HET COMPLOT ONTDEKT.

Volgens het welbehagen van El-Schaddaï was daar iemand in de stad, die

Toezicht heette, een groot vriend der inwoners en die Menschziel

liefhad. Deze man had tot gewoonte aangenomen om overal in de stad te

luisteren en op te letten, of hij ook iets te hooren of te zien kreeg,

dat kwade gevolgen hebben kon. Hij vertrouwde de Diábolus-mannen evenmin

binnen als buiten de stad. Nu gebeurde het eens, dat deze heer Toezicht

op eene plaats, genaamd Kwaadheuvel, kwam, waar de vrienden van Diábolus

plachten saam te komen; zoo hoorde hij eenig gemompel, (gij moet weten,

dat het nacht was), en sloop zachtkens naderbij om beter te kunnen

luisteren wat daar besproken werd. Al dadelijk ving hij een gesprek op,

waarin iemand verklaarde, dat het niet lang meer duren zou of Diábolus

was meester van de stad Menschziel, en dat dan al de burgers met het

zwaard zouden worden gedood, al ’s konings kapiteins verjaagd en al

zijne soldaten uit de stad gedreven. Hij voegde daarbij, dat er reeds

een leger van twintig duizend strijdbare mannen bij Diábolus gereed

stond om dit voornemen tot werkelijkheid te brengen; het zou geen maand

meer duren, of dit alles was gebeurd.

Nauwelijks had Toezicht dit gehoord of hij begaf zich naar het huis van

den Burgemeester en stelde er dezen mede in kennis. De Burgemeester zond

dadelijk naar den heer Geweten, die het ambt van tweeden prediker

waarnam, opdat hij alarm zou roepen in de stad. De Oppersecretaris was

nog ongesteld.[38] Zoo liet dan ook even spoedig de heer Geweten de klok

luiden en kwam het volk samen, waarop hij hen dadelijk eene korte

vermaning gaf om toch waakzaam te wezen, en tevens het nieuws, dat

Toezicht bracht, bekend maakte. „Een vreeselijke samenzweering is tegen

ons gesmeed,” zeide hij; „de heer Toezicht, die er de man niet naar is

om iets leugenachtigs bekend te maken, heeft het ons ontdekt. Ik zal hem

roepen, dan kunt gij hem zelf hooren.”

[38] ~De oppersecretaris was nog ongesteld~. De Heilige Geest was

bedroefd en daarom geweken. De ziel ondervond de kracht des Geestes

niet, echter niet omdat de Geest „ongesteld” wezen zou; maar omdat er

geene gemeenschapsoefening met hem is.

Dit gebeurde en Toezicht verhaalde nauwkeurig al wat hij op Kwaadheuvel

van de Diábolusmannen vernomen had. Ieder moest er de waarheid van

inzien, vooral nadat de prediker gezegd had: „Het is volstrekt niet

bevreemdend, dat de Diábolus-mannen zulke ontwerpen smeden; want door

onze eigen schuld hebben wij El-Schaddaï beleedigd, zijn zoon Immanuel

aanleiding gegeven onze stad te verlaten en ons zeer verzwakt; terwijl

wij in veel te vriendschappelijke verstandhouding met dat slechte volk

leven. De krankheid, die in onze stad is, verzwakt ons; menig dapper en

goed burger is gestorven en de Diábolus-mannen worden hoe langer hoe

sterker. Bovendien heb ik van Toezicht vernomen, dat er verscheidene

brieven heen en weer geschreven zijn naar en van Diábolus, die niets

liever ziet dan den ondergang der stad.”

[Afbeelding: BEGEERLIJKHEID WORDT GEVANGEN GENOMEN.]

Toen Menschziel dit alles hoorde hief zij hare stem op en weende.

Toezicht stemde daarmede in. Intusschen beraamden zij plannen om een

nieuw verzoekschrift aan El-Schaddaï en zijn zoon op te zenden.[39] Ook

zochten zij de kapiteins op en verzochten hen toch goed wacht te houden

en gereed te zijn tegen een mogelijken overval; hunne wapenrusting na te

zien, en vooral goeden moed te hebben.

[39] ~Plannen om een nieuw verzoekschrift op te zenden~. Nood leert

bidden; maar dat gebed voldeed niet aan de vereischten van een

ootmoedig geloofsgebed, dat verhooring vindt. Ook de Christelijke

deugden werden weder beoefend met meer ijver, terwijl de waakzaamheid

toenam. Dit alles is prijzenswaard, maar ’t kan werk zijn in eigen

kracht en eigengerechtigheid kweeken. Het geestelijk leven is een

~nauw~ leven.

Toen de kapiteins dit hoorden, zij die allen Menschziel in waarheid

liefhadden, schudden zij zich uit evenals Simson toen hij van de

hinderlaag der Filistijnen hoorde, en kwamen zij dadelijk samen om te

beraadslagen wat er te doen stond. Zij besloten tot het volgende.

1^{e}. Dat de poorten zouden worden gesloten en met bouten en grendelen

voorzien, en dat alle in- en uitgaande lieden nauwkeurig zouden worden

onderzocht. Daardoor meenden zij te kunnen ontdekken wie de personen

waren, die met Diábolus in verbintenis stonden. [1 Cor. 16 : 13.]

[Klaagl. 3 : 40.]

2^{e}. Vervolgens zou een nauwkeurig onderzoek worden ingesteld binnen

de stad; huiszoeking gedaan bij iederen burger of daar ook

Diábolus-mannen verborgen waren. [Hebr. 12 : 15, 16.]

3^{e}. Verder, dat ieder bij wien een Diábolus-man gevonden werd, om het

even wie het ook wezen mocht, die huisvesting en voedsel aan dat gespuis

verleend had, op een openbare plaats tot zijn groote schaamte en schande

zou worden te pronk gezet. [Jer. 2 : 34; 5 : 26.] [Ezech. 16 : 52.]

4^{e}. Dat een openbare vast- en bededag zou worden uitgeroepen, opdat

de gansche stad Menschziel zich verootmoedigde wegens hare overtredingen

tegen haar grooten Vorst en Heere. Allen, die daar niet mede instemden

en voortgingen met hunnen arbeid op den bededag, zouden voor

Diábolus-mannen gehouden worden en hunne ongerechtigheid dragen. [Joël

1 : 14; 2 : 15, 16.]

5^{e}. Ook werd nog besloten, met hunne dringende smeekschriften om

hulp, tijding naar het hof te zenden van hetgeen de heer Toezicht had

ontdekt en openbaar gemaakt. [Jes. 37 : 4.]

6^{e}. Terwijl eindelijk den heer Toezicht uit naam der stad werd dank

gezegd voor hetgeen hij had gedaan en hem de post van schout bij nacht

werd opgedragen.

Volgens deze besluiten werd nu ook gehandeld en de nieuwe schout bij

nacht bekleedde zijn post met grooten ijver en opoffering van eigen rust

en gemak. De man was altijd ijverig in de weer, en lag op zijn loer

wanneer hij vermoeid was van het omzwerven. Inderdaad, Menschziel had

dien post aan niemand beter kunnen opdragen dan aan dezen persoon. Niet

vele dagen daarna als hij zijne onderzoekingstochten ook tot ver buiten

de stad voortzette, kwam hij bij Hellepoortsheuvel in het land der

Twijfelaars, waar hij tot zijn schrik vernam, dat Diábolus reeds alles

gereed had om op te trekken. Daarom kwam hij met haast terug en riep de

oudsten van Menschziel samen, en deed hun verslag van hetgeen hij

vernam, in het bijzonder ook dat Diábolus den ouden heer Ongeloof tot

opperbevelhebber van zijn leger had aangesteld, dat dit leger uit meer

dan twintig duizend man bestond, die allen Twijfelaars waren. Diábolus

had het voornemen alle voorname vorsten van den helschen afgrond tot

kapiteins aan te stellen, en vele prinsen van het Zwarte Woud stonden

met den hellevorst in betrekking. De Twijfelaars hadden zich ook

verpraat, niet wetende met welk doel onze Schout bij nacht hen uithoorde

en aan den heer Toezicht verteld, dat de reden waarom de oude heer

Ongeloof veldmaarschalk was geworden hierin bestond, dat niemand aan

Diábolus trouwer was dan hij, en hij sedert zijne ontvluchting uit

Menschziel deze stad doodelijk was blijven haten, naar niets vuriger

verlangende dan zich op haar te kunnen wreken wegens den smaad hem

aangedaan. Ook is niemand beter dan hij met de stad bekend omdat hij er

eertijds heerschte. Dit alles deelde de trouwe schout bij nacht mede.

Toen nu de kapiteins van Menschziel met de oudsten der stad dit alles

vernamen,[40] begrepen zij dat niets beter was dan onmiddellijk de

wetten uit te voeren, die hun Vorst tegen de Diábolus-mannen had

uitgevaardigd. In het huis van den heer Gemoed en van den grooten heer

Vastewil woonden nog twee daarvan. Bij den eerste woonde Begeerlijkheid,

maar die zijn naam veranderd had in Spaarzaam. Bij den laatste vond men

Onreinheid, maar die zich Geoorloofd Vermaak liet noemen. De kapiteins

en oudsten namen nu deze twee gevangen en gaven hen over aan den

stokbewaarder Getrouwe, die hen zwaar met ketenen belaadde en zoo nauw

opsloot, dat ze de tering kregen en in de gevangenis stierven. Hunne

meesters moesten ook in het openbaar boete doen, dat wil zeggen: in eene

openbare plaats zich vertoonen om volledige schuldbelijdenis af te

leggen.[41]

[40] ~Toen nu de kapiteins van Menschziel dit alles vernamen~. Bij de

zonden der ziel voegde zich nu de listen des satans, die het op den

ondergang van het kind Gods gemunt heeft. Maar uit hetgeen hier

medegedeeld wordt, blijkt, dat zijne listen ons niet onbekend zijn.

[41] ~Schuldbelijdenis afleggen~. De ziel begint alles te onderzoeken

en alles te belijden, en wat beleden is wordt vergeven.

Daarna trachtten de kapiteins en oudsten nog meerdere Diábolus-mannen

machtig te worden en in hunne kuilen en spelonken na te speuren; maar

ofschoon zij de afdruksels hunner voetstappen duidelijk zagen, zoo was

het hun onmogelijk hen te grijpen, zelfs waar zij hun onaangenamen geur

roken. Dat gebroed wist zich wonderwel te verschuilen. Toch heerschte

nu Menschziel met een sterken arm over de Diábolisten, zoodat het hun

geraden was zich schuil te houden. Er was een tijd geweest, dat ze op

klaarlichten dag langs de straten durfden wandelen, maar die tijd was

voorbij. Ze vlogen nu als nachtuilen in het duister. Alle burgers zagen

hen nu voor hun doodvijanden aan, zoo goed had de heer Toezicht zijn

werk verricht.

[Afbeelding: VERDEDIGINGSWERKTUIGEN IN MENSCHZIEL.]

Omtrent dezen tijd nu had Diábolus zijn leger volkomen gereed. Hij zelf

was opperheer, Ongeloof veldmaarschalk; van de generaals zullen wij

later spreken; maar hier zijn de namen van de kapiteins met hunne

vaandrigs en wapenen.

1^{e}. Kapitein Woede; deze was een hoofdman over de Twijfelaars aan de

Verkiezing. Hij voerde eene roode vlag, die gedragen werd door vaandrig

Vernieler, en een groote roode draak was zijn wapen. [Openb. 12 : 3, 4,

13, 15-17.]

2^{e}. Daarna kwam kapitein Uitzinnig, deze was gesteld over de

Twijfelaars aan de Roeping. Zijn vaandeldrager heette Donkerheid; zijn

vaandel was vaal en zijn wapen prijkte met drie vurige slangen. [Num.

21 : 6.]

3^{e}. Toen volgde kapitein Verdoemenis; deze was een hoofdman over de

Twijfelaars aan de Genade. Ook zijne vlag was rood en werd gedragen door

Geen-Hoop-op-pardon, terwijl een duister hol zijn wapen was. [Matth.

22 : 13.] [Openb. 9 : 1.]

4^{e}. Nu kwam kapitein Onverzadelijk, een hoofdman over de Twijfelaars

aan het Geloof. Zijn vaandel was rood en Verslinder droeg het, terwijl

een paar opgesperde kaken zijn wapen vertoonden. [Spreuk. 27 : 20.]

5^{e}. Ook was een kapitein Zwavel, gesteld over de Twijfelaars aan de

Volharding der heiligen. De heer Vuurbrand droeg het roode vaandel,

terwijl een blauwe en stinkende vuurvlam zijn wapenschild sierde. [Ps.

11 : 6] [Openb. 14 : 11.]

6^{e}. Kapitein Torment, die een hoofdman was over de Twijfelaars aan de

Opstanding. Zijn vaandel was bleek en de heer Knagend droeg het met een

zwarte worm in zijn wapen. [Mark. 9 : 44.]

7^{e}. Kapitein Zonder-rust, een hoofdman over de Twijfelaars aan de

Zaligheid, voerde het roode vaandel met een afzichtelijk doodsbeeld tot

wapen, dat Rusteloos droeg. [Openb. 14 : 11, 6 : 8.]

8^{e}. De achtste kapitein heette de heer Graf. Hij was gesteld over de

Twijfelaars aan de heerlijkheid; had een vaal en bleek vaandel, dat

vaandrig Verderf droeg, en zijn wapenschild prijkte met een bekkeneel en

gekruiste doodsbeenderen. [Jer. 5 : 16.]

9^{e}. Eindelijk was er ook nog een kapitein Wanhoop, die een aanvoerder

was van de Twijfelaars aan de gelukzaligheid. Zijn vaandrig heette

Vertwijfeling, die een roode vlag droeg met een gloeiend ijzer en een

hard hart tot wapen. [1 Tim. 4 : 2.] [Rom. 2 : 5.]

Dit waren zijne kapiteins, met hunne manschappen en wapens en vlaggen.

Zeven generaals stonden boven die kapiteins, namelijk de heer Beëlzebul,

de heer Lucifer, de heer Legioen, de heer Apollyon, de heer Python, de

heer Cerberus en de heer Belial, en veldmaarschalk Ongeloof was hun

overste. Nog waren daar vrijwilligers uit het Zwarte Woud, die tot

hoofdlieden van honderd werden aangesteld.

De verzamelplaats van deze strijdmacht was Hellepoortsheuvel. Vandaar

braken zij op en marcheerden rechtstreeks op de stad Menschziel aan.

Gelukkig, dat tengevolge van Toezichts waarschuwing de poorten waren

gesloten en met dubbele wachten bezet; de slingers stonden op hunne

standplaatsen, en alles was gereed.

Ook konden de Diábolus-mannen in de stad niet zooveel kwaad doen als zij

zich hadden voorgenomen, want Menschziel was nu ontwaakt. Maar ach, het

arme volk werd zeer verschrikt, toen de vijanden zich eerst vertoonden

en vooral toen zij hun trom roerden.[42] Deze was dan ook ijselijk om te

hooren; de lieden beefden voor dit geluid wel zeven mijlen ver, althans

voor zoover zij wakker waren. Ook zwaaiden de vaandrigs onophoudelijk

met hunne afgrijselijke vaandels. [1 Petr. 5 : 8.]

[42] ~De trom van Diábolus~, die Menschziel zoo zeer verschrikte,

beduidt de aanvechtingen en verschrikkingen des satans als hij op de

wet wijst, die den zondaar veroordeelt, en van dood en verdoemenis

gewaagt als rechtvaardig door de ziel verdiend. Dit zijn de

verschrikkingen des Boozen.

Toen Diábolus voor de stad kwam sloeg hij zijne legermacht op voor de

Oorpoort en deed daarop een geduchten aanval, meenende, dat zijne

vrienden in Menschziel gereed waren ook iets te beginnen, maar daarvoor

was gezorgd door de kapiteins. Dit viel hem tegen; hulp kreeg hij niet,

maar wel leed zijn leger veel schade van de slingersteenen, die de

dappere kapiteins moedig op de zijnen wierpen; daarom zag hij zich

genoodzaakt achteruit te trekken, buiten het bereik van de slingeraars.

[Jak. 4 : 7.]

In den omtrek wierp hij nu vier sterkten tegen de stad op, waarvan de

eerste, naar zijn eigen naam, Diábolus heette, om daardoor de arme stad

nog meer te verschrikken. Hij meende haar te bespringen als een leeuw

zijn buit, en verwachtte, dat zij van schrik voor hem zou nedervallen.

Maar de kapiteins en soldaten hielden zich zoo flink, dat hij wijken

moest, waardoor de inwoners moed grepen.

Op de hoogte aan de noordzijde der stad opgeworpen, plantte de tiran

zijn standaard, ijselijk om aan te zien; want hij had door eene

satanische kunst daarin een wapen aangebracht bestaande uit een vurige

vlam, waarin een afbeeldsel der stad Menschziel brandde. Hij gaf ook

bevel, dat zijn tamboer alle nachten de muren der stad zou naderen[43]

en daar den trommel slaan ten einde met de lieden over de overgave te

onderhandelen. Overdag durfde hij niet wegens de slingers, maar ’s

nachts meende hij hen door dien afgrijselijken trommelslag uit den slaap

te houden en zoo bang te maken, dat zij eindelijk bevende van angst hem

inlieten. Deze tamboer deed zooals hem geboden was, en als hij dat

akelig geluid maakte was er duisternis en benauwheid in de stad en

scheen zelfs het licht des hemels verduisterd te worden. Nooit hoorde

men op aarde zulk een oorverdoovend geluid, alleen de stem van

El-Schaddaï wanneer hij spreekt, uitgezonderd. Menschziel meende dan

ook niet anders dan verslonden te zullen worden. [Jes. 5 : 30.]

[43] ~Zijn tamboer moest des nachts de muren der stad naderen~. „Dit

is uwe ure en de macht der duisternis,” zeide Jezus. Alle boos werk is

in den nacht het meest voorspoedig. De schrik des nachts is voor den

Christen anders niet zoo ijselijk als hij maar nabij zijn God leeft.

Maar juist in zulke dagen van afval en achteruitgang, wanneer dan de

ziel is ontwaakt, zoo wordt zij des nachts maar al te vaak vreeselijk

gekweld door visioenen en droomen, waarin de booze de hand heeft.

[Afbeelding: DE VREEZELIJKE KAPITEIN GRAF EN ZIJN STANDAARD-DRAGER

VERDERF.]

Nu hield hij ook deze toespraak: „O Menschziel! Mijn meester heeft mij

bevolen u te zeggen, dat zoo gij u gewillig onderwerpt, gij het goede

dezes lands zult genieten; maar zoo gij hardnekkig weigert, zal hij u

met geweld aantasten!” Echter niemand gaf hem antwoord, want al het volk

liep naar de kapiteins in het kasteel, zoodat zij hem kwalijk hoorden

spreken. Zoo keerde hij dan tot zijn meester terug. Diábolus ziende, dat

hij op deze wijze Menschziel niet aan zich onderwerpen kon, zond den

volgenden nacht nogmaals een tamboer, maar zonder trommel om de burgers

te laten weten, dat hij genegen was eene overeenkomst te sluiten. Dit

onderhoud liep echter ook op niets uit, want alles bestond hierin, dat

hij de stad opeischte. De burgers gaven hem niet eens antwoord, want zij

herinnerden zich wat het hun de eerste maal gekost had naar hem te

hooren.

Toen zond hij voor de derde maal een bode, dien schrikkelijken kapitein

Graf, welke voor de muren van Menschziel deze toespraak tot haar hield:

„O, gij ingezetenen van de rebelleerende stad Menschziel! ik eisch in

den naam van den prins Diábolus, dat gij zonder tegenstreven de poorten

uwer stad openzet en den grooten heer toelaat daarbinnen te komen. Maar

zoo gij blijft rebelleeren en wij de stad met geweld komen in te nemen,

dan zullen wij u als het graf verslinden. Derhalve zegt het nu, of gij

naar ons hooren wilt of niet. De reden van dezen eisch is omdat mijn

heer zonder twijfel uw prins en overste is, waarvoor gij hem ook zelf

erkend hebt. En de schande, die mijn heer aangedaan is toen Immanuel hem

zoo verachtelijk behandelde, zal toch niet kunnen uitwerken, dat hij

zijn recht op u verliezen zou. Overweegt dan nu wat ge wilt. Geeft ge u

dadelijk over, dan wordt onze oude vriendschap vernieuwd; maar weigert

ge nog en rebelleert gij, verwacht dan niets anders dan vuur en zwaard.”

Toen de machtelooze stad Menschziel dezen parlementair en zijnen eisch

vernomen had, werd zij wel des te meer verslagen, maar gaf toch aan dien

kapitein geen antwoord; daarom moest hij heengaan gelijk hij gekomen

was.

Zij overlegden samen wat te doen en besloten eindelijk opnieuw bij den

Oppergeheimschrijver om raad te vragen. Ofschoon hij nog niet geheel

hersteld was zoo ontving hij hen toch en zij verzochten hem om de

volgende drie zaken.

1^{e}. Dat hij hen weder in gunst wilde aannemen, zich niet langer zoo

aan hen onttrekken, en hun nu wilde gehoor geven waar zij hunne ellende

hem bekend maakten.

Maar hij antwoordde daarop als vroeger, dat hij nog ongesteld was en

daarom niet kon doen als tevoren.

2^{e}. Dat zij hem verzochten hun toch te willen raad geven in deze

gewichtige zaak, daar Diábolus voor de stad gekomen was met meer dan

twintig duizend Twijfelaars, en dat hij en zijne veldoversten zeer wreed

waren, waarom zij hen ook zeer vreesden.

Maar hij antwoordde: „Gij moet de wet van uwen Vorst maar eens inzien,

om te weten wat u daarin wordt bevolen.”

3^{e}. Dat hij hen toch helpen mocht om een verzoekschrift aan

El-Schaddaï op te stellen en dat hij er zijne hand onder zetten mocht

als een teeken, dat hij het hierin met hen eens was. „Want Hoogedele

Heer,” zeiden zij, „wij hebben reeds verscheiden verzoekschriften

opgezonden, doch kunnen geen bevredigend antwoord krijgen; maar als gij

er uw hand onder zet dan zal alles ten gunste der stad Menschziel

uitloopen.”

Maar ook hierop antwoordde hij, dat zij hunnen vorst Immanuel hadden

beleedigd en bedroefd, en dat zij nu maar moesten handelen, zooals zij

zelf het best konden.[44]

[44] ~Handelen zooals zij zelf het best konden~. De ziel moet de

geopenbaarde waarheid in het Woord raadplegen en daarnaar handelen.

Eerst gehoorzaamheid en dan offeranden. De Heilige Geest bezielt

alleen het gebed, dat in volkomen ootmoed en onderwerping en uit

gehoorzaam geloof wordt opgezonden. Bunyan heeft dit willen

voorstellen in de schijnbare wederstreving des Heiligen Geestes. De

Heere heeft een twist met de inwoners des lands.

[Afbeelding: NEDERLAAG VAN DIÁBOLUS EN ZIJN LEGER VOOR IMMANUEL.]

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 38 / 56 题