HET SMEEKSCHRIFT VAN MENSCHZIEL.

Het antwoord, dat de Oppergeheimschrijver hun gaf, viel als een

molensteen op de harten der burgers, ja het bedroefde hen zóo, dat zij

niet wisten wat te doen; toch durfden zij geenszins het verlangen van

Diábolus bevredigen. Ook wisten zij niet, of hunne kapiteins nu den

eenig goeden weg volgden. De arme stad Menschziel was nu van tweeën

gedrongen; hare vijanden vielen op haar aan en hare vrienden wezen het

af haar te helpen. [Klaagl. 1 : 3.]

Toen stond de burgemeester op, wiens naam was Verstand, en hij begon het

antwoord van den Geheimschrijver te overleggen tot hij eindelijk nog

troost putte uit de schijnbaar harde woorden van dien edelman.

„Eerstens”, zeide hij, „dit volgt onvermijdelijk uit zijne woorden, dat

wij om onze zonden nog moeten lijden. Toch straalt er in door, dat wij

eindelijk van onze vijanden zullen verlost worden, en dat Immanuel na

deze groote verdrukking ons helpen zal.” De reden waarom de burgemeester

die woorden van den Oppergeheimschrijver zoo fijn onderzocht was hierin

gelegen, dat deze meer dan een profeet was en al zijne woorden stellig

kwamen.

Zoo namen zij dan afscheid van hem en keerden tot hunne kapiteins terug,

die nadat zij alles gehoord hadden het met den burgemeester eens waren.

Zoo spraken zij dan ook den burgers moed in en raadden hen aan zóo

moedig tegen Diábolus en zijn aanhang te strijden als hun maar

eenigszins mogelijk was. Ieder begaf zich daarop naar zijn post, de

kapiteins, de burgemeester, de gewezen secretaris en de heer Vastewil.

De kapiteins waren begeerig voor hun vorst te strijden en handteerden

het krijgsgeweer met vermaak. Het eerste antwoord kreeg Diábolus met de

slingers, des morgens vroeg toen de zon opging. De reus had het gewaagd

nader te komen, maar o, de slingersteenen vlogen hem en zijn volk als

horselen om de ooren. En evenals er voor Menschziel niets

verschrikkelijker was dan zijn trom, zoo was er voor hem niets

gevaarlijker dan Immanuels slingers. Daarom was hij genoodzaakt verder

van de stad te wijken. Toen liet de burgemeester de klok luiden en

beval, dat men den Oppergeheimschrijver zou gaan bedanken, omdat door

zijne woorden de stad was bemoedigd, hetgeen de onderleeraar ook deed.

[Zach. 9 : 15.]

Toen Diábolus bemerkte, dat zijne kapiteins, soldaten en machtige edelen

verschrikt en verslagen waren door de gouden slingers van den vorst der

stad Menschziel, zoo bedacht hij iets anders, en zeide: „Ik zal hen door

vleierij en pluimstrijkende woorden in mijne macht zien te krijgen.”

Derhalve kwam hij spoedig terug, maar nu niet met zijn trommel, noch met

kapitein Graf, maar zijne lippen suikerzoet gemaakt hebbende, deed hij

zich voor als een lieftallig vorst, die vreedzaam was en zich volstrekt

niet wreeken wilde, maar slechts het welzijn der stad beoogde. Hij

hield, nadat hij zich vertoond had de volgende rede:

„O, gij beminde mijns harten, beroemde stad Menschziel! Hoeveel nachten

heb ik doorgebracht om te overleggen hoe ik u ten goede mocht wezen.

Verre, zeer verre zij het van mij, dat ik begeeren zou u den oorlog aan

te doen, indien gij maar handelbaar waart en u gewillig aan mij

overgaaft. Gij weet, dat gij van ouds de mijne waart, en dat zoolang gij

mij voor uwen heer erkendet en ik u als mijne onderdanen beschouwde, u

niets ontbroken heeft van al wat u aangenaam was en vermaak kon

bezorgen. Bedenk toch, dat zoolang gij de mijne waart, gij nooit zulke

bange, nare en moeielijke uren hebt doorgebracht als sedert gij tegen

mij zijt opgestaan. Ook zult ge voortaan geen rust meer genieten voordat

wij het weder samen zijn eens geworden. Laat mij nu zooveel op u

vermogen, dat gij mij weder inhaalt, en ik zal u al uwe oude voorrechten

teruggeven, en nog vele nieuwe bovendien, zoodat gij weder de vrijheid

zult hebben om te bezitten en te genieten al wat van Oost en West

aanlokkelijk voortkomt. Nooit zal ik iemand iets vergelden wat gij mij

ook hebt aangedaan. Ook zullen nooit mijne vrienden binnen in u, die op

u loeren en zich versteken, u eenigszins meer schadelijk zijn.

Integendeel zij zullen uwe dienaren wezen en u alles geven wat gij van

hen begeert. Ik behoef hier niets meer bij te voegen, gij kent hen en

zijt dikwijls in hun gezelschap vroolijk geweest. Waarom zouden wij dan

in zulk eene vijandschap leven? Laat ons de oude vriendschap

vernieuwen. Weest het eens met uwe vrienden; ik durf vrijmoedig tot u

spreken omdat ik u innige liefde toedraag. Mijn hart klopt voor u. Lieve

vrienden, doet mij derhalve geen meerdere moeite aan en uzelven geen

angst en vreeze. Vlei u niet met de macht uwer kapiteins en denk niet,

dat Immanuel spoedig komt. Ik ben tegen u opgetrokken met een sterk en

onverschrokken leger; al de vorsten van den afgrond staan aan het hoofd

daarvan. Mijne kapiteins zijn vlugger dan arenden, sterker dan leeuwen

en roofzuchtiger dan avondwolven. Wat is Og van Bazan? Wat is Goliath

van Gath? Ja, wat zijn honderd zulke reuzen tegen een mijner minste

kapiteins? Hoe zou Menschziel dan ooit kunnen denken, dat zij mijne

macht ontkwame!” [1 Petr. 5 : 8.] [Openb. 12 : 10.] [Matth. 4 : 8, 9.]

[Luk. 4 : 6, 7.]

[Afbeelding: WREED EN PIJNIGER.]

Diábolus had nauwelijks deze bedriegelijke rede geëindigd of de

burgemeester antwoordde daarop:

„O, Diábolus, vorst der duisternis en leermeester van alle bedrog! Uwe

pluimstrijkende, leugenachtige woorden hebben wij gehoord, en wij kennen

u bij ondervinding.[45] Reeds al te diep proefden wij uit den beker des

verderfs, zouden wij dan weder naar u hooren en ons aan u verbinden,

terwijl wij de wetten verbreken van onzen El-Schaddaï? Zou dan onze

vorst ons niet voor eeuwig verstooten? En als wij van hem verworpen

zijn, kan dan de plaats, die hij voor u bereid heeft, eene rustplaats

voor ons wezen? Bovendien, gij zijt van alle waarheid ontbloot en hebt

die voor goed van u afgeschud; wij voor ons zijn eerder bereid door uwe

hand te sterven dan ons door u te laten verstrikken.”

[45] ~Diábolus vleiende taal~ wordt nu beter doorzien dan in het

eerst. Zijne listen zijn ons niet onbekend, is het nu. Toen de satan

voor het eerst kwam was Menschziel onbewust van wat haar te wachten

stond als zij luisterde en toegaf. Nu wist zij het ten volle uit lange

smartelijke ondervinding. Zij was door schade wijs geworden.

Toen nu de tiran zag, dat er met onderhandelen weinig voor hem bij den

burgemeester viel te winnen, verviel hij in een helsche woede en voerde

weder zijn leger Twijfelaars op de stad aan.

Opnieuw liet hij den trommel roeren opdat zijn volk gereed zou zijn tot

den strijd, hetgeen Menschziel deed beven, en rukte met zijne

krijgsmacht voorwaarts. Kapitein Wreed en kapitein Pijniger plaatste hij

aan de Voelpoort en beval, dat zij zich daar zouden nederslaan om zich

tot den aanval gereed te houden. Ook zorgde hij dat kapitein Zonder-rust

te hulp zou komen.[46] Voor de Neuspoort plaatste hij de kapiteins

Zwavel en Graf; maar aan de Oogpoort zette hij dat grijnzend aangezicht

van kapitein Wanhoop. Daar plantte deze ook zijn afgrijselijke

standaard. Kapitein Onverzadelijk zou Diábolus ter zijde staan en moest

zorg dragen voor de te rooven buit, zoo van menschen als goederen.

[46] ~De kapiteins Wreed, Pijniger en Zonder-rust~. Nu dreigementen

niet hielpen en pluimstrijkende woorden vruchteloos bleven, gaat hij

tot dadelijkheden over. Nu komen de vervolgingen en het onthouden van

rust ook op den dag des Heeren.

Mondpoort hielden de burgers om uitvallen te doen, daarom bewaarden zij

die zeer krachtig. Ook was dat de weg waarlangs hunne verzoekschriften

naar den koning gingen. Van den top dezer poort speelden de kapiteins

met hunne slingers op den vijand. Nu was het Diábolus’ voornemen om

Mondpoort met slijk te versperren. Waar de reus aldus allerlei

toebereidselen maakte om de stad van buiten aan te vallen, waren de

kapiteins en soldaten bezig zich van binnen te verdedigen, zij bereidden

hunne slingers, richtten hunne banieren op, bliezen op hunne bazuinen en

ordenden zich in afdeelingen naar zij het noodig keurden. Ook kregen de

soldaten bevel zich bij het geluid der bazuinen tot den strijd gereed te

houden. De heer Vastewil nam den post op zich om tegen de rebellen daar

binnen te waken, en te doen wat hij kon om hen voor den dag te halen en

te verworgen. En inderdaad sedert hij boete gedaan had over zijn

bedreven kwaad, toonde hij grooten ijver en liefde voor den koning. Hij

greep onder anderen zekeren Vroolijk en zijn broeder Dartel, de twee

zoons van dien Geoorloofd Vermaak, welke in de gevangenis kwijnde, die

nog in wezen waren, en nagelde ze met zijne eigen handen aan het kruis.

De reden, waarom hij hen ophing, was deze: nadat hun vader in handen van

den cipier Getrouwe was overgeleverd, begonnen deze zonen huns vaders

rol te spelen en met de dochters van hunnen heer te gekken en te

boerten. Ja, zelfs was er een sterk vermoeden, dat zij de grenzen der

betamelijkheid overschreden. Dit was den huisvader ter oore gekomen. Om

billijk te wezen, wilde hij hen niet op losse geruchten vatten. Hij

zette zijne twee knechts, Naspeurder en Alverteller, op den uitkijk;

deze betrapten hen aldra, en deelden dat aan hunnen heer mede. Toen nu

de heer Vastewil ten volle van de waarheid overtuigd was, nam hij de

twee jonge boeven en voerde hen naar de Oogpoort, waar hij hen aan zeer

hooge kruisen hing,[47] in het gezicht van kapitein Wanhoop en Diábolus’

standaard.

[47] ~Waar hij hen aan zeer hooge kruisen hing~. Nu blijkt dat het

Menschziel ernst wordt. De zonde wordt aangegrepen en gekruist, zelfs

de boezemzonde in eigen binnenste. Het vleesch wordt gekruist met de

begeerlijkheden. Eene heerlijke vrucht van het lijden!

Deze flinke daad van den moedigen Vastewil diende tot groote beschaming

van kapitein Wanhoop, ontmoedigde het leger van Diábolus, en deed de

aanhangers van den reus binnen de stad sidderen, terwijl de kapiteins

van den Prins er zeer door werden bemoedigd. Diábolus zag nu duidelijk,

dat de burgers der stad genegen waren tegen hem te strijden en dat hij

op zijne vrienden daarbinnen niet hopen kon. Nog meer proeven gaf de

edele Vastewil van zijn oprechte gehechtheid aan zijn vorst, zooals

weldra zal blijken.

De kinderen van Spaarzaam, die bij den heer Gemoed inwoonden, heetten

Afnijper en Inhalig. Een daarvan was zelfs getrouwd met eene dochter van

Gemoed, wier naam was Houd-het-kwade-vast. Toen deze bemerkten hoe de

heer Vastewil met Vroolijk en Dartel gedaan had, trachtten zij te

vluchten; maar de heer Gemoed zette hen in zijn huis gevangen, en

gedachtig aan de wet, dat alle Diábolus-mannen moesten sterven, liet hij

hen in ketenen naar de markt slepen en hing hen eveneens op.

[Afbeelding: DE KAPITEINS ZETTEN DE VERDEDIGING VOORT.]

De burgers werden hierdoor aangemoedigd nog nauwkeuriger onderzoek te

doen; maar het gebroed van Diábolus hield zich nu zóo schuil, dat men

het onmogelijk vinden kon.

Eerst was Diábolus met zijn leger op het gezicht van deze kloeke daden

wel een weinig ontmoedigd, maar aldra veranderde zijne kleinmoedigheid

in woedende dolheid en brieschend als een leeuw vloog hij op tot den

strijd. Den stedelingen en kapiteins was een hart onder den riem

gestoken; en daar zij stellig geloofden, dat zij nog eenmaal zouden

triomfeeren, vreesden zij niet. De Onderleeraar hield eene predikatie

over den tekst uit Gen. 49 : 19. „Aangaande Gath, eene bende zal hem

aanvallen, maar hij zal haar aanvallen aan het einde.” Daarin toonde hij

aan, dat ofschoon Menschziel er nu zeer ellendig aan toe was; zij toch

voorzeker zou overwinnen.

Diábolus liet weder zijn trom roeren; maar de kapiteins der stad, dat

hoorende, bliezen op hunne zilveren trompetten. Trommen waren in

Menschziel niet. Toen kwam Diábolus leger op de stad aan om die in te

nemen, terwijl de kapiteins op Mondpoort de slingers lieten werken en de

slingeraars van den muur het hunne deden. In Diábolus leger hoorde men

niet anders dan vervaarlijk tieren en lasteren; maar in de stad

verstandige redeneeringen, gebeden en psalmen. De vijanden braakten

allerlei scheldwoorden uit op het geluid van hun trom; maar die van de

stad bliezen voortdurend op hunne heerlijke trompetten en wierpen met

slingersteenen. Zoo hield deze strijd aan vele dagen achtereen. Alleen

hielden zij nu en dan een weinig rust, opdat de soldaten zich konden

verkwikken en de kapiteins zich tot een nieuwen aanval gereed maken.

De kapiteins van Immanuel waren gekleed in zilveren wapenrusting en die

der soldaten was van wel beproefd metaal. De soldaten van Diábolus waren

in het ijzer gekleed, dat zoo was ingericht, dat het Immanuels schoten

kon weerstaan. In de stad waren sommigen licht gewond en anderen vrij

ernstig. Het ergste van alles was, dat er geen geneesmeester in

Menschziel was omdat Immanuel afwezig was.[48] Toch werden zij door de

genezende bladeren van een boom van sterven bewaard, ofschoon hunne

wonden grootelijks vervuilden en sommigen zelfs een ondragelijken stank

van zich afgaven, vooral bij den heer Rede, die aan het hoofd gewond

was. Een andere gewonde was de heer burgemeester zelf; die was in zijn

oog getroffen. Een derde geblesseerde was de heer Gemoed; hij kreeg eene

verwonding in zijn maag. Daarbij kwam nog de brave Onderleeraar, die een

schot ontving niet verre van het hart; maar geen dezer wonden waren

doodelijk. Vele minderen waren insgelijks getroffen, sommigen zelfs

doodelijk. [Openb. 22 : 2.] [Ps. 38 : 5.]

[48] ~Geen geneesheer in Menschziel; maar wèl genezende bladen~. Zeer

goed wordt door onzen Bunyan hier onderscheid gemaakt tusschen het

bezit van Christus zelf en dat van zijne gaven. Ware de Geneesmeester

er zelf geweest, dan zou zijne tegenwoordigheid alleen alle kranken

gezond hebben gemaakt. Hier ziet men ook het onderscheid tusschen

genezingen door het geloof en door de middelen, waarbij Christus meer

indirect zijne kracht openbaart.

In het leger van Diábolus was het getal gewonden en verslagenen

buitengewoon groot. De kapiteins Woede en Wreed beiden. De kapitein

Verdoemenis werd genoodzaakt te wijken en zich zeer verre van de stad te

begeven;[49] de standaard van Diábolus was nedergeworpen en zijn

vaandeldrager Veelkwaad werden door een slingersteen de hersenen

ingeworpen tot groot verdriet van zijn vorst. Velen van de Twijfelaars

werden ook nedergeveld, hoewel er nog genoeg in het leven bleven om

Menschziel te doen beven en sidderen. Daar evenwel te dezer dage de

overwinning voortdurend aan de zijde van Menschziel was gebleven, zoo

gaf dit grooten moed aan de lieden, en Diábolus leger was als met eene

wolk bedekt. Den volgenden dag rustte Menschziel en er werd gelast, dat

de klokken zouden worden geluid en de trompetten geblazen, en toen dit

gebeurde juichten al de kapiteins.

[49] ~Kapitein Verdoemenis moest wijken -- zeer ver van de stad~. „Zoo

is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus

zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.”

[Afbeelding: DE GENEZENDE BLADEREN.]

De heer Vastewil zat ook niet ledig, maar bewees van binnen belangrijke

diensten met het oog op de aanhangers van Diábolus. Hij ontdekte den

heer Neutraal van wien eertijds verhaald is, dat hij eene wijle onder

Boanerges had gediend, maar aldra was gevangen genomen en in Diábolus

dienst was overgegaan. Ook vatte hij een zekeren Losvoet, die een

verspieder van dat gespuis was, hetwelk in Menschziel huisde. Deze twee

zond de heer Vastewil naar den cipier Getrouwe, met bevel hen in de

ijzers te klinken. Hij had het oogmerk hen te kruisigen wanneer dit het

meest dienstig kon wezen tot ontmoediging van den vijand. Ook de heer

burgemeester, ofschoon hij niet zoo werkzaam kon zijn als tevoren,

wegens de ontvangen wonde,[50] gaf bevel aan alle burgers van

Menschziel, om toch vooral goed wacht te houden en op hunne hoede te

zijn, terwijl de heer Geweten als leeraar zijn uiterste best deed om

alle goede leering in de harten des volks levendig te houden.

[50] ~De burgemeester wegens de ontvangen wonde niet zoo werkzaam~.

Het verstand heeft ook zijn onvermogen leeren inzien om alles te

doorgronden. Het heeft zich gevangen gegeven onder de gehoorzaamheid

des geloofs.

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 40 / 56 题