Wanneer gij het nog niet vergeten zijt, dan herinnert gij u hoe ik u
tevoren mededeelde, dat, nadat Immanuel Menschziel had ingenomen en
vernieuwd, er nog heel wat loerende Diábolusmannen overbleven, die zich
in de holen en spelonken verscholen. De namen van sommigen hunner zijn
ook genoemd, als daar zijn Onreinheid, Overspel, Moord, Toorn, Overdaad,
Bedrog, Boosoog, Lastering en vooral die gevaarlijke booswicht, de oude
Gierigheid. Tegen hen had de goede Prins aan den heer Vastewil en de
anderen, ja, aan de gansche stad bevelen gegeven ze op te zoeken, te
grijpen en ten onder te brengen, ten einde alzoo de vijanden van hunnen
vorst uit de gezegende stad weg te doen. Doch zij hadden dezen last niet
volvoerd, en verzuimd de Diábolisten na te speuren en vast te zetten of
te verdoen. Wat deden nu deze booswichten? Zij verkloekten zich en
staken langzamerhand het hoofd weder op. Nu en dan vertoonden zij zich
aan de burgers en sommigen van dezen begonnen, helaas, maar al te
gemeenzaam met hen om te gaan, tot groot nadeel der stad, zooals later
zal blijken.
[Afbeelding: ZIEKTEN IN MENSCHZIEL.]
Deze overgebleven Diábolus-mannen, bemerkende, dat Menschziel zijnen
vorst beleedigd, en hij zich aan de stad onttrokken had en weggegaan
was, maakten onderling eene samenzwering tot verderf der stad. Zoo
kwamen zij op zekeren tijd samen in den schuilhoek van Boosheid, een oud
heer, die ook tot de Diábolus-mannen behoorde, en overlegden daar hoe
zij de stad weder in de handen van hunnen heer zouden overleveren. De
een raadde dit, de ander wat anders, tot ten laatste de heer Onkuisch
voorsloeg, dat enkelen hunner zich aan de inwoners van Menschziel als
dienstknechten zouden aanbieden. „Indien het hun gelukt als zoodanig
geplaatst te worden, zouden zij voor ons en onzen heer het innemen der
stad veel gemakkelijken,” zeide hij. Maar Moord, die booswicht, stond op
en sprak: „Dat mag heden niet geschieden, want Menschziel is nu in
beroering en zeer boos omdat zij reeds eenmaal door onzen vriend
Vleeschelijke-Gerustheid is verschrikt. Wij moeten geschikter tijd
afwachten. Daarenboven hebben zij in last ons te grijpen en te verslaan,
waar zij ons ook vinden. Laat ons dan listig zijn als de vossen.” Zoo
werden zij het dan samen eens, dat éen hunner uit aller naam een brief
zou gaan brengen aan Diábolus, waarin men hem alles zou mededeelen
zoowel aangaande de ongenade, waarin Menschziel bij zijnen vorst viel,
als aangaande hun plan in dezen.
Die brief werd spoedig opgesteld en was van den volgenden inhoud:
„Aan onzen grooten heer, den vorst Diábolus, wonende op den bodem der
hel.
„Groote vader en machtige vorst Diábolus, wij uwe getrouwe aanhangers,
nog overgebleven in de rebelleerende stad Menschziel, die ons aanzijn
van u ontvangen hebben en uit uwe hand leven; -- wij kunnen onmogelijk
langer met onverschilligheid aanzien, dat gij aldus veracht,
onvriendelijk behandeld en versmaad wordt door de inwoners dezer stad.
Ook is uwe afwezigheid ons hoogst onaangenaam, dewijl zij tot onze
schade dient.
„De reden, waarom wij thans aan onzen heer schrijven, is omdat wij nog
niet alle hoop hebben opgegeven, dat deze stad nog eenmaal weder uwe
woning worde; want zij is grootelijks van haren heer afgeweken en hij is
tegen haar vertoornd en van haar weggegaan, ja, ofschoon zij telkens
opnieuw tot hem zenden, dat hij toch mocht wederkeeren, zoo kunnen zij
hem niet bewegen of een goed woord van hem loskrijgen. Er heeft ook
onlangs eene hevige ziekte geheerscht, die nog aanhoudt, en dat niet
onder lieden van den geringen stand, maar onder de aanzienlijksten en de
hoogste rangen. Wij, Diábolus-mannen, blijven echter gezond en wel,
sterk en levenslustig, zoodat wij oordeelen, dat zij door hunne
overtreding ter eener zijde en hunne ziekte en zwakheid ter anderer
zijde gansch en al voor uwe macht open liggen. Zoo het derhalve bestaan
kan met uw geduchte wijsheid, en is naar den raad van uwe vorsten om nog
eens een aanslag op Menschziel te wagen, laat het ons dan weten, en wij
zijn gereed ons uiterste te doen om haar in uwe hand over te leveren.
Zoo echter hetgeen wij zeggen door u niet geschikt geoordeeld wordt,
laat ons dan uwe meening met een paar woorden weten; want wij zijn
bereid uwen raad in alles op te volgen, al hing er ons leven van af.
„Aldus gegeven onder onze eigen hand, na voorafgaand overleg ten huize
van den heer Boos, die nog levend overgebleven is, in onze begeerlijke
stad Menschziel!”
Toen Onheilig met dezen brief aan den Hellepoortsheuvel kwam, (want hij
was de bode), klopte hij aan de koperen poort om te worden
binnengelaten. Daarop deed de deurwachter Cerberus de poort open en nam
den brief aan, welken hij onmiddellijk aan Diábolus overgaf met de
woorden: „Tijding uit Menschziel, Mijnheer! Zij komt van vertrouwde
vrienden.”
Nu kwamen uit alle hoeken van den afgrond Beëlzebul, Lucifer, Apollyon
met al de rest van dat gespuis voor den dag om te vernemen wat er gaande
was. Men opende den brief en las hem in tegenwoordigheid van Cerberus.
Die lezing was luid genoeg om hetgeen er in stond in alle hoeken van den
afgrond te doen weerklinken. Onmiddellijk werd bevel gegeven, dat van
louter blijdschap de doodsklok zou worden geluid, hetgeen ook gebeurde,
en alle helsche vorsten verheugden zich, dat Menschziel nog het
onderspit zou delven. De klokkeluider riep: „De stad Menschziel -- komt
wonen -- bij ons -- in de hel! Maak plaats dan -- voor Menschziel --
in de diepte der hel!” Dit alles bewees, dat zij hoopten Menschziel weer
machtig te worden.
[Afbeelding: ONHEILIG VOOR DIÁBOLUS.]
Nadat deze akelige plechtigheid volbracht was, kwamen zij weder samen om
te overleggen welk antwoord zij aan hunne vrienden zenden zouden. Omdat
de zaak spoed vereischte lieten zij het geheel aan vorst Diábolus over,
oordeelende, dat hij de eigenlijke vorst en heer der stad was. Hij
stelde dan naar eigen goedvinden een brief op en zond hem door dezelfde
hand terug, die de tijding gebracht had. Hier is de inhoud:
„Aan ons geslacht, de hoogmogende Diábolus-mannen, die nog wonen in de
stad Menschziel. Diábolus, de groote vorst, wenscht een gelukkigen
uitslag aan die goede ondernemingen, raadslagen en voornemens, die gij
uit liefde tot onze eer en heerlijkheid in uwe harten koestert, om ze
uit te voeren tegen Menschziel.
„Beminde kinderen en leerlingen, Mijneheeren Onkuisch, Overspel en de
anderen! Wij hebben hier in ons eenzaam verblijf uw aangename letteren
ontvangen door de hand van onzen vertrouweling Onheilig, en om te toonen
hoezeer wij er ons over verheugden, hebben wij van blijdschap onze
klokken geluid. Hoe blijde zijn wij dat wij nog vrienden in Menschziel
hebben, en dat haar Prins vertoornd is weggegaan. Ook hoorden wij met
genoegen van hunne ziekte en uwe gezondheid. Hoe blijde zouden wij ook
wezen, konden wij deze stad weder in onze macht krijgen, en daartoe
zullen wij geen enkele helsche list sparen. Natuurlijk wordt gij dan ook
weder onze kapiteins en overheden. Wij komen met sterkere macht dan de
eerste maal, want zijn wij er nu weder meester van, dan blijft zij de
onze voor eeuwig, aangezien het eene wet van hun vorst is, dat, zoo wij
hen ten tweeden male overwinnen, zij dan ons ongestoord en wettig
eigendom blijft.
„Doet dan nog nauwkeuriger onderzoek en tracht al de zwakke zijden van
Menschziel te bespieden. Gij moet ons ook eens laten weten welk middel u
het beste voorkomt om hen te krenken, namelijk door hen tot een
loszinnig leven te verleiden of hen tot wanhoop en vertwijfeling te
brengen, of wel de stad te laten in de lucht springen door ons buskruit
van hoogmoed en zelfbedrog. Houdt u gereed om van binnen een ijselijk
wapengeschrei aan te heffen, wanneer wij van buiten vaardig zijn om
storm te loopen. Bovendien moeten wij deze dingen met haast doen. Al de
zegeningen des afgronds zijn over u!
„Gegeven aan den mond van den put des afgronds door gemeene
toestemming van al de vorsten der duisternis om gezonden te worden,
naar het geweld, dat wij nog in Menschziel uitoefenen, door de hand
van den heer Onheilig.
Door mij, Diábolus.”
Deze brief werd nu naar Menschziel gezonden tot de Diábolus-mannen,
welke daar overbleven in de wallen. Toen nu deze Onheilig weder in
Menschziel was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de woning
van heer Boos, want daar kwam de troep samen. Bemerkende, dat hun
afgezant gezond en wel was teruggekeerd, verheugden zij zich, en hunne
blijdschap nam nog toe toen zij den brief van Diábolus hadden gelezen.
Zij vraagden Onheilig naar den welstand van al hunne bekenden in den put
des afgronds, en zetten zich daarna weder aan het beraadslagen.
Het eerst werd bepaald, dat zij alles voor Menschziel zouden stil
houden. „Laat het toch niemand merken welk voornemen wij tegen hen
koesteren,” zeiden zij. Na eenig heen en weer praten stond de heer
Bedrog op en zeide: „Echte Diábolus-vrienden, luistert. Onze heeren en
machtigen uit den afgrond stellen ons drie wegen voor. De eerste is de
weg der loszinnigheid, de tweede die van den wanhoop, en de derde het
doen springen van alles door hoogmoed en zelfbedrog. Ik voor mij geloof
dat haar hoogmoedig te maken wel iets helpen zal en dat loszinnigheid
ook wel eenige uitwerking kan hebben; maar konden wij haar tot wanhoop
brengen, dan hadden wij het rechte punt geraakt. Dan zouden wij haar in
de eerste plaats aan de hartelijke liefde van haar vorst doen twijfelen,
en dat zal hem zeer tegenstaan. Werkt dit een weinig door dan zullen zij
wel ophouden verzoekschriften naar hem op te zenden -- dan is het uit
met al dat smeeken en kermen om hulp en bijstand; want dan ligt de
sluitrede voor de hand: „Waartoe zal dit alles dienen?”” En in dezen
raad van Bedrog stemden zij eenparig toe.
Maar nu deed zich de vraag voor: hoe zullen wij dit ons voornemen ten
uitvoer brengen? En dezelfde heer beantwoordde die vraag als volgt:
„Laat zoovelen van onze vrienden als die niet schromen zich voor hunnen
vorst in het gevaar te begeven, zich vermommen, andere namen aannemen,
en als boeren verkleed naar de markt gaan. Laat hen zich aanstellen als
wilden zij in de stad Menschziel dienen als knechten en arbeiders. Laat
hen zich voor hunne meesters zoo diep mogelijk buigen. Indien Menschziel
hen dan huurt, zullen zij in korten tijd zoo verdorven worden, dat zij
het ongenoegen van hunnen vorst geheel over zich brengen, en hem zóo
vertoornen, dat hij hen uit zijn mond spuwt. Is dit geschied, dan zal
onze vorst op hen aanvallen, en zij vallen ons als vanzelf in de
klauwen.”
[Afbeelding: DIÁBOLUS’ HAAT EN KWAADAARDIGHEID.]
Dit voorstel was nog maar kwalijk gedaan of het werd toegejuicht en al
de Diábolus-mannen drongen zich voorwaarts om zulk een schoonen buit
machtig te worden. Er werden er nu een drietal uitgezocht, n. l. de
heeren Gierigheid, Onreinheid en Gramschap. Gierigheid noemde zich
Spaarzaam, Onreinheid veranderde zijn naam in Geoorloofd-vermaak, en
Gramschap noemde zich Voortvarendheid.
Op zekeren marktdag lieten zich deze drie vroolijke klanten op den markt
vinden, aangenaam voor het oog en in schapenvachten gekleed, die zoo wit
waren, ja, bijna zoo wit als de kleederen van Menschziel; ook konden zij
de taal van Menschziel duidelijk spreken. Toen zij op de markt gekomen
waren en aan de burgers hun dienst aangeboden hadden, werden zij ook
spoedig gehuurd, want zij eischten maar weinig loon en beloofden hunnen
meesters trouwen dienst.
De heer Gemoed huurde Spaarzaam; en de heer Vreeze Gods huurde
Voortvarendheid; Geoorloofd Vermaak ging niet zoo spoedig van de hand;
hij kon zoo vlug als de anderen geen meester krijgen, want het was in de
vasten. Maar toen deze bijna uit was, kreeg ook hij een dienst bij den
heer Vastewil als lijfknecht. Zoo hadden nu allen meesters. Toen deze
booswichten op die wijze in de huizen der lieden van Menschziel waren,
begonnen zij daar aldra veel kwaads te doen; want listig en boos als
dit gebroed was, zoo bedierven zij de huisgezinnen en sarden hunne
meesters; vooral Spaarzaam en Geoorloofd-vermaak. Hij, die onder den
naam van Voortvarendheid doorging, behaagde ook zijn meester zoo niet,
want deze zag weldra, dat hij een huichelachtige deugniet was. En pas
had de schelm dit bemerkt of hij pakte zich het huis uit, of anders zou
zijn meester hem zonder twijfel hebben opgehangen.
Toen nu deze fielten het zoo ver gebracht hadden en alles zooveel
mogelijk hadden bespied en bedorven wat zij konden, beraadslaagden zij
op welken tijd Diábolus van buiten den aanval zou wagen, en zij hem van
binnen ondersteunen. Zij kwamen overeen, dat een marktdag daarvoor de
geschiktste tijd zou wezen; want dan waren de stedelingen het drukste.
Men kan dit als een vaste regel aannemen, wanneer de menschen het
drukste zijn in hunne bezigheden, dan vreezen zij het minst voor een
overval. De Diábolus-mannen zouden dan ook het best den tijd hebben,
meenden zij, om te ontsnappen. Dit alles besloten zijnde, schreven zij
een brief en zonden dien weer op door de hand van Onheilig. Hij luide
ongeveer als volgt:
„De heeren der ijdelheid zenden aan den grooten en machtigen Diábolus,
uit onze holen en spelonken in en om de wallen van Menschziel groetenis.
„Onze groote heer en onderhouder van ons leven, Diábolus! hoe blijde
waren wij als wij uwe vaderlijke bereidwilligheid vernamen om ons
behulpzaam te wezen ten einde Menschziel in het verderf te storten.
[Rom. 7 : 21.] [Gal. 5 : 17.]
„Wij hebben dan eerst overwogen dat helsch drievoudig ontwerp, dat gij
ons in uwen laatsten brief voorsteldet, en besloten eindelijk dat het
ons best voorkwam haar te voeren in eene zee van wanhoop. Wij hebben
gemeend op tweeërlei wijzen dit ontwerp uit te voeren. Ten eerste door
de stad zoo goddeloos te maken als wij maar kunnen, en daarna u te
verzoeken de stad op een gegeven oogenblik aan te vallen. Als gij dan
een leger van twijfelmoedigheid meebrengt zult gij wel het best van
allen slagen. Op die wijze moeten wij winnen, en als de poel zijn mond
opent, zullen zij zich in wanhoop daarin storten. Reeds hebben wij drie
van onze vertrouwelingen onder hen gezonden, die zich vermomd en hunne
namen veranderd hebben, te weten Gierigheid, Onreinheid en Gramschap.
Deze laatste diende onder den naam van Voortvarendheid bij den heer
Vreeze Gods, maar die oude heer heeft hem weggejaagd. ’t Had hem bijna
zijn leven gekost. De anderen hebben het beter getroffen, maar alle
werkten mede om ons plan tot wijsheid te brengen.
„Nu stellen wij u voor, dat gij de stad aanvalt op een marktdag, omdat
zij dan het zorgeloost zijn en het minst aan een overval denken; zij
kunnen zich dan het minst verdedigen, en wij, uwe getrouwen, zullen
gereed staan om u van binnen te helpen. In de verwarring zal alles
gelukken. Indien uwe slangenkoppen en draken onzen heer een beteren weg
kunnen wijzen, laat ons dan spoedig uw wil kennen.
Aan de monsters van den put des afgronds uit het huis van Boos, in
Menschziel, door de hand van Onheilig.”
Al de dagen dat deze helsche booswichten aldus tot verderf der stad
samenspanden, was de arme stad in een jammervollen toestand, eensdeels
omdat zij El-Schaddaï en zijn zoon zoo zwaar beleedigd hadden, en
anderdeels omdat de vijanden van binnen nieuwe kracht kregen; en verder
omdat zij op al hunne verzoekschriften om vergeving en genade tot
dusverre nog geen vriendelijk antwoord hadden ontvangen. Door de
loosheid en listen van de inwonende Diábolisten was hun toestand eer
erger dan beter geworden.
De krankheid bleef ook al heerschen in Menschziel, zoowel onder de
kapiteins als de burgers der stad, en hunne vijanden waren kloek en
sterk; zij schenen nu wel ten hoofd en Menschziel ten staart geworden.
’t Was dan ook in dien tijd dat voormelde brief naar den afgrond werd
gezonden, en Onheilig dien aan Hellepoortsheuvel aan Cerberus
overhandigde. Toen deze twee elkander weder ontmoetten, waren zij straks
zoo gemeenzaam met elkaêr als de eene bedelaar met den ander, en
begonnen een gesprek over de zaken van Menschziel en de plannen tegen
haar gesmeed. De portier ving aan:
„Wel, mijn oude vriend, zijt gij daar weder aan Hellepoortsheuvel; hoe
blij ben ik u te zien.”
Onheilig: „Ja, mijnheer, ik kom hier in het belang der stad Menschziel.”
Cerberus. „Ik bid u, hoe staat het thans met de stad?”
[Afbeelding: ONHEILIG KEERT UIT DEN AFGROND TERUG.]
Onheilig. „Naar het mij voorkomt in een besten toestand; ten minste wat
ons aangaat, want zij hebben zeer afgenomen in godsvrucht en dat doet
ons goed. Hun Heer is ook zeer op hen vertoornd, en wij hebben grooten
invloed op hen en komen in hunne huizen. Ook heerscht er eene
erbarmelijke ziekte onder hen, die hen zwak maakt; zoodat wij goede hope
hebben het eindelijk nog te winnen.”
„Geen tijd zoo geschikt als deze,” antwoordde Cerberus, de helhond, „om
dit oogmerk te bereiken. Ik wensch het van harte om de arme
Diábolus-mannen, welke ouder gedurige vrees voor hun leven in Menschziel
wonen.”
Onheilig antwoordde: „Het plan is zoo goed beraamd, en zij zijn maar
onnoozele duiven; ze hebben geen hart in hun lijf. Alles wel beschouwd
moeten wij het winnen.”
Cerberus. „Het is zooals gij zegt, ga binnen bij de heeren, hier. Ik heb
uwen brief reeds overgegeven en zij zullen u een goede belooning geven.”
Onheilig trad dan binnen en als Diábolus hem ontmoette, riep hij hem
toe: „Welkom, gij trouwe dienaar, ik ben verblijd over den brief!” Ook
de andere overheden van den afgrond groetten hem, waarop Onheilig
antwoordde: „Dat Menschziel aan mijnheer Diábolus gegeven worde, en dat
hij eeuwig haar koning zij!” En daarop gaven de holle afgrond en de
gapende muil van de hel zulk een akelig geluid, dat er de bergen van
schudden. Dit gold daar voor muziek.
Nadat zij nu den brief besproken en overwogen hadden, overlegden zij ook
welk antwoord zij wedergeven zouden. De eerste was Lucifer, die zijn
advies gaf in deze woorden. „Het eerste plan van de Diábolus-mannen zal
wel gelukken, n. l. om langs allerlei middelen en wegen Menschziel
goddeloos te maken. Er is geen betere weg dan deze tot verderf der ziel.
Onze oude vriend Bileam sloeg vóor eenige jaren juist dezen zelfden weg
in, en het gelukte hem best. Laat dit dan regel bij ons wezen en ten
allen tijde ons doel, er is niets in de wereld, dat dit tegenstaan kan,
dan alleen de genade, waaraan, naar ik hoop, deze stad geen deel heeft.
Maar wat het andere punt betreft om op een marktdag te komen en vallen
de stad aan, daar moeten wij eerst nog eens goed over denken; want het
kon wel eens wezen, dat zij op dien dag dubbele wachten uitzetten, en
dat zij ons op zulk eene wijze opwachtten, dat al hunne burgers te wapen
liepen. Dan waart gij bedrogen en onze vrienden geraakten in gevaar.”
[Num. 31 : 16.] [Openb. 2 : 14.]
Toen zeide de groote Beëlzebul: „Hetgeen deze overste gezegd heeft dient
wel in aanmerking genomen te worden, maar hij zou zich toch kunnen
vergissen. Wij moeten daarom eerst eens trachten te weten te komen of de
stad Menschziel kennis draagt van haar vervallen staat en van het
voornemen, dat wij tegen haar hebben opgevat, zoodat zij hare wachten
zou uitzetten op de marktdagen. Sluimeren zij en zijn ze slaperig,
welnu, dan kunnen wij het best op een marktdag beproeven. Maar hoe komen
wij dat nu te weten? Wacht, laat ons Onheilig binnen roepen, die weet
het wel.”
Zoo werd dan Onheilig binnengeroepen, en men stelde hem de vraag voor,
waarop hij aldus antwoordde: „Mijne heeren, voor zoover ik weet is
Menschziel tegenwoordig vervallen in haar geloof en hare liefde;
Immanuel, haar vorst heeft haar den rug toegekeerd; wel zendt zij vele
verzoekschriften aan hem, maar hij maakt geen haast om die te
beantwoorden. Ook wordt er niet veel meer hervormd.”
„Wel”, zeide Diábolus, „ik ben er best mede tevreden, dat zij traag zijn
om zich te hervormen, maar ik vrees hunne verzoekschriften. Toch toont
de loszinnige wandel dezer burgers, dat zij weinig ter harte nemen
hetgeen zij aan Immanuel vragen; en is hun hart er niet bij, dan zijn
die dingen niet veel waard.”
„Indien de zaken aldus staan met Menschziel,” zeide Beëlzebul, „als
Onheilig daar zegt, zoo behoeven wij er niet zoo lang over te praten op
welken dag wij den aanval zullen doen; dan is er geen kracht in al hunne
verrichtingen.”
Maar nu begon Apollyon en sprak: „Mijn oordeel in deze zaak is, dat wij
zoo zoetjes aan moeten voortgaan en de dingen niet te haastig
behandelen. Laat onze vrienden binnen Menschziel slechts voortgaan de
stad te verontreinigen en te besmetten door haar meer én meer in de
zonde te verstrikken; er is niets, dat haar zooveel kwaad doet als de
zonde. Indien dit wel gelukt, zal Menschziel vanzelf wel nalatig zijn in
het waken, in het aanbieden van verzoekschriften en al het andere, dat
tot hare vastigheid dienen kan. Zij zullen hun Immanuel vergeten, en
zijne tegenwoordigheid niet begeeren. Kunnen wij hen tot zulk een leven
krijgen, zoo zal hun vorst niet licht tot hen komen. Onze vertrouwde
vriend Vleeschelijke-Gerustheid met éen van zijne listen, dreef hem uit
de stad; waarom zouden de heeren Gierigheid en Onreinheid hem samen niet
buiten de stad kunnen houden? En dit zeg ik u, dat twee of drie
Diábolus-mannen, die in Menschziel worden opgenomen, meer doen zullen om
Immanuel buiten de stad te houden en haar aan ons over te leveren, dan
een leger van een legioen, dat wij zouden kunnen uitzenden om tegen haar
te strijden.
[Afbeelding: PROFAAN EN BOOS.]
„Laat dus de onzen maar lustig voortgaan binnen Menschziel met alle
denkbare list en behendigheid, en laat hen voortdurend onder deze of
gene vermomming eenigen van de hunnen uitzenden om zich met het volk van
Menschziel te vermaken, en het zal niet eens noodig zijn, dat wij een
oorlog met hen beginnen. En mocht dit toch het geval zijn, dan verzeker
ik u, dat hoe zondiger zij zijn, zij ook des te onmachtiger zullen
wezen. Daarenboven neemt eens het ergste wat gebeuren kan, namelijk dat
Immanuel tot hen wederkeerde, waarom zou hij door diezelfde redenen nog
niet eenmaal kunnen worden uitgedreven? Waarom zou hij niet voor eeuwig
van hen kunnen scheiden, en gebeurt dat, dan gaan immers ook zijne
kapiteins, zijne soldaten, zijne stormrammen weg, en Menschziel blijft
naakt en bloot achter. Zal de aldus beroofde stad dan niet vanzelf hare
poorten voor u openzetten als in de dagen van ouds? Maar dit is een werk
van tijd, niet van eenige dagen.”
Nauwelijks had Apollyon gedaan of Diábolus barstte in groote woede en
grimmigheid uit en bepleitte zijne zaak aldus: „Mijne heeren en
machthebbers van dezen afgrond, oprechte en getrouwe vrienden, met groot
ongeduld heb ik naar uw lange redevoeringen geluisterd. Mijn gapende
muil en ledige buik verlangt zoo smachtend naar het weder in bezit nemen
van mijn beroemde stad Menschziel, dat wat er ook van komen moge, het
mij onmogelijk is den afloop van zoo langdradige handelwijzen af te
wachten. Ik moet zonder uitstel trachten door alle mogelijke middelen
mijn onverzadelijken kolk des afgronds te vullen met ziel en lichaam der
stad Menschziel. Leent daarom uwe hoofden, harten, handen, waar ik
heenga om mijne stad te herwinnen!”
Toen de edelen en vorsten van den put des afgronds de brandende begeerte
van Diábolus zagen om de ellendige stad Menschziel te verslinden,
hielden zij op met tegenwerpingen te maken; maar het moet gezegd worden,
dat volgens den raad van Apollyon handelend, de verwoesting der stad
veel grooter zou geweest zijn. Maar nu waren zij bereid hun opperheer
met alle macht bij te staan, daar zij hem later weder noodig konden
hebben voor andere ontwerpen. Zoo overlegde men dan met hoeveel en met
welke soldaten Diábolus zou optrekken tegen de stad Menschziel om haar
in te nemen. Na eenig beraadslagen werd algemeen toegestemd dat het een
leger van machtige twijfelaars wezen zou. Tusschen de twintig en dertig
duizend scheen hun voldoende.
Het besluit van den breeden raad hield dus in, dat Diábolus nu
onmiddellijk den trom zou laten roeren om volk aan te werven in het land
van Twijfelzucht, dat niet verre van Hellepoortsheuvel aflag; altemaal
volk, dat hij uitmuntend kon gebruiken tegen de ellendige stad
Menschziel. Ook werd vastgesteld, dat de heeren zelven hem in den oorlog
zouden bijstaan en te dien einde het leger commandeeren en aanvoeren.
Zij stelden dan wederom een brief op en zonden dien aan de
Diábolus-mannen, die intusschen Menschziel begluurden en op de
terugkomst van Onheilig wachtten. Wij zullen dezen brief maar niet in
zijn geheel wedergeven. Wij weten reeds hoe men daar in die nare en
duistere hellespelonk schreef. Zij ontkenden ook thans niet, dat zij
bezield waren met het allervergiftigste oogmerk en bedoelen tegen de
stad Menschziel. Al dat helsche gebroed verheugde zich in de
aanvankelijk goede uitkomst en maakte nu ook de verdere pogingen bekend,
die door hen zouden worden aangewend. Dat het leger van Diábolus volgens
den raad der Diábolus-mannen uit de stad van enkel twijfelaars zou zijn
samengesteld, meer dan twintig duizend in getal. „Allen wakkere mannen
en van schrikbarend voorkomen,” aldus stond in den brief, „lieden van
ouds in den oorlog gewoon, en die den trommel wel hooren mogen.” Het
helsche geschrift eindigde aldus:
„Wat den tijd onzer komst vóor Menschziel betreft, zoo is nog niet
bepaald of het een marktdag of wel een nacht, die op een marktdag volgt,
zal wezen. Houdt gij u in ieder geval gereed bij het hooren van onzen
trommelslag. De edele heeren Lucifer, Beëlzebul, Apollyon, Legio en al
de anderen groeten u, gelijk ook Diábolus zelf, en wenschen u denzelfden
voorspoed, dien wij genieten.”
Onheilig had in het naar huis gaan weder een gesprek met den portier
Cerberus, die hem naar de boodschap vraagde, welke hij had meêgekregen;
waarop Onheilig antwoordde, dat al de plannen der Diábolus-mannen in de
stad waren goedgekeurd.
„En,” vraagde Cerberus, „is het Diábolus’ voornemen om zelf mee op te
trekken?”
„Voorzeker,” was het antwoord „en dat wel met meer dan twintig duizend
man, altemaal twijfelaars, in den oorlog geoefend.”
Toen werd Cerberus vroolijk en riep uit: „Als er zulke maatregelen
genomen zijn, dan zou ook ik wel mede optrekken willen aan het hoofd van
een duizendtal, om mijne dapperheid te toonen.”
„Welnu,” zeide Onheilig, „waarom zou dat niet kunnen geschieden? Maar ik
heb nu haast en moet voort.”
„Ja, haast u, mijn vriend, en zeg aan de vrienden binnen Menschziel, dat
ook Cerberus hen laat groeten en van ijver brandt om hen te hulp te
komen.” Zoo namen dan die twee afscheid en keerde Onheilig naar
Menschziel terug, in de legerplaats van den heer Boos, waar de
Diábolus-mannen hem reeds verwachtten, en met graagte den brief lazen en
alles vernamen wat Onheilig te zeggen had.
Aldus was nu de tegenwoordige toestand der ongelukkige stad Menschziel;
zij had haren vorst beleedigd en hij was heengegaan; zij had de machten
der hel aangemoedigd door hare dwaasheid, en tot haar eigen verderf hen
tot zich gelokt. Wel had de stad hare zonde leeren beseffen, maar de
Diábolus-mannen roerden zich in hare ingewanden; zij riep, maar Immanuel
was heengegaan en hare kreten bereikten niet meer zooals vroeger zijn
oor. Bovendien wist zij niet wanneer en of hij wel ooit zou terugkeeren.
Daarbij kende zij de listige aanslagen van den vijand niet en hoe
gereed deze stond om tegen haar op te trekken met het gansche komplot
der hel.
[Afbeelding: KRIJGSRAAD IN MENSCHZIEL.]
Wel zond zij voortdurend verzoekschriften naar den vorst, maar hij
beantwoordde die met stilzwijgen. Zij verzuimde zich te hervormen en dat
was Diábolus naar den zin; want hij wist, dat, indien zij de
ongerechtigheid in haar hart toeliet, haar koning haar gebed niet hooren
zou; daarom werd zij nu al zwakker en zwakker en was als een rollend
blad voor den wind. Zij riep tot haren koning om hulp en duldde
Diábolus-mannen in haren boezem: wat kon daarom haar koning voor haar
doen? Ja, daar scheen nu wel eene vermenging plaats te hebben in
Menschziel, want de burgers der stad en de Diábolus-mannen wandelden
samen langs de straten. Zelfs dachten de mannen van Menschziel er aan om
met hen vrede te sluiten, daar de krankheid binnen de stad zoo doodelijk
was geweest, en zij zoodanig daardoor waren gedund en verzwakt, dat het
toch tevergeefs zou wezen tegen hen te vechten. De zwakheid van
Menschziel was de kracht van hare vijanden,[37] en de zonde van
Menschziel in het voordeel der Diábolus-mannen. Zoo begonnen dan reeds
deze lieden zich te verbeelden, dat zij de stad in eigendom konden
krijgen; beiden schenen nu reeds het bezit daarvan met elkander te
deelen. Ja, de Diábolus-mannen groeiden aan en namen toe, terwijl de
stad zelf verminderde. Meer dan elfduizend mannen, vrouwen en kinderen
waren aan de ziekte gestorven.
[37] ~De zwakheid van Menschziel was de kracht harer vijanden~. Bunyan
beschrijft meesterlijk den ellendigen toestand der ziel, die buiten
Gods gemeenschap in Christus leeft, omdat zij die heeft verzondigd.
Alles is krachteloos; ’t is vorm wat er nog overblijft van
godsdienstige verrichtingen, een vorm der godzaligheid, maar die de
kracht daarvan verloochent.