiek huis, quasi
als dienstmeisjes of in een andere betrekking, zonder dat men haar
met het karakter van het huis bekend maakt."
Deze besprekingen hadden ten slotte tengevolge de opneming van
art. 449a in het G. O., dat na verschillende wijzigingen bij de
behandeling ons tegenwoordig art. 452 geworden is. Het luidt:
"De bordeelhouder, die in het huis, waarin hij zijn bedrijf uitoefent,
eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar
vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den
burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens
bureel te hebben bekend gemaakt met het bedrijf, dat in dat huis
wordt uitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3
maanden of geldboete van ten hoogste 300 gulden". De bedoeling van den
Heer van Houten was goed; hij wilde eene strafbepaling in het leven
roepen tegen hen, die personen, vooral minderjarige vrouwen, wie de
bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken. Doch heeft
hij hiermede op 't oog den handel in blanke slavinnen? 't Is niet
twijfelachtig, dat zonder 't antwoord van den minister men onzeker
zou zijn omtrent de werkelijke strekking van het verlangen van den
Heer van Houten. Zijn woorden laten ruimte voor tweeërlei opvattingen
of desnoods drie: 1º hij heeft 't oog op die vrouwen, die gedwongen
worden zich in het bordeel aan de prostitutie over te geven. 2º
hij bedoelt de bescherming tegen verleiding van degenen, die in het
bordeel in een dienstbetrekking gaan zonder van den aard van het huis
kennis te dragen. Dit zou ik vooral ook op kunnen maken uit de woorden:
"Iedereen zal erkennen, dat 't binnentreden van een meisje in zulk een
huis op zich zelf reeds een blaam op het meisje werpt en hare toekomst
in gevaar brengt". Verder ook uit de begin-woorden. 3º. Hij sprak met
't oog op deze beide categoriën. Doch de woorden van den Minister
laten geen twijfel, dat vooral de meisjes, die als prostituées daar
haar verblijf moeten houden, beschermd worden; hij zegt toch: quasi
als dienstmeisjes of in een andere betrekking.
Kan mij nu art 452 bevrediging schenken? 't Zij verre van daar. Ik
stel mij niet op 't standpunt van sommige moralisten, die het artikel
aanvallen met weinig steekhoudende argumenten. [9]
Doch het artikel voldoet volstrekt niet aan het verlangen, door den
Heer van Houten in zijn woorden uitgedrukt. Onbegrijpelijk dat hij
zich met 't voorgestelde artikel heeft kunnen vereenigen. Ware aan
den wensch in zijn woorden uitgedrukt volkomen gevolg gegeven, dan
hadden wij een zoo goed als zeker afdoende bepaling tegen den handel
in blanke slavinnen. De kennis van het bestaan van dezen handel blijkt
uit de woorden van den Heer v. H., en bovendien was op 't oogenblik der
beraadslagingen in de 2de K. over art. 449a, den 9den Nov. 1880, reeds
in voldoende mate van allerlei zijden op het euvel gewezen. En wij,
Nederlanders, zouden er op kunnen bogen de eersten geweest te zijn,
die een strafbepaling tegen dezen handel vastgesteld hadden. Doch
dit heeft niet zoo mogen zijn.
De indruk, die het artikel geeft, is veeleer die van eene
administratieve bepaling, die alle andere doeleinden beoogt, dan de
bestrijding van den meisjeshandel, dan die van een bepaling, welke hen
treft "die personen, vooral minderjarige vrouwen, wien de bestemming
van het huis onbekend is, in een bordeel lokken".
Het geeft den indruk, alsof het 't doel is b.v. na te gaan, hoeveel
vrouwen in een bordeel zijn, of n'importe welk ander administratief
doel, terwijl 't toevallig ook misleide meisjes kan redden.
Geenszins, dat door het artikel in bescherming zouden worden genomen
rechtsbelangen van hooge waarde, waarop bij ernstige krenking
zware straffen zouden moeten gesteld worden. Doch het schijnt,
dat dit toch het doel geweest is. In hoeverre beantwoordt nu het
artikel aan dit doel? Slechts voor een zeer klein gedeelte en wel
dan wanneer degenen, die personen, vooral minderjarige vrouwen,
wien de bestemming van het huis onbekend is, in een bordeel lokken,
toevalligerwijze juist zelf de bordeelhouders zijn, wat in het gros
der gevallen niet zoo is. Had de Heer van Houten als zijn wensch
te kennen gegeven, dat iedere bordeelhouder gestraft moest worden,
wanneer hij meisjes tegen haar wil in het bordeel gevangen houdt, dan
zou ik art. 452 kunnen beschouwen als een door straf gesanctioneerde
maatregel om de vrijheidsrooving aan 't licht te brengen. Het zou
dan tevens, zonder dat de wensch daartoe te kennen gegeven ware, den
bordeelhouder treffen, die meisjes door misleiding in zijn huis lokt.
Ik kan dus niet verhelen, dat mijns inziens art. 452 een der treurigste
artikelen is uit ons Wetboek van Strafrecht zoowel om zijn redactie,
die niet doet vermoeden, dat de wensch, die zijn ontstaan tengevolge
had, luidt, zooals de Heer Van Houten haar uitgesproken heeft,
als ook omdat het slechts voor een zeer klein gedeelte en met halve
maatregelen aan dien wensch voldoet.
En nu, hoe werkt dit artikel 452 in de practijk? Vele belangrijke
gevallen van vervolgingen ter zake van overtreding van art. 452 hebben
zeker niet plaats. Ik althans heb nergens een enkel geval aangetroffen.
De bordeelhouders geven slechts dan gevolg aan het voorschrift
in den norm van art. 452 S. W. vervat, wanneer zij er geen nadeel
door kunnen ondervinden; 't staat toch slechts aan hen om naar den
burgemeester te gaan of naar dengene, die door dezen aangewezen
is. En voldoende contrôle of de bepaling nageleefd wordt is
onuitvoerbaar. Wat is toch de kwestie? De clandestiene huizen van
prostitutie, verder de zoogenaamde verdachte huizen in die gemeenten,
waar bij politieverordening het houden van een bordeel verboden is,
vallen geheel buiten deze bepaling. En 't is toch een bekend feit, dat
deze huizen de bordeelen in aantal verre overtreffen. Wat de bordeelen
betreft, zoo is het te dwaas om aan te nemen, dat de bordeelhouders
zelf door gevolg te geven aan art. 452 aangifte zullen doen van een of
ander strafbaar feit, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben. Van
den anderen kant is de algemeene klacht, dat 't artikel geenerlei
uitwerking heeft, omdat de bordeelhouders hun slachtoffers zoo
weten te suggereeren, dat deze slechts napraten, hetgeen deze haar
geboden hebben te zeggen; zij zijn zich toch ook niet bewust, welke
de strekking van het artikel is. Hoe licht valt 't niet eene vreemde
vrouw in dergelijken toestand iets op den mouw te spelden! Ten opzichte
van bordeelhouders, die de plicht hun door art. 452 opgelegd nakomen
zooals het behoort, is het voorschrift voorzeker van nutteloozen dwang.
§ 2. WET OP DE UITZETTING VAN VREEMDELINGEN.
Bij eene conscentieuse en nauwkeurige opvatting harer taak als hulp
der justitie bij de opsporing en constateering van strafbare feiten
en eveneens bij een dergelijke opvatting harer taak om een door geen
wet geboden, doch in haar wezen liggend preventief toezicht uit te
oefenen, opdat de rechtsorde niet verstoord worde niet alleen, doch
ook opdat door ruimer verzorgend optreden kwade praktijken, die door
geen wetsbepaling getroffen worden, tegengegaan worden, kan de politie
zeer veel uitrichten om den handel in blanke slavinnen te bestrijden,
repressief en preventief. Dit geldt zoowel voor den binnen- als voor
den buitenlandschen handel.
Ten opzichte van den buitenlandschen handel bezit de politie een
machtmiddel, waarvan hier en daar ook werkelijk gebruik gemaakt
wordt. Waarom wordt dat middel dan niet algemeen toegepast? Dit is
wel toe te schrijven aan de werkelijk meer of mindere gegrondheid,
waarmede de rechtmatigheid van het gebruik van de bewuste maatregel
betwist wordt. Dit dien ik dus te bespreken. Ik heb het oog op de wet
van 13 Aug. 1849 (S. 39) tot regeling der toelating en uitzetting
van vreemdelingen. Het zijn de artt. 1, 10 en 11 van deze wet, die
op indirecte wijze den handel in meisjes in zijn kracht kunnen fnuiken.
Art. 1. "Alle vreemdelingen, die voldoende middelen van bestaan hebben
of door werkzaamheid kunnen verkrijgen, worden in Nederland toegelaten
op den voet bij de vier eerstvolgende artikelen omschreven."
't Hangt hier af van eene uitlegging van "voldoende middelen van
bestaan"; men zou door het bestaan van deze te ontkennen bij de
publieke vrouw vreemde prostituées uit den lande kunnen weren. Een zeer
deugdelijke maatregel voorwaar om de prostitutie van vreemde vrouwen
tegen te gaan, doch daarvoor is vereischte, dat bij de toelating
blijke, dat zulk een vrouw prostituée is. In het gros der gevallen is
dit ondoenlijk en kan men het ook niet vermoeden. Vooral bij den import
van vrouwen is dit iets hopeloos, want de aard van den meisjeshandel
brengt toch mee, dat juist de vrouw in het land komt, omdat zij haar
middelen van bestaan door eigen werkzaamheid kan verkrijgen in de een
of andere dienstbetrekking, al is deze ook gefingeerd, hetgeen alleen
de placeur weet. Hiervan kan desnoods door brieven of contracten
blijken. Doch in deze gevallen zouden bij toelating der vreemdelinge
toegepast kunnen worden de artt. 10 en 11 die aldus luiden:
Art. 10. "Toegelaten vreemdelingen kunnen niet over de grenzen worden
gebracht dan op bevel van den kantonrechter der plaats, waar zij zich
ophouden of op onzen last."
Art. 11. "De kantonrechter kan geene uitzetting bevelen dan wegens
gemis der vereischten, in art. 1 omschreven en na den vreemdeling
te hebben gehoord of nadat deze daartoe behoorlijk is opgeroepen,
etc. etc."
We zien, dat 't hier weer aan komt op de oplossing van de vraag,
wat men met een "middel van bestaan" bedoelt.
Ik meen te kunnen volstaan met de meening van de Redactie van de
Gemeentestem te citeeren, overtuigd als ik ben, dat zij door deze
uiting de meening openbaart van allen, die het zijn van prostituée
niet als voldoende middel van bestaan beschouwen. In Gemeentestem
2000 antwoordt de Redactie op de vraag:
"Kan het bedrijf van publieke vrouw als zijnde in strijd met de
goede zeden ooit opleveren een middel van bestaan in den zin der
vreemdelingenwet?" aldus:
"Het komt ons voor, dat art. 1 der wet op de toelating en uitzetting
van vreemdelingen met de uitdrukking "voldoende middelen van bestaan"
en "werkzaamheid" niet kan bedoeld hebben een middel van bestaan of
eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden, daar
de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen. Wij antwoorden
dus ontkennend."
Ik meen deze argumentatie van de Gemeentestem eenigszins onjuist te
moeten noemen. De wet laat in 't midden, welk een middel van bestaan
vereischt is; het moet slechts voldoende zijn. Het komt hier slechts
aan op het gevolg, of men in staat is zich zelf te onderhouden,
zonder dat eenige onderscheiding gemaakt is van de wijze, waarop
dit geschiedt.
In eene aanschrijving van den Minister van Justitie dd. 28 Augustus
1849 no. 80 bevattende: "Wenken en onderrigtingen aangaande het
doel en de strekking der wet" heet het, dat deze wet "hoofdzakelijk
ten doel heeft om der regeering de middelen te geven, ten einde die
vreemdelingen,.... die ons tot last zouden kunnen worden, doordien zij
geen voldoende middelen van bestaan hebben, noch door werkzaamheid
kunnen verkrijgen te weren of te noodzaken het land te ruimen." Men
mag beweren, dat eene vreemde prostituée ook tot last kan worden van
ons land; maar dan kan men ieder gaan weren of het land uitzetten
van wien blijkt, dat hij een gevaarlijk beroep uitoefent, dat hem
spoedig b.v. armlastig kan maken. Neen, het is noodig, dat "het tot
last worden" een gevolg zij van de onvoldoendheid van het middel van
bestaan. En dit is toch geenszins het geval met de prostituée, die
integendeel eerder in weelderigen dan in armoedigen toestand verkeert,
wanneer zij zich aan dat leven begint over te geven.
't Is dus mijns inziens een verkeerd principe eene vrouw het land uit
te zetten op grond, dat zij prostituée is. De wet toch onderscheidt
niet; eene natuurlijke onderscheiding ligt evenwel daar, waar sprake
zou zijn, dat het middel van bestaan zou gevonden moeten worden
door handelingen of werkzaamheden, die de wet verbiedt, doordat zij
die in strijd met de openbare orde, rust, veiligheid, goede zeden
enz. acht. Een befaamd inbreker zal zich dus op grond dat hij door
groote ervarenheid in het inbreken en stelen een meer dan voldoende
middel van bestaan heeft, niet voor uitzetting kunnen vrijwaren. Waar
men dus stilzwijgend een onderscheiding zou willen maken van de wijze,
waarop door werkzaamheid een middel van bestaan kan gevonden worden,
kan slechts uitgesloten zijn eene werkzaamheid, die in strijd is met
de wet. Want het heeft geen zin, dat de Redactie der Gemeentestem
verkondigt: dat met de uitdrukking "voldoende middelen van bestaan"
en "werkzaamheid" niet kan bedoeld zijn een middel van bestaan of
eene werkzaamheid, strijdig met de openbare orde of goede zeden,
daar de wet juist geroepen is deze in bescherming te nemen." Zonder
twijfel is dit laatste waar, doch daarmede is nog niet gezegd, dat
de wet hare roeping ook vervult. Eene positieve uiting van de wet is
noodig op eenigerlei wijze, doch in casu is nergens in onze wetgeving
eene bepaling te vinden, die het zijn van prostituée voor onzedelijk
of in strijd met de openbare orde verklaart.
Tot nu toe heb ik mij gehouden aan de veelal gevolgde opvatting van
de uitdrukking "middel van bestaan" in deze wet. Ik kan mij evenwel
niet vereenigen met de aan deze woorden in de dagelijksche spreektaal
gegeven beteekenis. Men stelt "middel van bestaan" synoniem met
"betrekking, bedrijf, ambacht, werkzaamheid etc." Niets is evenwel
meer onjuist. In geen enkel woordenboek van de Nederlandsche taal zal
men van een dusdanig gebruik gewag gemaakt zien. (Zie b.v. van Dale).
Ook de Gemeentestem houdt zich aan dit foutieve gebruik van "middel
van bestaan." Wij zouden hiervoor in de plaats kunnen schrijven
b.v. "geld". Dus: "alle vreemdelingen, die voldoende geld hebben of
door werkzaamheid kunnen verkrijgen" etc. Wat voor zin heeft het nu
te zeggen: geld, dat strijdig is met de openbare orde of goede zeden.
Ik wil nog even het dwaze aantoonen, wanneer men ook in art. 1 der
Vreemdelingenwet "middel van bestaan" gaat gebruiken als "betrekking",
"bedrijf" etc. Wij zouden dan lezen: "Alle vreemdelingen, die
een voldoende betrekking etc. hebben of door werkzaamheid kunnen
verkrijgen" etc. "Door werkzaamheid" zou alsdan geheel overbodig
zijn. Het is toch duidelijk, dat men geen bedrijf etc. kan hebben
of verkrijgen, zonder dat men werkzaam is. Het heeft dus geen zin
te blijven hechten aan het foutieve dagelijksche gebruik van "middel
van bestaan".
Mijne conclusie strekt dus daartoe, dat theoretisch eene vreemde
prostituée op grond, dat zij prostituée is, niet uit het land gezet
kan worden.
Doch nu de practijk. In de Memorie van beantwoording heet het:
"Te omschrijven, welke middelen van bestaan als voldoende zijn aan te
merken ligt buiten den kring der wet. Naar omstandigheden behooren
hieromtrent voorschriften te worden gegeven, hetgeen eene taak van
uitvoering mag heeten."
't Is mij niet erg duidelijk of de minister zich aan dezelfde
onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt als de Gemeentestem. Mijns
inziens is ook de goede interpretatie in deze uiting van den minister
te lezen. In ieder geval ware het tot recht verstand der zaak beter
geweest, indien hij geschreven had in plaats van "welke" "in hoeverre";
dus: "Te omschrijven, in hoeverre middelen van bestaan als voldoende
zijn aan te merken" etc.
Algemeene voorschriften zijn omtrent de meerdere of mindere
voldoendheid niet gegeven; zij zouden moeten aangeven met welk
minimum van middelen men, zonder dat de vreemdelinge ten laste komt
van het land, zich tevreden kan stellen; verder welke waarborgen
moeten bestaan omtrent eene zekere continuïteit van die middelen etc.
Nu heeft de overheid, met de uitvoering van de wet belast, de
vrijheid in ieder gegeven geval naar eigen oordeel te beslissen, of de
vreemdelinge aan de vereischten, die de wet stelt, voldoet. In zooverre
is practisch mogelijk eene vreemde prostituée het land uit te zetten.
Over 't algemeen wake de ernst en de bezadigdheid der Nederlandsche
overheid er voor, dat, nu haar zulke groote bevoegdheid overgelaten
is, zoo veel mogelijk willekeur in de toepassing der wet gemeden worde.
Moeielijkheid bestaat nog bij den handel in blanke slavinnen. De
vreemde vrouw gaat meestal zoogenaamd in dienst als werkmeisje,
linnenmeisje etc, en dit geschiedt zelfs in optima forma daar, waar de
bordeelen verboden zijn. Brieven of onderhandsche contracten getuigen
daarvan. Mag de overheid met de uitvoering belast op bloot vermoeden
een vrouw als prostituée signaleeren? En kan zij haar, op dien grond
aannemende, dat zij geen voldoende middel van bestaan heeft, over
de grenzen zetten, alhoewel zij (in werkelijkheid of niet) de een
of andere werkzaamheid heeft, waardoor zij wellicht in voldoende
mate in haar onderhoud kan voorzien? 't Is duidelijk, dat volgens
mij de duidelijke bewoordingen der wet dit niet toelaten. Doch in
de practijk zal dit wel weer kunnen geschieden: bij de toelating
toch is de vreemdelinge overgeleverd aan het libre arbitre van het
politiehoofd. Bij de uitzetting is de kantonrechter vrij in zijn
oordeel, behoudens in achtneming van art. 11 der wet van 1849; hij
spreekt toch geen vonnis uit onderworpen aan de gewone regelen bij
de rechtspraak geldig. Slechts een beroep op het uitvoerend gezag,
dat natuurlijk vrij kan beslissen. De geweigerde toelating of de
uitzetting zal echter steeds in waarheid gemotiveerd moeten zijn door
aanneming van het feit, dat er geen voldoende middelen van bestaan
zijn of verkregen kunnen worden (volgens de interpretatie, die ik
van deze uitdrukkingen gaf.)
§ 3. INTERNATIONALE VERKLARINGEN.
Aan Nederland komt de eer toe, dat het wat het internationaal recht
betreft vooraan staat om de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel
ter hulpe te snellen. Om dit initiatief verdient het alle lof en
hulde; doch ook slechts om dit initiatief, want, daar alle begin
moeielijk is, zoo valt ook ongelukkigerwijze te constateeren, dat
de eerste poging zeer weinig bijdraagt om aan het zoo lovenswaardig
doel te beantwoorden. Verbetering valt gelukkig te bespeuren bij de
volgende pogingen.
Ik heb 't oog op de drie verklaringen door Nederland respectievelijk
met België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland uitgewisseld.
Een Koninklijk Besluit van 8 Jan. 1887 bepaalde de plaatsing in het
Staatsblad van de op 18 Dec. 1886 te Brussel uitgewisselde verklaring
betreffende door Nederland en België te nemen maatregelen tegen den
zgn. handel in jeugdige vrouwen en meisjes, S. 2.
De 2 eenige artikelen van deze verklaring luiden vertaald aldus:
Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Belgische Regeering
verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk te
bevorderen, dat tot een der beide landen behoorende vrouwen en meisjes,
welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in het andere
land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek, hetzij op
verzoek der personen die gezag over haar uitoefenen, uit het land,
waar zij zich bevinden worden teruggezonden in de richting van het
land, waartoe zij behooren.
Art. 2. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een
volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje
te doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag
over haar uitoefenen, een kennisgeving richten, vermeldende den dag,
waarop de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw
of het meisje zal opgezonden worden.
Ongeveer 2 1/2 jaar later volgde een besluit van den 27sten Dec. 1888,
dat de plaatsing in het Staatsblad bepaalde van de tusschen Nederland
en Oostenrijk-Hongarije uitgewisselde verklaringen, strekkende tot
het wederzijds nemen van maatregelen om den zoogenaamden handel in
jeugdige vrouwen en meisjes tegen te gaan. S. 228. Deze verklaringen
tellen een vijftal artikelen van den volgenden inhoud.
Art. 1. De Regeering der Nederlanden en van de Oostenrijk-Hongaarsche
monarchie verbinden zich, binnen de grenzen der wet, zooveel mogelijk
te bevorderen, dat, tot een der beide landen behoorende vrouwen en
meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten zijn zich in
het andere land aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek,
hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, uit
het land, waar zij zich bevinden, worden teruggezonden naar het land,
waartoe zij behooren.
Art. 2. Gezegde regeeringen verbinden zich eveneens binnen de grenzen
der wet zooveel mogelijk te bevorderen, dat meisjes, die volgens de
wetten van haar land minderjarig zijn en zich vrijwillig in het andere
land aan ontucht overgeven, op verzoek hunner ouders of voogden worden
teruggezonden naar het land, vanwaar zij herkomstig zijn.
Art. 3. De terugzending zal plaats hebben zonder rekening te houden met
de aanspraken, welke derden op dezen vrouwen en meisjes zouden kunnen
doen gelden, ten gevolge van de betrekkingen, die uit den staat van
ontucht voortvloeien, uitgezonderd het geval, waarin de terugzending
in strijd zoude zijn met de uitvoering van een rechterlijk bevel.
Art. 4. Alvorens de terugzending van eene getrouwde vrouw of van een
volgens de wetten van het land harer herkomst minderjarig meisje te
doen plaats hebben, zal de overheid aan de personen, die gezag over
haar uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag,
waarop de terugzending zal geschieden, en de plaats, waarheen de
vrouw of het meisje zal opgezonden worden.
Art. 5. Ingeval de vrouw of het meisje, dat teruggezonden moet worden,
niet in staat mocht zijn zelve de kosten van hare overbrenging terug
te betalen en zij noch echtgenoot, noch ouders, noch voogden mocht
hebben, die voor haar betalen, zullen de op de terugzending gevallen
kosten door ieder der wederzijdsche landen gedragen worden, voor
zooveel betreft de overbrenging op zijn grondgebied.
De kosten van vervoer over het grondgebied van een derden staat
zullen alsdan ten laste komen van het land, tot hetwelk de vrouw of
het meisje, dat teruggezonden is, behoort.
Niet lang na de uitwisseling van deze laatste verklaringen, werd
den 15 Nov. 1889, een derde verklaring uitgewisseld, en wel met het
Duitsche Rijk nopens de van weerszijden te nemen maatregelen tegen
den zoogenaamden handel in vrouwen en meisjes. Wegens de geldelijke
verplichtingen, die ten gevolge van deze verklaring het Rijk op zich
nam, moest deze de goedkeuring der Staten-Generaal verwerven volgens
voorschrift van art. 592º G. W. Den 15den April 1891 volgde pas het
bevel tot plaatsing in het Staatsblad (S. 85) van de wet, waarvan het
eenig artikel de goedkeuring behelsde van de bovengenoemde verklaring
met Duitschland.
De 7 artt. van deze verklaring luiden als volgt:
Art. 1. De Regeering der Nederlanden en de Regeering des Duitschen
Rijks verbinden zich binnen de wettelijke grenzen, zooveel mogelijk
te bevorderen, dat de tot een der beide landen behoorende vrouwen
en meisjes, die zich in het andere land aan ontucht overgeven,
onderworpen worden aan een verhoor, ten einde te doen blijken, van
waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te verlaten.
De te dier zake op te maken processen-verbaal zullen worden medegedeeld
aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes
behooren.
Art. 2. De contracteerende partijen verbinden zich insgelijks zooveel
mogelijk binnen de wettelijke grenzen te bevorderen, dat diegene
van die vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht
mochten zijn zich aan ontucht over te geven, hetzij op haar verzoek,
hetzij op verzoek der personen, die gezag over haar uitoefenen, worden
teruggezonden uit het land, waar zij zich bevinden en overgebracht
worden naar de grens van haar geboorteland.
Art. 3. De contracteerende partijen verbinden zich buitendien zooveel
mogelijk, binnen de wettelijke grenzen, te bevorderen, dat meisjes,
die volgens de wetten van haar land nog minderjarig zijn en die zich
in het andere land vrijwillig aan ontucht overgeven, op verzoek harer
ouders of voogden worden teruggezonden naar het land, vanwaar zij
herkomstig zijn.
Art. 4. Alvorens de terugzending van eene der bij de artt. 2 en 3
vermelde personen te doen plaats hebben, zal de daarmede belaste
overheid door tusschenkomst van de overheden van het land, waartoe
de bedoelde persoon behoort, aan de personen, die gezag over haar
uitoefenen, eene kennisgeving richten, vermeldende den dag, waarop
de terugzending zal geschieden en de plaats, waarheen de vrouw of
het meisje zal worden overgebracht.
Art. 5. De briefwisseling tusschen de overheden der beide landen,
betrekkelijk die terugzending zal, zooveel mogelijk, rechtstreeks
worden gevoerd.
Art. 6. In geval de kosten veroorzaakt door het onderhoud en
de terugzending van die vrouwen en meisjes tot aan de grens, niet
kunnen worden terugbetaald door die vrouwen en meisjes zelven, noch
door haar echtgenoote, ouders of voogden, zullen die kosten gedragen
worden door den Staat, die de terugzending heeft bewerkstelligd.
Art. 7. De tegenwoordige verklaring zal worden bekrachtigd en de
akten tot bekrachtiging daarvan zullen zoo spoedig mogelijk te 's
Hage worden uitgewisseld etc. etc.
Van dezen inhoud zijn de 3 verklaringen, die onze Regeering
successievelijk met België, Oostenrijk, Hongarije en Duitschland
uitgewisseld heeft. Het zijn verklaringen, geen tractaten;
internationale schikkingen van de laatsten in vorm, inhoud en belang
verschillend, zooals de minister van buitenl. zaken in de Eerste Kamer
zeide. Wat de uiting aangaande het minderwaardige belang aangaat,
dit moge in het algemeen waar zijn, in het onderhavige geval zullen
wij dit niet cum grano salis opvatten. Welke andere belangen toch
evenaren het belang, dat bij deze kwestie op 't spel staat?
De inhoud laat wel is waar iets te wenschen over en vooral bij de
eerste schikkingen hebben wij te doen met zuivere verklaringen van
administratief karakter en er is geen sprake van het bedingen van
wederzijdsche rechten en concessiën, zooals meestal het onderwerp
zijn van tractaten.
Ook de vorm verschilt, in zooverre als de onderteekeningen niet plaats
hebben door speciale gevolmachtigden, maar namens de regeeringen door
de gezanten of ministers met latere ratificatie. Het geheel toont aan,
dat op het stellen van scherpe juridische begrippen blijkbaar minder
is gelet. Vreemd is, dat, waarop ook de aandacht gevestigd werd bij
de behandeling in de Kamers (van het wetsontwerp tot goedkeuring
van de Verklaring met Duitschland), de considerans verschilt van
het intitulé. De eerste spreekt van "de in gemeen overleg te nemen
maatregelen tot bescherming van ontuchtige vrouwen in zekere gevallen
verkeerende" (of: "van zekere categorieën van ontuchtige vrouwen")
terwijl volgens het intitulé maatregelen worden getroffen tegen
den zoogenaamde handel in jeugdige vrouwen en en meisjes. Volgens
de Regeering drukt dit laatste de strekking van de verklaring het
best uit.
In aanmerking moet genomen worden, dat slechts bij de laatste
verklaring een en ander uitlekt van hetgeen de Regeering met sommige
bewoordingen bedoelt, hetgeen zoowel plaats heeft in de Memorie van
Toelichting, als in de Memorie van Antwoord en bij de beraadslagingen
in de Kamers. Daar in sommige opzichten de 3 verklaringen, die toch
hetzelfde doel beoogen, in de redactie der artikelen overeenstemmen,
zoo zal men het niet gewaagd kunnen noemen, als ik bij de interpretatie
der 2 eerste verklaringen een voorzichtig gebruik maak van hetgeen
bij de 3de verklaring gezegd en voorgevallen is.
Artikel 1 van de eerste verklaring stemt overeen met art. 1 van
de tweede en art. 2 van de derde. Een gering verschil in redactie
in art. 1 van de verklaring met Oostenrijk-Hongarije is van geen
belang. Dit artikel stelt daar eene bevoegdheid der politie: eene
nieuwe of een oude bevoegdheid? Dit hangt af van de oplossing der vraag
of er, en zoo ja, in hoeverre er dan een onbeschreven politierecht
zoude bestaan, die der politie een preventieve bevoegdheid toekent
om op te treden, waar 't geldt de openbare orde en veiligheid te
handhaven, personen etc. te beschermen en verder om steeds op alle
wijzen, die de wet niet verbiedt, met tact werkzaam te wezen ter
bevordering van dit doel.
Daar mijns inziens deze vraag in bevestigenden zin moet beantwoord
worden, ben ik van meening, dat bij eene opvatting van hare roeping
door de politie in dezen zin deze ook zonder art. 1 (resp. art. 1
van 1888 en art. 2 van 1889) zou kunnen handelen als in dit artikel
bedoeld wordt. Mogelijk zit dus de kracht van deze artikelen in het
woord "bevorderen", waardoor de Regeering belooft het hare er toe
bij te brengen de magistraten voortdurend op hun plicht te wijzen
door missives en circulaires.
Doch ik loop mijn betoog vooruit door van de taak der politie in
dezen te spreken, voordat ik heb nagegaan wat bedoeld kan wezen met
de woorden "binnen de wettelijke grenzen".
De Minister van Justitie hechtte in 1891 aan de genoemde woorden dezen
zin: "voorzoover de wetten hier te lande 't toelaten met in achtneming
van de vormen bij die wetten voorgeschreven." En daarbij wees hij
vooral op de wet van 13 Augustus 1849 (Stsbl. 39) tot regeling der
toelating en uitzetting van vreemdelingen.
Deze wet regelt de uitzetting van vreemdelingen. Dit geschiedt, zooals
wij reeds zagen, òf door den kantonregter òf op 's konings last. In
het eerste geval wegens gemis der vereischten in art. 1 opgegeven,
altijd mits de vreemdeling toegelaten en hem een reis- en verblijfpas
uitgereikt is. Maar, wanneer er een reden is tot uitzetting, dan moet
de overheid ook haar plicht vervullen en mag er niet gewacht worden,
totdat de vrouw het zelf verzoekt, of totdat het verzoek komt van de
personen, die gezag over haar uitoefenen. En waarom dan de beperking
tot de vrouwen, die tegen haar wil er toe gebracht mochten zijn zich in
het andere land aan ontucht over te geven? Dat is mij niet duidelijk,
althans van het standpunt van degenen, die het op grond van art. 1 der
vreemdelingenwet toelaatbaar achten, dat eene vreemde prostituée op
grond van haar ontuchtig leven niet toegelaten of uitgezet wordt. De
Minister van Justitie oordeelde ook aldus in zijne Memorie van Antwoord
op de bemerkingen van het voorloopig verslag in zake de verklaring
met Duitschland.
Bij nauwkeurige bestudeering van deze 3 tractaten kan men niet anders
dan tot deze conclusie komen, dat de Regeering gedwaald heeft in
deze zaak.
Van welk standpunt moeten wij uitgaan?
Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen:
1e. uitlevering d. i. "de overlevering van ter zake van misdrijf
vervolgde of veroordeelde personen, door de regeering van den staat,
op wiens grondgebied zij zich bevinden aan die van een anderen staat
ter berechting en bestraffing" (Van Hamel, Inleiding tot de studie van
het Nederlandsche Strafrecht, pag. 148). Hierbij heeft overlevering
van de eene politie aan de andere plaats. Deze uitlevering is geregeld
bij de wet van 6 April 1875 (Stsbl. 66) Hiermee hebben wij bij deze
kwestie niets te maken.
2º. Uitzetting, d. i. eene wijze van handelen, die plaats heeft op
grond van de vreemdelingenwet van 1849. De vreemdeling wordt tot
's lands grens vervoerd en daar aan zijn lot overgelaten. Dit gaat
geheel buiten de politie van het andere land om.
3º. Wat ik zou willen noemen "uitleiding". Onder het gezag van
anderen staande vreemdelingen worden op verzoek van hen, die dat
gezag uitoefenen, weer teruggevoerd naar hun land en aan de hoede der
laatsten toevertrouwd. Degenen, die het gezag uitoefenen, nemen de
uitgeleide vreemdelingen zelf over, of als hun lasthebster belast de
vreemde politie zich met deze taak. En onze politie: welke rol vervult
zij bij de uitleiding? Zij steunt op haar algemeene onbeschreven
bevoegdheid om preventief te handelen, met tact en voorzoover zij de
wetten en instructies niet overtreedt. Overigens handelt ook zij als
lasthebster der ouders, voogden etc.; waarom toch zou zij dit niet
doen waar het vreemdelingen geldt, terwijl zij meent wel bevoegd te
zijn, waar het verzoek geschiedt door ingezetenen?
Hebben wij bij deze verklaringen te doen met uitzetting of met
uitleiding? Het is mogelijk, dat in de praktijk wel eens sprake kan
zijn van uitzetting, doch dat in generali van eene uitleiding sprake
is, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. De terugzending naar het
land, van waar de meisjes afkomstig zijn, geschiedt toch op verzoek
der personen, die gezag over haar uitoefenen. (Doch ook op haar
eigen verzoek; dit is dan eene zuivere politiezorg). De uitleiding
van minderjarigen, of in generali de terugbezorging van minderjarigen
aan hun ouders en voogden, is niet door eene wet geregeld. Zij volgt
uit de algemeene beginselen van burgerlijke wetgeving en omtrent
de bevoegdheid der politie. Onjuist is dus de uitlegging van de
woorden "binnen de wettelijke grenzen" als zouden deze beteekenen
"voor zooveel de wetten hier te lande het toelaten met inachtneming
van de vormen bij die wetten voorgeschreven." Ik acht juister eene
negatieve interpretatie: "voor zoover de wetten en instructies het
niet verbieden."
Met eene uitzetting volgens de wet van 1849 hebben wij hier dus niet
te doen. Omdat de Regeering--ten onrechte--dit wel meende, heeft
zij ook slechts de derde verklaring aan de goedkeuring onderworpen
van de Staten-Generaal. Zij beschouwde de bestrijding der kosten van
de uitleiding in de 2 eerste tractaten uit 's lands middelen reeds
gedekt door wettelijke goedkeuring, daar 't toch kosten waren, die
op de uitzetting van vreemdelingen vielen. Dat bij de verklaring
met Duitschland niet volstaan werd met een mededeeling aan de
Staten-Generaal vond--aldus sprak de Regeering--zijn reden in het
feit, dat 't land hier wel eens meerdere kosten zou moeten dragen. In
hoeverre dit waar kan zijn, laat ik daar, maar terecht werd in het
voorloopig verslag van de 2de Kamer opgemerkt, dat dit slechts een
kwestie was van meer of minder.
Daar hier--zooals ik boven betoogde--de uitleiding met eene uitzetting
niets te maken heeft, zoo is het onbetwistbaar, dat zoo er kosten
vallen op uitleidingen volgens de 1ste en 2de verklaring, deze niet
door 't land zullen gedragen kunnen worden. Met andere woorden: ook
deze 2 verklaringen hadden de goedkeuring der Staten-Generaal moeten
verwerven op grond van art. 59 tweede lid G. W.
Er wordt in de 3 verklaringen resp. in de artt. 1, 1 en 2 gesproken
van "vrouwen en meisjes, welke tegen haar wil er toe gebracht mochten
zijn zich in het andere land aan ontucht over te geven." De woorden
"tegen haar wil" "contre leur volonté" bezorgen velen moeilijkheid. Ook
het verslag der Commissie uit de 2de Kamer, die den 6en Mei rapport
uitbracht over de verklaring met België uitgewisseld, gaf eenige op- en
aanmerkingen over deze 3 woorden. Zij vroeg uit welke omstandigheden
en op welk tijdstip van dit gedwongen worden tegen eigen wil zal
moeten blijken. Wie moet omtrent het al of niet bestaan van dwang
tot prostitutie beslissen?
Het Bulletin Continental van 15 Jan. 1887 brengt, na alle lof aan de
idee toegezwaaid te hebben, ook moeielijkheden aangaande dit punt
te berde. "On ne sait pas au juste, ce qu'il faut entendre par ces
"filles qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la
prostitution." Repatriera-t-on toutes les filles, qui se trouvent dans
le besoin et en danger de tomber dans la prostitution où seulement
celles, qui ont été attirées hors de leur pays par des moyens
frauduleux, comme le font supposer les mots "contre leur volonté"?
In de Memorie van Antwoord zegt de minister bij artikel 2 van de
Verklaring met Duitschland. "Wat onder de woorden "contre leur volonté"
moet worden verstaan, kan niet volkomen gedefiniëerd worden. In ieder
bijzonder geval zal 't moeten worden beoordeeld."
Bieden deze woorden in werkelijkheid zoo'n moeilijkheid aan, als deze
bezwaren zouden doen vermoeden? Met den Minister ben ik het eens,
dat in ieder speciaal geval over het gebrek aan toestemming moet
beslist worden. Het intitulé der verklaringen wijst er op, dat hier
sprake moet zijn van de vrouwen en meisjes, die de dupe zijn geworden
van de handelaars in blanke slavinnen. In dien zin moeten dus ook de
woorden "tegen haar wil" verstaan worden. De bezwaren van het Bulletin
Continental zijn dus gemakkelijk op te lossen. Redeneerende volgens
den gedachtengang van dit maandblad zoude bijna iedere prostituée
zonder uitzondering onder het artikel vallen. Iedere prostituée
levert zich in zooverre "tegen haar wil" aan de ontucht over, als zij
toch wel zou prefereeren een ander gemakkelijk bestaan, dat haar ook
een zekere weelde zou kunnen verschaffen. Neen het komt hier alleen
aan op de "moyens frauduleux". Daar de uitdrukking "tegen haar wil"
voor dezen of genen onduidelijk is, ware het beter geweest eene meer
duidelijke uitdrukking van de gedachte te kiezen b.v. "tegen haar
wil door toedoen van anderen".
Daar de meisjeshandel zich onder zooveel verscheidene omstandigheden
voordoet, valt natuurlijk niet a priori aan te geven, uit welke
omstandigheden het gedwongen worden zich tegen eigen wil aan de ontucht
over te geven kan blijken. En op welk tijdstip moet hiervan blijken,
vraagt de commissie van 1887. Mijns inziens moeten de woorden:
"vrouwen en meisjes, welke tegen haren wil er toe gebracht mochten
zijn zich aan ontucht over te geven" geïnterpreteerd worden op de
wijze van het Perfectum van een Grieksch werkwoord. Dus: zij die nu
in den toestand verkeeren, dat zij zich tegen haar wil aan de ontucht
overgeven, nadat zij in dien toestand door anderen gebracht zijn. Het
zich overgeven aan de ontucht tegen haar wil moet dus ook bestaan op
het oogenblik van het verzoek hetzij van de vrouw zelf hetzij van de
personen, die gezag over haar uitoefenen.
In eene circulaire van den Minister van Justitie van den 7den Juli
1892 "houdende voorschriften ter uitvoering van de verklaringen met
België, Duitschland en Oostenrijk betreffende den handel in vrouwen
en meisjes" wordt blijkbaar dezelfde meening gehuldigd. Het heet daar
toch: "Vandaar dan ook dat men allereerst daarop bedacht is geweest
om aan die vrouwen en meisjes, welke tegen wil en bedoeling naar
elders zijn gebracht en met het ontuchtig leven willen breken, den
terugkeer naar haar land en familie gemakkelijk en mogelijk te maken."
Wie nu moet beslissen omtrent het al of niet bestaan van dwang tot
prostitutie, is niet moeilijk aan te geven. Dit is natuurlijk het
hoofd der politie; de politie is hier toch alleen werkzaam, binnen
haar bevoegdheid speelt zich het geheele bedrijf af. Acht men soms
eene beslissing over dit punt door de politie ongewenscht? Ik zou
mij niet kunnen voorstellen, welke moeilijkheid er uit zou kunnen
voortspruiten. Ja, er is toch iets en daarop heeft het Kamerlid de
Beaufort gewezen bij de behandeling van de wet tot goedkeuring van de
verklaring met Duitschland. Het meisje kan doen voorkomen, alsof zij
tegen haar wil door toedoen van anderen een ontuchtig leven leidt om
zoodoende kosteloos naar haar vaderland teruggebracht te worden. Dit
is voorzeker een te vreezen misbruik, waartegen evenwel door een
nauwkeurig onderzoek zooveel mogelijk gewaakt kan worden.
De terugzending kan geschieden op verzoek der personen, die gezag over
de vrouw uitoefenen. Uit de andere bepalingen blijkt dat men hier ook
't oog heeft op de getrouwde vrouw, als staande onder het gezag van
den man. Met een der sprekers in de 2de Kamer betwijfelende of een
dergelijk geval zich wel dikwijls zal voordoen, meen ik overigens,
dat de man niet een dergelijk gezag over zijn vrouw heeft als de
ouders over hun kinderen, zoodat het onmogelijk is dat de politie
zou kunnen optreden als lasthebster van den man om zijne vrouw terug
te bezorgen, daar de man zelf de bevoegdheid mist de vrouw met dwang
tot zich te brengen.
De vrouw of het meisje zal in de richting van het land, waartoe zij
behoort teruggezonden worden.
De bewoordingen in de 3 verklaringen variëeren; de bedoeling komt
evenwel hierop neer, dat zij tot de grens van het land gebracht wordt.
Ons de maatregel der terugzending zoo effectief mogelijk te maken
dienen de bepalingen 2, 4, 4 uit de 3 internationale schikkingen. Zij
schrijven voor, dat, voor dat tot de uitleiding overgegaan wordt,
een kennisgeving gericht moet worden aan de personen, die gezag over
de vrouw uitoefenen. Deze kennisgeving moet vermelden den dag waarop
de terugzending zal geschieden, en de plaats waarheen de opzending
zal plaats hebben. Art. 4 van de verklaring met Duitschland schrijft
voor dat dit geschieden moet door tusschenkomst van de overheden van
het land, waartoe de vrouw behoort. Mij is niet duidelijk, waartoe
deze administratieve omslachtigheid noodig is, althans waarom zij
dringend voorgeschreven is. Men had dit aan 't oordeel van de met de
terugzending belaste overheid kunnen overlaten.
De man kan dus de terugzending zijner vrouw niet verlangen, wanneer zij
er zich tegen verzet [10]; eene kennisgeving is hier niet noodig. Wel,
natuurlijk, wanneer de getrouwde vrouw zelf hare uitleiding verzoekt.
In de reeds geciteerde circulaire van 1892 gaat de Minister in
verhaaltrant deze 2 artikelen, welke de 3 verklaringen gemeen hebben,
door; de Minister vermeldt daar dus geen nieuws. Verder geeft
hij eenige voorschriften aangaande de bestrijding der kosten van
vervoer. Wel dien ik nog naar aanleiding van art. 1 der verklaring
met Oostenrijk op te merken, dat het volgens 's Ministers oordeel
wenschelijk is met 't oog op de verrekening van kosten zooveel mogelijk
de afhaling van Oostenrijksche en Hongaarsche vrouwen hier te lande,
althans aan de Nederlandsch-Duitsche grens, te verzekeren, daar de
terugzending van die vrouwen en meisjes over Duitsch grondgebied
moet geschieden en dit transit niet is geregeld. Nederlandsche
vrouwen en meisjes moeten aan de Oostenrijksch-Duitsche of
Oostenrijksch-Zwitsersche grens door Nederlandsche beambten overgenomen
worden, indien zij niet hierheen gebracht worden.
De bespreking van de verklaring met België uitgewisseld is hiermede
afgesloten. We komen nu tot art. 2 der Oostenrijksche verklaring,
dat overeenkomt met art. 3 van die met Duitschland uitgewisseld. Deze
artikelen hooren niet thuis in deze verklaringen, waarvan het intitulé
en de considerans ten duidelijkste aanwijzen, dat zij slechts het
nemen van maatregelen beoogen om den zgn. handel in jeugdige vrouwen
en meisjes tegen te gaan.
Ook volgens haar statutum personale minderjarige vreemdelingen, die
zich vrijwillig aan de ontucht overgeven, worden op verzoek hunner
ouders of voogden teruggezonden. Ad art. 3 zegt de Memorie van Antwoord
van de wet tot goedkeuring van de verklaring met Duitschland: "Het is
zeer zeker de taak der politie om wanneer haar daartoe door ouders of
voogden het verzoek wordt gedaan de behulpzame hand te bieden tot het
weder in hunne macht brengen van die minderjarigen. Waar zulks in het
belang der minderjarigen wordt geacht, wordt hier te lande steeds
in dien geest gehandeld en bestaat er geen reden waarom dezelfde
gedragslijn niet tegenover vreemdelingen zoude worden gevolgd."
De voorschriften omtrent vervoer en bestrijding van kosten met 't
oog op de meisjes, die slachtoffers zijn van dezen handel, zijn ook
toepasselijk bij de meisjes, die zich vrijwillig prostitueeren. Dit
wordt uitdrukkelijk in de circulaire te kennen gegeven.
In deze kennisgeving zegt de Minister verder: "Bij de overweging
van de vraag of aan een verzoek om terugzending zal worden gevolg
gegeven--hetwelk steeds zal behooren te geschieden indien de
betrokken persoon verkeert in een geval, als in de toepasselijke
verklaring bedoeld, en geen wettelijk voorschrift of rechterlijk
bevel zich daartegen verzet--mag in geen geval rekening gehouden
worden met aanspraken van derden op de vrouw of het meisje ten
gevolge van betrekkingen uit ontucht voortvloeiende. De verklaring
met Oostenrijk-Hongarije zegt dit ten overvloede uitdrukkelijk." Dit
heeft plaats in art. 3.
Zooals de Minister terecht verklaart, zegt de verklaring met
Oostenrijk-Hongarije dit "ten overvloede." Art. 1371 jo. 1373
Burgerlijk Wetboek verbiedt toch iedere overeenkomst, waarvan de
oorzaak bij de wet verboden is, of strijdig is met de goede zeden of
met de openbare orde.
Een meisje kan dus niet teruggehouden worden, omdat de bordeelhouder
een paar dagen te voren een paar honderd gulden voor haar aan
een placeur gegeven heeft en hij deze op de debetzijde van het
meisje geplaatst heeft. Voor dergelijke schulden kan niet een
quasi-hypotheek (zooals Yves Guyot het uitdrukt) op het meisje
gevestigd blijven. Wat andere schulden betreft, als de voorgeschoten
waarde van kleedingstukken en toiletartikelen, zoo zal de bordeelhouder
zich tot den rechter kunnen wenden, indien hij voldoening daarvan
wenscht. Het rechterlijk vonnis zal dan beslissen in hoeverre
uitleiding niet geoorloofd zal zijn. [11]
De artt. 5, 6 en 7 uit de verklaring met Duitschland zijn bepalingen,
die niet voorkomen in de andere 2 internationale schikkingen.
De briefwisseling betrekkelijk de terugzending, het gevolg zijnde van
de kennisgeving in art. 4 bedoeld, wordt volgens art. 5 tusschen de
overheden der beide landen rechtstreeks gevoerd.
Art. 6 geeft regelen aangaande de kosten van onderhoud en vervoer
tot aan de grens. Zoo deze niet kunnen worden terugbetaald door die
vrouwen en meisjes zelve, noch door haar echtgenooten, ouders of
voogden, worden ze door den Staat gedragen, die de terugzending heeft
bewerkstelligd. Hetzelfde zal toepasselijk zijn bij de terugzending van
Belgische en Oostenrijksche of Hongaarsche meisjes. In het Voorloopig
Verslag werd de vrees uitgesproken, dat zware kosten op Nederland
zouden drukken, naar evenredigheid veel meer dan op Duitschland. In
zijn Memorie antwoordde de minister, dat de kosten toch betrekkelijk
gering zouden zijn. Tijdens de onderhandelingen, die met den meesten
spoed plaats moeten hebben, zullen de vrouwen in een passantenhuis
of in een huis van bewaring worden opgenomen. Zij vallen toch onder
de in art. 33o van de Gestichtenwet van 3 Jan. 1884 (S. 3) genoemde
»andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen". Het
vervoer op de spoorwegen, voor zoover het onder geleide plaats heeft,
geschiedt kosteloos en wat de hoogere kosten aangaat die Nederland
moet dragen in vergelijking met Duitschland, zoo wordt daarentegen
ons land,--aldus zegt de minister--gezuiverd van personen, die er
slechts ellende en verderf verspreiden.
Art. 7 handelt over de bekrachtiging en de spoedige uitwisseling der
akten van bekrachtiging te 's Hage.
We zijn nu zoover gekomen, dat we weten, hoe de verschillende
Regeeringen, boven genoemd, verklaren te zullen handelen om de misleide
vrouwen te redden.
Maar daarmede zijn we werkelijk niet ver, want hoe komt men te weten,
dat er meisjes en vrouwen zijn, die aldus door drang zich aan de
prostitutie overgeven? Ware dit duidelijk aangegeven, we zouden
werkelijk een schrede verder zijn op het goede pad. Doch dit is
en blijft altijd de groote moeilijkheid. Meer dan eens heb ik er
op gewezen, op welke geheimzinnige wijzen de handelaars in blanke
slavinnen te werk gaan.
Er bestaat eene missive van den Minister van Justitie Godefroi dd. 7
Juni 1860 no. 162 houdende bepalingen ter voorkoming en voorziening,
dat vrouwen in de huizen van ontucht, alwaar zij zich bevinden, tegen
haar verlangen worden teruggehouden. Deze missive vaardigde de Minister
uit naar aanleiding van een geval, dat een meisje in een bordeel als
't ware gevangen gehouden werd. De Minister wijst op de bevoegdheid
van den burgemeester, die dezen door art. 188 Gemeentewet verleent
wordt. Aangaande te nemen maatregelen raadt hij overleg aan met de
procureur-generaals en de officieren van justitie. Hoewel de Minister
zelf geen middelen wil aangeven, acht hij toch 't onverwacht bezoeken
van bordeelen door vertrouwde politiebeambten zeer doeltreffend. Een
andere maatregel zou hierin kunnen bestaan, dat de vrouwen in de
bedoelde huizen inwonende onderricht werden van de bevoegdheid,
die zij hebben, die huizen desverlangende te verlaten.
Deze maatregelen worden dan ook wel genomen in gemeenten, waar
bordeelen bestaan, hetzij al dan niet gereglementeerd. De Amsterdamsche
politie had de gewoonte bussen te plaatsen in die huizen, waarin de
prostituées brieven konden werpen; de politie ledigde die bussen zelf.
Verder biedt art. 452 Wetboek van Strafrecht, dat ik hierboven besprak,
gelegenheid werkzaam te zijn om op de hoogte te komen van de gevallen
van gedwongen prostitutie.
Juist de wenschelijkheid om allereerst op 't spoor te geraken van deze
gevallen was de opname van art. 1 in de verklaring met Duitschland
op speciaal verlangen der Duitsche regeering. Zooveel mogelijk
moet bevorderd worden binnen de wettelijke grenzen, dat de bedoelde
meisjes aan een verhoor worden onderworpen ten einde te doen blijken
van waar zij komen en wie haar heeft doen besluiten haar land te
verlaten. Hieromtrent zegt de Memorie van Antwoord, dat dit artikel
natuurlijk geen verplichting oplegt om bedoelde vrouwen en meisjes
tot een verhoor te dwingen buiten de wet om. Eigenlijk beteekent dus
dit eerste lid van art. 1 niet veel. In sommige gevallen biedt onze
wetgeving gelegenheid om een dergelijk verhoor af te nemen (ik gaf
ze zoo even aan) doch van een verplichting aan de meisjes opgelegd is
in onze wetgeving niets te bespeuren. "Binnen de wettelijke grenzen"
wil m.i. zeggen: voorzoover de wet zoodanig verhoor toelaat, dat is
niet verbiedt; volstrekt niet; voorzoover de wet zoodanig verhoor
"voorschrijft". (Memorie van Antwoord).
De minister zegt ook: "Intusschen behoeft men zich geenszins te
beperken tot vrouwen in bordeelen." Dit is werkelijk gemakkelijk
gezegd. De praktijk en de wet leeren evenwel anders. De moeilijkheid om
aan te toonen, dat eene vrouw zich buiten een bordeel aan prostitutie
overgeeft is zeer groot en bovendien zijn de weinige middelen, die
gelegenheid geven zich prostituëerende vrouwen een verhoor te doen
ondergaan beperkt tot de prostituées in bordeelen.
En daar waar de bordeelen bij politieverordeningen in ons land verboden
zijn, is de toepassing van het geheele artikel onmogelijk. Zoo b. v. in
Amsterdam sedert de strafbaarstelling van het houden van bordeelen
bij politieverordening van 1897.
Hoe groot de practische bezwaren en moeielijkheden zijn om ten
opzichte van prostituées in bordeelen achter de waarheid te komen,
zal de politie zelf het beste kunnen getuigen.
Het 2de lid van art. 1 van de verklaring met Duitschland bepaalt, dat
de processen-verbaal der genomen verhooren moeten worden medegedeeld
aan de overheden van het land, waartoe de gezegde vrouwen en meisjes
behooren.
Naar aanleiding van klachten, door de Duitsche regeering geuit,
over de niet zeer nauwkeurige invulling van deze processen-verbaal,
bestaat een circulaire van den Minister van Justitie dd. 19 Aug. 1896
no. 314, "betreffend nauwkeurige invulling van de geboorteplaats in
processen-verbaal van verhoor van Duitsche prostituées".
Hier en daar bij de bespreking der 3 verklaringen heb ik reeds
eenige indrukken weergegeven, waartoe de verschillende artikelen mij
aanleiding gaven. Wat is nu de indruk van het geheel? Met niet genoeg
ernst zijn de belangen behartigd van de vrouwen en meisjes, die dupe
zijn der bedriegelijke handelingen van placeurs en bordeelhouders. Men
heeft meer gedacht aan eene bescherming van minderjarigen, dan het
opschrift der verklaringen het recht zou geven te vermoeden. Daarvan
getuigen reeds de artt. 2 en 3 respectievelijk uit de verklaringen
met Oostenrijk-Hongarije en Duitschland.
En als men ook aan meerderjarigen (de getrouwde vrouwen buiten
bespreking gelaten) heeft gedacht, dan is 't bepaald eene ironie
te vernemen, dat zij zelf hare terugzending moeten verlangen aan de
overheid. Ja, wanneer zij eenmaal daartoe in staat zijn dan is het
ergste reeds geleden; in de 99 van de 100 gevallen zal der overheid
een dergelijk verzoek niet ter oore komen.
Er moet aan den anderen kant wel bedacht worden, dat we ons op
een terrein bevinden, dat zich pas in een begin van exploitatie
bevindt. Hoe meer men er mee vertrouwd geraakt, des te beter zullen de
maatregelen zijn, die getroffen worden. Buitendien hebben we te doen
met verklaringen; deze kunnen uit den aard der zaak nieuwe onderwerpen
slechts gebrekkig regelen.
Deze verklaringen strekken dus ook om beschermende maatregelen
te nemen ten opzichte van de Nederlandsche meisjes en vrouwen,
die naar België, Oostenrijk-Hongarije en Duitschland geëxporteerd
zijn. Zijn nu de vrouwen, die naar andere landen vervoerd zijn,
geheel van bescherming verstoken? Dit behoeft niet zoo te wezen. Tot
de vertegenwoordigers der Nederlandsche Regeering kunnen zij of
derden zich wenden met een verzoek om hulp en steun. Ik heb hier
vooral het oog op de consulaire ambtenaren. De plichten van deze
zijn toch niet alleen tot handelsaangelegenheden beperkt. Zij hebben
hun "goeden raad en bijstand te verleenen aan alle Nederlanders en
onderdanen van Nederlandsch-Indië, die deze inroepen." (Algemeene
voorschriften voor de Nederlandsche consulaire ambtenaren door den
Minister van Buitenlandsche Zaken L. Gericke.) Mochten Nederlandsche
of Nederl.-Indische onderdanen in hunne personen of goederen bedreigd
worden, dan hebben de consulaire ambtenaren deze in hun goed recht
en de voorrechten hun bij de verdragen verzekerd te handhaven, zij
moeten vooral onderstand verleenen aan hen, die door omstandigheden
geheel buiten hun toedoen in nood geraakt zijn. (id.) Het consulair
reglement van 27 Juni 1874 bepaalt, dat de behoeftigen op de minst
kostbare wijze naar het land teruggezonden moeten worden. (art. 24).
We zien dus dat de consulaire ambtenaren op velerlei wijze in de goede
richting werkzaam kunnen zijn ter bestrijding van dit maatschappelijk
euvel, ter bescherming van de slachtoffers daarvan, doch ook ter
voorkoming, dat de plannen der handelaars verderfelijke gevolgen na
zich sleepen. Zij kunnen toch bekend maken, dat er zich handelaars van
elders naar ons land begeven om op roof uit te gaan. Deze bekendmaking
moet uitgaan van het Departement van Buitenlandsche Zaken waaraan
deze mededeelingen gericht kunnen worden.
Vele consuls hebben het goede voor, en zij, die er niet op bedacht
zijn, kunnen de noodige aanschrijvingen in dezen geest van de
Regeering ontvangen. Bij slotsom hangt alles af van den goeden wil
van het Departement van Buitenlandsche Zaken. Dat deze goede wil in
dit opzicht nimmer moge ontbreken is mijn welgemeende wensch! 't
Is duidelijk, wanneer de drang niet van boven uitgaat, geeft de
werkzaamheid der consulaire ambtenaren ten slotte niets; en hunne
pogingen op den duur zonder goeden uitslag bekroond ziende, zullen
er allicht zijn, die ten slotte hunne moeite om op allerlei wijzen
den blanke slavinnenhandel tegen te gaan zullen opgeven.
Een zware last drukt verder op de niet-gesalariëerde consuls, wanneer
zij hulp moeten bieden met geldelijke steun aan de behoeftige en
verlaten meisjes, die zij uit de handen der placeurs en bordeelhouders
hebben kunnen redden.
Van de diplomatieke vertegenwoordigers, gezanten en anderen kan ook
zeer veel heil verwacht worden; als mogelijke tusschenpersonen tusschen
de consulaire ambtenaren en het ministerie van buitenlandsche zaken
behooren zij het goede voor te staan en met allen aandrang te wijzen
op den deerniswaardigen toestand, waarin Hollandsche meisjes zich in
den vreemde bevinden. Van de détails, waarmee zij uit den aard der
zaak niet zoo licht bekend raken, moeten de consuls en anderen hen
op de hoogte brengen.
't Zij nogmaals herhaald: ook in deze kwestie kan en moet
"Buitenlandsche Zaken" met kracht en ijver werkzaam zijn, opdat door
zijne medewerking de handel in blanke slavinnen niet spoedig tot het
verleden zal behooren--want dit zal steeds tot de pia vota blijven
behooren--maar opdat hij althans wat den omvang zijner gevolgen
betreft zooveel mogelijk beperkt worde.
§ 4. WETGEVING BETREFFENDE DE OUDERLIJKE MACHT.
Het ligt in den aard der zaak, dat het bedrijf van den placeur zich
zooveel mogelijk bepaalt tot het aanwerven van jeugdige vrouwen, die
door haar frischheid en maagdelijkheid het uitzicht openen op ruime
verdiensten. Vele van dezen bevinden zich dan ook nog onder het gezag
van anderen, ouders of voogden. De twee uiterste mogelijkheden vragen
hier onze aandacht niet. Ten eerste, dat het meisje tegen den wil harer
ouders of voogden onttrokken wordt aan de macht van dezen; een feit,
waartegen vele strafwetten reeds voorzien. Ten tweede, dat het juist
de werkzaamheid der ouders is, die het jonge meisje aan den placeur
overlevert. Ook in dit geval voorzien de meeste strafwetten. Het
meest voorkomende euvel ligt hiertusschen: ouders of voogden zijn
onverschillig, het lot van het meisje boezemt hun geen belang in;
zij dragen schuld of mogelijkerwijze is de treurige opvoeding en
zorg--hierop komt 't toch aan--in 't geheel niet aan eenige schuld
hunnerzijds te wijten. In 't kort: zij verrichten of verzuimen niets,
waardoor zij onder 't bereik der strafwet zouden kunnen vallen.
Bij de bespreking van de oorzaken van dezen handel wees ik er reeds op,
dat veel wat aan de zijde der vrouw als oorzaak, direct of indirect,
van den meisjeshandel kan aangemerkt worden, zijn reden vindt in
gebrekkige opvoeding of verwaarloozing. Wanneer wij deze oorzaken
kunnen voorkomen en opheffen door ontzetting uit de ouderlijke macht
of voogdij [12] dan hebben we te doen met een preventief middel
ter bestrijding van den meisjeshandel. Hierop wil ik toch drukken,
opdat er toch geen verschil van opinie ontsta omtrent de grenzen
van hetgeen ik mij hier voorstel in 't kort te behandelen. 't Is de
burgerrechtelijke ontzetting uit de ouderlijke macht als preventieve
zorg. Ik laat buiten bespreking de ontzetting als bijkomende straf
na 't begaan van een strafbaar feit, zooals in vele wetgevingen
geschiedt. Hier heeft de ontzetting een ander karakter, en wel die
van repressie als straf voor de ouders, daar is de ontzetting een
louter beschermende maatregel voor de kinderen. Als straf kan zij ook
wel preventief werken en wel b. v. na 't ondergaan van den straftijd,
doch het is meestal voor een beperkten duur, zich slechts tot enkele
gevallen uitstrekkende.
Ik heb hier dus 't oog op de burgerrechtelijke ontzetting uit de
ouderlijke macht.
Het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek kent de ontzetting uit de
ouderlijke macht niet. De ontzetting uit de vaderlijke macht bestaat
slechts als bijkomende straf (art. 9b1º jo art. 285º Wetboek van
Strafrecht) in de bij de wet bepaalde gevallen door den strafrechter
uit te spreken en gedurende een duur, waarvan de wet het maximum
vaststelt (art. 30, 31 Strafrecht). Volgens art. 30 kan ontzetting
worden uitgesproken bij veroordeeling der ouders, die opzettelijk
met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf
deelnemen en die tegen een aan hun gezag onderworpen minderjarige
eenig misdrijf plegen omschreven in de Titels XIII XIV XV, XVIII XIX
en XX van het 2e Boek. Verder kan het nog plaats hebben in de gevallen,
die in het 2e Boek speciaal voorkomen.
Het is duidelijk, dat voorzoover men van een regeling van de ontzetting
uit de vaderlijke macht kan spreken deze zeer gebrekkig en onvolledig
is.
De behoefte aan voorziening in de mogelijkheid, dat ouders ook van
hun gezag zouden kunnen worden ontzet, zonder dat dit juist behoefde
verbonden te zijn aan eene strafrechtelijke veroordeeling heeft
zich reeds lang doen gevoelen en een ontwerp van wet tot wijziging
en aanvulling in het Burgerlijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht
en de voogdij, aangeboden door Minister Cort van der Linden bij de
Tweede Kamer bij Koninklijke Boodschap van 13 Mei 1898 [13], heeft
zich dan ook dit onderwerp aangetrokken.
Hoe de burgerrechtelijke ontzetting in het ontwerp geregeld is,
zal ik hier bespreken.
Over de ontzetting, de procedure, het herstel, en de taak van den
voogdijraad wordt gehandeld in de Tweede afdeeling A "van de ontheffing
en ontzetting van het ouderlijk gezag" uitmakende de artt. 374a tot
en met art. 374l. Verder verdient de aandacht art. 413 derde lid.
Het geheele ontwerp berust meer op het grondbeginsel, dat het ouderlijk
gezag is een uitvloeisel van de plicht der ouders voor zoover het
in hun macht staat hun kinderen te onderhouden en op te voeden,
terwijl daaraan natuurlijk onafscheidelijke rechten verbonden zijn
ter behoorlijke vervulling van die plicht, dan van het principe als
zou het ouderlijk gezag nog op hetzelfde beginsel steunen, waarvan
de Romeinsch-rechtelijke patria potestas een gevolg is. Neen, de
bescherming der minderjarige staat op den voorgrond. Er moet gewaakt
worden tegen verkeerde leiding en verwaarloozing van hun opvoeding. Dit
is bij herhaling in de Memorie van Toelichting te lezen. Daarom moeten
beschermd worden die kinderen, die door schuld hunner natuurlijke
verzorgers, dreigen onder te gaan, doch ook zij, tot wier opvoeding
de ouders buiten hun schuld onbekwaam en ongeschikt zijn en zij die
verlaten rondzwerven, zonder dat van het bestaan of van het verblijf
van den vader en de moeder of van eenige voogdij blijkt. Duidelijk
is dat in al deze gevallen het verwaarloosde of verlaten meisje
gemakkelijk in handen kan vallen van individuen, die haar ten eigen
voordeele ten val willen brengen. Daarom zal dit ontwerp, wanneer het
eenmaal wet zal geworden zijn, er veel toe bijdragen, om jonge meisjes
te redden uit de handen van placeurs en koppelaars. In art. 374a
worden de beide rechtsmiddelen aangegeven, die een einde maken aan
de rechten en verplichtingen van de ouderlijke macht.
Artikel 274a eerste lid bepaalt, dat ontheffing van de ouderlijke macht
over een, meer of alle kinderen kan verleend worden op eigen verzoek,
op grond, dat de verzoeker ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot
verzorging en opvoeding te vervullen. Maar het belang der kinderen
mag zich niet uit anderen hoofde tegen die ontheffing verzetten.
De ontzetting regelt het 2de lid. De ontzetting van ieder der ouders
kan op verzoek der in dit lid genoemde personen plaats hebben op
grond van:
1º. misbruik van het ouderlijk gezag of verwaarloozing van de
verplichting tot onderhoud en opvoeding van een of meer kinderen.
2º. slecht levensgedrag.
3º. onherroepelijke veroordeeling wegens het opzettelijk deelnemen
aan eenig misdrijf met een aan zijn gezag onderworpen minderjarige.
4º. onherroepelijke veroordeeling wegens het plegen van eenig misdrijf
omschreven in de titels 1, 2, 3 en 4, de artikelen 140 eerste lid,
en 172, in de titels 13, 14, 15, 18, 19 en 20 en in de artt. 381-385
van het 2de Boek van het Wetboek van Strafrecht.
5º. tweede of verdere onherroepelijke veroordeeling wegens eenig
misdrijf.
Onder misdrijf worden in dit artikel ook begrepen medeplichtigheid
aan en poging tot misdrijf.
De Memorie van Toelichting zegt aangaande de ontheffing en de
ontzetting: "De ontzetting berust op het moedwillig plicht verzuim of
onwaardigheid, de ontheffing op het voor den rechter juist gebleken
eigen oordeel der ouders, dat het belang van hun kind medebrengt,
dat een ander zich met de taak der opvoeding belast." Doch in
het laatste geval worde wel ingezien, dat het belang van het kind
moet vóórstaan; is dit niet zoo, dan zal de rechter de ontheffing
niet verleenen. Bij ontzetting is de reden om aan de rechten en
verplichtingen van het ouderlijk gezag een einde te maken gelegen òf
in een feit, dat strafrechtelijk den dader toerekenbaar is òf in een
feit, dat dit niet is, maar dat toch aan schuld te wijten is. Bij
ontheffing treedt de beschermingsmaatregel voor het kind nog in
een duidelijker licht, daar alsdan zelfs geen sprake is van schuld
aan de zijde der ouders. In de Memorie van Toelichting heet het:
"Het instituut der ontheffing, dat de Staatscommissie niet kent,
zal, naar de ondergeteekende vertrouwt er toe bijdragen, dat vele
ongelukkigen in hun jeugd niet van die zorgen verstoken blijven, die
zij zoo noode missen en waardoor zij voor moreelen ondergang behoed
nuttige leden kunnen worden der maatschappij."
Als preventieve maatregel tegen den handel in blanke slavinnen treedt
vooral op den voorgrond de ontzetting op grond van verwaarloozing
en slecht levensgedrag, waardoor het kind moreel ten onder gaat,
waardoor wellicht het verlangen gewekt wordt zoo spoedig mogelijk het
ouderlijk huis te ontvluchten en elders in zijn onderhoud te gaan
voorzien; verder op grond van een der veroordeelingen in de drie
laatste no's, waarvan het gevolg is geheel gebrek aan opvoeding of
geheele of gedeeltelijke verwaarloozing.
Doch hoe doen zich omstandigheden dikwijls voor?
De val van het meisje--ik wees er in het begin van dit proefschrift
reeds meermalen op en gaf daarvan ook voorbeelden--is dikwijls ook
eenigszins aan eigen schuld toe te schrijven, groote onverschilligheid
zoowel van de zijde van het meisje als van die harer ouders. Van
de zijde van het meisje als gevolg van hare onervarenheid valt ze
wellicht nog door de vingers te zien, maar van de zijde der ouders
is dit geenszins het geval.
Door eenige meerdere oplettendheid en zorg van hun kant zou de val
van het meisje wellicht nog voorkomen kunnen zijn. Doch de ouders
zijn blijde, als het groote gezin weer met een lid verminderd
wordt; de eerste de beste gelegenheid wordt aangegrepen om dit te
bewerkstelligen. 't Is eene afkeurenswaardige onverschilligheid, die
zich ook wel in andere opzichten zal openbaren of geopenbaard hebben.
Voorziet het ontwerp ook in deze gevallen?
Kan een dergelijke meermalen geopenbaarde onverschilligheid, die zulke
verderfelijke gevolgen na zich kan sleepen, onder verwaarloozing van
de verplichting, tot onderhoud en opvoeding gerangschikt worden? 't
Is in ieder geval te loven, dat de Minister in stede van verregaande
verwaarloozing, zooals de staatscommissie dat voorstelde, eenvoudig
verwaarloozing heeft opgenomen en wel om den rechter bij de appreciatie
der feiten zoo weinig mogelijk te binden. Mijn inziens belet de
etymologische beteekenis van het woord en het begrip verwaarloozen
niet, dat daaronder ook een dergelijke grove onverschilligheid
omtrent de toekomst van de minderjarige valt. Aldus kan de rechter,
wanneer zich een dergelijk geval voordoet, al is de maatregel dan voor
het meisje, te wier opzichte ze plaats gehad heeft, te laat genomen,
toch nog ontzetting uitspreken, hetgeen van belang is voor de toekomst
der andere meisjes.
Voor eene andere categorie van kinderen, en wel de verlatenen, die
geen tehuis hebben, baant het ontwerp ook een weg om in staat te zijn
van hen nog goede staatsburgers te vormen. Ik wil nu niet beweren,
dat deze rubriek van verwaarloosden een groot contingent oplevert om
de rij der blanke slavinnen te vullen, maar toch zijn ook deze meisjes
bij uitstek geschikt om zich in de netten der placeurs te laten vangen,
voorzoover ze nog niet vrijwillig prostituées geworden zijn.
In deze gevallen voorziet art. 413 derde lid van het ontwerp. Indien
het bestaan of het verblijf van den vader of de moeder onbekend is,
wordt door den Kantonrechter een voogd benoemd. Gedurende deze voogdij
is de uitoefening van de ouderlijke macht geschorst.