Nu bepaalde de Prins een zekeren dag,[67] waarop hij op de markt het
gansche volk bijeen wilde zien, hun bevelen geven aangaande de toekomst;
hun zeggende wat tot hun troost zou dienen en tot verderf der
Diábolus-mannen. Op dien dag kwam hij aanrijden op zijn wagen en al de
zijnen omringden hem in groot uniform. De Prins opende den mond en sprak
aldus:
[67] ~De Prins bepaalde een dag~, waarop allen op de markt naar hun
kwamen luisteren. Wat in de Christenpelgrimsreis het land Beulah
genoemd wordt is de toestand der ziel, die nu gereinigd en geheiligd,
in het genot der gemeenschap met haren Immanuel verkeert. Hij spreekt
liefelijke woorden tot haar, troost haar en vermaant haar. Maar er
volgen ook waarschuwingen. Hij leidt haar terug al den weg, dien zij
gegaan heeft in afdwaling en bekeering, voor het eerst en bij
vernieuwing. Wij zouden dit laatste hoofdstuk wel de sleutel kunnen
noemen tot al de voorgaande, waarin de schrijver zelf alles uitlegt en
verklaart.
„O, gij mijn geliefd Menschziel. Vele en groot zijn de voorrechten, die
ik aan u heb te koste gelegd. Ik heb u van anderen afgezonderd en voor
mijzelven uitverkoren, niet wegens uwe waardigheid, maar om mijns naams
wil. Ik heb u ook verlost, niet alleen van de verschrikkingen van mijns
Vaders wet, maar uit Diábolus hand. Dit deed ik omdat ik u liefheb, en
omdat ik er mijn hart op gezet heb om u wèl te doen en u den weg tot de
hemelsche vreugd te banen. Daarom heb ik ook voor u en voor uwe ziel
eene volkomen genoegdoening gegeven, en u mij tot een eigendom gekocht.
Dit geschiedde niet tot een vergankelijken prijs, maar dien mijns
bloeds, hetwelk ik vrijwillig op de aarde heb uitgestort om u de mijne
te maken. Daar ik u volkomen met mijn Vader heb verzoend, zoo heb ik u
ook eene woning besteld bij mijn Vader in de Koninklijke stad, waar
dingen zijn, o Menschziel, die geen oog gezien heeft en geen oor
gehoord, en in geens menschen hart zijn opgekomen. Daarenboven weet gij
hoe ik u heb gered uit de hand van al uwe vijanden, die u tegen mijn
Vader deden rebelleeren en die u ten verderve zouden hebben gebracht.
Eerst kwam ik tot u met mijne Wet, daarna met mijn Evangelie om u te
doen ontwaken en u mijne heerlijkheid te toonen, en gij weet wat gij
waart, wat gij zeidet, wat gij deedt, en hoe dikwijls gij tegen mijn
Vader en mij opstondt. Nochtans heb ik u niet verlaten zooals gij heden
te dage ziet; maar ik ben tot u gekomen; ik heb geduld met u gehad, op u
gewacht, en u daarna omhelsd uit enkel genade en goedertierenheid.
Hoewel gij u moedwillig in het verderf hadt gestort, zoo wilde ik zulks
toch niet gedoogen. Ik omringde u, ik onderwierp u, ik bracht er uw hart
toe om uwe zaligheid niet langer te verwaarloozen. En toen ik nu eene
volkomen overwinning op u behaald had, zoo gebruikte ik die tot uw
voordeel.
„Gij ziet ook welk een groot getal van mijns Vaders heirmacht binnen uwe
muren gelegerd zijn, die tot onderwerping uwer vijanden dienst doen. Gij
kent al mijne kapiteins, bevelhebbers, soldaten, oorlogstuig van
buitengewone kracht, zooals het in geen ander koninkrijk voorkomt in
alle deelen van het heelal. Mijne dienstknechten zijn ook de uwe tot
bescherming en reiniging en heerlijkheid; want gij zijt geschapen om
alzoo toebereid te worden. Daarenboven weet gij hoe ik uwe afkeeringen
heb genezen. Ja, ik ben toornig op u geweest, maar mijn toorn is nu van
u afgekeerd en heeft uwe vijanden getroffen. Niet wegens uwe goedheid,
maar omdat ik u bleef liefhebben. Alleen wegens uwe ongerechtigheid heb
ik mijn aangezicht eene wijle voor u verborgen. De afkeering kwam van u,
maar de wederkeer van mij. Ik maakte uwe zoetigheid tot bitterheid, uw
dag tot nacht, uw effen weg tot een doornig pad, tot beschaming van
allen, die uw verderf zochten. Ik was het, die maakte, dat Vreeze-Gods
Menschziel niet verliet. Ik wekte uw geweten op, uwen wil en uwe
genegenheid tegelijk met uw verstand. Ik gaf weder leven in u opdat mijn
Menschziel mij zoeken zou, en daarmede vondt gij genezing, geluk en
zaligheid. Ik verdreef voor de tweede maal het Diábolus-complot en
overwon het met mijn aangezicht.
[Afbeelding: DE DOOD VAN EIGENLIEFDE.]
„En nu, mijn Menschziel, ik ben tot u wedergekeerd in vrede en al uwe
overtredingen tegen mij zijn uitgedelgd alsof ze niet geschied waren.
Ook zal het u niet vergaan als in het begin, maar ik zal nog meer, nog
grooter dingen voor u doen. Nog eenen kleinen tijd -- o ontzet u
daarover niet, wees niet bevreesd -- maar ik zal u afbreken en al uwe
steenen en uw houtwerk en muren overbrengen naar mijn eigen land, het
koninkrijk mijns Vaders, en bouwen u daar weder op, veel heerlijker dan
gij nu zijt, opdat mijn Vader in u wone. Ja, gij zult veel heerlijker
worden dan eenig koninkrijk op aarde. Daartoe is dan ook uwe stad in den
aanbeginne bestemd; ik zal haar maken tot een gedenkzuil mijner
ontferming, ja, tot een wonderteeken. Daar zullen dan de ingezetenen van
Menschziel dat alles zien, wat zij hier niet vermochten te aanschouwen
en hen, die hen overtreffen, gelijken. Daar zult gij in gemeenschap met
mij, met mijnen Vader en zijn Oppergeheimschrijver genieten wat hier
nooit genoten kan worden al leefdet gij hier ook duizend jaar.
„Dáar zult gij niet meer vreezen voor de moordenaars en Diábolus en de
zijnen zullen u niet meer verschrikken. Daar zullen geen samenzweringen
meer tegen u gesmeed worden, noch voornemens tegen u gedacht; dáar zult
gij geen kwaad gerucht meer hooren noch iets, dat u verschrikt. Ook
Diábolus trommel niet, die u deed beven. Daar zult gij ook geene
kapiteins of oorlogsmannen meer behoeven. Smart noch jammer overkomt u
meer. Daar zal geen heuvel noch bolwerk meer tegen u worden opgeworpen,
en Diábolus zal er zijn standaard niet meer planten, die ontzettende,
verschrikkelijke standaard! Daar zal u droefheid noch rouw meer
ontmoeten, en nooit of nimmer zal eenig Diábolist de macht hebben u
weder te bekruipen, zich in uwe grachten te legeren of in uwe wallen te
nestelen, of zich binnen uwe grenzen te vertoonen, alle de dagen der
eeuwigheid. Het leven zal daar langer duren dan gij het hier zoudt
kunnen begeeren en nochtans zal het altijd zoet en nieuw zijn, door
geene kwalen des ouderdoms ooit gekweld; zonder de minste stoornis of
hinder tot in der eeuwen eeuwigheid. Daar zult gij er velen ontmoeten,
die als gij gedeeld hebben in ellende en smart, die ik ook heb
uitverkoren en verlost en voor mijns Vaders hof bewaard. Zij zullen zich
in uw geluk verheugen en gij u in het hunne.
„Er zijn dingen in mijns Vaders paleis, o Menschziel, die nooit gezien
zijn van het begin der wereld af, die mijn Vader in zijn schathuis heeft
opgelegd; die dingen zullen u verblijden. Ik heb u gezegd, dat ik u
verplaatsen wil en elders overplanten, en daar zal ik u vaststellen en
bevestigen, waar zij zijn, die u beminnen; die zich nu reeds van uit de
verte over u verblijden; maar hoeveel grooter zal hunne vreugde zijn als
zij u in zulk een staat van eer en heerlijkheid bij zich zien! Mijn
Vader zal om u zenden om u te laten halen en zij zullen u met zich
voeren en u veilig geleiden naar de eeuwige woningen. Zoo heb ik u dan
alles getoond wat na dezen met u geschieden zal, maar nu zal ik u ook
zeggen wat uwe roeping is, en wat gij te doen hebt tot ik u bij mij kom
halen, volgens hetgeen daarvan gezegd is.
„Eerstens zult gij uwe kleederen witter houden dan ooit. Ik had ze u
gegeven zonder vlek of rimpel toen ik de eerste keer bij u kwam, maar
gij hebt ze bezoedeld en verkreukt. Pas er nu beter op, dat zal wijs van
u wezen. Ze zijn wit uit hunnen aard; maar houdt ze zoo wat ik u bidden
mag; dit zal uw wijsheid en uwe eere zijn. De koning zal lust hebben in
uwe schoonheid, en de wereld zal zien, dat gij de mijne zijt. Gij weet
dat daar eene fontein geopend is voor alle onreinheid; wasch ze daarin
voortdurend. Als uwe kleederen wit zijn zal de wereld u als de mijnen
aanzien. Als uwe kleederen wit zijn dan heb ik vermaak in uwe gangen;
want dan zullen uwe voetstappen overal wezen gelijk aan een
bliksemstraal, zoodat allen, die het aanschouwen, hunne oogen voelen
schemeren. Versier u derhalve met mijne geboden en maak rechte gangen
voor uwe voeten naar mijne wet. Dan en zóo zal de koning lust in uwe
schoonheid hebben; daar hij uw Heer is zoo buig u voor hem neder. [Ps.
15.]
„Verzuim daarom vooral niet, o mijn Menschziel, gebruik te maken van
mijne fontein. Opdat gij uwe kleederen rein en onbesmet zoudt houden
gelijk ik u bevolen heb, heb ik juist die fontein voor u daargesteld.
Neem daarom telkens weer de moeite ze te wasschen en wandel nooit in een
vuil gewaad. Niet alleen dat dit mij tot oneer en smaad verstrekt en mij
op het allermeeste mishaagt, maar het zal uzelven ook zeer tot nadeel
strekken en u van allen troost berooven. Laat daarom uwe kleederen of
eigenlijk mijne kleederen, die ik u gegeven heb, niet door het vleesch
bezoedeld of bevlekt worden. Houd ze wit en laat op uw hoofd geene
olie ontbreken. [Zach. 13 : 1.] [Jud. : 23.]
[Afbeelding: IK LEEF EN GIJ ZULT LEVEN.]
„Mijn geliefd Menschziel! ik heb u dikwijls verlost van de aanslagen,
complotten, samenzweringen en aanvallen van Diábolus, en voor dit alles
eisch ik niets van u dan dat gij mij geen kwaad voor goed vergeldt; maar
dat gij in uw gemoed mijne liefde bewaart en nooit de duurzaamheid
mijner genegenheid tot Menschziel vergeet. Laat dit vooral u aansporen
te wandelen in den u voorgestelden regel, gedachtig aan al de weldaden,
die ik aan u heb besteed. Van ouds waren de offerdieren met touwen aan
het altaar verbonden. Gedenk wat ik u gezegd heb, o mijne rijk gezegende
en beweldadigde!
„O, mijn Menschziel, ik ben levend en ben dood geweest. Ik leef en zal
niet meer sterven. Ik leef opdat gij niet sterft. Omdat ik leef zult ook
gij leven. Ik verzoende u door het bloed van mijn kruis, en verzoend
zijnde zult gij leven door mij. Ik zal voor u bidden en voor u strijden.
Niets kan u kwaad doen dan de zonde, niets kan u voor uwe vijanden doen
vreezen dan de zonde. Niets kan u ontsieren en verachtelijk maken dan de
zonde. Pas daarom op voor de zonde.
„En weet gij waarom ik nog toeliet, dat er Diábolusmannen in uwe muren
wonen? Dat is om u waakzaam te doen blijven en u te doen zien wat gij
aan mijn kapiteins en legerbenden hebt, en wat mijne genade voor u is.
Het is ook opdat gij zoudt weten in welk een beklagenswaardigen staat
gij eens waart; ik meen toen niet alleen sommigen maar allen, niet
slechts binnen uwe muren, maar ook binnen uw kasteel, in uwe forteressen
woonden, o, Menschziel! Al zou ik ze allen slaan, die daar binnen zijn,
daar zijn er zooveel buiten u, die u in slavernij zouden voeren. Waren
de vijanden binnen in u geheel vernietigd, die van buiten zouden u
slapende vinden. Dan zouden zij als in een oogenblik mijn Menschziel
opzwelgen. Ik heb hen derhalve nog in u gelaten, maar niet tot hinder of
schade voor u (hoewel zij dat zeer begeeren), maar ten uwen beste,
waartoe zij dus moeten medewerken, zoo gij maar waakt en bidt en
strijdt. Weet derhalve, dat waartoe zij u ooit verzoeken mogen, het
nooit mijn oogmerk is, dat u dit verre van mij drijve, maar juist
integendeel dichter tot mijnen Vader en mij brenge, en u leere klein in
eigen oog te zijn. Wees dus op uwe hoede en strijd den goeden strijd des
geloofs. Toon mij uwe liefde en laat niets anders uwe genegenheid
opwekken. Bedenk voortdurend wat mijne kapiteins en soldaten voor u
hebben gedaan en wees dankbaar. Voed ze en verzorg ze, want dat komt
Menschziel ten goede. Toon mij dan uwe liefde, o, mijn Menschziel! en
laat hen, die binnen uwe muren zijn, uwe genegenheden nooit aftrekken
van hem, die u verlost heeft. Ja, laat het gezicht van een Diábolonist
uwe liefde tot mij nog versterken. Ik ben een- en andermaal gekomen om u
te bevrijden van de giftige pijlen, die u den dood zouden hebben
aangedaan: kom dan nu ook op voor mij, uwen vriend, o Menschziel! en sta
tegenover alle Diábolusmannen pal, en ik zal uwe zaak verdedigen voor
mijn Vader en zijn gansche hof. Heb mij lief temidden van alle
verzoekingen en ik zal u liefhebben niettegenstaande al uwe zwakheden.
„Bedenk, o Menschziel, wat mijne kapiteins, soldaten en oorlogstuigen
voor u gedaan hebben. Zij hebben voor u gestreden; zij hebben om
uwentwil veel geleden; zij hebben heel wat van u verdragen, en bleven
toch uwen welstand bevorderen. Hadt gij hen niet gehad om u te helpen,
Diábolus had zeker een eind aan u gemaakt. Koester hen dan, mijne
geliefde, en verzorg hen goed. Als gij u wel gedraagt zullen zij u ook
zeer genegen zijn en u veel liefde bewijzen. Wanneer gij hen kwalijk
handelt zullen zij krank worden en zeer verzwakken. Maak mijne kapiteins
niet ziek; want zoo zij krank zijn kunt gij niet sterk wezen; zoo zij
verflauwen of bezwijken kunt gij niet dapper of kloekmoedig wezen voor
uwen koning. Ook moogt gij niet altijd leven bij gevoel, maar door het
geloof aan mijn woord. Ook moet gij dat doen als gij mij niet ziet en ik
van u verwijderd schijn; ik draag u toch eeuwig op mijn hart. Bedenk,
geliefde, hoe innig ik u bemin en hoe getrouw mijne liefde is. Ik leg u
geen anderen last op dan dien gij reeds kent en draagt. Houd wat gij
hebt opdat niemand uwe kroon neme. Waak totdat ik kom!”