Toen nu dit goede werk gedaan was, kwam de Prins neder om te zien en een
bezoek te brengen aan de menschen van Menschziel en eens vertrouwelijk
met hen te spreken, ten einde hunne handen te sterken in zulk een
Godewelgevallig werk. Hij zeide tot hen, dat hij hen in deze hunne
handeling had beproefd en bevonden had, dat zij beminnaars waren van
zijn persoon, onderhouders van zijne wetten en dat zij naijverig waren
op zijne eer. Hij zeide bovendien om hen te toonen, dat zij hierbij
niets zouden verliezen noch hunne stad verzwakken, dat hij iemand hun
ten hoofdman wilde geven, uit hun midden gekozen, die de wet aan duizend
stellen zou ten voordeele en ten zegen van de nu weer bloeiende stad
Menschziel.
Zoo riep hij dan een persoon, wiens naam was Wachter, en verzocht hem
spoedig naar het kasteel te gaan, en daar te vragen naar zekeren heer
Ondervinding, die den edelen kapitein Geloof als adjudant was
toegevoegd, en hem te verzoeken mede te gaan. Zoo deed de boodschapper
wat hem bevolen was. De jeugdige edelman was bezig zijn heer te
bewonderen, terwijl hij het leger monsterde en exerceeren liet op de
binnenplaats van het kasteel. Toen zeide Wachter tot hem: „Mijnheer, de
Prins begeert, dat gij dadelijk bij Zijne Hoogheid komen zult.” Zoo kwam
hij dan tot Zijne Majesteit en maakte een diepe buiging voor hem. Nu
kenden de lieden der stad den heer Ondervinding wel, want hij was binnen
Menschziel geboren en opgevoed; zij wisten, dat hij een man was van een
goed gedrag, groote dapperheid en veel geduld; bovendien was hij een
zeer vriendelijk mensch, goed bespraakt en voorspoedig in zijne
ondernemingen.
Daarom waren de harten der lieden van de stad vol vreugde toen zij
bemerkten, dat ook de Prins zoo met den heer Ondervinding was ingenomen,
dat hij hem kapitein wilde maken over een bende krijgsvolk.
Zoo bogen zij zich dan eenstemmig voor Immanuel en riepen luide en
vroolijk: „Immanuel, leef in eeuwigheid!” Toen zeide de Prins tot den
jongen edelman, wiens naam Ondervinding was: „Ik heb goedgevonden u
eene post van eer en vertrouwen in mijne stad Menschziel te geven.” De
jonkman boog het hoofd en viel op eene knie. En Immanuel ging voort:
„Gij zult kapitein wezen over duizend man in mijn geliefde stad
Menschziel.” Toen zeide de kapitein: „Leve de koning!” Zoo gaf dan de
Prins bevel aan ’s konings secretaris, dat hij voor Ondervinding eene
aanstelling zou gereed maken, en zeide: „Breng die dan tot mij opdat ik
er mijn zegel op zette.” En aldus geschiedde het; alles werd in orde
gemaakt en door de hand van Wachter aan den nieuwen kapitein gezonden.
[Afbeelding: DE SCHUILPLAATS DER DIÁBOLONISTEN.]
Zoodra nu de kapitein zijne aanstelling ontvangen had, blies hij op de
bazuin om vrijwilligers op te roepen en de jongelingen kwamen toeloopen;
ja, de voornaamsten en opperhoofden der stad zonden hunne zonen om onder
zijne bevelen te staan. Aldus wierf kapitein Ondervinding zich een
compagnie om Immanuel te dienen. Hij had tot luitenant zekeren heer
Verstandig en tot zijn adjudant den heer Geheugen. Zijne onderofficieren
behoef ik niet te noemen. Hun uniform en hunne vaandels waren wit en hun
wapenschild een doode leeuw en een doode beer. Toen dit alles in orde
was keerde de Prins tot zijn paleis terug. [1 Sam. 17 : 36, 37.]
Nauwelijks was hij daar wedergekeerd of de oudsten der stad, namelijk de
Burgemeester, de Griffier en de heer Vastewil, kwamen tot hem om hem te
bedanken voor zijn goede zorgen en zijn teeder medelijden, waarmede hij
opnieuw de stad Menschziel aan zich verplicht had. Na eenigen tijd van
aangenaam onderhoud keerden zij, eerbiedig afscheid nemende, weder naar
hunne woningen.
Immanuel bepaalde nu ook een dag, waarop hij hunne grondwet zou
vernieuwen. Ja, hij wilde die vernieuwen en uitbreiden aangezien er vele
gebreken in waren, en het was zijn doel het juk van Menschziel te
verlichten. Dit deed hij zonder dat zij hem er zelfs om
gevraagd hadden, uit eigen vrije beweging. Zoo
zond hij dan om hunne oude wet, en nadat hij die ingezien had, legde
hij die ter zijde en sprak: „Wat oud is en verouderd, is nabij de
verdwijning. De stad Menschziel moet een andere en betere wet hebben met
nieuwe en meer bestendige voorrechten.” Hier is een schets van wat hij
instelde: [Hebr. 8 : 13.] [Matth. 11 : 28, 30.]
„Ik, Immanuel, de Vredevorst en de groote liefhebber der stad
Menschziel, vergun en geef in naam mijns Vaders en uit mijne eigen
barmhartigheid en goedertierenheid aan mijne geliefde stad Menschziel:
Ten eerste, vrije, volkomene en eeuwige vergiffenis van alle kwaad,
beleediging en ongelijk, gepleegd tegen mijn Vader, mij, hunne naburen
en zichzelve. [Hebr. 8 : 12.] [1 Joh. 1 : 9.]
Ten tweede, geef ik haar deze heilige wet en mijn testament met al wat
daarin bevat is tot haar eeuwigen vrede en eeuwige vertroosting. [Joh.
17 : 8, 14.] [2 Cor. 7 : 1.]
Ten derde, geef ik haar een deel van diezelfde genade en
goedertierenheid, die in mijns Vaders hart en het mijne woont. [2 Petr.
1 : 4.]
Ten vierde, geef en vermaak ik haar onbepaald de wereld en wat daarin is
ten haren beste; en zij zal die macht daarover hebben, welke bestaanbaar
is met de eer en heerlijkheid mijns Vaders en haar welzijn, ja, ik geef
haar de beneficiën van leven en dood en de tegenwoordige en toekomende
dingen. Deze voorrechten zullen geene andere stad, gemeente of
vereeniging gegund worden dan Menschziel alleen. [1 Cor. 3 : 21, 22.]
Ten vijfde, geef ik haar ten allen tijde een vrijen toegang tot mij in
mijn paleis -- zoowel daarboven als hierbeneden, -- om hare nooden mij
bekend te maken, en ik geef haar bovendien de belofte, dat ik zal
luisteren naar al hare grieven en die herstellen. [Matth. 7 : 7.] [Hebr.
10 : 19-22.]
Ten zesde, ik begunstig de stad Menschziel met onbepaalde macht en gezag
om op te sporen, te vatten, tot slaven te maken en te vernielen alle
Diábolus-mannen, die ooit of immer in de stad zullen worden
aangetroffen.
Ten zevende, ik geef aan mijn geliefde stad Menschziel volmacht om niet
te dulden, dat er ooit reizigers, vreemdelingen of wie ook vrijen
toegang zullen hebben binnen hare muren of deel hebben aan hare
uitnemende voorrechten. Maar alle vergunningen, privilegiën en
voorrechten, die ik aan de vermaarde Menschziel geef, zijn voor de oude
inboorlingen en trouwe burgers, voor hen en voor hunne rechtmatige
afstammelingen en kinderen na hen. [Efez. 4 : 22.] [Col. 3 : 5-9.]
Maar alle Diabolus-mannen van welk soort, geboorte, landstreek of
koninkrijk ook zullen daarvan uitgesloten zijn en er geen deel aan
hebben.”
Dit is maar een klein uittreksel van de oneindig schoone privilegiën,
die bij wijze van grondwet door Immanuel aan Menschziel werden gegeven.
Toen zij ze ontvangen had bracht men ze ter plaatse, waar de afkondiging
zou plaats hebben, op het marktplein, en daar las de Griffier ze aan al
het volk voor. Dit gedaan zijnde, werd de wet teruggebracht naar het
kasteel en daar gegraveerd op de poorten in letters van goud, opdat de
stad Menschziel met al hare inwoners ze altijd in het gezicht zouden
hebben en de gezegende vrijheid aanschouwen, die hun Vorst hun had
verleend, zoodat hunne vreugde en liefde tot Immanuel onophoudelijk werd
gevoed. [2 Cor. 3 : 3.] [Jer. 31 : 33.] [Hebr. 8 : 10.]
Welk eene vreugde, welk een troost nu de harten der goede lieden in deze
gelukkige stad vervulde, kan men zich nauwelijks verbeelden! De klokken
luidden, de muziekanten speelden, het volk danste, de kapiteins
juichten, de vaandels waaiden in den wind, de zilveren trompetten werden
geblazen, en de Diábolus-mannen waren nu maar blijde, dat zij zich
konden versteken, want zij zagen er uit als degenen, die al lang dood
zijn geweest.
Toen dit voorbij was zond de Prins weder om de oudsten van Menschziel en
beraadslaagde met hen over een ministerie, dat hij in hun midden wilde
vestigen, zulk een ministerie, dat hen aangaande de tegenwoordige en
toekomende dingen zou inlichten en hen in alles onderwijzen.
„Want,” zeide hij, „gij zijt van uit uzelven niet in staat den wil mijns
Vaders te kennen en diensvolgens evenmin te doen, wanneer gij geene
leeraren en leidslieden hebt.” [Jer. 10 : 23.]
[Afbeelding: DAGELIJKSCHE LEZING BEGONNEN IN MENSCHZIEL]
Bij deze tijding kwam, toen de oudsten van Menschziel die aan het volk
hadden medegedeeld, de gansche stad tezamen; want het behaagde hen,
evenals alles wat de Prins thans deed aan het volk behaagde, en allen
zonder onderscheid smeekten Zijne Majesteit, dat hij maar dadelijk zulk
eene bediening onder hen wilde invoeren, die hen beide wet en oordeel,
instelling en gebod leerde verstaan, opdat zij in al wat goed en
liefelijk was zouden worden ingewijd. Zoo verhaalde hij hun, dat hij hun
verzoek zou inwilligen, en dat hij er twee onder hen wilde aanstellen
met dit doel; de een kwam van zijns vaders hof en de andere was een
ingeborene van Menschziel.
„Hij, die van het hof komt,” zeide de Prins, „is een persoon van niet
mindere waardigheid en macht dan mijn vader en ik. Hij is de Opperste
Geheimschrijver van mijns Vaders huis, want hij is en was altijd de
opperste uitlegger van al mijns Vaders wetten, een persoon in alle
geheimen ingewijd en kennende alle verborgenheden even goed als mijn
Vader en ik. Inderdaad is hij dan ook één met ons van natuur, even
beminnenswaard, even trouw en waarachtig, en hij staat in eeuwige
betrekking tot de stad Menschziel. [2 Petr. 1 : 21.] [1 Cor. 2 : 10.] [1
Joh. 5 : 7.]
„En deze persoon,” zeide de Prins, „moet uw opperste leermeester wezen,
want hij is het en hij alleen, die u klaar en duidelijk in alle hooge en
bovennatuurlijke dingen kan onderwijzen. Hij en hij alleen is het, die
de wegen en handelwijzen van mijn Vader kent; ook kan niemand gelijk hij
openbaren hoe het hart van mijnen Vader ten allen tijde, in alle dingen,
onder alle omstandigheden jegens Menschziel is gestemd, want evenals
niemand de dingen des menschen weet dan de geest des menschen, die in
hem is, zoo weet niemand de dingen mijns Vaders dan deze voorname en
machtige Geheimschrijver. Ook kan niemand gelijk hij aan Menschziel
verhalen hoe en wat zij doen moet om in de liefde mijns Vaders te
blijven deelen. Hij kan ook alleen verloren dingen terechtbrengen, het
verledene u herinneren en de toekomst u bekendmaken. Deze leeraar moet
daarom noodzakelijk den voorrang hebben, beide in uwe toegenegenheid en
oordeel, boven uwen anderen leermeester; zijne persoonlijke waardigheid,
de uitnemendheid van zijn onderwijs, de groote behendigheid, die hij
bezit om u te helpen om verzoekschriften op te stellen aan mijn Vader;
dit alles moet u de verplichting opleggen om hem lief te hebben, hem te
vreezen en op te passen, dat gij hem niet beleedigt. [Joh. 14 : 26; 16 :
13.] [1 Joh. 2 : 27.]
„Deze persoon kan leven en kracht leggen in alles wat hij zegt: en kan u
dat ook in het hart prenten. Deze persoon kan zieners van u maken en u
leeren de toekomstige dingen te vertellen. Met dezen persoon moet gij al
uwe verzoekschriften tot mijn Vader en mij bespreken, en zonder zijne
voorlichting en raad mag niemand de stad of het kasteel van Menschziel
binnentreden, want dat zou zijn edele persoonlijkheid kwetsen. [1 Thess.
1 : 5, 6.] [Jud. 20.] [Efez. 6 : 18.] [Rom. 8 : 26.] [Openb. 2 : 7, 11,
17, 29.] [Efez. 4 : 30.] [Jez. 63 : 10.]
„Pas op, zeg ik u, dat gij zijne bediening niet miskent; want als gij
hem bedroeft zal hij zich vijandig tegen u over stellen, en mocht hij
zoodanig door u worden getergd, dat hij u den oorlog aandoet, dan zou u
dit meer leed brengen dan twaalf legioenen krijgslieden van mijns Vaders
hof.
„Maar, zooals ik zeide, wanneer gij naar hem luistert en hem liefhebt,
wanneer gij u aan zijn onderwijs onderwerpt en zijnen omgang zoekt,
gemeenschap met hem houdende, dan zult gij hem tienmaal beter vinden dan
de geheele wereld en haar bezit, ja hij zal de liefde mijns Vaders in uw
hart uitstorten en de inwoners van Menschziel zullen de wijsten en
gezegendsten van alle volken zijn.”
Toen liet de Prins tot zich roepen den ouden edelman, die eertijds
Griffier of Secretaris van Menschziel geweest was, namelijk den heer
Geweten. Hij deelde hem meê, dat aangezien hij wel bekend was met de
wetten van het gouvernement, en daarbij wel bespraakt om aan de inwoners
den wil zijns Meesters uit te leggen en te openbaren in alle
aangelegenheden, zoo werd hij aangesteld tot deze bediening in de goede
stad Menschziel. „Gij moet u vooral toeleggen,” zeide de Prins, „op het
onderwijs van alle deugden en burgerlijke plichten; maar gij moet nooit
trachten of voorgeven een openbaarder te zijn van de hooge en verborgen
dingen, die in den boezem van El-Schaddaï, mijnen Vader, besloten
liggen; want deze dingen weet niemand noch kan iemand openbaren dan
mijns Vaders Geheimschrijver alleen.
„Gij zijt een inboorling der stad Menschziel, maar de heer
Oppergeheimschrijver is een inboorling van mijns Vaders paleis, daarom
evenals gij kennis draagt van alle wetten en instellingen dezer stad,
zoo draagt hij kennis van al de dingen mijns Vaders.
„Daarom, o Mijnheer Geweten, ofschoon ik u gemaakt heb tot een
bedienaar, leeraar en prediker voor de stad Menschziel, toch wat de
dingen aangaat, die de heer Oppergeheimschrijver kent en aan dit volk
zal onderwijzen, zoo moet gij een leerling en scholier van hem wezen
evenals al de andere burgers van Menschziel.
[Afbeelding: DE PRINS BEKLEEDT HET VOLK.]
„Gij moet daarom in alle hooge en bovennatuurlijke dingen tot hem gaan
om onderricht en vingerwijzing, want de inspiratie van dezen persoon
moet iedereen het rechte verstand geven. Daarom, o, gij heer Griffier,
houd u klein en wees nederig, en bedenk, dat de Diábolus-mannen, die hun
eerste beginsel niet bewaarden, maar afvallig werden nu gevangen liggen
in den afgrond. Wees daarom tevreden met uwen post. [Job. 32 : 8.]
„Ik heb u mijns Vaders officier van justitie gemaakt in die dingen,
waarvan ik tevoren gesproken heb, en daarom gebruik uwe macht om de
lieden van Menschziel te onderwijzen, en om hen te tuchtigen en te
kastijden, wanneer zij niet gewillig zijn om u te hooren en uwe bevelen
te doen.
„En nu, Mijnheer, dewijl gij oud zijt, en door vele wederwaardigheden
reeds verzwakt, daarom geef ik u vrijheid om wanneer gij wilt tot mijne
fontein te gaan en daar vrijelijk van mijn druivenbloed te drinken, want
mijne kanalen stroomen altijd van louter wijn. Aldus doende zult gij
alle onreinheid en schadelijke stoffen van uw hart en uwe maag
afdrijven. Ook zullen uwe oogen er door worden verlicht en uw geheugen
versterkt om al de wetten, die des konings edele Geheimschrijver u leert
te zien en te onthouden.” [Hebr. 9 : 14.]
Toen de Prins aldus den voormaligen Secretaris of Griffier den post van
minister in Menschziel had geschonken, en de man dien dankbaar had
aanvaard, richtte Immanuel zich in een bijzondere toespraak tot de
lieden der stad zelven.
„Ziet gij nu,” zeide de Prins tot hen, „mijne liefde en zorg? Ik heb bij
al wat verleden is nog deze barmhartigheid gevoegd om u leeraars en
predikers te geven; den hoogedelen Oppergeheimschrijver om u in alle
diepe en verheven mysteriën te onderrichten, en dezen edelman” --
wijzende op den heer Geweten -- „om u alle menschelijke en
huishoudelijke zaken te leeren, want daarin bestaat zijne roeping. Hij
behoeft het daarom niet na te laten alle dingen, die hij uit den mond
van den Oppergeheimschrijver heeft gehoord, aan u mede te deelen, alleen
mag hij zich niet onderwinden zelf in eigen persoon een uitlegger en
openbaarder der verborgenheden te zijn; want dit ligt alleen op den weg
van den Oppergeheimschrijver zelven. Hij mag daarover spreken en dat
mogen de overige burgers van Menschziel ook doen, ja als de gelegenheid
zich aanbiedt mag en moet hij die zelfs zeer aandringen tot nut van het
algemeen. Deze dingen wil ik derhalve, dat gij zult waarnemen en doen,
want zij bevorderen uw leven en de lankheid uwer dagen.
„Bovendien, geliefde heer Griffier en gij allen, die in de stad
Menschziel woont -- gij moet u hechten aan hetgeen hij u heeft te leeren
en uit te leggen tot uwen troost voor de toekomende wereld, die ik het
voornemen heb u te geven als deze wereld oud en versleten is; want
daartoe moet ge geheellijk en alleen uw toevlucht nemen tot de leer, die
uw eerste en opperste leermeester u onderwijst. Ja, de heer Geweten zelf
moet niet trachten het leven te putten uit datgene, hetwelk hij zelf
openbaart; zijne afhankelijkheid daaromtrent is duidelijk in de leer van
den anderen prediker. Laat de heer Geweten aldus zorg dragen, dat hij
geen andere leer aanneemt, die hem niet is meêgedeeld door zijn
oppersten leeraar, of die hem alleen is duidelijk geworden door zijne
eigen kennis.”
Nadat nu deze dingen in de vermaarde stad waren ingesteld, ging de Prins
voort aan de oudsten der gemeente een noodzakelijke aanwijzing te geven
hoe zij zich hadden te gedragen omtrent de hoogedele kapiteins, die hij
van zijns Vaders hof had medegebracht of gezonden.
„Deze kapiteins,” zeide hij, „hebben de stad Menschziel lief en zij zijn
uitverkoren mannen, uitverkoren uit velen om in de oorlogen van
El-Schaddaï tegen Diábolus te dienen tot behoudenis der stad Menschziel.
Daarom beveel ik u, gij inwoners van deze nu bloeiende stad, dat gij u
niet onbetamelijk jegens hen gedraagt, want ofschoon zij harten en
aangezichten hebben als leeuwen wanneer zij ten strijde worden geroepen
tegen de vijanden des konings en de vijanden van Menschziel, zoo zal het
evenwel gebeuren, dat wanneer Menschziel hen slechts een weinig
ongenoegen geeft of droefheid veroorzaakt hunne aangezichten daardoor
bedrukt en verslagen zullen worden, ja, gij zult hen verzwakken en den
moed benemen. Gedraagt u derhalve, o mijne beminden, niet onvriendelijk
jegens mijne kloekmoedige kapiteins en dappere oorlogshelden; maar hebt
hen lief, voedt en ondersteunt hen en zet uw hart op hen, en zij zullen
niet alleen voor u strijden, maar ook maken, dat alle Diábolusmannen,
die het er op blijven toeleggen om u zoo mogelijk ten val te brengen en
te verderven, van u zullen wegvlieden.
„Indien te eeniger tijd iemand uit uw midden ziek of zwak of onbekwaam
ware tot den liefdedienst waartoe uwe harten geneigd zijn, en dien zij
bij gezondheid en welstand ook waarnemen, zoo veracht of verwerpt hen
dan niet, maar moedigt hen liever aan, al zijn ze zwak en den dood
nabij; want ze zijn uwe beschermers, uw garnizoen, uwe muren, uwe
poorten, uwe sloten en grendelen. En hoewel gij als ze zwak zijn, weinig
bijstand van hen hebt te wachten, ja zij dan zelfs uwe hulp noodig
hebben, zoo weet gij toch tot welke oorlogsdaden zij in staat zijn
wanneer het hun welgaat. Bedenkt daarbij, dat zoo zij zwak zijn, gij
niet sterk kunt wezen, en zoo zij sterk zijn, gij niet zwak kunt zijn.
Uwe behoudenis is dus nauw verbonden aan hun gezondheid en welvaren en
aan het goede, dat gij hun doet. En bedenkt ook dat als zij ziek zijn,
hunne krankheid aanstekelijk is voor de stad Menschziel. [Hebr. 12 :
12.] [Jes. 35 : 3.] [Openb. 3 : 2.][1 Thess. 5 : 14.]
„Deze dingen heb ik u gezegd, omdat ik uw welvaren en uwe eere bemin.
Neem u daarom in acht, o mijn Menschziel, dat gij nauwgezet zijt in alle
dingen, die ik u opdraag en dat niet slechts als eene stadsgemeente aan
uwe bestuurders, wachters en hoofdlieden, maar ook aan u als
afzonderlijke personen, omdat uw welzijn afhangt van het inachtnemen der
bevelen van uwen Heer.
[Afbeelding: VERVERSCHINGEN NAAR MENSCHZIEL GEBRACHT.]
„Verder, o, mijn Menschziel, moet ik u waarschuwen, niettegenstaande de
hervormingen, die thans onder u gewerkt zijn, dat gij altijd noodig hebt
waakzaam en op uwe hoede te wezen, omdat ik er zeker van ben, en gij
zult het later ook zelf bemerken, dat er nog Diábolus-mannen in de stad
zijn overgebleven; Diábolus-vrienden, die onverzoenlijk zijn, en dat nu
reeds, terwijl ik bij u ben, hoeveel te meer wanneer ik van u zal gegaan
zijn. Zij zullen samenspannen en allerlei complotten maken, zich op
allerlei wijzen inspannen, allerlei uitvindingen doen en wat dies meer
zij, om u te brengen tot een toestand, erger dan de Egyptische
slavernij. Ze zijn innige vrienden van Diábolus, weest daarom
voorzichtig. Zij waren eertijds gewoon met hunnen vorst verblijf te
houden in uw kasteel, toen Ongeloof burgemeester van de stad was; maar
sinds mijne komst aldaar houden zij zich meer op in de buitenwerken
langs de wallen; daar hebben zij zich holen en kelders en spelonken
gemaakt. Daarom, o Menschziel, zal uw werk in dit opzicht wel moeielijk
en hard zijn; gij moet ze grijpen, inkerkeren en ter dood brengen
volgens mijns Vaders wil. Ook kunt gij u niet geheel van hen ontdoen, of
gij moest al de wallen van uwe stad slechten en dat zou ik u toch niet
raden. Vraagt gij mij: wat zullen wij dan doen? Wel, weest op uwe hoede
en gedraagt u als mannen; bespiedt hunne holen, vindt hunne
verblijfplaatsen uit; valt hen aan en maakt geen vrede met hen. Waar zij
zich ook verstoppen, loeren of in hinderlaag liggen, hoe zij zich ook
soms vernederen, of welke voorstellen van vrede zij u doen, laat u niet
met hen in, en tusschen u en mij zal alles wèl zijn. En opdat gij hen
des te beter weet te onderscheiden en te onderkennen uit de inboorlingen
van Menschziel, zal ik u hier in het kort hunne namen opgeven. Luistert:
Hoererij, Onreinheid, Moord, Toorn, Onkuischheid, Bedrog, Boosoog,
Dronkenschap, Brasserij, Afgoderij, Tooverij, Twist, Afgunst, Nijd,
Oproer en Ketterij. Deze zijn de voornaamsten dergenen, die u voor
eeuwig zoeken te verderven; deze zijn spionnen en indringers in
Menschziel. Onderzoekt nu maar ijverig de wetten van uwen koning; daar
zult gij eene beschrijving van hen vinden en de merkteekenen, waaraan
gij hen zeker herkennen zult. [Mark 7 : 21, 22.] [Rom. 7 : 18.]
„Deze boosdoeners zullen, o Menschziel, (en hoe blijde zou ik wezen als
gij hiervan stellig overtuigd waart) indien gij toelaat, dat zij
ongehinderd rondom de stad heen en weder loopen, als slangen en adders
weldra uwe ingewanden verteeren, uwe kapiteins vergiftigen, uwe soldaten
de zenuwen afsnijden, de sloten en grendels verbreken en het thans zoo
bloeiende Menschziel maken tot een dorre, huilende wildernis, een
puinhoop. Derhalve opdat gij moed moogt hebben om deze booswichten, waar
gij ze ook betrapt, te grijpen, zoo geef ik aan de heeren Geloof,
Vastewil en den Griffier, mitsgaders aan alle ingezetenen der stad
volkomen macht en last om alle slag van Diábolus-mannen op te zoeken, te
grijpen en ter dood te brengen door hen aan een kruis te hangen waar of
wanneer gij hen vindt, hetzij schuilende binnen de stad of rondzwervende
rondom de muren.
„Ik zeide u tevoren, o Menschziel, dat ik een geregelden leerdienst
onder u heb ingesteld, maar ook dat gij behalve die twee voorname
leeraren nog meer onderwijzers hebt; want mijne vier eerste kapiteins,
die tegen Diábolus en de zijnen in Menschziel optrokken, zullen
eveneens, als de nood het eischt en zij daartoe worden verzocht, de
ingezetenen in het bijzonder onderwijzen en in het openbaar goede en
heilzame voorbeelden geven, die u in den rechten weg zullen leiden. Ja,
zij zullen zoo het noodig is, een wekelijksche of zelfs dagelijksche
bijeenkomst houden om daarin goede lessen te geven, die u als ge ze
inachtneemt, ten einde toe zullen ten goede komen. Draagt toch vooral
zorg geen van die allen te sparen, welke ik u geboden heb te kruisigen.
Dit zal ik u nog zeggen: ik heb u daar die booswichten en snoodaards met
hunne namen voor oogen gesteld, maar ik zeg u ook dat sommigen hunner
zich aan u zullen voordoen in een andere gedaante alsof ze zeer
godsdienstig zijn; deze zullen u, als ge niet waakt, zooveel schade en
nadeel toebrengen als gij u maar nauwelijks kunt verbeelden. Weest
daarom waakzaam en matig, en laat u niet bedriegen.”
Toen de Prins aldus de stad Menschziel hervormd had en haar onderwezen
in hetgeen haar nuttig wezen kon, bepaalde hij een anderen dag, waarop
het zijn voornemen was, als het volk der stad saamgekomen was, de stad
Menschziel met een eereteeken te begiftigen, -- een kenmerk, dat haar
boven alle volken, koninkrijken en tongen, die op den ganschen aardbodem
woonden, zou onderscheiden. Het duurde niet lang of die bestemde dag was
gekomen en vorst en volk ontmoetten elkander in ’s konings paleis, waar
Immanuel eerst een korte toespraak tot hen hield en daarna deed wat hij
beloofd had.
„Mijn dierbaar Menschziel,” zeide hij, „wat ik nu gereed sta te doen is
geschikt om u aan gansch de wereld kenbaar te maken als de mijne en u
alzoo ook in uwe eigen oogen te verheffen boven alle verraders, welke in
u mochten binnensluipen.”
Toen beval hij, dat zij, die hem dienden, uit zijne schatten deze witte
blinkende kleederen zouden tevoorschijn brengen, „die ik,” zeide hij,
„heb gekocht en voor mijn Menschziel weggelegd.” Zoo werden dan die
witte kleederen uit zijne schatkameren gehaald, en voor de oogen des
volks vertoond. Bovendien was het hun vergund ze aan te nemen en aan te
trekken, „ieder naar dat het hem past,” zeide hij. Zoo werden dan alle
burgers in het wit gekleed, in fijn wit linnen, overheerlijk rein en
glanzend. [Openb. 19 : 8.]
Toen zeide de Prins tot hen: „Dit, o Menschziel, is mijn liverei en het
kenmerk, waaraan men mijne onderdanen van anderer dienaren onderscheidt.
Ja, deze vergun ik aan allen, die de mijnen zijn, en zonder die is het
niemand meer geoorloofd mijn aangezicht te zien. Draag ze daarom om
mijnentwil, die ze u gaf, en aldus zult gij bij de gansche wereld als de
mijnen bekend wezen.”
Nu kunt gij u verbeelden hoe Menschziel schitterde! Zij was helder als
de zon, klaar als de maan en ontzagwekkend als een leger met banieren.
De Prins voegde daar verder nog bij: „Geen vorst, potentaat of
machthebber in het gansche heelal geeft deze liverei behalve ik zelf.
Daarom zult gij hierdoor als de mijnen uitblinken. En waar ik nu aan u
mijne liverei gegeven heb, zoo zal ik u daaromtrent ook mijne bevelen
geven, en zorg, dat gij mijne woorden goed onthoudt.
[Afbeelding: IMMANUEL VERTREKT UIT MENSCHZIEL.]
„Eerstens. Draagt dit kleed dagelijks, opdat gij niet, in gebreke
daarvan, aan anderen zoudt toeschijnen de mijnen niet te wezen. [Pred.
9 : 8.]
„Ten tweede. Houdt het altijd wit, want als het bezoedeld wordt is het
eene schande voor mij. [Openb. 3 : 4.]
„Ten derde. Schort het daarom op en omgordt u, opdat het niet door het
slijk slepe.
„Ten vierde. Past op, dat gij het niet verliest, anders wandelt gij
naakt en zullen de lieden uwe schaamte zien.
„Ten vijfde. Maar als gij het mocht bezoedelen, hetgeen mij zeer zou
smarten en waarover Diábolus zeer vroolijk wezen zou, spoedt u dan voort
om te doen wat in mijne wet geschreven staat, opdat gij moogt staan en
niet vallen voor mij en mijnen troon. Dit is aldus de weg, die maakt dat
ik u niet verlaat, maar voor altijd in deze mijne stad Menschziel zal
wonen.” [Luk. 21 : 36.] [Openb. 7 : 14-17.]
En nu was de stad Menschziel met hare inwoners als een zegel op
Immanuels rechterhand. Waar was nu eene stad of plaats, die zich met
Menschziel kon vergelijken? Eene stad, verlost uit de hand en de macht
van Diábolus; eene stad, die de koning El-Schaddaï liefhad en waarheen
hij Immanuel gezonden had, om haar van den vorst over den put des
afgronds te redden; ja, eene stad, waarin Immanuel gaarne woonde en die
hij tot zijne koninklijke residentie had uitverkoren; eene stad, die hij
voor zichzelven versterkt had en sterk gemaakt door de kracht van zijn
heirmacht. Wat zal ik meer zeggen? Menschziel had nu den
voortreffelijksten vorst, gouden kapiteins en krijgslieden,
krijgsvoorraad, en daarbij kleederen wit als sneeuw. Zal nu Menschziel
ook in staat zijn deze voorrechten te waardeeren en te gebruiken tot het
doel, waartoe ze haar zijn gegeven?
Toen dit alles nu naar het welbehagen van den Prins was in orde
gebracht, beval hij dat zijn standaard op de gebouwen van het kasteel
zou worden geplaatst. En daarna bracht hij haar menigmaal een bezoek.
Geen dag mocht nu meer voorbijgaan of de oudsten van Menschziel moesten
tot hem komen in zijn paleis. Dan wandelden zij samen rond en spraken
over alle groote dingen, die hij gedaan had, en wat hij beloofde in de
toekomst voor de stad Menschziel te doen. Dit gebeurde menigmalen met
den Burgemeester, den heer Vastewil en den eerlijken prediker Geweten.
Maar o hoe genadig, hoe nederbuigend en teeder gedroeg deze gezegende
Prins zich thans jegens de stad Menschziel! In al de straten, tuinen,
boomgaarden, ja overal ging hij rond om te zien of de arme ook zijn deel
kreeg; ja hij kuste die armen, en was iemand krank dan legde hij hem de
handen op en maakte hem gezond. En wat de kapiteins betreft, van dag tot
dag, ja soms van uur tot uur kwam hij hen bemoedigen met zijne
vereerende tegenwoordigheid en aangename gesprekken. Gij moet dan ook
weten, dat een glimlach van hem meer kracht en leven in hen stroomen
deed dan iets anders onder den hemel had kunnen doen. [2 Cor. 6 : 16.]
De Prins wilde hen ook dikwijls te gast hebben; nauwelijks eene week
ging voorbij of een feestmaal had plaats. Gij zult u herinneren, dat wij
reeds melding gemaakt hebben van een feest, dat zij samen vierden; maar
nu werd dat feestvieren meer een gewone zaak; iedere dag mocht nu wel
een feestdag voor Menschziel heeten. En als zij dan naar huis
terugkeerden zond hij hen niet ledig weg; ieder moest wat hebben: een
ring, een gouden keten, een armband, een edelgesteente of iets
dergelijks; zoo dierbaar was Menschziel hem thans, zoo liefelijk was het
in zijne oogen. [1 Cor. 5 : 8.]
Ten andere. Wanneer de oudsten en burgers niet bij hem kwamen, dan zond
hij hun een overvloedigen voorraad spijze, die van het hof kwam, wijn en
brood, die voor zijns Vaders disch waren toebereid; ja zulke lekkernijen
zond hij hun en overdekte daarmede hunne tafel, dat ieder, die ze
aanschouwde, erkennen moest: dergelijke zijn in geen ander koninkrijk
gezien.
En verder. Wanneer Menschziel hem niet zoo vaak bezocht als hij zulks
begeerde, dan ging hij tot hen uit, klopte aan hunne deuren en begeerde
toegelaten te worden, opdat de vriendschap onderhouden bleef; wanneer
zij hoorden en hem open deden, zooals zij gewoonlijk deden als zij
tehuis waren, dan vernieuwde hij zijn vroegere liefde en bevestigde die
door nieuwe bewijzen van zijn gunst.
[Afbeelding: VREEZE-GODS OP HET FEEST VAN VLEESCHELIJKE GERUSTHEID.]
En was het nu niet verrukkelijk te zien, dat in diezelfde plaats, waar
Diábolus zijne woonplaats had, en zijne knechten onderhield tot groote
schade van Menschziel, de Vorst der vorsten nu met hen aanzat etende
en drinkende, terwijl al zijne hoofdmannen, krijgsvolk, trompetters met
de zangers en zangeressen van zijn Vader daar rondom hem stonden! Nu
vloeide de beker van Menschziel over, nu stroomde er zoete wijn in hunne
bekers en aten zij de fijnste meelbloem en dronken melk en honig uit den
rotssteen. Nu zeiden zij: hoe groot is zijne goedheid! want sedert ik
aangenaam was in zijne oogen heeft hij mij bovenmate verheerlijkt!
Nog stelde de gezegende Prins een nieuwen overheidspersoon in de stad
aan, die een zeer goed man was. Hij heette Vrede Gods. Deze officier
werd gesteld over heer Vastewil, den Burgemeester, den Griffier, den
tweeden prediker, den heer Verstand, en over alle inboorlingen der stad
Menschziel. Hij zelf was geen inboorling, maar kwam met den Prins van ’s
konings hof. Hij was een zeer vertrouwde vriend van kapitein Geloof en
kapitein Hoop; sommigen zeggen, dat zij bloedverwanten waren en ik
geloof het ook. Deze man nu werd aangesteld tot algemeenen gouverneur
der stad, waar kapitein Geloof hem ter zijde stond. Ik heb duidelijk
opgemerkt, dat zoolang alle dingen in Menschziel naar den zin van dezen
goedhartigen edelman gedaan werden, ieder er volkomen gelukkig was. Nu
waren er geen twisten of veten, geen vechtpartijen of scheldwoorden in
de gansche stad, ieder hield zich nauwgezet bij zijn eigen werk. De
wachters, de officieren, de soldaten, allen gehoorzaamden hem. En wat de
vrouwen en kinderen betreft, ook zij waren vroolijk aan hunne
bezigheden, zij zongen bij den arbeid van den morgen tot den avond,
zoodat in de gansche stad niet anders werd gehoord en gezien dan
harmonie, rust, vreugde en gezondheid. En dit duurde zoo den geheelen
zomer. [Col. 3 : 15.] [Rom. 15 : 13.]