Nauwelijks had kapitein Geloof deze redevoering tot zijne soldaten
gesproken of een zeker man genaamd Spoed[59] kwam te post aan het leger
van den Prins met de boodschap, dat Immanuel in het gezicht was. Zoodra
Kapitein Geloof dit blijde nieuws vernam, deelde hij het onmiddellijk
aan de anderen mede en deze weder aan hunne manschappen, waardoor het
gansche leger, als waren het mannen uit den dood opgestaan, zich
opmaakte om den vijand aan te vallen, roepende als tevoren: „Het zwaard
van Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof!”
[59] ~Zekere heer Spoed~. Menschziel strijdt nu den goeden strijd des
geloofs. De twijfel is op de vlucht gedreven: de twijfelaars zijn de
stad uit. Beter is de openlijke strijd met vijanden van buiten dan met
inwendig bederf en ongeloof. Nu kan de heer Spoed van ’s Prinsen leger
komen. Nu is er weer gemeenschap tusschen de ziel en Immanuel.
Die van den reus spanden ook alle krachten in, maar in dezen laatsten
strijd verloren zij den moed, en velen der Twijfelaars vielen gedood ter
aarde. Nadat zij nu nog ruim een uur in het heetst van het gevecht
hadden doorgebracht, hief kapitein Geloof zijne oogen op, en ziet, daar
kwam Immanuel aan met vliegende vaandels en klinkende trompetten,
terwijl de voeten dergenen, die hem volgden, nauwelijks de aarde
aanraakten. Met zulk eene snelheid spoedden zij zich voort om bij de
kapiteins te komen, die maar voortdurend bleven strijden. Kapitein
Geloof wendde zich nu met de zijnen stadwaarts en liet voor Diábolus het
veld ruim. Daarop trok Immanuel voorwaarts en zoo was de vijand tusschen
hen ingesloten. Toen viel kapitein Geloof met de zijnen wederom op hen,
en ziet, zoo langzamerhand ontmoetten Immanuel en kapitein Geloof
elkander over de verslagenen heen, die zij onder hunne voeten vertraden.
Toen ook de andere kapiteins zagen, dat de Prins gekomen was en dat het
Diábolus-leger tusschen Zijner Majesteits en kapitein Geloofs troepen
werd ingesloten en in de pan gehakt, zoo juichten zij met een groot
gejuich, zoodat er de aarde van spleet, roepende: „Het zwaard van
Immanuel en het schild van Geloof!” Diábolus zich zoo geheel ingesloten
ziende zocht met de andere vorsten van den afgrond eene opening om te
ontvluchten, latende al zijn volk in de steek. Al dit volk viel voor het
aangezicht van den prins en zijne heirkracht; er bleef nauwelijks een
Twijfelaar in het leven; de dooden lagen verspreid over de vlakte als
mest op het land.
Toen de slag geëindigd was kwam alles weder in orde, en alle kapiteins
en oudsten van Menschziel kwamen samen om Immanuel te begroeten. Hij
lachte hen vriendelijk toe, en zeide: „Vrede zij ulieden!” Daarna
stelden allen zich in het gelid om naar Menschziel op te trekken, ook de
Prins met zijne versche legermacht, die hij nu had medegebracht. Alle
poorten werden opengezet om hem waardig te ontvangen. Ook de poorten van
het kasteel werden wijd geopend en de oudsten en overheden stelden zich
daar om hem bij het intrekken te verwelkomen. Toen hij nu de poorten
naderde riepen zij: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij
eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” En anderen zeiden: „Wie
is die koning der eere?” Waarop het antwoord weder klonk: „De Heere,
sterk en geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op, gij poorten, ja
verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de koning der eere inga!” [Ps. 24.]
Verder was verordend door de oversten van Menschziel, dat langs den
geheelen weg van de stadspoort tot die van het kasteel voortdurend
liederen zouden worden gezongen door diegenen, welke het meeste verstand
van muziek hadden. Alzoo werd er een beurtzang aangeheven toen Immanuel
zijn intocht deed,[60] nu en dan afgewisseld door trompetgeschal. En
toen hij aan de poorten van het kasteel kwam klonk het: „Zij hebben
uwe gangen gezien, o God! de gangen mijns Gods, mijns konings, in het
heiligdom!” De zangers gingen vóor, de speellieden achter, in het midden
de trommelende maagden. [Ps. 68 : 25, 26.]
[60] ~Het binnentreden van Immanuel~. Hier keert Jezus in de ziel
terug na vele droevige dagen van afwezigheid. De groote waarheid, dat
Jezus nooit met de zonde kan samenwonen, wordt hier duidelijk gemaakt.
Hoe weinig er noodig is om die innige gemeenschap te verstoren en
hoeveel er moet geschieden eer al de gevolgen van onze onbedachte
handelwijze zijn uitgewischt. John Bunyan neemt het niet licht op met
de zonde. Door schade en schande geleerd is de blijdschap der opnieuw
verloste ziel onuitsprekelijk groot. Men gevoelt in de beschrijving,
dat Bunyan tevergeefs tracht den indruk weer te geven. Welkom aan de
poorten, godgewijde liederen, bloemen en eerebogen, saluutschoten,
muziek, enz.
[Afbeelding: DE BEENDEREN DER TWIJFELAARS BEGRAVEN.]
Ook wachtten de kapiteins elk op zijn post hunnen Prins op toen hij de
poorten van Menschziel binnenreed. Kapitein Geloof was de eerste, dan
volgde Goede-Hope; daarna kapitein Liefde, met anderen van zijn
gezelschap. Het laatst kwam kapitein Geduld met de overige hoofdlieden,
sommige ter rechter-, anderen ter linkerzijde. Zoolang de intocht duurde
wapperden alle vlaggen, klonken de trompetten en was er groot gejuich
onder de soldaten. De Prins zelf was weder gekleed in zijne wapenrusting
van geslagen goud; de pilaren van zijn koets waren van zilver, de vloer
van goud, het verhemelte van purper en het binnenste was bespreid met
liefdeblijken voor de dochters van Menschziel. [Hoogl. 3 : 10.]
De Prins vond de straten bestrooid met leliën en bloemen en van boven
kunstig overdekt met triomfbogen van de groene takken der boomen, die
rondom de stad stonden, terwijl ieder voor zijn huis eene versiering had
aangebracht; dat alles diende om den Prins te vereeren; en overal waar
hij voorbijkwam klonk het gejuich: „Gezegend is hij, die daar komt in de
naam zijns Vaders El-Schaddaï.” [Ps. 118 : 26.]
Voor de poort van het kasteel werd Zijne Majesteit weder begroet door de
oudsten van Menschziel, n. l. de Burgemeester, de heer Vastewil, de
Onderprediker, de heer Kennis en de heer Gemoed met anderen uit den adel
dezer plaats. Zij bogen voor hem neder, kusten het stof van zijne
voeten, dankten, zegenden en prezen Zijne Majesteit omdat hij hun niet
tegen was wegens hunne zonden, maar medelijden had gehad met hunne
ellende en nu in barmhartigheid tot hen wederkeerde om voor eeuwig hun
Menschziel op te bouwen. Zoo trok hij dan regelrecht het kasteel binnen;
want dat was het koninklijk paleis en de plaats, waar zijne eere woonde.
Alles was daar reeds door den Oppergeheimschrijver en den kapitein
Geloof gereed gemaakt.
Maar nu naderde hem al het volk van Menschziel binnen het kasteel om te
weenen en te kermen en hunne goddeloosheid te bejammeren. Zij bogen zich
bij het binnenkomen zeven maal voor hem ter aarde en weenden, terwijl
zij den Prins vergeving vraagden, hem smeekende, dat hij als van ouds
onder hen wilde wonen. Waarop de Prins antwoordde: „Weent niet, maar
gaat uws weegs, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen aan
uwe broeders: want de blijdschap des Heeren is uwe sterkte. Ik ben tot
Menschziel wedergekeerd met ontferming en mijn naam zal daardoor
verhoogd en verheerlijkt worden.” Ook omhelsde hij de burgers, kuste hen
en drukte hen aan zijn hart. [Neh. 8 : 11.]
Bovendien gaf hij aan de oudsten van Menschziel en aan iederen
machthebber der stad een gouden keten en een ring. Ook zond hij aan
hunne vrouwen oorsieraden, juweelen, armbanden en dergelijken, en aan de
echte kinderen van Menschziel deelde hij kostelijkheden uit. Toen
Immanuel al deze dingen voor het beroemde Menschziel gedaan had, zeide
hij eerst tot hen: „Wascht uwe kleederen, en doet uwe versierselen aan,
en komt daarna in mijn kasteel terug.” Zoo gingen zij dan heen om zich
te wasschen naar de fontein, die geopend was voor Juda en Jeruzalem.
Daar maakten zij hunne kleederen wit en stonden daarna rein en versierd
voor Immanuel. [Pred. 9 : 8.] [Zachar. 13 : 1.] [Openb. 7 : 14, 15.]
Nu was er muziek en dans door de gansche stad, omdat hun Vorst hen weder
vereerde met zijne tegenwoordigheid en met het licht van zijn
aangezicht; de klokken werden geluid en de zon scheen vriendelijk op hen
voor een langen tijd.
Ook deed de stad thans meer voortdurend en ernstig onderzoek om de nog
overgebleven Diábolus-mannen in de wallen uit te vinden en te vernielen;
want er waren er toch nog van dat gespuis, die de handen hunner
onderdrukkers hadden weten te ontkomen. De heer Vastewil was thans een
veel grooter verschrikker voor hen dan hij ooit tevoren geweest was,
daar zijn hart nu ten volle was overgebogen om hen op te zoeken en te
dooden. Hij vervolgde hen dag en nacht en bracht hen in zware
verdrukking zooals nog later blijken zal.
Toen nu alles zoover weder in orde was werd door den Prins order
gegeven, dat de burgers der stad zonder verder uitstel er sommigen
zouden uitzenden om naar de vlakte te gaan ten einde de beenderen der
Twijfelaars te begraven,[61] opdat de stank en uitwaseming daarvan de
lucht niet besmetten zouden in de beroemde stad. Dit moest ook
gebeuren, omdat zoolang Menschziel bestond de nagedachtenis van deze
hare groote vijanden zou worden weggedaan.
[61] ~De lijken der Twijfelaars worden begraven~. Het leger der
Twijfelaars is verslagen; een volkomen nederlaag overdekt hen met
schande en smaad en ondergang. Maar de Christen krijgsman heeft nog
niet alles gedaan zoolang de onbegraven lijken nog in het gezicht
zijn. Ook de nagedachtenis der zonde moet uit den weg geruimd. De
herinnering aan vroegere schuld kan schaden en in verzoeking brengen;
daarom al wat er aan herinnert weg.
[Afbeelding: KAPITEIN PAUS.]
Zoo werd dan bevel gegeven door den Burgemeester, dat verstandige en
vertrouwde vrienden tot dit noodige werk zouden worden gebruikt, en de
heer Vreeze Gods en zekere edelman Oprecht werden tot opzieners hierover
aangesteld. Verscheidene menschen waren daar druk mede. Sommigen groeven
de kuilen, anderen begroeven de lijken, en nog anderen liepen maar rond
om naarstig te zoeken of zij nog botten en beenderen vonden, die van een
Twijfelaar afkomstig waren. Zij moesten daarbij dan een kenteeken
plaatsen opdat de doodgravers ze vinden zouden. Alle naam en
nagedachtenis der Diábolus-mannen moest op die wijze worden weggeruimd
en uitgedelgd van onder den hemel en dat de kinderen, in Menschziel
later geboren, niet weten zouden wat een doodsbeen van een Twijfelaar
was. Deze lieden deden dan ook zooals hun geboden was. Zij begroeven de
Twijfelaars en alle beenderen en stukken daarvan waar zij ze vonden, en
zoo werd de vlakte gereinigd. Ook nam de heere Vrede Gods weder zijn
post waar als in vroeger dagen. Er was nu van al de Twijfelaars aan de
Verkiezing, noch aan de Roeping, noch aan de Volharding, noch aan de
Genade, noch aan de Opstanding of de Zaligheid, of de Heerlijkheid niets
meer te bespeuren. Al de kapiteins, n.l. Woede, Wreed, Verdoemenis,
Onverzadelijk, Zwavel, Torment, Zonder-Rust, Graf en Wanhoop waren met
den ouden veldmaarschalk Ongeloof op de vlucht gegaan of gewond. Zoo ook
de zeven legerhoofden Beëlzebul, Lucifer, Legio, Apollyon, Belial,
Python en Cerberus, die als generaals dienst hadden gedaan. Daardoor
waren dan ook hunne manschappen verslagen en door Immanuels macht op de
vlucht gejaagd. Zelfs hunne wapenen, die akelig en verschrikkelijk
waren, met hunne banieren en vaandels werden met hen begraven, zoodat er
niets meer viel te zien of te ruiken, dat aan een Diábolistischen
Twijfelaar herinnerde.