ALGEMEENE RECHTSKUNDIGE GEZICHTSPUNTEN.

Bij de wording onzer hedendaagsche strafwetten was de aandacht nog

niet in die mate op den ernstigen aard en den omvang van den handel in

blanke slavinnen gevestigd, dat men meende reeds strafbepalingen tegen

deze handelingen in het leven te moeten roepen. Ik mag nog verder gaan

en zeggen, dat vele wetgevers zich van haar bestaan nog onbewust waren.

De groote agitatie ontstond in Engeland. De door het Hoogerhuis in

1881 benoemde Enquête-Commissie en daarna in 1885 de krachtige stooten

door den Heer Stead gegeven met zijn artikelen, gepubliceerd in de

"Pall Mall Gazette" onder den titel: "The Maiden Tribute of Modern

Babylon", hadden de Engelsche Criminal Law Amendment Act van 1885

ten gevolge. Dit is de eerste wet, die speciale strafbepalingen

bevat tot bestrijding van den meisjeshandel. Na dien heeft men

hetzij in ontwerpen voor afzonderlijke wetten hetzij in ontwerpen

voor strafwetboeken pogingen aangewend door straffen het kwaad te

beteugelen. Intusschen trachtte men toch in de leemte te voorzien

en andere strafbepalingen pasklaar te maken en te verruimen en te

verwringen om de daden van hen, die door misleiding jonge meisjes

aan de prostitutie overleveren, te kunnen achterhalen. Dat dit een

afkeuringswaardige en niet geoorloofde wijze van wetsinterpretatie

is, behoeft geen betoog. Men betreedt op deze wijze toch den weg der

analogische wetsuitlegging, al zou men haar gaarne een extensieve

interpretatie willen noemen. Zoolang men, door een ruim gestelde

strafwettelijke bepaling gesteund, de handelingen der placeurs als

een specialen vorm kan aanduiden van een feit, dat in die bepaling

aangeduid is, zoolang kan ook nog gebruik gemaakt worden van eene

extensieve interpretatie. Maar wanneer men slechts uit kan gaan van

de idee, dat de bewuste handelingen in strijd zijn met een principe,

met een hoogere gedachte, die aan de bijzondere strafbepaling ten

grondslag ligt en van welke men aanneemt dat de wetgever haar in haar

vollen omvang geaccepteerd heeft, dan komt men in flagranten strijd met

de in de hedendaagsche strafwetgevingen gehuldigde leer van Feuerbach:

«nullum delictum, nulla poena sine lege praevia poenali," welke leer in

het Nederl. strafwetboek gehuldigd is in art. 1. Men zoude daarmee de

analogische wetsuitlegging toepassen, die juist verboden is, waar het

betreft vermeerdering van delicten. Onbewust komt men op dit terrein:

de meisjeshandel draagt zulk een eigenaardig karakter, dat het wel

een toeval is, wanneer hij in een ruim gesteld artikel kan vallen, bij

welks wording de wetgever in het minst niet dacht het te doen strekken

tot bestrijding van handelingen, die onder den blanke slavinnen handel

kunnen gerangschikt worden. Zooals deze zich voordoen, treedt op den

voorgrond bij alle feiten het overleveren aan een ontuchtig leven,

verder bij verreweg de meeste een bedriegelijk element, waarvan het

een vereischte is, dat 't berekend is om het ware oogmerk voor het

slachtoffer verborgen te houden en dan de opsluiting in een bordeel.

In de eerste en voornaamste plaats brengen de bedrijvers van

de feiten in gevaar de eerbaarheid der vrouw. Met 't oog op dit

rechtsbelang kan men den meisjeshandel plaatsen onder de misdrijven

tegen de zeden. Men wil hem dan beschouwen òf als medeplichtigheid

aan koppelarij òf als het plegen van koppelarij zelve. Dit hangt af

van de meer of minder ruim gestelde redactie van dit misdrijf in de

verschillende wetboeken. De overweging, dat de blanke slavinnenhandel

zonder twijfel een misdrijf tegen de zeden moet worden bij eventueele

afzonderlijke strafbaarstelling, verder dat vele gevallen van dien

handel wel onder het misdrijf der koppelarij zouden kunnen vallen,

brengt er mij toe een nauwkeurig onderzoek in te stellen in de

verschillende strafwetten, die nog geen speciale strafbepalingen

inhouden tegen den blanke slavinnenhandel, in hoeverre hetzij met of

zonder behulp eener extensieve interpretatie de meisjeshandelaar ter

zake van koppelarij zou kunnen vervolgd worden.

Dit wensch ik in de volgende hoofdstukken voor verschillende landen te

bespreken. Ik mag evenwel niet nalaten reeds hier op de mogelijkheid

te wijzen, dat het onderzoek in de meeste gevallen geen bevredigende

resultaten zal opleveren. En dit wel om een tweetal redenen. De

koppelarij-artikelen hebben meestal het oog op de bestraffing van het

eenvoudige lenocinium, dat in zich sluit, dat de vrouw, alhoewel ten

gevolge der gebezigde middelen, op de hoogte is van hetgeen er gaat

geschieden. Anders bij den handel in blanke slavinnen. Verder is de

redactie van meerdere strafbepalingen van dien aard, dat er slechts

sprake is van het plegen van ontucht met een bepaalden derde. Dit

opzet bestaat bij den placeur nooit. Ten slotte moet ik er nog op

wijzen, dat de meeste koppelarij-artikelen voor 't voltooide misdrijf

vorderen, dat de ontucht moet opgewekt of bevorderd zijn. Dit nu is

een vereischte, dat bij de strafbaarstelling van eene daad van handel

in vrouwen en meisjes volstrekt niet gesteld mag worden.

De wensch om de placeurs en consorten toch te treffen, leidt tot

't onderzoek of hunne handelingen onder bedrog zouden kunnen

vallen. Ongelukkigerwijze raakt men hier op een dwaalspoor door

een overeenkomst van woorden. Mogelijk zou het zijn, indien de

juridische uitdrukking "bedrog" aangaf alle misdrijven, die door

bedriegelijke handelingen of verzuimen volvoerd worden. Dit ruime

begrip huldigde de Oostenrijksche en Pruisische wetgeving der 18e

eeuw. Doch historisch ontstaan uit de Romeinsrechtelijke stellionatus,

die krenking van vermogen en »calliditas" vorderde (v. Liszt Lehrbuch

pag. 489) heeft het moderne »bedrog" als een speciaal misdrijf een

veel enger begrip. Dat is slechts beperkt tot het door bedriegelijke

middelen met een oogmerk van wederrechtelijke bevoordeeling aantasten

van eens anders vermogen. Het is dus een bij uitstek tegen het

vermogen gericht misdrijf en is ook in bijna alle wetgevingen onder

de vermogensmisdrijven te vinden. Om deze reden kan de placeur dus

niet ter zake van bedrog vervolgd worden.

Het feit, dat ook hij door bedriegelijke middelen zijn vermogen

vermeerdert, doet daartoe niets af, daar de persoon, van wien hij

geld ontvangt een andere is dan die, tegen welke hij de bedriegelijke

middelen aanwendt; verder is in de verhouding tusschen hem, wiens

vermogen vermeerderd wordt en dengene, van wie die vermeerdering

afkomstig is, niets incorrects te zien, d. w. z. het is geen

wederrechtelijke vermogensvermeerdering. Het bedrog tegen de

vrouw gepleegd is niet de beweegreden, die den ander noopt eenige

vermogensvermeerdering toe te kennen aan den bedrieger.

De vrouw wordt in een bordeel opgesloten, zij wordt van hare

persoonlijke vrijheid beroofd. Zij wordt in een hulpeloozen toestand

verplaatst. Kunnen we den dader op grond van de bepaling, die

menschenroof strafbaar stelt, vervolgen?

Menschenroof is een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid; het

oogmerk van den dader is daarop gericht, dat het slachtoffer van de

vrijheid beroofd of in hulpeloozen toestand geplaatst wordt.

In de meeste gevallen zal hier het motief, de drijfveer tot

de handeling hetzelfde zijn als het bijkomend oogmerk. Bij den

meisjeshandel moeten wij er op letten, dat de vrijheidsrooving of de

verplaatsing in een hulpeloozen toestand geen noodzakelijk gevolg van

het delikt behoeft te zijn, verder dat bij dit feit de vrijheidsrooving

etc. slechts middel is om het doel te bereiken, dat de vrouw aan het

verlangen, dat zij zich aan de ontucht overgeeft, voldoet.

Het oogmerk is hier daarop gericht om de vrouw aan een ontuchtig leven

over te leveren, terwijl het motief, de drijfveer tot de handeling

meestal vermogensvermeerdering zal zijn.

Menschenroof en blanke slavinnenhandel verschillen dus innerlijk zeer

van elkaar en het is derhalve een onjuiste wetstoepassing de feiten,

die men als blanke slavinnenhandel qualificeert, als menschenroof te

willen berechten.

De 'handel in blanke slavinnen'. · 第 19 / 63 题