DE BELOFTE VAN ZIJNE KOMST.

Maar laat ons tot Diábolus terugkeeren. Toen deze zag hoe kloekmoedig de

heer burgemeester hem had weerstaan en de woorden van heer Vreeze-Gods

overdacht, sloeg hij aan het woeden en riep een krijgsraad bijeen om

zich op Menschziel te wreken, waarop al de vorsten van den poel

samenkwamen en de oude Ongeloof vooraan om samen te beraadslagen wat er

te doen stond. Het besluit van dien raad was, dat zij trachten moesten

het kasteel hoe eer hoe beter te bemachtigen; want zij rekenden zich, en

terecht, geen meester van de stad zoolang zij dat kasteel niet hadden.

’t Was Apollyon, die den doorslag gaf en sprak: „Mijne broederschap, ik

heb u twee dingen voor te stellen, waarvan het eerste is: laat ons weder

de stad verlaten en in het veld kampeeren; want ons verblijf in de stad

doet ons geen goed, omdat het kasteel nog in de handen onzer vijanden

is, en het is ons onmogelijk dat in te nemen zoolang die stoute gast

Vreeze-Gods de poortwachter is. Wanneer wij ons nu naar buiten begeven,

zullen zij zich verheugen en wellicht zorgeloos worden, en dat zou hun

nadeeliger kunnen worden dan iets dat wij doen. Ook zullen de kapiteins

dan wellicht hun schuilhoek verlaten, een uitval doen, ons achtervolgen

en gij weet hoe slecht dit hun bekomen is. Kunnen wij hen maar in het

veld lokken, zoo zullen wij in een achterlage achter de stad ons

verschuilen, en een deel van ons zal die binnentrekken en ook het

kasteel veroveren.”

[Afbeelding: KAPITEIN GELOOF TOT LUITENANT VAN DEN PRINS BEVORDERD.]

Eerst wilde Beëlzebul daar niet van weten en voerde aan, dat deze

onderneming tevergeefs zou wezen omdat zij het kasteel niet zouden

verlaten. Hij stelde dus andere middelen voor; maar de anderen meenden

dat Apollyons raad beter was, hoewel zij moesten toegeven, dat het ook

bijzonder dienstig wezen zou als zij middelen wisten te bedenken om hen

aan het zondigen te brengen. „Wij hadden gerust onze Twijfelaars thuis

kunnen laten, wanneer wij hen geen meester kunnen doen worden van het

kasteel,” zeiden zij, „want Twijfelaars, die van verre staan, zijn

gelijk aan beschuldigingen, die men met goede bewijzen wederleggen kan.

Kunnen wij hen echter in het kasteel krijgen en maken, dat zij dat in

bezit nemen, dan hebben wij een goeden dag. Laat ons daarom

terugtrekken naar het open veld; maar eerst moeten wij nog raadplegen

met onze vertrouwde aanhangers hier in de stad, die ons moeten helpen om

haar door verraad in onze handen te spelen. Waarlijk wij moeten hen aan

het zondigen helpen, hierin heeft Beëlzebul groot gelijk, en dan de stad

uit.” [2 Petr. 2 : 18-21.]

Toen had Lucifer nog het volgende te zeggen: „Al wat dusver voorgesteld

is, is goed, en om dat te bevorderen, moeten wij de burgers niet meer

zoo verschrikken, noch door onzen trommel noch door martelingen. Laat

ons maar ver weg trekken en doen of wij geen acht op hen slaan; want de

vreeze houdt hen wakker en doet hen op tegenweer bedacht zijn. Gij weet,

dat Menschziel eene marktstad is, die veel vermaak schept in den

koophandel, laat nu sommigen onzer zich aanstellen als kooplieden of

boeren uit vergelegen plaatsen, die ter markt komen om hunne koopwaar

aan den man te brengen. Laat ons die desnoods verkoopen voor den halven

prijs! Maar die dit doen, moeten ons zeer getrouw wezen, ik wil hun mijn

kroon tot belooning geven als zij er in slagen. Er komen mij er daar

twee in gedachten, die bijzonder geschikt zijn voor dit werk.

De een heet: Muguitzuiger-kemeldoorzwelger en de ander is

Alles-in-de-Waagschaalzetter-om-een-kleine-winst. Deze mannen met zulke

lange namen zijn uitmuntend tot ons doel. En wat dunkt u als wij daar

eens bijvoegden, ’s Werelds-Goed en Aardsche Rijkdom? Die beiden zijn

zeer listig en zeer bescheiden. Laat dezen met eenige anderen hun best

doen en laat het volk slechts rijk en zat worden, dan zullen wij bij hen

winnen. Bedenk maar eens op welke wijze wij Laodicea overwonnen hebben!

Als zij nu zat worden en wij hen niet verontrusten, zoo zullen zij hunne

ellende vergeten en daarbij in slaap vallen en hun kasteel niet langer

bewaken. Ja, zelfs zouden wij zoover kunnen gaan, door hen met allerlei

overvloed te bezwaren, dat zij van hun kasteel een pakhuis maakten en er

het oorlogsvolk uit wegnamen. Derhalve zoo wij onze goederen en koopwaar

binnen weten te krijgen, zoo denk ik, dat de stad al half gewonnen is.

Ook hunne kapiteins zullen het dan benauwd genoeg krijgen. Kent gij niet

de gelijkenis van den rijken dwaas? En weet gij niet, dat als het hart

overladen is met brasserij en dronkenschap en de zorgvuldigheden des

levens, dat dan den mensen alle kwaad overkomt, eer hij er om denkt?

Bovendien is het niet goed voor een volk, dat zij met onze goederen

vervuld zijn, wanneer zij niet eenigen der onzen in huis hebben,[55]

zoogenaamd als dienaars, maar eigenlijk om alles tot ons te trekken.

Waar is er een burger van Menschziel, die vol is van ’s werelds goed en

niet tot zijn knecht of oppasser heeft een zekeren Overdadig, of Dartel,

of Wellust, of Loos, of Pocher, of nog anderen van onze getrouwen? Deze

nu, zouden het kasteel kunnen in de lucht laten springen of ongeschikt

maken langer eene vesting van Immanuel te zijn. Op deze wijze gaat het

beter dan door een groot leger. Ik blijf dus bij mijn raad. Laat ons

dien nu spoedig uitvoeren en wegtrekken.” [Openb. 3 : 17.] [Luk. 8 :

14.] [Luk. 21 : 34, 36.]

[55] ~Bovendien is het niet voor een volk, dat zij met onze goederen

vervuld zijn, zoo zij niet een der onzen in huis hebben~. De Heere

zeide: „Maakt u vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat zij u

ontvangen in de eeuwige tabernakelen.” De satan weet zeer goed, dat

wereldsche schatten uitmuntend te gebruiken zijn in ’s Heeren dienst

en daarom stuurt hij er ~zijn~ volk op af om ons te helpen die te

beheeren en daardoor eigenlijk aan ’s Heeren dienst te onttrekken. Men

wake en bidde vooral als men rijk is!

Wat deze hellevorst geraden had werd voor een helsch meesterstuk geacht.

Maar ziet nu eens hoe het uitkwam! Pas was de vergadering van Diábolus

uiteengegaan of kapitein Geloof ontvangt een brief van Immanuel, waarvan

de korte inhoud was, dat hij hem op den derden dag in de vlakke velden

van Menschziel zou ontmoeten.

De kapitein begreep deze boodschap niet. Hem in het veld ontmoeten!

zeide hij, wat bedoelt Prins Immanuel daarmede? Daarom nam hij den brief

en ging er mede naar den Opperleeraar en Geheimschrijver, want deze was

een ziener in al ’s konings zaken, Menschziel ten goede. Dezen edelman

vroeg hij om raad. Nadat de Opperleeraar den brief stilzwijgend had

gelezen zeide hij: „Het Diábolus-komplot heeft een groote beraadslaging

gehad en zij hebben daar besloten tot het uiterste verderf van

Menschziel. Van die zijde dreigt een groot gevaar. Zij maken zich gereed

de stad te verlaten en zich weder in het veld te begeven om vandaar uit

nieuwe helsche maatregelen te nemen. Maar zorg gij nu, dat gij tegen

den derden dag gereed zijt, want dan komt ook de Prins met een groot

leger in het veld tegen den opgang der zon, bij het aanbreken van den

dag. Hij zal dan het leger van Diábolus van voren aangrijpen en gij van

achteren, en zoo zal het ganschelijk vernield of verstrooid worden.”

[Afbeelding: DE KRIJGSRAAD DER BOOZEN.]

Nauwelijks had kapitein Geloof dit gehoord of hij begaf zich naar de

andere kapiteins en deelde hun mede welk een brief hij ontving en hoe de

Opperleeraar hem al wat in Immanuels schrijven duister was had

uitgelegd. Hij zeide hun daarenboven wat hij en de anderen doen moesten

om aan het oogmerk van Immanuel te beantwoorden. Toen waren al de

kapiteins vroolijk en op bevel van den onderkoning werden al de

trompetten op het kasteel geblazen en maakten een overheerlijke muziek,

waaraan gansch Menschziel zich verkwikte en die Diábolus ook hoorde.

Toen stond Diábolus op eenmaal stil en zeide: „Wat zou toch dit

trompetgeschal te beduiden hebben? Ze hebben paarden noch zadels, noch

spijze. Wat overkomt dezen aemechtigen lieden, dat ze zoo vroolijk en

blijde zijn?” Toen antwoordde hem een van zijn eigen volk en sprak: „Dit

is uit vreugde, dat hun Prins Immanuel komt om de stad Menschziel te

verlossen; tot dit doel trekt hij aan het hoofd van een leger op, en die

verlossing is nabij.”

De inwoners van Menschziel waren ook zeer bewogen door deze melodieuse

tonen en zij spraken er met elkander over. „Dit kan ons geen leed doen,”

zeide de een. „Neen,” zei een ander, „dit is een lied der verlossing.”

De Diábolus-mannen beraadslaagden nog in alle haast en kwamen tot het

besluit, dat het toch maar best was de stad te verlaten. Ze zouden hun

voornemen nu ook uitvoeren, en kwam er een leger opdagen het dan in het

open veld ontmoeten. Op den tweeden dag begaven zij zich dan ook buiten

de stad en sloegen hun legerkamp op het vlakke veld op; maar vlak in het

gezicht van de Oogpoort, en wel zoo indrukwekkend en afgrijselijk als

hun slechts mogelijk was. Zij waren nu ook in het open veld gelegerd met

het oog op een mogelijke vlucht, die daar gemakkelijker viel dan in de

stad. Want waarlijk de stad zou hen tot een put en afgrond zijn geworden

als vorst Immanuel zich daar legerde.

Toen nu het oogenblik gekomen was, dat de kapiteins op Diábolus’ leger

zouden aanvallen, bereidde een ieder zich zorgvuldig voor den slag.

Kapitein Geloof had hun des nachts gezegd, dat zij in den morgenstond

hunnen Prins in het veld zouden ontmoeten. Dit maakte hen des te vuriger

om tegen den vijand op te rukken. Deze woorden: „Morgen zult gij den

Prins in het vlakke veld zien!” waren als olie in een brandend vuur. Ze

hadden hem zoo langen tijd gemist en zagen reikhalzend naar hem uit. Als

het nu tijd was trok kapitein Geloof met al de strijdmacht van

Menschziel naar buiten eer het dag was, de Mondpoort uit. Toen allen

gereed stonden stelde hij zichzelven aan het hoofd en gaf aan de andere

kapiteins het wachtwoord, en deze weder aan hunne officieren en

soldaten. Dat wachtwoord luidde: „Het zwaard van den Prins Immanuel en

het schild van kapitein Geloof.” Dit wachtwoord klonk in de taal der

burgers van Menschziel als: „Het woord Gods en het geloof!” Daarop

vielen zij nu het leger van Diábolus aan en begonnen het rondom te

omsingelen en te benauwen.

[Afbeelding: GELOOF TE WAPEN GEROEPEN.]

Kapitein Ondervinding wilde men in de stad laten, omdat hij nog altijd

niet genezen was van de wonden,[56] die Diábolus hem in den laatsten

slag had toegebracht. Maar toen hij bemerkte, dat al de kapiteins aan

den strijd deelnamen, eischte hij zijne krukken en strompelde daarmede

zoo goed het ging ook de stad uit. -- „Neen”, zeide hij, „ik kan hier

niet zoo gemakkelijk blijven liggen, waar mijne broeders in de hitte van

den strijd trekken en vorst Immanuel zich aan hen in het veld zal

vertoonen.” Toen de vijanden dezen man met zijne krukken zagen waren zij

te meer verslagen. Welke geest, dachten zij, is nu in die mannen van

Menschziel gevaren, dat zij zelfs op krukken tegen ons willen vechten!

Intusschen waren de kapiteins er op aangevallen en maakten een flink

gebruik van hunne wapenen, terwijl zij luide juichten: „Het zwaard van

Prins Immanuel en het schild van kapitein Geloof.”

[56] ~Kapitein Ondervinding krank aan zijne wonden~. De bevinding van

den Christen is aan allerlei afwisseling onderworpen en heeft haar

ebbe en vloed. Er hebben worstelingen des geloofs plaats, waarin zij

duchtig wordt gekwetst en het hard te verantwoorden heeft. Naar de

maat van iemands geloof is ook zijne ondervinding. Wanneer het geloof

taant, is ook de ondervinding zeer zwak; toch kan het herdenken van ’s

Heeren daden den moed des geloofs weer aanwakkeren. Dit is eigenaardig

door Bunyan voorgesteld in de allegorie, dat deze kreupele kapitein

naar zijne ~krukken~ vraagt en mede naar buiten strompelt.

Diábolus bemerkte hoe stoutmoedig hij omsingeld werd en vreezende,[57]

dat hun tweesnijdend zwaard er dapper op inhakken zou, viel hij ’s

Prinsen leger aan met doodelijke woede, en zoo begon de slag. Die

Diábolus het eerst aanvielen, waren kapitein Geloof en de heer Vastewil,

de een benauwde hem aan de éene zijde en de ander aan den anderen kant.

De slagen van den heer Vastewil waren als die van een reus; want die man

had een sterken arm en hij viel op de Twijfelaars aan de Verkiezing aan,

want dit was Diábolus lijfwacht. Inderdaad, hij hield hen een wijle

duchtig bezig, hakkende er geweldig op in. Kapitein Geloof benauwde

diezelfde compagnie van den anderen kant en aldus geraakten zij in

groote wanorde. Kapitein Goede Hoop had de Twijfelaars aan de Roeping

voor zijne rekening genomen en dat volk was waarlijk sterk genoeg, maar

de kapitein was ook zeer dapper en werd nog bovendien door kapitein

Ondervinding en zijne troepen bijgestaan. Zoo werden dan ook de

Twijfelaars aan de Roeping tot wijken gedrongen. De rest van het leger

was zeer verwoed; ’t scheen, dat zij allen in het besef verkeerden, dat

het er nu op aan kwam, er op of er onder voor altijd; daarom werd

aan alle zijden wanhopig gevochten. Toen commandeerde de

Oppergeheimschrijver, dat de slingers van het kasteel daaronder spelen

zouden. De slingeraars konden mikken op een haar en brachten ook veel

bij tot de overwinning. Eenigen tijd was Diábolus’ volk zeer verward en

begonnen de meesten er al over te denken de vlucht te kiezen voor ’s

Prinsen kapiteins. Maar neen, zij verzamelden zich weer en vielen

stoutmoedig op de achterhoede aan. Zij brachten dáar zulk eene geweldige

botsing teweeg, dat ’s vorsten leger verflauwde. Eensklaps herinnerden

dezen zich echter, dat zij het aangezicht van hunnen Prins zouden zien,

en dat deed hen weder moed grijpen, zoodat de strijd opnieuw hevig werd.

Daarop juichten de kapiteins en riepen: „Het zwaard van Prins Immanuel

en het schild van kapitein Geloof!” Dit deed Diábolus terugdeinzen in de

meening, dat er versterking was aangekomen. Maar Immanuel verscheen nog

niet. De overwinning was nu eenigen tijd twijfelachtig en van

weerszijden trok men een weinig terug. In deze oogenblikken van

twijfelmoedigheid riep kapitein Geloof zijn volk toe en moedigde hen aan

om toch vol te houden.

[57] ~Diábolus wordt verschrikt door de stoutmoedigheid van ’s Prinsen

kapiteins~. De duivel is bang voor het geloof en als hij zelfs

gewonden met moed ziet vervuld, speurt hij in hen de kracht Gods, die

in hunne zwakheid wordt volbracht.

[Afbeelding: HET ZWAARD VAN VASTEWIL EN HET SCHILD VAN KAPITEIN GELOOF.]

[Afbeelding: DE VLUCHT.]

„Mijne vrienden, dappere soldaten”, riep hij, „mijne broeders, allen

bezield met hetzelfde oogmerk, dat ook het mijne is. Het verblijdt mij

zeer u allen thans voor onzen Prins in het veld te zien, als een groote

heirmacht, die doordrongen is van liefde jegens Menschziel. Gij hebt u

tot dusverre mannen van moed en trouw betoond, zoodat Diábolus nog geen

voordeel op ons behaald heeft. Grijpt nu allen weder den ouden moed en

toont u mannen als tevoren, en weinige oogenblikken na dezen aanval zult

gij zien, dat uw Prins zich te velde vertoont. Nog dezen aanval op

Diábolus, -- en dan komt Immanuel!”[58]

[58] ~Immanuel komt~. De belofte is stellig en vast: „Ziet uw koning

komt tot u” maar hij komt eerst op het uiterste oogenblik, als er ten

bloede toe gestreden is en de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft

gehad. Dan zijn echter alle smarten en wonden vergeten en wordt door

zijne nabijheid in de ziel niet alleen iedere vijand verslagen maar

ook alle wonden genezen. „Sta op, Heere, tot uwe rust, Gij en de ark

uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerechtigheid en

uwe gunstgenooten juichen. Want de Heere heeft Sion verkoren. Hij

heeft het begeerd tot zijne woonplaats. Ik zal mijne vijanden met

schaamte bekleeden; maar op haar zal zijne kroon bloeien. Ps. 132.

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 45 / 56 题