GEVAAR VOOR MENSCHZIEL.

Maar nu was er een man in de stad, wiens naam was

Vleeschelijke-Gerustheid. Deze persoon bracht na al deze barmhartigheid

aan deze plaats bewezen de stad Menschziel in een groote en jammervolle

slavernij. Een korte beschrijving van hem en zijn werk moet hier volgen.

Toen Diábolus voor het eerst bezit nam van deze stad, bracht hij een

groot getal Diábolus-mannen met zich mede, allen lieden van eigen soort.

Onder deze nu was er een, die Zelfbedrog heette, een voornaam heer en

zoo aanzienlijk als toen ter tijd niemand anders in de stad. Diábolus

bemerkende, dat deze zeer werkzaam, stout en onbeschaamd was, gebruikte

hem menigvuldig en tot zeer gewichtige zaken, die hij dan ook met veel

beteren uitslag vervulde dan eenig ander persoon, die met hem uit den

put des afgronds gekomen was, waarom hij hem zeer bevorderde en naast

den heer Vastewil plaatste. Daar de heer Vastewil in die dagen heel wat

met Zelfbedrog ophad, gaf hij hem zijne dochter, mejuffrouw Zonder Vrees

tot vrouw. Welnu uit deze echt van Zelfbedrog en mejuffrouw Zonder Vrees

werd Vleeschelijke-Gerustheid geboren. Vandaar kwam het dat in

Menschziel zulke vreemde vermenging had plaats gehad, dat het soms

moeilijk was uit te vorschen of zij echte afstammelingen van

inboorlingen waren of niet; want de heer Vleeschelijke-Gerustheid had

van moeders zijde den echten ouden burger Vastewil tot vader, terwijl

hij van vaders zijde een Diábolus-man was.

Deze Vleeschelijke-Gerustheid nu, had waarlijk treffende gelijkenis met

vader en moeder, hij was zelfbedrog en vreesde niets en daarbij was hij

zeer werkzaam en vlug. Daar was niets nieuws, geen nieuwe leer, geen

nieuwe mode of handelwijze of welke verandering het ook zij in

Menschziel, of hij was er bij van het begin tot het einde. Maar eene

eigenschap had hij daarbij van zich nooit te voegen bij de minderheid of

bij die het verloren; de sterkste zijde koos hij steeds.

Toen nu El-Schaddaï, die machtige, en Immanuel zijn zoon aan Menschziel

den oorlog verklaarden, ten einde het te veroveren, leefde

Vleeschelijke-Gerustheid reeds in de stad en maakte hij zich reeds zeer

druk onder het volk, het aanmoedigend tot opstand en hen opwekkende om

toch in den tegenstand tegen ’s konings troepen te volharden. Maar toen

hij zag, dat de stad was ingenomen en omgeschapen in een residentie van

den grooten Prins Immanuel, toen hij daarbij ook zag wat er van Diábolus

kwam, hoe hij vernederd en verjaagd was en hoe verder alles plaatsvond

zooals wij hebben beschreven, keerde hij op eenmaal zijn mantel om, en

evenals hij tevoren Diábolus tegen den Prins gediend had, ging hij nu

den Prins dienen tegen Diábolus.

[Afbeelding: DE BURGEMEESTER WACHT AAN DE POORT.]

Nadat hij een weinig kennis genomen had van Immanuels doen en

handelwijze, voegde hij zich weder bij de burgers en begon ook weer als

van ouds over het een en ander meê te praten. Hij wist, dat de macht en

sterkte van Menschziel zeer groot waren, en dat het voorzeker de

burgerij zeer behagen zou wanneer hij daarover roemde en hen prees. Zoo

begint hij dan listiglijk met de macht en grootheid van Menschziel te

roemen en haar als onverwinnelijk voor te stellen. Nu eens verheerlijkte

hij hare kapiteins en hare slingerwerktuigen en stormrammen; dan weer

had hij allerlei schoons te vertellen van hare fortificaties en

kasteelen, eindelijk wees hij hen op de duidelijke verzekering van

hunnen vorst, dat Menschziel voor altijd gelukkig zou wezen. Toen hij nu

bemerkte, dat sommigen der burgers met zijne gesprekken zeer waren

ingenomen en zich gaarne door hem lieten vleien, maakte hij er zijn werk

van van straat tot straat te wandelen, huis in huis uit te gaan, de

burgers éen voor éen te bezoeken, en ten langen laatste bracht hij er

Menschziel toe naar zijne pijpen te dansen en telkens toe te nemen in

vleeschelijke gerustheid, tot zij eindelijk zoo onbezorgd waren als hij

zelf. Van het praten kwam het tot maaltijden, en van deze feestdagen

zelfs tot spotternij. Zoo kwam uit het éen het andere voort. Nu was

Immanuel nog in de stad en zag deze dingen aan. Hij bemerkte dat de

Burgemeester, de heer Vastewil en de Griffier ook al door het gebabbel

van dezen Diábolus-man waren medegesleept, vergetende de waarschuwing,

die hun vorst hun had gegeven om toch door geen enkele Diábolische

streek zich te laten verschalken. Hij had hun immers duidelijk

aangetoond, dat hunne veiligheid niet afhing van de tegenwoordige

kracht en sterkte der stad alleen, maar veel meer van het gebruik, dat

zij daarvan maakten, en van de inwoning van Immanuel in haar kasteel.

Want de rechte leer van Immanuel was, dat de stad Menschziel toch zou

toezien om nooit de liefde van hem of zijn Vader te vergeten, zich aldus

gedragende, dat zij in deze liefde bleven om daaruit kracht te putten.

En dit was nu immers geenszins de weg om daarin te blijven, namelijk

waar zij zoo verliefd geraakten op dezen Diábolus-man, en dan nog wel op

zulk een persoon als deze Vleeschelijke-Gerustheid was, zoodat zij zich

door hem bij den neus lieten nemen. Zij hadden naar hun Prins moeten

luisteren; hunnen Prins moeten vreezen, hunnen Prins beminnen, en dezen

nietswaardigen deugniet met steenen steenigen. Ze hadden moeten blijven

wandelen in de wegen, door den Vorst hun voorgeschreven, want dan zou

hun vrede geweest zijn als eene rivier en hunne gerechtigheid als de

golven der zee.

Toen nu Immanuel bemerkte, dat door de slimme handelwijze van den heer

Vleeschelijke-Gerustheid de harten der lieden van Menschziel jegens hem

waren verkoeld en hun werkdadige liefde jegens hem verminderd, begon hij

eerstens met den Oppergeheimschrijver hun staat en toestand te beweenen,

zeggende: „O, dat mijn volk naar mij had geluisterd en dat Menschziel in

mijne wegen gewandeld had! Ik zou het met de vetste tarwe hebben gevoed,

en zou hen gelaafd hebben met honig uit den rotssteen.” Daarna sprak hij

in zijn hart: „ik zal terugkeeren naar het hof en naar mijne eigen

plaats gaan opdat Menschziel hare schuld in dezen leere kennen en

inzien.” En zoo deed hij dan ook weldra, want zij maakten, dat hij weg

moest door dat zij hem veronachtzaamden. Ziet hier wat ze deden.

1^{e}. Zij hielden op hem volgens hunne gewoonte te komen bezoeken;

neen, ze kwamen niet meer als tevoren in het koninklijk paleis.

2^{e}. Het kon hen niet meer schelen of hij hen kwam bezoeken in hunne

woningen.

3^{e}. Zij verzuimden nu tot de liefdemaaltijden te komen, die hij

steeds voor hen gereed maakte. Hij liet hen wel roepen, maar zij kwamen

niet en verheugden er zich niet meer mede.

4^{e}. Zij wachtten niet langer tot hij hun raad gaf, maar zij begonnen

eigenwijs en zelfvertrouwend te worden, besluitende, dat zij nu sterk

genoeg waren en onoverwinnelijk, en dat Menschziel veilig was boven het

bereik van elken vijand en dat hun toestand voor eeuwig onbewogen

blijven zou.

Nu, zooals gezegd is, Immanuel bemerkende, dat door den invloed van

Vleeschelijke-Gerustheid de stad Menschziel hare afhankelijkheid van hem

en zijn Vader niet meer gevoelde en waagde hem te beleedigen, zoo

betreurde hij eerst haar staat en toen stelde hij middelen in het werk

om haar te doen verstaan, dat haar tegenwoordige weg gevaarlijk was.

Daartoe zond hij den Oppergeheimschrijver tot haar om haar zulke wegen

te ontraden. Toen deze tot de burgers kwam vond hij hen juist bij den

heer Vleeschelijke-Gerustheid aan tafel en met hem in gesprek. Alzoo

bemerkende, dat zij niet over dingen met hem wilden spreken, die hen

goed konden doen, werd hij bedroefd en ging weg. Pas had hij dit aan den

Prins verhaald, of deze was daar zoo boos en bedroefd om, dat hij

maatregelen nam om naar zijns Vaders hof terug te keeren.

De manier waarop hij daarbij handelde, was deze:

1^{e}. Ofschoon hij nog in Menschziel bleef zoo hield hij zich meer

verborgen en afgezonderd dan eertijds.

2^{e}. Zijn toespraak was, als hij tot hen kwam, niet meer zoo aangenaam

en vertrouwelijk als tevoren.

3^{e}. Ook zond hij evenmin als in verleden tijden aan de burgers

lekkernijen van zijn eigen tafel.

4^{e}. Ook als zij hem nog nu en dan bezochten, wilde hij niet meer zoo

dadelijk hen te woord staan, zooals zij hem vroeger altijd bereid hadden

gevonden. Zij moesten nu een of tweemaal kloppen, maar het scheen, dat

hij hen niet opmerkte, terwijl vroeger als hun voetstap maar vernomen

werd, hij reeds opstond en hen tegemoet ging om hen onderweg te

ontmoeten, te omhelzen en aan zijn hart te drukken.

Maar Immanuel hield zich maar zoo; het was zijn doel op deze wijze hen

tot nagedachten te brengen opdat zij tot hem wederkeerden. Maar, helaas,

zij merkten het niet op, zij kenden zijne wegen niet, zij werden er niet

door getroffen en vergaten de vorige gunstbewijzen. Wat deed hij dan nu?

Hij verwijderde zich stillekens uit zijn paleis en begaf zich naar de

stadspoort. Zoo verliet hij dan Menschziel totdat het arme volk zijne

overtreding leerde kennen en zeer ernstig zijn aangezicht zocht. Ook de

heer Vrede Gods legde zijne bediening neer en wilde voor het

tegenwoordige niets meer met de stad te doen hebben. [Ezech. 11 : 21.]

[Hos. 5 : 15.] [Lev. 26 : 21-24.]

[Afbeelding: BOODSCHAPPERS GAANDE NAAR EN KOMENDE VAN MENSCHZIEL.]

Aldus gedroegen zij zich verkeerd jegens hem en hij bij wijze van

tegenstelling gedroeg zich ook verkeerd jegens hen. Maar, helaas, te

dezer tijd waren zij zoo verhard in hunne wegen en hadden zij de leer

van Vleeschelijke-Gerustheid zóo ingedronken, dat het vertrek van den

Prins hen niet trof; zij bemerkten het niet eens, dat hij wegging en

daarom bedroefde zijne afwezigheid hen ook niet. [Jer. 2 : 32.]

Nu gebeurde het op zekeren tijd, dat deze oude heer

Vleeschelijke-Gerustheid een feest aanrichtte voor de burgers van

Menschziel, en daar kwam ook een zekere heer Vreeze Gods bij, een

edelman, die eertijds groote achting genoot in Menschziel. Helaas, het

voornemen van Vleeschelijke-Gerustheid was ook dezen heer te misleiden

evenals de rest, daarom had hij hem thans met zijne buren op het feest

verzocht. Op het bestemde uur kwam hij dan ook met de andere gasten. Ze

gingen aan tafel en dronken samen, maar deze eene man, Vreeze Gods, deed

niet meê; want hij zat daar als een vreemdeling, die er in het geheel

niet bij behoort. Dit bemerkte de gastheer en sprak hem aan:

„Mijnheer Vreeze Gods,” zeide hij, „zijt gij niet wel? Gij schijnt naar

lichaam of ziel krank te wezen of misschien wel beiden tegelijk. Ik heb

eene hartsterking voor u, door Vergeet-het-Goede klaar gemaakt; indien

gij daar een droppel of wat van neemt, zal het u recht prettig en

vroolijk maken, en daardoor dan ook meer geschikt voor dit lustige

gezelschap.”

Daarop antwoordde de goede oude heer zeer vriendelijk: „Ik bedank u wel

voor al uwe beleefdheden en voorkomendheid; maar wat uwe hartsterking

betreft, daarin heb ik geen lust. Ik zal slechts éen woord spreken tot

de inwoners van Menschziel. „Gij ingeborenen van Menschziel, gij

oudsten en voornaamsten der stad, hoe is het mogelijk, dat gij u zoo

vroolijk en blijde gedragen kunt, waar onze goede stad in zulk een

beklagenswaardigen toestand verkeert?”

Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Gij hebt slaap noodig,

mijn goede man, dat geloof ik vast. Leg u als het u belieft neer en

slaap eens uit, dan kunnen wij in dien tusschentijd vroolijk zijn.”

Daarop antwoordde de goede man het volgende: „Mijnheer, wanneer gij een

eerlijk hart bezat, zoudt gij niet kunnen handelen zooals gij doet en

gedaan hebt.”

Toen zeide de heer Vleeschelijke-Gerustheid: „Wat dan?”

Vreeze Gods. „Ik bid u val mij niet in de reden. Het is waar, dat de

stad Menschziel sterk was en op éene voorwaarde ondoordringbaar en

onneembaar; maar gij, de lieden der stad zelven, hebt haar verzwakt, en

daarom ligt zij thans voor hare vijanden open. Nu is het geen tijd om

elkander te vleien, of om stil te zitten; gij, mijnheer, hebt Menschziel

beroofd en de eere van haar genomen; gij hebt de stad nedergeworpen, de

poorten opengebroken, gij hebt hare grendels en sloten weggenomen.

„En om mij nu nauwkeurig uit te drukken, Mijne heeren van Menschziel,

van dien tijd af, dat gij zoo groot zijt geworden, is de sterkste van

Menschziel weggenomen; hij is opgestaan en heengegaan. Wanneer iemand de

waarheid mijner woorden in twijfel trekt, dan zal ik hem alleen

beantwoorden met deze wedervraag: waar is de Prins Immanuel? Waar heeft

iemand onzer hem gezien? Wanneer hoordet gij van hem of proefdet iets

van zijne kostelijke lekkernijen? Gij zijt nu bezig feest te vieren met

de Diábolische monsters, maar hij is uw vorst niet. Daarom zeg ik,

ofschoon de vijanden van buiten, als gij u goed gehouden hadt, geen

prooi van u hadden kunnen maken, zoo zijn, sedert gij gezondigd hebt, uw

vijanden binnen in u, u reeds te sterk!”

Toen Vleeschelijke-Gerustheid dit hoorde riep hij: „O foei, Vreeze Gods!

Foei wat is dat voor taal? Zult gij dan nooit uwe bloohartigheid

afleggen? Zijt gij dan nog altijd bang voor het vogelgeschrei? Wie doet

u kwaad? Ik houd het geheel met u, alleen met dit onderscheid, dat gij

het twijfelen bemint, en ik ben gaarne verzekerd van de zaak. Waarom

vervalt gij dan nu tot uwe eigen schande en tot onze schrik in zulke

droefgeestige redenen, daar gij beter deedt te eten en te drinken en

vroolijk te zijn?”

Maar Vreeze Gods antwoordde weder: „Met recht mag ik droevig wezen, want

Immanuel is van Menschziel weggegaan. Hij is weggegaan, zeg ik, en gij

zelf hebt hem verdreven; ja Hij is zóo stillekens afgetrokken, dat hij

de edelen van Menschziel geen kennis gegeven heeft van zijn vertrek. En

als dit nu niet als een teeken van zijne gramschap is te beschouwen, dan

heb ik van den weg der Godzaligheid geene kennis.

„En gij, mijne heeren edelen! tot u richt ik in het bijzonder het woord.

Dat gij u zoo trapsgewijze van hem vervreemd hebt, heeft hem genoodzaakt

zich ook langzamerhand van u terug te trekken, hopende dat gij daardoor

gevoelig zoudt worden en uzelven verootmoedigen. Maar ziende, dat gij

daarop geen acht sloegt noch de beginselen van zijnen toorn en zijne

oordeelen hebt ter harte genomen, zoo heeft hij deze plaats verlaten,

dat heb ik met eigen oogen gezien. Terwijl gij aldus roemt is uwe

sterkte vergaan, en gij zijt gelijk aan den man, wien vroeger de

haarlokken op zijne schouders hingen, maar nu zijn ze afgesneden. Gij

moogt evenals dezen uwen gastheer uzelven uitschudden en denken, dat gij

zult uitgaan als in vroegere tijden, maar daar gij zonder uwen vorst

niets vermoogt en hij van u is geweken, zoo verandert vrij uwe feesten

in jammerklachten en uwe vreugde in klaagliederen.”

Toen begon onmiddellijk de tweede leeraar, de oude heer Geweten, die

vroeger griffier van Menschziel was, hem op deze wijze te helpen.

„Inderdaad, mijne broeders”, zeide hij, „ik vrees, dat deze oude heer

ons de waarheid zegt: ik voor mij heb mijn heer en vorst in langen tijd

niet gezien; ik herinner mij zelfs den juisten datum niet meer, en ik

kan de vraag van Vreeze Gods niet beantwoorden. Ik twijfel en ik vreeze,

dat het noodlottig met ons gesteld is.”

Vreeze Gods. „Neen, ik weet, dat gij hem niet vinden zult in gansch

Menschziel, want is hij heengegaan, en wel om den wille van de schuld

der oudsten, omdat zij zijn goede gunsten met onverschilligheid

beantwoord hebben.”

[Afbeelding: ONHEILIG AAN DE POORT DES AFGRONDS.]

Toen zag de heer Geweten er uit alsof hij dood neervallen zou en

desgelijks alle aanwezigen uitgezonderd de heer van het huis. Allen

zagen bleek van schrik. Zich daarna een weinig hersteld hebbende en zich

overtuigd hebbende, dat Vreeze Gods de waarheid sprak, begonnen zij

samen te overleggen wat in dezen te doen ware. De gastheer had zich

intusschen verwijderd, want het ging hem niet naar den zin; maar allen

werden overtuigd, dat hij hen in de ellende gebracht had, en dat zij

daardoor de liefde van Immanuel verbeurd hadden. Daarbij kwam een woord

van hunnen vorst weer versch in hun geheugen terug aangaande hetgeen zij

met de valsche profeten doen zouden. Het eind van deze beraadslaging

was, dat zij het gansche huis van den heer Vleeschelijke Gerustheid

boven zijn hoofd in brand staken, want het bleek, dat hij ook een

Diábolus-man was.

Toen dit geschied was deden zij hun best om hunnen vorst Immanuel in het

oog te krijgen. Zij zochten hem, maar zij vonden hem niet. Daardoor

werden zij nog meer overtuigd van de waarheid van ’s heeren Vreeze Gods

woorden, en hiermede kwam ook een groote droefheid over hen, omdat zij

wel inzagen, dat dit alles hun eigen schuld was. [Hoogl. 5 : 6.]

Nu begaven zij zich tot den Oppergeheimschrijver, tot hem, dien zij

vroeger geweigerd hadden te hooren, en dien zij met hunne handelingen

zoo hadden gegriefd. Zij wilden omdat hij een ziener was, van hem te

weten komen waar Immanuel was, en hoe zij hunnen heer een verzoekschrift

zouden toezenden, maar de Oppergeheimschrijver wilde hen niet tot eene

samenkomst toelaten, tot hen uitkomen. [Jes. 63 : 10.] [Efez. 4 : 10.]

[1 Thess. 5 : 19.]

O, welk een nevelachtige en donkere dag was het nu voor Menschziel! Een

dag van wolken en donkerheid. Nu zagen zij in hoe dwaas zij geweest

waren, en welk eene schade al het gesnater van Vleeschelijke-Gerustheid

hun had bezorgd! Maar wat het hun nog verder kosten zou, dat wisten zij

niet; maar de heer Vreeze Gods kwam in hoog aanzien en er werd op hem

gezien als een profeet.

Toen de sabbatdag was aangebroken, gingen zij uit om hunnen tweeden

leeraar te hooren prediken; maar o, wat liet hij dezen dag een

donderslagen en bliksemschichten door de vergadering gaan. Zijn tekst

was: „Die de valsche ijdelheid onderhouden, verlaten hunne

weldadigheid.” Maar er was zulk eene kracht in die preek en zulk eene

verootmoediging op het aangezicht der hoorders te lezen, dat nog maar

zelden of ooit zulk eene prediking had plaats gehad. Het volk, dat uit

de kerk kwam, was maar kwalijk in staat hun woning weder te bereiken en

de volgende week hun gewone bezigheden te doen, zóo waren zij verbroken

en ter neergeslagen door die ernstige verkondiging. [Jona 2 : 8.]

Maar hij hield niet alleen Menschziel hare zonden voor, maar beefde ook

voor zichzelven onder het gevoel van zijne eigen schuld. O riep hij uit,

ongelukkige, die ik ben! dat ik zulke booze stukken gedaan heb! En dat

nog wel ik, een leeraar, die door den vorst aangesteld is om Menschziel

te onderrichten en zijne wet te verklaren, dat ik de eerste geweest ben

om mede af te vallen in de ongerechtigheid. Ik had tegen den afval met

luider stem behooren te waarschuwen, maar ik liet Menschziel afdwalen en

Immanuel uit haar midden wegdrijven, ja, zich verwijderen uit hare

landpalen. Met deze dingen beschuldigde hij ook al den adel en de heeren

van Menschziel, zoodat allen even bedroefd waren.

Omtrent dezen tijd brak er ook een zware ziekte in de stad uit, waardoor

de meeste inwoners getroffen werden. Ja, ook de kapiteins en het

krijgsvolk geraakten daardoor aan het uitteeren, en dit had al eenigen

tijd plaats gehad eer het openbaar werd. Ware in dezen staat van zaken

een vijand gekomen om de stad te belegeren, het zou er treurig hebben

uitgezien. Hoeveel bleeke aangezichten, hoeveel slappe handen en zwakke,

knikkende knieën, hoeveel struikelende menschen waren nu langs de

straten te zien! Hier hoorde men zuchten, ginds gekerm, elders lagen er

eenigen als aan den oever des doods. Ook de kleederen, die Immanuel hun

gegeven had, waren in een slechten staat, haveloos, gescheurd, bemorst

en onrein zagen zij er uit, en aan sommigen hingen ze zoo los om de

leden, dat er gevaar bestond ze ieder oogenblik te verliezen. [Hebr.

12 : 12, 13.] [Jes. 3 : 24.] [Openb. 3 : 2.]

Toen men nu eenige dagen in dezen naren staat doorgebracht had liet de

heer Geweten een vastendag uitroepen, opdat een ieder zich zou

verootmoedigen wegens zijne goddelooze handelingen jegens El-Schaddaï

en diens zoon. Hij verzocht Boanerges op dien vastendag te prediken,

hetgeen deze ook deed, en ter bestemder tijd voor het volk optrad met de

woorden: „Houwt hem uit, waartoe beslaat hij onnuttelijk de aarde?” Nu,

hij hield daarover een zeer scherpe preek. Hij toonde aan bij welke

gelegenheid die woorden waren gesproken, namelijk omdat de vijgeboom dor

en onvruchtbaar was. Daarna verklaarde hij hun de beteekenis dezer

vermaning als dienende tot bekeering of algeheele verwoesting. Ook wees

hij op het gezag, dat dit woord had als door El-Schaddaï zelven

gesproken. En de toepassing van die preek was van dien aard, dat het

arme Menschziel sidderde en beefde. Deze predikatie evenals de

voorgaande vermocht veel op het hart der lieden; zij was dienstig om

degenen, die door de eerste preek wakker geschud waren, ook wakker te

houden. De gansche stad was nu vol droefheid en weeklacht. [Luk. 13 :

7.]

[Afbeelding: DIÁBOLONISTEN VERKLEED OP DE MARKT.]

Nadat de kerk uit was kwamen de lieden samen om te raadplegen wat in

dezen te doen ware. Maar de tweede prediker der stad sprak: „Ik wil

niets doen uit mijzelven zonder geraadpleegd te hebben met mijn buurman

Vreeze Gods. Want daar hij in het eerst meer van onzen vorst en diens

handelingen wist dan wij, zoo zou het ook nu kunnen wezen, dat hij ons

wist te raden, daar wij naar het goede pad willen terugkeeren.”

Zoo werd dan om Vreeze Gods gezonden, die aanstonds verscheen en zich

aldus liet hooren: „Ik ben van oordeel, dat Menschziel in deze hare

benauwdheid een ootmoedig rekwest aan hare beleedigden vorst Immanuel

moet aanbieden om hem te verzoeken, dat hij in gunst en genade tot haar

wederkeere en niet voor eeuwig den toorn behoude.”

De stedelingen stemden hierin volmondig toe en het verzoekschrift werd

opgesteld. Maar wie zou het nu brengen? Ten laatste kwam men overeen,

dat de Burgemeester het doen zou. Dit gebeurde. De Burgemeester begaf

zich op weg naar het hof van El-Schaddaï, waar Immanuel, de vorst van

Menschziel, zich bevond, en hij kwam daar ook aan. Maar de poort was

gesloten en een sterke macht bewaakte die, zoodat de afgezant langen

tijd moest buiten blijven staan. Daarom verzocht hij, dat iemand tot den

Prins mocht gaan om hem mede te deelen wie daar buiten aan de poort

stond en wat hij kwam doen. Zoo gebeurde het dan ook. Er was iemand, die

aan El-Schaddaï en zijn Immanuel berichtte, dat de Burgemeester van

Menschziel daar buiten stond en verzocht in tegenwoordigheid van den

Prins te worden toegelaten; maar de vorst wilde niet afkomen of

toelaten, dat hem de poort ontsloten werd. Zijn antwoord luidde: „Zij

hebben mij den rug gekeerd, en niet het aangezicht, maar nu in dezen

tijd hunner benauwdheid zeggen zij tot mij: sta op en behoud ons. Maar

kunnen zij nu niet gaan tot hunne Vleeschelijke-Gerustheid, tot wien zij

zich begaven als zij mij verlieten, en maken hem in deze benauwdheid tot

hunnen leidsman en beschermer? Waarom komen zij mij nu in hunnen angst

zoeken, daar zij zich in hunnen voorspoed van mij hebben afgekeerd?”

[Klaagl. 3 : 8, 44.] [Jer. 2 : 27, 28.]

Dit antwoord maakte, dat de heer Burgemeester zwart werd in zijn

aangezicht, hij was beroerd, verpletterd, als in zijn binnenste

verscheurd. Nu begon hij weder te gevoelen wat het te zeggen was geweest

gemeenzaam te worden met een Diábolus-man als Vleeschelijke-Gerustheid.

Maar ziende dat er voor dit oogenblik aan het hof weinig uitkomst was

zoomin voor hem als voor de stad, sloeg hij op zijne borst en keerde

weenende terug, den ganschen weg langs het beklagenswaardig Menschziel

betreurende.

En als hij nu in het gezicht der stad genaderd was, zoo gingen de

oudsten en edelen om hem te begroeten en te vernemen welk wedervaren hij

gehad had. Maar hij antwoordde hen op een zoo droevigen toon, dat zij

allen het uitschreeuwden, klaagden en weenden. Zij wierpen ook asch op

hunne hoofden en deden een zak om hunne lenden, gaande al weenende door

de stad. Toen de overige burgers dit vernamen, jammerden zij met hen

meê. Dit was voor hen allen een dag van tuchtiging, ontsteltenis,

benauwdheid en angst.

Nadat zij nu weder een weinig bedaard waren, kwam het stadsvolk weder

samen om te beraadslagen wat hun nu te doen stond. Wederom vraagden zij

het advies van den ouden heer Vreeze Gods, en deze zeide hun, dat er

geen ander en geen beter middel was dan maar voortdurend requesten te

zenden naar het hof; ook al werden ze met bestraffing of met stilzwijgen

beantwoord, toch maar telkens opnieuw hunne smeekschriften opzenden.

„Want,” zeide hij, „het is El-Schaddaï’s gewoonte de menschen te laten

wachten om hun lijdzaamheid te leeren, en zij, die in nood zitten,

moeten gewillig zijn om te verbeiden.”

Zoo vatten zij dan weder moed en zonden weder en weder en nogmaals

weder; nu ging er geen dag, ja nauwelijks een uur voorbij, of men

ontmoette in den omtrek der stad een rijdenden postbode, die op zijn

hoorn blies van Menschziel af tot aan het paleis van El-Schaddaï; en die

allen droegen smeekbrieven of verzoekschriften ten gunste van

Menschziel, of keerden van het hof terug. Ja, de weg was vol

boodschappers, gaande en komende, die elkander ontmoetten en dit duurde

zoo voort dien ganschen harden kouden wintertijd.

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 34 / 56 题