Aldus heb ik u nu getoond de wijze waarop en den weg waarlangs Immanuel
er toe geraakte om die vermaarde stad Menschziel te herwinnen en uit de
hand en macht van den reus Diábolus te verlossen.
Toen nu de Prins de uitwendige blijken van vreugde had aan den dag
gelegd, beval hij dat zijne kapiteins en hunne manschappen onder de
muren van Menschziel een spiegelgevecht zouden houden, en dit deden zij
dadelijk. Maar o, met welk eene behendigheid, vaardigheid,
nauwkeurigheid en moed voerden deze krijgslieden hunne bewegingen uit
voor het oog van Menschziel, dat in stomme bewondering dit
spiegelgevecht aanstaarde!
Zij marcheerden vooruit, nu eens allen in éene richting, dan weer tegen
elkander in; zij verdeelden zich, openden de gelederen, sloten ze weer;
maakten front, vergrootten de gelederen, lieten dan den rechtervleugel
naar het front trekken, dan den linker; daarna weder naar de achterhoede
-- en twintig manoeuvres meer, maar alles met de grootste nauwkeurigheid
en sierlijkheid in hunne wendingen en bewegingen. Nooit hadden de lieden
van Menschziel zoo iets gezien, daarom klom hunne verbazing ten top.
Maar daarna voegde zich daarbij het gebruik maken van hunne wapens in
het spiegelgevecht; en toen toonden zij niet minder behendigheid en
nauwkeurigheid, en werden niet minder bewonderd ook, beiden door die
van de stad en door mij.
Toen deze handeling geschied was kwam de geheele stad Menschziel tot den
Prins uit in het leger om hem voor zijne overvloedige genade te danken
en hem nederig te smeeken, dat hij nu met hen wilde medegaan naar
Menschziel en daar voor altijd zijne residentie houden. Zij deden dit op
de nederigste manier, zich zeven maal voor hem ter aarde buigende. Toen
zeide hij: „Vrede zij ulieden!” en nader tredende raakten zij de punt
van zijn gouden schepter aan. Daarop smeekten zij: „O, dat vorst
Immanuel met zijne kapiteins en krijgslieden voor altijd in Menschziel
wilden wonen, en dat zijne slingers en stormrammen binnen in haar
mochten worden opgesteld ten dienste van den Prins en tot versterking
van Menschziel. Want,” zeiden zij, „wij hebben ook plaats voor uwe
oorlogswerktuigen en overvloedige ruimte om een magazijn van
krijgsvoorraad op te richten. O, doe dat, Immanuel, en gij zult voor
eeuwig ons tot een koning en een hoofd wezen. Ja, regeer gij naar al de
begeerte uwer ziel en maak gouverneurs en vorsten uit uwe kapiteins en
oorlogsmannen, wij willen uwe knechten zijn en uwe wetten zullen ons in
alles besturen.”
Zij voegden daar nog meer bij en baden zijne majesteit daar toch wel
bijzonder op te letten, „want,” zeiden zij, „indien nu, na al die
genade, welke gij ons bewezen hebt, uwe arme stad Menschziel weer door u
en uwe kapiteins zou worden verlaten, wanneer gij nu van ons weggingt,
nu gij ons zooveel weldadigheid hebt bewezen en ons zooveel
barmhartigheid getoond, wat zal daar dan anders op volgen, dan dat het
zou worden alsof onze vreugde nooit bestaan had, en onze vijanden zullen
opnieuw terugkeeren en ons nog woedender aanvallen dan in het eerst.
Daarom smeeken wij u, o gij begeerlijke onzer oogen en kracht en leven
van onze arme stad, neem onze gelofte aan, waar wij u als onzen heer
uitroepen en kom in het midden van ons wonen; laat ons uw volk zijn.
Bovendien, heer, wij weten het niet, maar het kan wezen dat nog vele
Diábolusmannen de stad bespieden, en zij zullen ons verrassen wanneer
gij ons zult verlaten hebben, en ons weder in de handen van Diábolus
overgeven. Wie weet welke voornemens, complotten of samenspanningen
alreeds onder hen plaats hebben! O, dat wij toch nooit weder in hunne
handen vallen. Laat het u daarom behagen ons paleis als uwe residentie
te aanvaarden en de beste huizen der stad tot een woonplaats voor uwe
mannen.”
Toen zeide de Prins: „Als ik in uwe stad kom, wilt gij dan toelaten, dat
ik alles doe wat ik in mijn hart heb tegen mijne en uwe vijanden? Ja,
wilt gij mij helpen in hetgeen ik daartoe onderneem?”
Zij antwoordden: „Wij weten niet wat wij doen zullen, wij hadden
eertijds ook niet gedacht, dat wij zulke verraders jegens El-Schaddaï
worden zouden als wij bewezen hebben te zijn. Wat zullen wij daarom
thans tot mijnen Heer zeggen? Laat hem geen vertrouwen stellen in zijne
heiligen; maar laat hem wonen in ons kasteel en van onze stad eene
vesting maken; laat hem zijne edele kapiteins en zijne krijgshaftige
soldaten over ons zetten; ja, laat hem ons overwinnen door zijne genade,
en dan zal hij voorzeker met ons zijn, en ons helpen zooals hij dat deed
op dien dag en dien morgen toen ons pardon ons voorgelezen werd. Wij
zullen instemmen daarmede, onze heer, en met al uwe wegen, en zullen met
uw woord de machtigen aanvallen.
„Nog éen woord en uwe knechten hebben uitgesproken, en zullen hierin
mijn Heer niet meer lastig vallen. Wij kennen de diepte der wijsheid van
u, onzen vorst, niet. Wie is er, die met reden zou hebben kunnen denken,
dat uit al die bittere beproevingen, waarmede wij beproefd geweest zijn,
zulk eene zoetigheid zou voortvloeien als wij nu genieten! Maar, Heer,
laat uw licht voor ons henengaan en uwe liefde ons achtervolgen: ja,
neem ons bij de hand en leid ons door uwen raad en laat die ons altijd
bijblijven, opdat alles ten beste van uwe knechten uitloope; en kom in
ons Menschziel en doe er wat u behaagt. O, heer, kom tot ons Menschziel,
doe er wat u behaagt, als ge ons maar bewaart voor de zonde en Uwe
Majesteit leert dienen!”
Toen zeide de Prins tot de stad Menschziel: „Ga heen, keer terug naar
uwe woning in vrede. Ik zal volgaarne al uwe begeerten inwilligen; ik
zal mijne koninklijke tent verlaten, ik zal morgen mijn leger van voor
de Oogpoort doen oprukken en zal de stad Menschziel binnenrijden. Ik zal
zelf bezit nemen van uw kasteel en zal mijne soldaten over u stellen; ja
ik zal nu dingen doen in Menschziel, die nooit bij eenige natie,
landstreek of koninkrijk gebeurd zijn onder den wijden hemel.”
Toen slaakten de mannen van Menschziel een vreugdekreet en keerden in
vrede naar hunne woningen terug. Daar vertelden zij aan hunne kinderen
en vrienden al het goede, dat Immanuel beloofd had aan Menschziel te
doen. „En morgen,” zeiden zij, „zal hij onze stad binnenrijden en maken
woningen bij ons in Menschziel.”
Toen gingen de inwoners van Menschziel met groote haast naar buiten naar
de groene boomen en weiden om takken en bloemen te verzamelen, ten einde
die op de straten te strooien hun koning tegemoet; ze maakten ook
guirlandes en andere versieringen om hunne vreugde aan den dag te leggen
en hunnen Immanuel waardig te ontvangen, ja zij strooiden de gansche
straat vol van de Oogpoort tot de deuren van het kasteel, de plaats,
waar de prins wonen zou. Ook bereidden zij voor zijne komst de beste
muziek, die de stad bijeenbrengen kon om voor hem bij zijnen intocht te
spelen.
Op den bepaalden tijd deed hij dus zijne intrede in Menschziel en werden
de poorten voor hem opengezet; daar wachtten ook de oudsten en
bestuurders van Menschziel hem op ten einde hem duizendmaal welkom te
heeten. Hij stond dan op en ging Menschziel binnen, hij en al zijne
dienaren. De oudsten gingen huppelende voor hem uit tot zij aan de
poorten van het kasteel waren genaderd. De Prins was gekleed in zijn
gouden wapenrusting; hij reed op zijn koninklijken wagen, de trompetten
klonken rondom hem, de vlaggen waren ontplooid; zijne tienduizenden
volgden hem op den voet en de oudsten van Menschziel gingen voor hem
uit. En nu waren de muren van die vermaarde stad opgevuld met de
inwoners, die zich daar verzamelden om de nadering van den Prins aan het
hoofd van zijn koninklijk leger gade te slaan. Evenzoo waren alle
vensters, balkons, ja zelfs de daken der huizen gevuld met lieden van
allerlei stand en leeftijd, om het goede te aanschouwen wat hunne stad
te beurt viel.
Toen hij nu de stad was binnengetrokken tot op de hoogte van het huis
van den griffier, gaf hij bevel, dat iemand naar kapitein Geloof zou
gaan om te vragen of het kasteel gereed was gemaakt tot de ontvangst
(want de toebereidselen aldaar waren opgedragen aan dezen kapitein).
Daarom werd nu ook aan kapitein Geloof gelast, dat hij met zijne
strijdmacht naar buiten zou komen om zijn vorst te ontmoeten, en volgens
dat bevel werd ook gedaan. Zoo geleidde hij hem dan in het kasteel.
Daarna logeerde de Prins dien nacht daar binnen met al zijne machtige
kapiteins en oorlogsmannen tot groote vreugde der stad Menschziel.
[Hand. 15 : 9.] [Efez. 3 : 19.]
De eerste bezigheid van de lieden der stad was nu zorg te dragen, dat de
kapiteins en krijgslieden van ’s prinsen leger onder hen zouden worden
ingekwartierd. Niemand zocht zich er van af te maken, maar integendeel
ieder had spijt, dat hij er nog niet meer kon bergen: want elke burger
van Menschziel had zooveel achting voor Immanuel en zijne mannen, dat
niets hem meer griefde dan dat hij het gansche leger niet herbergen kon.
Zij rekenden het eene eer hen te mogen verzorgen, en wilden hen gaarne
op hunne wenken bedienen alsof zij hunne lijfknechts waren geweest.
Ten laatste werd het aldus bepaald: kapitein Onschuld zou worden
ingekwartierd bij den heer Rede; kapitein Geduld zou wonen bij den heer
Gemoed. Deze heer Gemoed was eertijds Vastewils klerk geweest, namelijk
tijdens den opstand. Verder werd besloten, dat kapitein Liefde zou
verblijf houden bij den heer Genegenheid; dat kapitein Goede Hoop zou
worden ingekwartierd bij den Burgemeester. Wat het huis van den griffier
aangaat, hij zelf begeerde dat de kapiteins Boanerges en Overtuiging
zich daar zouden vestigen, aangezien hij zoo vlak bij het kasteel
woonde, en door den prins was verordend, dat ingeval het noodig worden
mocht alarm te slaan in de stad Menschziel, dit dan van hem zou uitgaan.
In zijn groot paleis logeerde hij bovendien hunne manschappen.
Wat de kapiteins Oordeel en Strafoefening aangaat, de heer Vastewil nam
hen en hunne mannen tot zich, omdat hij onder het oppergezag van den
Prins voor het welzijn der stad had te zorgen, evenals hij van tevoren
onder den tiran Diábolus aan haar verderf had medegeholpen. Zoo werden
ook de overige troepen van Immanuels gevolg in de stad gehuisvest; maar
kapitein Geloof bleef met zijn volk voortdurend in het kasteel. [Rom.
6 : 19.] [Efez. 3 : 17.]
[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS VERGRUISD TOT STOF.]
Nu meenden de oudsten en hoofden van Menschziel, dat zij zich nooit van
den Prins zouden kunnen verzadigen; zijn persoon, zijne woorden, zijne
handelingen waren zoo bekoorlijk, zoo begeerlijk en aantrekkelijk voor
hen, dat zij hem baden toch niet altijd binnen de muren van het kasteel
te vertoeven, maar ook dikwijls hunne straten te bezoeken. „Want,”
zeiden zij, „geliefde Opperheer, uwe tegenwoordigheid, uw glimlach, uw
blikken, uwe woorden zijn het leven, de kracht, de zenuwen der stad
Menschziel.”
Benevens dit begeerden zij ook, dat zij zonder ophouden of bezwaren
toegang mochten hebben tot zijn persoon, waarom hij beval, dat de
poorten zouden openstaan, opdat zij telkens mochten kunnen zien wat daar
plaats had en het koninklijk paleis ongehinderd konden binnentreden.
Wanneer hij sprak dan hielden allen zich stil om naar hem te luisteren,
en als hij wandelde, dan was het hun een genot zijne voetstappen na te
treden.
Nu maakte op zekeren tijd Immanuel een feest voor de mannen van
Menschziel, en op den feestdag kwam al het stadsvolk naar het kasteel om
deel daaraan te nemen. De maaltijd bestond uit allerlei buitenlandsche
gerechten -- een spijze, die niet op de akkers van Menschziel groeide,
noch in het gansche koninkrijk het Heelal -- ’t was eene spijze die van
zijns Vaders hof kwam. Zoo werd dan disch na disch bezet en toegericht
en ieder mocht vrijelijk eten. Maar telkens als nieuwe gerechten werden
opgedragen, zeiden zij tot elkander: „Wat is dit?” want zij wisten niet
hoe zij het noemen zouden. Zij dronken ook van het water, dat wijn
geworden was en waren zeer vroolijk met hem. Daar was muziek al den
tijd, dat zij aan tafel zaten, en men at het brood der engelen en honig,
die uit den rotssteen was gedropen. Zoo at Menschziel de spijze, die
bijzonder voor het hof bestemd was, ja zij hadden daarvan overvloed.
[Ps. 78 : 24, 25.]
Ook moet ik niet vergeten u te vertellen, dat er muzikanten bij den
maaltijd tegenwoordig waren, die evenmin uit de stad Menschziel hun
afkomst hadden noch uit heel dien omtrek; zij waren opperzangmeesters
aan het hof van koning El-Schaddaï.
Nadat nu de maaltijd was afgeloopen onderhield Immanuel zich nog langen
tijd met zijne gasten. Hij gaf hun moeielijke raadselen op of
geheimzinnige uitspraken door zijns Vaders secretaris opgesteld;
dergelijke zijn nog nooit in eenig koninkrijk gemaakt omdat niemand
El-Schaddaï evenaart in wijsheid en verstand. Vele van deze raadsels
waren gemaakt op koning El-Schaddaï zelf en op zijn zoon, tevens
betrekking hebbende op zijne oorlogen met Menschziel.
Immanuel zelf legde hen eenige van die raadselen uit; maar o wat werden
zij toen verhelderd in het verstand! Zij zagen wat zij nimmer hadden
gezien; zij hadden zich niet kunnen verbeelden, dat zooveel diepe zaken
verborgen lagen onder enkele zoo eenvoudige woorden. Ik zeide u reeds
wien deze raadselen betroffen, en als zij uitgelegd waren dan zag ieder
duidelijk in dat het zoo was. Ja het gebeurde ook wel, dat de zaken zoo
duidelijk en klaar waren, dat er geene uitlegging bij noodig was, maar
dat zij alleen Immanuel behoefden aan te zien om geheel achter de
beduidenis te komen. Zij wenkten dan ook reeds elkander toe, en konden
niet nalaten te zeggen: „Dat is het lam:” „Hij zelf is het offer.” „Hij
is de rots! Daar is de roode vaars! Dat is de deur en dat is de weg!” en
zoo nog veel meer.
Daarna liet hij de inwoners van Menschziel gaan. Maar niemand kan zich
verbeelden hoe dat volk met deze behandeling was ingenomen! O, zij waren
overstelpt van vreugde; zij waren dronken van bewondering toen zij zagen
en begrepen wat hun Immanuel voor hen was, en welke geheimen hij hun
ontsloot. En toen zij tehuis kwamen en in hunne eenzaamheid teruggekeerd
waren konden zij niet anders, dan van zijne daden zingen, ja zelfs zóo
waren zij van hem vervuld, dat zij in hunnen slaap zijn lof zongen.
Nu was het in het hart van den prins Immanuel om de stad Menschziel te
vervormen en haar zulk een voorkomen te geven als hem het meest behaagde
en ook het meest dienstig was tot versterking en verfraaiing. Hij
voorzag ook tegen invallen van buiten of verraad van binnen, alles uit
liefde voor Menschziel.
Ten eerste gebood hij nu, dat de slingers, die hij van zijns Vaders hof
had meêgebracht toen hij den oorlog tegen Menschziel ondernam, op de
borstweringen van het kasteel en op de torens gezet werden, want hij had
ook verscheidene torens laten bouwen. Ook had hij zelf een instrument
uitgevonden, dat met bijzondere juistheid steenen wierp uit het kasteel
en uit de Mondpoort; een onweerstaanbaar krijgswerktuig, dat altijd doel
trof. Het droeg geen naam, maar werd aan kapitein Geloof toevertrouwd om
er in buitengewone gevallen gebruik van te maken.
[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST WORDT NAAR DE RECHTBANK GEVOERD.]
Toen dit gedaan was riep hij den heer Vastewil tot zich en gaf hem het
bevel over de poorten, de wallen en de torens der stad. Ook stelde hij
het staande leger onder zijn gezag met bijzonderen last om te waken
tegen alle oproer en opschudding, die den vrede van onzen koning en van
de goede stad Menschziel zou kunnen storen. Evenzeer gaf hij hem in
last, dat als hij sommigen der Diábolusmannen in eenigen hoek der stad
verborgen vond, hij dan aanstonds de hand aan hen slaan moest of hen in
verzekerde bewaring nemen, opdat zij naar de wet mochten worden
gestraft.
Toen riep hij den heer Verstand tot zich, den ouden burgemeester, die
dadelijk uit zijn ambt was ontzet toen Diábolus de stad innam. Hij
herstelde hem nu in zijn ambt en wel voor zijn leven. Hij verzocht hem
ook een paleis voor zich te bouwen vlak bij de Oogpoort, en dan moest
het een sterk paleis zijn op de manier van een toren ter verdediging.
Hij verzocht hem daarbij de boeken der openbaring en uitlegging der
mysteriën al zijne levensdagen ijverig na te lezen, opdat hij zijn ambt
waardiglijk mocht bekleeden.
Hij maakte ook den heer Kennis tot secretaris of griffier,[31] niet om
den ouden edelman Geweten te verstooten, maar omdat hij voor dezen een
beter ambt had, dat hij hem later zou opdragen.
[31] ~Kennis~ wordt griffier, terwijl het Geweten een hoogeren post
bekomt. Kennis is het geheugen de herinnering der ziel. Jezus zegt:
„Dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen, den eeuwigen waarachtigen
God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17 : 3.
Toen beval hij dat het beeld van Diábolus zou weggenomen worden van de
plaats waar het opgesteld was, en dat zij het volkomen moesten
vernielen, het tot puin vergruizen en dan naar alle winden verstrooien
buiten de muren der stad. Maar het beeld van El-Schaddaï zijn vader
moest weder worden opgericht en nevens het zijne op de poort van het
kasteel geplaatst. Het moest sierlijker gemaakt worden dan ooit tevoren
aangezien zijn vader en hij thans in meerdere genade dan eertijds tot de
stad Menschziel gekomen waren. Hij wilde ook dat zijne naam duidelijk
zou worden gegraveerd op de buitenmuur der stad, en wel in het fijnste
goud ter eere van Menschziel. [Openb. 22 : 4.]
Nadat dit alles geschied was gaf Immanuel last, dat die drie groote
Diábolusmannen gevat zouden worden, welke zooveel ellende hadden
aangericht; te weten de twee burgemeesters Ongeloof en Zinnelijke Lust
met den secretaris Goedvergeter. Benevens hen waren er nog enkelen, die
Diábolus tot edellieden en eereburgers in Menschziel gemaakt had, die
door de hand van den nu zeer ijverigen en getrouwen heer Vastewil werden
gevat.
Hier zijn hunne namen: Jonkheer Godverzaker, jonkheer Hardhart en
Jonkheer Valsche Vrede. De eereburgers waren de heeren Zonder Waarheid,
Zonder Medelijden, en Hoogmoed. Deze werden in de gevangenis gezet en de
naam van den cipier was Waarachtig. Deze Waarachtig was een dergenen,
die Immanuel mede gebracht had van zijns vaders hof, toen hij den oorlog
tegen Menschziel aanving.
Hierna gaf de Prins bevel, dat de drie sterkten, die op aanstoken van
Diábolus door zijne mannen in Menschziel gebouwd waren, moesten worden
afgebroken en geheel vernield. Van deze sterkten, hare namen en
gouverneurs hebt gij reeds tevoren gelezen. Maar dit werk ging langzaam
wegens de grootte dier vestingen en de steenen, het ijzer en lood, dat
er aan was. Het duurde lang eer al dat puin was opgeruimd.