EENEN MEESTER DIENEN.

Toen dit alles geschied was gaf de Prins bevel, dat de Burgemeester en

de raadsleden van Menschziel een gerechtshof zouden samenroepen om de

Diábolusmannen, welke in preventieve gevangenis zaten onder bewaring van

den cipier Waarachtig te vonnissen.[32]

[32] ~Het gericht en de terechtstelling der Diábolus-mannen~. Het

onderscheid moet nooit uit het oog worden verloren tusschen de

ingeborenen der stad en degenen, die Diábolus medebracht bij zijnen

intocht. De eersten kunnen worden vernieuwd en wedergeboren; de

laatsten moeten worden gedood en uitgedreven.

Toen nu de tijd daar was en het gerechtshof gezeten, werd aan den cipier

Waarachtig bevel gegeven de gevangenen voor de balie te brengen, hetgeen

ook geschiedde. Volgens de gewoonten van Menschziel werden zij

voorgebracht met ketenen beladen. Daar zaten de Burgemeester, de

Griffier en de gansche achtbare vergadering. Eerst werd de jurie gekozen

en daarna werden de getuigen bezworen. De namen der jurieleden waren

deze: de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater, Godlief,

Goede werken, IJveraar voor God en Ootmoedig.

De namen der getuigen waren: de heeren Allesweter, Waarheidspreker,

Leugenhater en de heer Vastewil met zijne mannen, als er nog meer noodig

mochten zijn.[33]

[33] ~De drie getuigen~ Allesweter, Waarheidspreker en Leugenhater

slaan terug op onzen vorm van getuigenis afleggen: 1e de waarheid --

2e de volle waarheid -- 3e niets dan de waarheid.

Zoo werden dan de gevangenen voor de balie gebracht en sprak de heer

Doe-recht (want hij was de stadsklerk): „Brengt Godverzaker vóor,

cipier!” Godverzaker trad vooruit. Toen zeide hij tot hem: „Hef uwe hand

op. Gij staat hier bekend onder den naam van Godverzaker, een indringer

in de stad Menschziel, omdat gij boosaardig en onbeschaamd hebt gezegd

en staande gehouden, dat er geen God is, en dat diensvolgens ook alle

godsdienst overbodig is. Dit hebt gij gedaan tegen de eer en

heerlijkheid van den koning en tegen den vrede en de veiligheid der stad

Menschziel. Wat hebt gij hiertegen in te brengen? Zijt gij schuldig aan

hetgeen u ten laste gelegd is of niet?”

Godverzaker: „Niet schuldig.”

De klerk: „Roep de getuigen, de heeren Allesweter, Waarheidspreker en

Leugenhater binnen.”

[Afbeelding: HET VERHOOR VAN HARDHART.]

En ze kwamen binnen.

Toen zeide de klerk: „Gij getuigen voor den koning, ziet dezen

gevangene, die hier voor de rechtbank staat, aan, kent gij hem?”

Daarop antwoordde heer Allesweter: „Ja, heer, wij kennen hem. Zijn naam

is Godverzaker; hij is jarenlang een zeer gevaarlijk en verleidelijk

persoon geweest in de stad Menschziel.”

De klerk. „Zijt gij er wel zeker van, dat gij hem kent?”

Allesweter. „Hem kennen! Ja, mijnheer. Ik ben vroeger maar al te dikwerf

in zijn gezelschap geweest dan dat ik hem nu niet kennen zou. Hij is een

Diábolusman en de zoon van een Diábolusman. Ik ken beiden, zijn vader en

zijn grootvader.”

De klerk. „Zeer wel; hij is aangeklaagd onder dezen naam en wordt

beschuldigd te hebben gezegd en staande gehouden, dat er geen God is, en

dat men dus ook met godsdienst zich niet moet bezighouden. Wat zegt nu

gij, getuigen des konings, is hij schuldig of niet?”

Allesweter. „Mijnheer, hij en ik waren eens in de Ondeugdstraat bij

elkaêr en hij sprak toen zeer openlijk over allerlei meeningen en

gevoelens. Daar hoorde ik hem toen zeggen, dat hij, wat hem betreft,

volstrekt niet gelooft dat er een God is. „Maar,” voegde hij er bij,

„daarom kan ik mij toch wel houden of ik het geloof en, al naar het

gezelschap, waarin ik mij bevind, mij meer of minder godsdienstig

aanstellen.””

De klerk. „Gij zijt er toch wel zeker van dat hij dat gezegd heeft?”

Allesweter. „Op den eed, dien ik gezworen heb, hij heeft dat gesproken.”

Toen zeide klerk: „Gij, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij als ’s

konings getuige hierbij te voegen?”

Waarheidspreker. „Mijnheer, ik was eertijds een groot vriend en metgezel

van hem, hetgeen mij thans meer spijt dan ik zeggen kan, en ik heb hem

zeer dikwijls met grooten ophef hooren zeggen dat er geen God is, noch

engel, noch geest.”

Klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

Waarheidspreker. „In de Zwartmondstraat en in de Godslasteraarsgang, en

o, op nog zooveel andere plaatsen!”

De klerk. „Weet gij nog meer van hem?”

Waarheidspreker. „Ik ken hem als een Diábolusman en als de zoon van een

Diábolusman, die verschrikkelijk was in zijne ontkenning der Godheid.

Zijns vaders naam was Nimmergoed, die ook nog meer kinderen had dan

dezen Godverzaker. Meer heb ik niet te zeggen.”

De klerk. „Mijnheer Leugenhater, zie gij den gevangene aan. Kent hij

hem?”

Leugenhater. „O, ja, mijnheer, deze Godverzaker is een van de snoodste

boeven, die ik ooit ontmoet heb. Ik heb hem hooren zeggen, dat er geen

God is; ik heb hem ook hooren zeggen, dat er geene toekomende wereld is,

noch zonde, noch strafoefening hiernamaals. Bovendien heb ik hem de

uitdrukking hooren doen, dat het even goed is een huis der ontucht te

bezoeken als eene preek te gaan hooren.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem deze dingen zeggen?”

Leugenhater. „In de Dronkaardstraat, juist naast het Ratelsteegje, in

het huis van meester Goddeloosheid.”

De klerk. „Zet hem weer vast, cipier, en laat Zinnelijke Lust voor het

gerecht verschijnen.” -- En zich tot dien persoon wendende ging hij

voort: „Zinnelijke Lust, gij zijt hier onder dezen naam aangeklaagd, als

een indringer in de stad Menschziel, omdat gij op een duivelsche en

verraderlijke wijze door uwe vuile handelingen en vuile woorden anderen

geleerd hebt, dat het voor een mensch geoorloofd en zelfs nuttig is aan

zijne vleeschelijke lusten toe te geven, en dat gij, wat u aangaat,

uzelven, noch uw zondig vermaak ooit hebt verloochend en dat ook nooit

doen zoudt zoolang uw naam Zinnelijke Lust is. Wat zegt gij daarop? Zijt

gij schuldig of onschuldig?”

Toen antwoordde Zinnelijke Lust: „Mijnheer, ik ben een man van hooge

afkomst en ben gewoon aan vermaak en weelde. Ik ben niet gewoon mij in

mijne handelingen te laten dwingen of regeeren, maar volg steeds mijn

wil als eene wet. Het komt mij zelfs vreemd voor, dat ik heden ter

verantwoording word geroepen voor datgene wat niet alleen ik, maar

verreweg de meeste menschen doen, en ’t zij in het openbaar of in het

verborgen meestal wordt toegestemd en goedgekeurd.”

De klerk. „Heerschap, aan uw hooge afkomst is ons niets gelegen,

ofschoon dit tegen u pleit, want hoe hooger hoe beter gij hadt moeten

zijn; maar wat ons nu bezig houdt is de beschuldiging tegen u

ingebracht. Wat zegt gij daarvan? Zijt gij schuldig of niet?”

[Afbeelding: VALSCHE-VREDE, ZIJN VADER, MOEDER EN BETREKKINGEN.]

„Niet schuldig!” zeide hij.

De klerk. „Roep dan nu weer de getuigen opdat zij hunne getuigenis

afleggen. Gij, getuigen des konings, wat hebt gij in te brengen tegen

dezen mensch? Eerst gij, Allesweter, kent gij hem?”

Allesweter. „Ja, mijnheer, ik ken hem. Zijn naam is Begeerlijkheid. Hij

was de zoon van zekeren Dierlijk of Beestachtig, en zijne moeder baarde

hem in de Vleeschstraat, zij was de dochter van zekeren Boozelust. Ik

ken zijn gansche geslacht.”

De klerk. „Goed. Gij hebt zijne aanklacht gehoord. Wat zegt gij daarvan?

Is hij schuldig aan hetgeen hem te laste wordt gelegd?”

Allesweter. „Mijnheer, hij is inderdaad een groot man zooals hij gezegd

heeft en duizendmaal grooter in goddeloosheid dan van afkomst.”

De klerk. „Maar wat weet gij van zijne bijzondere daden en handelingen?”

Allesweter. „Ik weet, dat hij een leugenaar is, een vloeker, een

sabbatschender, een echtbreker en een onkuische. Ik ken hem als schuldig

aan eene menigte ongerechtigheden. Hij is een zeer snood mensch.”

De klerk. „Maar waar was hij gewoon zijne ongerechtigheden te bedrijven?

In een of anderen verborgen hoek of openbaar en met schaamteloosheid?”

Allesweter. „Door de gansche stad, mijnheer.”

De klerk. „Kom, mijnheer Waarheidspreker, wat hebt gij voor onzen koning

te zeggen tegen dezen gevangene?”

Waarheidspreker. „Al wat de eerste getuige gezegd heeft weet ik waar te

zijn en nog veel meer daarbij.”

De klerk. „Meester Begeerlijkheid, hoort gij wat deze heeren zeggen?”

Zinnelijke Lust. „Ik was altijd van oordeel, dat het gelukkigste leven,

hetwelk een mensch leiden kon op deze aarde, was zich in niets te

bedwingen wat de begeerte van zijn hart hem opgeeft. Ik ben nooit aan

deze mijne opinie ontrouw geweest, maar heb daarin al mijne dagen

geleefd. Daarbij was ik nooit zoo hardvochtig, dat wat ik voor mijzelven

zoet vond, ik dit anderen zou hebben verboden.”

Toen zeide het hof: „Er is genoeg uit zijn eigen mond om hem te

veroordeelen. Men brenge hem weg, cipier, en brenge Ongeloof voor.”

Ongeloof werd voor de rechters gesteld.

„Meester Ongeloof,” zeide de klerk, „gij zijt hier bij dien naam

aangeklaagd als een indringer in de stad Menschziel, omdat gij

goddelooslijk, toen gij overste in deze stad waart, u tegen den koning

El-Schaddaï hebt verzet als hij kwam om de stad op te eischen, ten einde

die weder in zijn bezit te krijgen. Ja, gij hebt u tegen den naam, de

legermacht en de zaak des konings gesteld, en handeldet eveneens als

Diábolus, uw hoofdman; gij hebt de stad oproerig gemaakt en u met alle

macht tegen den koning verweerd. Wat zegt gij op deze beschuldiging?

Zijt gij schuldig of niet?”

Toen zeide Ongeloof: „Ik ken El-Schaddaï niet; ik heb mijn ouden vorst

lief; ik rekende het mijn plicht getrouw te wezen in het mij

toevertrouwde werk, en te doen al wat in mijn vermogen was om den geest

der mannen van Menschziel op te zetten tegen vreemdelingen en

gelukzoekers, tegen wie ik gevochten heb voor mijnen heer. Ook ben ik

daarin nog niets veranderd en zal ook niet veranderen uit vrees of

onrust omdat gij op dit oogenblik bezit genomen hebt van de stad en hare

sterkten.”

Toen sprak het hof: „De man is, zooals gij ziet, onverbeterlijk; hij

houdt met groote onbeschaamdheid zijne ongerechtigheid staande en

belijdt zijn opstand onbewimpeld; daarom: breng hem weg, cipier, en

breng Goedvergeter voor.”

Goedvergeter verscheen voor het gerecht.

De klerk. „Meester Goedvergeter, gij zijt hier bij dezen naam

aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij, toen al de zaken

van Menschziel in uwe handen berustten, ten eenenmale vergeten hebt die

ten goede te besturen, maar u hebt gevoegd bij Diábolus, om tegen koning

El-Schaddaï en zijne kapiteins partij te kiezen. Uw gedrag was tot oneer

van dien koning en tot verguizing zijner wetten, terwijl gij daardoor

Menschziel aan den rand van haren ondergang bracht. Wat zegt gij hierop,

zijt gij hieraan schuldig of niet?”

Toen antwoordde deze persoon: „Gij edelen en heeren, te dezer tijd mijne

rechters, wat de aanklacht betreft, waarbij ik dusdanig beschuldigd

word, schrijf toch goedgunstig mijne vergeetachtigheid toe aan mijnen

ouderdom en niet aan boos opzet; aan de zwakheid mijner hersenen en niet

aan de onverschilligheid van mijn gemoed. Wanneer gij dat doet, zal uwe

goedheid, ofschoon ik schuldig ben, mij wel niet al te zwaar straffen.”

Hierop gaf het hof tot wederantwoord: „O, Goedvergeter, Goedvergeter!

uwe vergeetachtigheid kwam niet slechts voort uit zwakheid, maar zij was

opzettelijk, gij waart maar al te zeer ongenegen goede en deugdzame

dingen in uw geheugen te bewaren. Wat kwaad was kondt gij wèl onthouden,

maar aan het goede kondt gij zelfs niet denken. Gij zoekt u van uwen

ouderdom en voorgewende zwakheid te bedienen en het hof te verblinden en

uwe misdaden te bemantelen en te bedekken. Maar laat ons eens hooren wat

’s konings getuigen tegen u te zeggen hebben. Getuigen, is hij schuldig

of niet?”

Leugenhater. „Mijnheer, ik heb dezen Goedvergeter hooren zeggen, dat hij

het nooit zelfs een kwartier lang uithouden kon aan het goede te

denken.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

Leugenhater. „In de Ondeugdstraat, in de woning, waarnaast de

Toegeschroefde Conscientie uithangt.”

De klerk. „Mijnheer Allesweter, wat kunt gij zeggen tegen dezen

gevangene?”

Allesweter. „Mijnheer, ik ken dezen boozen man wel. Hij is een

Diábolusman en zijn vader was dat ook. Deze heette Nietsbeminnaar, en ik

heb hem dikwijls hooren zeggen, dat de gedachte aan het goede alleen hem

de zwaarste last was, die in de wereld te dragen valt.”

De klerk. „Waar hebt gij hem dit hooren zeggen?”

Allesweter. „In de Vleeschstraat tegenover de kerk.”

Toen zeide de klerk: „Kom gij nu, Waarheidspreker, en geef getuigenis

tegen dezen gevangene omtrent hetgeen, waarvoor hij hier terecht staat

voor dit eerwaarde hof.”

Waarheidspreker. „Mijnheer, ik heb hem hooren zeggen, dat hij liever

aan de vuilste dingen dacht dan aan hetgeen in de Heilige Schriftuur

staat.”

[Afbeelding: OPGEBLAZEN VERDEDIGT ZICHZELVEN.]

De klerk. „Waar hoordet gij hem deze schandelijke woorden spreken?”

„Waar? In verscheidene plaatsen, maar vooral in de Vuilsteeg, in het

huis van Schaamteloos, waar de Verworpeling uithangt, naast de herberg,

die den naam draagt: „de Ingang tot den afgrond.”

Het hof sprak hierop: „Mijne heeren, gij hebt de beschuldiging gehoord

en het getuigenverhoor. Cipier, breng Hardhart nu voor.” En dit

geschiedde.

De klerk. „Meester Hardhart, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een

indringer in deze stad Menschziel, omdat gij de gansche stad met de

jammerlijkste onboetvaardigheid en verharding bezet hebt, haar

terughoudende van alle verbrijzeling en droefheid over hare zonden,

gedurende al den tijd dat zij van den gezegenden koning El-Schaddaï

afgevallen was en tegen hem in opstand heeft geleefd. Wat zegt gij op

deze aanklacht, zijt gij hieraan schuldig of niet?”

Hardhart antwoordde: „Ik beken, mijne heeren, dat ik zoolang ik leef

niet geweten heb wat verbrijzeling of droefheid beduidt. Ik ben

onaandoenlijk; ik geef om niemand; ook kan ik door menschelijke smarten

niet worden gekweld; hun treurigheid noch jammerklacht dringt in mijn

hart door. Als ik iemand kwaad doe of beleedig, is het voor mij muziek

zijn kermen en klagen te hooren.”

Het hof sprak: „Gij ziet, dat deze mensch een rechte Diábolusman is en

zichzelven duidelijk heeft uitgesproken. Breng hem weg, cipier, en laat

Valsche Vrede voorkomen.”

„Valsche Vrede, gij zijt hier bij dezen naam aangeklaagd als een

indringer in Menschziel, omdat gij op eene goddelooze ja, duivelsche

manier haar, terwijl zij in afval en helschen opstand tegen haren koning

leefde, in een valschen, gevaarlijken, ja, verdoemelijken vrede hebt

gebracht en gehouden, een stille gerustheid, die den koning tot oneer

strekt, zijne wet bespot en groote schade en nadeel werkte voor

Menschziel. Wat zegt gij hierop? Zijt gij daaraan schuldig of niet?”

Valsche Vrede antwoordde daarop: „Edele heer en gij allen, die nu als

rechters over mij zit, ik beken dat mijn naam Vrede is, maar dat ik

Valsche Vrede zou heeten, ontken ik ten sterkste. Indien mijne heeren

gelieven te vernemen bij al degenen, die mij kennen en bij mijne

geboorte en naamgeving tegenwoordig waren, zoo zullen zij allen

getuigen, dat mijn naam niet Valsche Vrede maar Vrede is. Om die reden

kan ik tegen deze aanklacht niets inbrengen, dewijl daarin mijn naam

niet is genoemd. Mijn karakter is overeenkomstig mijn waren naam. Ik ben

altijd een man geweest, die lust had in vrede en lust te leven en

hetgeen ik zelf beminde, dacht mij ook voor anderen goed. Daarom als ik

eenige mijner vrienden in moeite zag of met groote onrust worstelend,

zoo heb ik getracht hen tot vrede te brengen zooveel ik kon. Ik zou dit

mijn gehouden gedrag kunnen ophelderen. Toen onze stad zich eerst begon

af te keeren van de wegen van El-Schaddaï en eenigen bij zichzelven

onrust waren over hetgeen zij gedaan hadden, heb ik dadelijk als iemand,

die met de ongerustheid van een ander medelijden heb, getracht een

middel uit te vinden om hen weder gerust te stellen. Toen de wegen der

oude wereld en van Sodom nog bestonden, en er iets voorviel, dat hen,

met de gewoonten van die tijden instemmende, hinderde, was ik ook

dadelijk aan het werk om hen weder te bedaren, en maakte, dat zij hunnen

handel weder voortzetten konden zonder onrust of overlast. Toen de

oorlog eerst begon tusschen El-Schaddaï en Diábolus waren er nu en dan

ook eenigen benauwd en vreesden het verderf van Menschziel. Maar ik heb

door goede raadgevingen en allerlei middelen getracht hen weder tot

vrede te brengen.

„Derhalve, omdat ik ten allen tijde een man geweest ben van zulk een

goedaardigen inborst, met éen woord een vredemaker, (en een vredemaker

is volgens het oordeel van sommigen toch een zeer goed mensch), zoo

verzoek ik u, mijne heeren, die den naam draagt van voor de

gerechtigheid en billijkheid van Menschziel in te staan, toch door uw

hof beschouwd te worden als iemand, die niet verdient onmenschelijk

behandeld te worden. Integendeel verwacht ik door u in vrijheid gesteld

te worden en uw verlof te ontvangen om hen, die mij valschelijk

beschuldigen, in rechten te vervolgen.”

Toen riep de klerk: „Deurwaarder, roep eene proclamatie uit!” en de

deurwaarder riep uit:

„Aangezien de gevangene voor deze rechtbank ontkent, dat de naam,

waarbij hij is opgeroepen, zijn echte naam is, zoo laat het hof bekend

maken, dat als hier iemand tegenwoordig gevonden wordt, die aan het hof

daaromtrent eenige informatiën kan geven, hij gelieve voor den dag te

komen om den origineelen en rechten naam van den gevangene te bewijzen;

want de gevangene beweert zijne onschuld.”

Toen kwamen er twee voor het hof, die begeerden, dat het hun vergund

mocht worden alles te zeggen wat zij over dezen gevangene aan de

rechtbank konden voorleggen. De naam des eenen was Waarheidonderzoeker,

en de naam des anderen was Waarheidsgetuige. Hun werd dan eerst gevraagd

of zij den man, die daar voor hen stond kenden en wat zij aangaande

zijne zelfrechtvaardiging wisten.

Toen sprak de heer Waarheidonderzoeker: „Mijne heeren, ik......”

Maar het hof wenkte hem toe te zwijgen, en de president sprak: „Neen,

eerst den eed doen.”

Hij zwoer den eed en ging toen voort: „Mijne heeren, ik ken dezen man en

heb hem gekend van zijn eerste kindsheid af, en ik kan getuigen, dat

zijn naam Valsche Vrede is. Ik kende zijn vader, wiens naam was

Pluimstrijker; en zijne moeder werd vóor zij getrouwd was mejuffrouw

Vleister genaamd. Toen deze twee getrouwd waren, duurde het niet lang of

deze zoon werd geboren, en dadelijk bij zijne geboorte kreeg hij reeds

dien naam Valsche Vrede. Ik ben lang zijn speelgenoot geweest, ofschoon

ik wat ouder ben dan hij. Ik weet het nog zeer goed, dat als zijne

moeder hem van het spel terugriep, hij dan niet komen wilde en zij

schreeuwde: „Valsche Vrede, kom gauw, anders krijgt ge slaag!” Ja, ik

herinner mij zelfs dat hij nog aan de borst lag, ofschoon ik toen ook

nog maar klein moet geweest zijn, hoe zijne moeder met hem aan de deur

zat en hem op hare armen wiegde. Toen riep zij wel twintig maal: „mijn

kleine Valsche Vrede! mijn lieve Valsche Vrede! mijn zoete Valsche

Vrede! hoeveel houd ik van u, mijn kind!” Zijn peetoom weet het ook

maar al te goed, ofschoon hij de onbeschaamdheid heeft gehad het in het

openbaar te ontkennen.”

[Afbeelding: OUDE ONGELOOF ONTVLUCHT UIT DE GEVANGENIS.]

Toen moest ook de heer Waarheidsgetuige spreken, en nadat hij beëedigd

was, zeide ook hij wat hij wist.

„Mijne heeren, al wat de eerste getuige gezegd heeft is waar. Zijn naam

is Valsche Vrede, want hij gaf voor, dat wie hem anders noemden hem

spot- en scheldnamen gaven. Maar dat was in den tijd toen Valsche Vrede

een groot man was en de Diábolusmannen het rijk in hadden in

Menschziel.”

De president van het hof sprak: „Mijne heeren, gij hebt gehoord wat deze

twee mannen onder eede betuigd hebben tegen dezen gevangene voor onze

rechtbank. En gij, Valsche Vrede, gij hebt uwen naam ontkend, ofschoon

het nu duidelijk blijkt, dat deze getuigen, die eerlijk zijn, en onder

een eed staan, u als zoodanig kennen. Wat uwe klacht aangaat, dat gij

valschelijk beschuldigd zoudt wezen, zoo moet gij weten, dat gij niet

van allerlei boosheid zijt beticht omdat gij een vredemaker zijt onder

uwe naburen, maar omdat de stad Menschziel door u op goddelooze en

slimme wijze bij haren afval en haar oproer is staande gehouden; -- bij

haar oproer tegen haren koning in een valschen, leugenachtigen en

verdoemeniswaardigen vrede is gesust, als om haar in slaap te wiegen, en

te doen volharden bij haar verzet tegen El-Schaddaï’s wetten, en om

aldus rijp te worden voor de verwoesting en voor alle ellenden, die

gekomen zijn en nog komen konden. Al wat gij voor uzelven gepleit hebt,

bestaat hierin, dat ge uwen naam hebt verloochend; maar hier ziet gij,

dat wij getuigen hebben, die bewijzen, dat gij die man wèl zijt. Wat

dien vrede aangaat, waarop gij zoo pocht, dat gij dien onder uwe buren

bewaard hebt: die vrede is geenszins de metgezel der heiligheid en der

waarheid, maar heeft geen grondslag, daar hij steunt op een leugen en is

beide bedriegelijk en verdoemelijk zooals de groote El-Schaddaï heeft

gezegd. Uwe klacht heeft u dus geenszins verlost van hetgeen door

getuigen tegen u is ingebracht, maar veeleer drukt alles even sterk op

u. Laat ons nu de getuigen roepen, die het feit zullen bevestigen, en

laat ons hooren wat zij voor onzen koning tegen dezen gevangene hebben

in te brengen.”

De klerk vraagt aan den getuige Allesweter wat hij te zeggen heeft, en

deze antwoordt:

„Deze mensch heeft sedert langen tijd voorzoover mij heugt, er zijn werk

van gemaakt de stad Menschziel in een zondige rust te houden temidden

van al hare goddeloosheid en afdwalingen, en ik heb hem hooren zeggen:

„Kom, kom, laat ons alle onrust op zijde zetten, op welken grond het dan

ook zij; laat ons maar trachten een stil en gerust leven te leiden, al

ontbreekt er ook een goed fondament aan.””

„En gij, Leugenhater,” zeide de klerk, wat hebt gij te zeggen?”

„Ik heb hem hooren zeggen, dat vrede, al is het langs een

onrechtvaardigen weg, toch nog beter is dan onrust met waarheid.”

De klerk. „Waar hoordet gij hem dat zeggen?”

„Op het Gekkenhuisplein in de woning van een zekeren Onnoozel, waar het

Zelfbedrog uithangt, en hij sprak dat wel twintig maal.”

„Wij mogen nu de moeite wel sparen,” zeide de klerk, „om meerdere

getuigen op te zoeken. Dit bewijs is klaar en voldoende. Zet hem maar

weer, cipier, en laat Onwaarheid voor de vierschaar brengen.”

„Meester Onwaarheid, gij zijt aangeklaagd bij dezen naam als een

indringer in Menschziel, omdat gij overal tot oneer van El-Schaddaï en

op gevaar af van den algeheelen ondergang der vermaarde stad Menschziel,

er uw werk van gemaakt hebt om al de overblijfselen, die er nog van

El-Schaddaï’s wetten en van zijn beeld in Menschziel gevonden werden,

nadat zij haren koning had verlaten en dien boozen tiran was

toegevallen, ten eenenmale te onteeren en geheel te verwoesten. Wat zegt

gij? Zijt gij hieraan schuldig of niet?”

„Niet schuldig, mijnheer!”

Toen werden de getuigen geroepen en de heer Allesweter moest eerst

spreken. Hij zeide het volgende:

„Mijnheer, deze man was niet slechts tegenwoordig bij het omverhalen en

verbrijzelen van het beeld van El-Schaddaï, maar hij deed het zelfs met

eigen schendige hand. Ik heb het met eigen oogen gezien, hij deed het

met grooten ijver op het bevel van Diábolus. Ja, hij deed nog meer dan

dit, want hij was het ook, die het gehoornde beeld van Diábolus daarvoor

in de plaats zette. Ook was hij het, die op verzoek van Diábolus alles

aan stukken scheurde en vernietigde, wat nog van de wetten en

instellingen van El-Schaddaï was overgebleven in het zoo deerlijk

geschonden Menschziel.”

[Afbeelding: ONTMOETING TUSSCHEN ONGELOOF EN DIÁBOLUS.]

De klerk. „Wie zag hem dit doen behalve gij?”

Leugenhater. „Ik, Mijnheer, en nog velen met mij; want dit geschiedde

niet in het geheim maar in het openbaar, voor aller oog. Ja, hij schepte

er zelfs vermaak in het in ’t openbaar te doen, hij droeg daar roem op.”

De klerk. „Wel, Onwaarheid, hoe kondt gij het durven wagen u nog voor

onschuldig uit te geven, waar gij bekend zijt als de bedrijver van zulke

misdaden.”

Onwaarheid. „Mijnheer, ik dacht, dat ik toch iets moest zeggen; en

zooals mijn naam is zoo sprak ik. Ik ben daar vroeger wel eens goed mede

uitgekomen en hoopte, dat ik ook thans mij er wel weer uitredden zou op

die wijze.”

De klerk. „Breng hem weg, cipier, en breng Onbarmhartig voor.” --

„Onbarmhartig, gij zijt bij dezen naam aangeklaagd als een indringer in

Menschziel, omdat gij verraderlijk en goddeloos alle ingewanden der

barmhartigheid hadt uitgeschud, en niet wildet dulden, dat de arme

Menschziel haar eigen ellende beweende, toen zij zich van haar wettigen

koning had losgescheurd, maar dat gij alle moeite hebt aangewend om haar

van berouw en bekeering terug te houden. Wat zegt gij op deze

beschuldiging? Schuldig of onschuldig?”

„Neen,” zeide Onbarmhartig, „al wat ik gedaan heb diende slechts om mij

en anderen wat op te vroolijken zooals mijn ware naam aanduidt; want ik

heet niet Onbarmhartig maar Lustig, en ik kon niet verdragen dat

Menschziel in droefgeestigheid verviel.”

De klerk. „Wat, loochent gij uwen naam? Laat dan de getuigen komen. Wat

zegt gij, getuigen, tegen dezen man?”

Allesweter. „De naam van dezen man is Onbarmhartig, hij heeft zich

altijd zoo genoemd en zijne handteekening is ook zoo; ik heb die

dikwijls gezien onder brieven van aanbelang. Het is echter een

eigenschap der Diábolus-mannen, dat zij hunne namen vervalschen.

Gierigheid dekt zich met den naam van Spaarzaamheid; Hoovaardig weet

zich als het voorkomt den naam van Netheid of Sierlijk te geven; en zoo

doet al de rest ook.”

De klerk. „Heer Waarheidspreker, wat getuigt gij?”

Waarheidspreker. „Ik ken hem als Onbarmhartig; ik heb hem van kindsbeen

af gekend en hij heeft alle goddeloosheid uitgevoerd, die in zijne

beschuldiging tegen hem is ingebracht; maar er is een geslacht, dat

geheel onkundig is van het gevaar om verloren te gaan; daarom noemen zij

allen droefgeestig, die ernstige gedachten hebben en voor dat gevaar

vreezen.”

Toen zeide de klerk: „Breng Opgeblazen voor den rechterstoel, cipier.”

Het gebeurde en de klerk ging voort: „Mijnheer Opgeblazen, gij zijt bij

dezen naam aangeklaagd als een indringer in Menschziel, omdat gij op

verraderlijke en duivelsche manier de stad hebt aangespoord om de

oproepingen van koning El-Schaddaï, bij monde van zijne kapiteins

gedaan, maar luchtig en hooghartig op te nemen. Bovendien leerdet gij de

inwoners smadelijk en verachtelijk van hunnen grooten koning te spreken,

ja, gij moedigdet hen daarenboven aan, zoowel door woord als voorbeeld

om de wapens tegen koning El-Schaddaï en zijn grooten zoon op te vatten.

Zijt gij niet schuldig hieraan? Wat zegt gij?”

Opgeblazen. „Mijne heeren, ik ben altijd een man van moed en dapperheid

geweest; en ben niet gewoon zelfs onder de donkerste wolken te loopen

zuchten of mijn hoofd te laten hangen als een bies. Het heeft mij ook

nooit behaagd, dat iemand voor zijn tegenstander het zeil streek, al had

deze tienmaal het voordeel aan zijne zijde. Ik was niet gewoon te

bedenken wie mijn vijand was of welke zaak hij tegen mij had in te

brengen. Het was mij voldoende, dat ik alles moedig doorstond, dat ik

mij verdedigde als een man en overwinnend uit den strijd kwam.”

De President van het hof. „Meester Opgeblazen, gij zijt niet voor dit

gerecht aangeklaagd omdat gij zulk een dapper man zijt, noch wegens uwe

vastberadenheid in tijden van nood of gevaar, maar omdat gij misbruik

gemaakt hebt van uwe voorgewende dapperheid om de stad Menschziel tot

daden van opstand en oproer tegen den grooten koning en zijn zoon

Immanuel op te zetten. Dit is de misdaad, waarvan gij zijt beschuldigd.”

Maar hij gaf daarop geen antwoord.

Toen nu het rechtsgeding tot dusverre gekomen was en alle gevangenen

waren ondervraagd en terechtgesteld, ging het hof over tot het vellen

van het vonnis; daartoe moest de jurie zich verwijderen en de president

sprak hen aldus aan:

„Gij, heeren leden der jurie, zijt hier tegenwoordig geweest en hebt

deze mannen gezien; gij hebt de beschuldigingen gehoord, die tegen hen

zijn ingebracht, alsmede hunne verdediging of verantwoording tegenover

het getuigenverhoor. Nu blijft er voor u niets meer te doen overig dan

dat gij u een weinig verwijdert om te overleggen op welke wijze gij naar

waarheid en gerechtigheid over hen vonnis zult vellen voor de eer onzes

konings.”

Toen verwijderde zich de jurie en ging in de eenzaamheid beraadslagen,

namelijk de heeren Geloof, Waarachtig hart, Oprecht, Kwaadhater,

Godlief, Waarheiddienaar, Hemelschgezind, Bescheiden, Dankbaar,

Goedewerken, IJveraar voor God en Ootmoedig.[34]

[34] ~De jurie neemt zitting en oordeelt~. Hier wordt de ziel

voorgesteld als tot zichzelve ingekeerd en nu zelf een rechtvaardig

vonnis uitsprekende over alle boosheid en goddeloosheid, waarover zij

zich nu schaamt en bedroeft.

De heer Geloof was president en begon te spreken. „Mijne heeren,” zeide

hij, „wat mij betreft, zoo oordeel ik, dat de mannen, die heden voor de

vierschaar hebben gestaan, allen des doods schuldig zijn.” -- „En ik,”

zeide Waarachtig hart, „ben het geheel met u eens!” -- „Welk een weldaad

is het,” zeide de heer Kwaadhater, „dat zulk boeventuig in hechtenis

is!”

[Afbeelding: DE GRONDWET WORDT VOORGELEZEN.]

„Voorzeker,” zeide de heer Godlief, „dit is een van de aangenaamste

dagen, die ik ooit beleefde, waarop zij worden gevonnisd!” De heer

Waarheiddienaar voegde daarbij: „Ik weet, dat zoo wij hen ter dood

veroordeelen, El-Schaddaï zelf ons vonnis goedkeuren zal!” -- „Daar

twijfel ik niet aan,” zeide Hemelschgezind, „als zulke monsters ons

Menschziel zullen uitgeworpen zijn, welk een goddelijke stad zal het dan

wezen!” De heer Bescheiden sprak: „Wat mij aangaat zoo is het mijne

gewoonte niet mijn oordeel haastig uit te spreken, maar wat deze lieden

aangaat, hunne wanbedrijven zijn zóo openbaar en de getuigenissen tegen

hen zoo handtastelijk, dat hij wel moedwillig blind zou moeten wezen,

die zeggen zou: „deze lieden behoeven niet te sterven!”” -- „God zij

geloofd!” riep de heer Dankbaar, „dat deze verraders achter grendel en

slot zijn!” -- „Ik voeg mijn dank daarbij op mijn bloote knieën,” zeide

de heer Ootmoedig; en de heer Goede Werken sprak: „Ik ben er ook zeer

verblijd om.” De ijverige en oprechte heer IJveraar voor God zeide nog

ten slotte: „Laat hen afgesneden worden; zij zijn voor Menschziel een

pest geweest en hebben haar verderf gezocht.”

Hiermede waren zij het dus allen eens en zoo kwamen zij weder binnen de

gerechtszaal.

De klerk riep nu éen voor éen hunne namen af, waarop zij insgelijks éen

voor éen moesten antwoorden, en nadat dit door het gansche twaalftal was

gedaan werd hun gevraagd of zij het allen eens waren omtrent het

onderhavige rechtsgeding. Daarop antwoordden de leden der jurie

eenstemmig: „Ja.”

De klerk vraagt verder: „Wie van u zal het woord voeren?”

„Onze president,” werd geantwoord.

De klerk. „Nu, gij mannen der jurie, die samen gekomen zijt in naam van

onzen Heer den Koning om hem te dienen in zake leven en dood, gij hebt

gehoord het rechtsgeding van elk der gevangenen voor de rechtbank

alhier: wat zegt gij? Zijn ze schuldig aan hetgeen hun te laste gelegd

is, of onschuldig?”

De president antwoordde uit aller naam: „Schuldig!”

De klerk: „Cipier, pas op uwe gevangenen.”

Dit geschiedde in den morgen en in den namiddag ontvingen zij het vonnis

des doods, beschreven volgens de wet.

De gevangenbewaarder zulk een bevel ontvangen hebbende zette hen alleen

in den binnensten kerker, om daar tot op den dag van de uitvoering van

het vonnis te worden bewaard, hetwelk den volgenden morgen aan hen zou

worden voltrokken.

Maar ziet wat gebeurt er? Een van de gevangenen, Ongeloof genaamd,

breekt uit den kerker los in den tusschentijd, die er verliep tusschen

dat het vonnis werd uitgesproken en dat de terechtstelling zou plaats

hebben. Hij vluchtte uit Menschziel en verstak zich waar hij maar kon in

holen en spelonken, loerende er op om eene gelegenheid te vinden,

waarbij hij Menschziel weder eenig leed kon toebrengen als wraak over

zijn tegenwoordig vonnis.[35]

[35] ~Het ontsnappen van Ongeloof~ is een der meesterlijke trekken uit

Bunyans pen. Ten slotte kan elke zonde tot ongeloof worden

teruggebracht en is dit de bron daarvan.

Toen nu de cipier Waarachtig bemerkte, dat hij zijn gevangene verloren

had werd hij ten hoogste ontsteld, want om de waarheid te zeggen, die

gevangene was de ergste van allen. Daarom liep hij naar den

Burgemeester, naar den Griffier en naar den heer Vastewil om van hen het

bevel te ontvangen, dat door de gansche stad Menschziel naar hem zou

worden gezocht. Dat bevel werd gegeven en overal werd gezocht, maar zulk

een persoon als de aangeduide vond men in de gansche stad Menschziel

niet. Al wat men te weten kon komen was, dat hij een wijle aan den

buitenkant der stad had staan te loeren en dat hij hier en daar sommigen

schalkachtig had toegelachen, toen hij zich wegmaakte uit de stad. Ook

meenden een paar hem over de markt te hebben zien gaan. Kort nadat hij

weg was, kwam er een zekere heer Ziener, die getuigde, dat hij

heengegaan was, wandelende door dorre streken totdat hij Diábolus, zijn

vriend, ontmoette, en dat was juist bij Hellepoortsheuvel.

Het was inderdaad voor den Reus een droevige geschiedenis, die Ongeloof

hem te verhalen had aangaande al de veranderingen, die Immanuel in

Menschziel gemaakt had; hoe hij algemeen pardon had gegeven, zijne

soldaten overal in de stad ingekwartierd, het beeld van Diábolus ter

neder geworpen, eenige Diábolus-mannen gearresteerd en veroordeeld, en

hoe hij de eenige gelukkig ontkomene was. Bij het hooren van dit verhaal

stiet Diábolus een gehuil uit, snoof met zijn neus in den wind als een

draak en deed de lucht van zijn gebrul weerklinken. Ook zwoer hij, dat

hij niet rusten zou vóor hij zich hierover op Menschziel gewroken had,

en die twee beraadslaagden reeds dadelijk tezamen hoe zij de stad weder

zouden kunnen bemachtigen.

[Afbeelding: IMMANUELS FONTEIN.]

„Het meest,” zeide Ongeloof, „hindert het mij, o mijn vader, dat die

Vastewil, die oproerling, die, zooals wij meenden, ons nooit in de steek

zou hebben gelaten, zich geheel heeft omgekeerd en nu in groote eere is

bij Immanuel, evenals hij het ook was bij u. Hij heeft dan ook op last

van zijn vorst alle Diábolus-mannen laten vatten en veroordeelen; acht

van de beste en trouwste vrienden van mijn heer zitten in den kerker,

ik, de negende, ben het nu ontkomen om het u aan te zeggen!”

Zoo brak de dag der terechtstelling aan en de gevangenen in Menschziel

zouden worden gedood. Zij werden naar het kruis geleid en dat door

Menschziel zelve op de plechtigste manier; want de Prins zeide, dat dit

moest geschieden door de handen der inwoners, „opdat ik zien mag,” zeide

hij, „de bereidwilligheid mijner verloste Menschziel om mijn woord te

houden en mijne geboden te doen, en opdat ik Menschziel in deze

handelwijze kan zegenen en toejuichen. Bewijzen van oprechtheid behagen

mij zeer; laat daarom Menschziel beginnen met zelf de hand te slaan aan

deze Diábolus-mannen, om hen te vernielen.” [Rom. 8 : 13 en 6 : 12-14.]

[Gal. 5 : 24.]

Zoo sloeg hen dan de stad Menschziel naar het woord van hunnen vorst;

maar toen de gevangenen uitgebracht werden om te worden gekruisigd, kunt

gij maar kwalijk gelooven welk een moeilijk werk Menschziel had om hen

ter dood te brengen. Deze booze mannen, wetende dat zij sterven moesten

en ieder in hun binnenste aan Menschziel een doodelijken haat

toedragende, stonden hunne bewaarders en geleiders tegen en verdedigden

zich wanhopig. Daarom zagen de mannen van Menschziel zich genoodzaakt om

hulp te roepen tot de kapiteins van den Prins en de soldaten. Nu had de

groote El-Schaddaï een Geheimschrijver in de stad, die de mannen van

Menschziel liefhad.[36] Deze was zonder dat zij het wisten op de plaats

der terechtstelling tegenwoordig. Pas hoorde hij hun hulpgeschrei of hij

stond op van zijne plaats en kwam hen te hulp. Hij legde zijne handen op

de handen der mannen van Menschziel. Zoo kruisigden zij dan de

Diábolus-mannen die een plaag, eene geeseling, eene schande voor de stad

Menschziel waren geweest. [Rom. 8 : 13.]

[36] ~Een geheimschrijver~. De inwoning des Heiligen Geestes.

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 30 / 56 题