De bestemde dag gekomen zijnde, werd het bevel gegeven en stonden de
mannen van den prins dapper in de wapens en richtten evenals vroeger
hunne beste krachten tegen de Oorpoort en Oogpoort. Het wachtwoord
luidde: „Menschziel is gewonnen!” Zoo vielen zij dan op de stad aan.
Diábolus daarentegen stond hen tegen met zijne beste krachten, en
inderdaad zijne grooten en opperhoofden vochten eenigen tijd zeer fel en
wreed tegen ’s prinsen leger.
Maar na drie of vier flinke aanvallen door den prins en zijn edele
kapiteins werd de Oorpoort opengebroken;[23] de bouten en grendels,
waarmede hij was toegemaakt, braken in duizend stukken. Toen klonken de
trompetten, juichten de kapiteins, beefde de stad, en trok Diábolus zich
in zijn hol terug. Toen nu ’s prinsen leger de poort had opengebroken
kwam hij zelf daar en stelde er zijn troon. Hij plantte ook zijn
standaard op een berg, dien zijn volk daartoe opzettelijk had opgeworpen
en die de heuvel „Ziet toe hoe gij hoort” genoemd werd. Daar hield de
prins nu zijn verblijf, te weten dicht bij den ingang der poort. Hij
beval ook, dat de gouden slingers nu op de stad zouden worden gericht,
en voornamelijk het kasteel zouden bestoken, omdat daar Diábolus en zijn
complot zich hadden teruggetrokken. Van de Oorpoort liep de straat
regelrecht uit op het huis van den heer griffier, die namelijk griffier
was vóor Diábolus de stad innam, en vlak bij zijn huis stond het
kasteel, dat Diábolus sedert lang tot zijn verfoeielijk hol gemaakt had.
Daarom lieten de kapiteins zeer gezwind die straat schoonvegen door
middel van hunne slingers, zoodat hun nu de weg openstond tot het hart
der stad. Toen gaf de prins bevel, dat de kapiteins Boanerges,
Overtuiging en Oordeel voorwaarts rukken zouden naar het paleis van den
ouden edelman en op zijne poort aanvallen. De kapiteins rukten met
vliegende vaandels en in volle wapenrusting, de stad Menschziel binnen,
om de woning van den griffier Geweten te bestormen, die bijna even sterk
was als het kasteel. De stormrammen, die zij bij zich hadden, rammeiden
de deuren van het kasteel. Toen zij aan het huis van den heer Geweten
gekomen waren, klopten zij aan en vraagden binnengelaten te worden. De
oude edelman, niet ten volle hun oogmerk verstaande, hield zoolang het
gevecht duurde zijne poorten gesloten. Daarom, nadat Boanerges
tevergeefs gevraagd had binnengelaten te worden, zoo liet hij een stoot
geven met den kop van een stormram, en deze deed den ouden man beven en
zijn huis op de fondamenten schudden. Toen kwam de griffier af naar de
poort en vraagde met bevende lippen wie daar waren. Boanerges
antwoordde: „Wij zijn de kapiteins en gezagvoerders van den grooten
El-Schaddaï en den gezegenden Immanuel, zijn Zoon, en wij eischen uw
kasteel op voor het gebruik van onzen edelen vorst.” Intusschen gaf de
stormram de poort nog een stoot. Deze deed den ouden edelman nog meer
beven; toen durfde hij niet anders dan de poort openen, en ’s konings
krijgsmacht trok binnen, namelijk de drie bovengenoemde kapiteins. Het
huis van den griffier was eene zeer gemakkelijke en welgelegen
verblijfplaats voor Immanuel, niet alleen omdat het zoo dicht bij het
kasteel stond en zoo sterk was, maar ook omdat het zoo groot van omvang
was en vlak tegenover Diábolus’ spelonk, waarin hij zich thans had
verscholen, niet voor den dag durvende komen. Wat den griffier zelven
betrof, de kapiteins hielden voor hem hun voornemen nog bedekt, en het
groote doel van Immanuel bleef hem verborgen, zoodat hij niet wist wat
hij er van denken moest en wat het einde zou wezen van zulk een
donderend krijgsrumoer.[24]
[23] ~De Oorpoort wordt eerst opengebroken~. -- Wanneer de Geest des
Heeren langen tijd met den mensch geworsteld heeft door de bediening
des Woords en de genademiddelen, zoo gaat eindelijk het oor open voor
de roepstem van boven. Maar het is Immanuel om het ~hart~ te doen en
daarom richt Hij zich nu op het middelpunt van ’s menschen wezen.
[24] ~De oude griffier Geweten~ is zeer verschrikt en wordt ook niet
dadelijk in alle plannen ingewijd. Als het geweten wakker wordt dan
vreest het Gods rechtvaardigheid en kan zich niet voorstellen, dat al
die vreeselijke oordeelen en schrikkelijke overtuigingen enkel zijn
tot behoudenis der ziel.
[Afbeelding: DIÁBOLUS VERSLAGEN.]
Het werd nu ook weldra bekend in de stad hoe het huis van den ouden
griffier was ingenomen, zijne kamers allen waren bezet en zijn paleis
tot een oorlogstuighuis gemaakt. En zoodra verspreidde dit gerucht zich
niet naar buiten of allen waren zeer ontsteld. Ieder deelde dit bericht
aan zijne vrienden mede, en evenals een sneeuwbal bij het rollen niet
verliest, zoo was binnen korten tijd de stad er mede vervuld, en ieder
meende, dat men van den prins niets anders te verwachten had dan verderf
en ondergang. De oorzaak hiervan was, dat de griffier maar voortdurend
beefde en de kapiteins alles voor hem bedekt hielden. Dit maakte ook,
dat menigeen kwam aanloopen om het met eigen oog te zien. Maar wanneer
zij dan de kapiteins in het paleis zagen en de stormrammen spelende op
de poorten van het kasteel om die omver te stooten, zoo werden zij nog
meer ontsteld. En zooals ik zeide, de eigenaar van het huis maakte dit
alarm niet minder, want al wie bij hem kwam en met hem sprak, verhaalde
hij, dat hij niet anders dan dood en verderf vreesde en verwachtte voor
Menschziel.
„Gij allen zult mij toestemmen,” zeide de edelman, „gij allen weet, dat
wij verraders geweest zijn jegens dien eertijds zoo verachten, nu zoo
zegevierenden en heerlijken vorst Immanuel, want nu ziet gij voor uwe
oogen hoe hij ons niet slechts dicht ingesloten houdt, maar zich toegang
heeft verschaft binnen onze poorten. Bovendien Diábolus ontvlucht hem,
en nu heeft hij, zooals gij ziet, van mijn huis eene vesting gemaakt, om
vandaar uit het kasteel te bestormen, waar Diábolus zich bevindt. Ik
voor mij, heb grootelijks gezondigd door mij stil te houden als ik
spreken moest, en door de gerechtigheid te verdraaien als ik ze
uitoefenen moest. ’t Is waar, ik heb ook wat geleden door de handen van
Diábolus omdat ik mij aan de wetten van El-Schaddaï hield; maar wat zal
mij dat baten? Zal dat weer goedmaken al het toegeven aan de
oproerlingen en al het verraad, dat ik mede gepleegd heb, en al wat ik
toegelaten heb in de stad Menschziel? O, ik beef als ik denk wat het
einde wezen zal van dit treurig en schrikkelijk begin!”
Terwijl deze dappere kapiteins aldus bezig waren in het huis van den
ouden Griffier, was kapitein Strafoefening elders bezig in het
verzekeren van de achterstraten en muren. Hij zat den heer Vastewil
overal na, hij gunde hem geen oogenblik rust in eenigen hoek; hij
vervolgde hem zoo hardnekkig, dat al zijne mannen van hem verwijderd
werden en hij blijde was zijn hoofd in een hol te kunnen versteken. Ook
sloeg deze krijgsman drie van Vastewils officieren ter aarde. De éen was
de oude Vooroordeel, hij wiens hersenpan reeds gescheurd werd. Deze
persoon was door Vastewil aangesteld als wachter van de Oorpoort, en
viel door de hand van kapitein Strafoefening. Zoo was er ook een heer
Hardnekkig, die eveneens tot Vastewils officieren behoorde en het
opzicht had over de twee kanonnen, die op de Oorpoort geplant waren. Ook
hij viel door de hand van kapitein Strafoefening. Behalve deze was er
nog een derde: hij heette kapitein Verrader, een laaghartig man, maar
in wien Vastewil groot vertrouwen stelde. Deze viel met de anderen.
[Afbeelding: DE DORRE PLAATSEN.]
Bovendien maakte hij eene geweldige slachting onder ’s heeren Vastewils
soldaten, velen van hunne stoutste en brutaalste manschappen doodende,
en velen verwondend, die nog voor Diábolus pal stonden. Maar dit waren
allen Diábolus-mannen, er was niemand onder uit de oorspronkelijke
inwoners der stad.
Andere oorlogsdaden werden al evenzeer door de andere kapiteins
verricht. Aan de Oogpoort, waar kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde
het bevel voerden, werd ook een groote strafoefening gehouden; want
kapitein Goede Hoop sloeg met eigen hand zekeren hoofdman Blinddoek, die
de poort bewaakte. Deze Blinddoek had duizend man onder zich en zij
vochten met mokers. Zoo vervolgde hij ook diens manschappen, sloeg er
velen dood, verwondde vele anderen en maakte, dat de rest zich in alle
hoeken en gaten ging verbergen.
Ook stond bij die poort de welbekende Kwaderust. Hij was een grijsaard,
wiens baard tot aan zijn gordel reikte. Wij kennen hem als Diábolus’
redenaar: hij had heel wat kwaad gedaan in de stad en viel nu door de
hand van kapitein Goede Hoop.
Wat zal ik zeggen? De Diábolus-mannen lagen in deze dagen dood in
iederen hoek der stad, ofschoon er altijd nog veel te veel in leven
bleven.
Nu kwamen op zekeren dag de oude griffier Geweten en de heer Verstand en
enkele andere opperhoofden der stad, (te weten dezulken, die wisten dat
zij met Menschziel staan en vallen moesten,) bij elkaêr, en na eene
raadsvergadering te hebben gehouden, stelden zij gezamenlijk een
verzoekschrift op, om dat aan Immanuel te brengen terwijl hij in de
poort van Menschziel was gezeten. De inhoud van dat verzoekschrift hield
in, dat zij, oude inwoners van Menschziel, de stad, die nu zoo
jammerlijk ellendig was, hunne schuld beleden en zeer bedroefd waren,
dat zij Zijne Majesteit beleedigd hadden, tevens hem biddende, dat hij
hen in het leven mocht sparen.
Op dit verzoekschrift gaf hij in het geheel geen antwoord en dat
verontrustte hen nog te meer. Intusschen gingen de kapiteins, die in het
huis van den griffier waren, maar voort met hunne stormrammen het
kasteel te bestormen. Zoo werd dan ook na eenigen tijd de groote poort
van het kasteel, die Ondoordringbaar heette, opengebroken en in
splinters geslagen, en daardoor stond de toegang tot het hol van
Diábolus nu open. Toen werd er eene boodschap gezonden naar de Oorpoort,
waar Immanuel voortdurend op zijn troon zat, om hem te laten weten, dat
er eene opening was gemaakt in Diábolus’ kasteel. Wat klonken toen weder
de trompetten door ’s Prinsen legerkamp! Nu was de oorlog toch dicht bij
zijn einde en Menschziel zelve zou spoedig in vrijheid worden gesteld.
Toen stond de Prins van zijn zetel op, en nam met zich diegenen zijner
mannen, welke voor dezen tocht het geschiktst waren. Zoo marcheerden zij
dan op naar het huis van den griffier langs de straat van Menschziel.
De Prins was gekleed in een gouden wapenrusting en zijn standaard werd
voor hem uitgedragen; maar hij hield zijn aangezicht in een vasten
plooi, zoodat niemand daarop ’t zij liefde of gramschap lezen kon.
Terwijl hij daar nu zoo langs de straat reed, kwamen de burgers der stad
allen uit hunne deuren en aan hunne vensters; ze waren allen verstomd
door de heerlijkheid van zijn persoon en den glans, die hem omringde,
maar tevens zeer verwonderd, dat hij zijn gelaat in zulk een stijven
plooi hield, want nu sprak hij meer tot hen door zijne daden dan door
woord of glimlach. Maar nu legde het arme Menschziel (zooals wij allen
in zoodanig geval geneigd zijn te doen) de houding van Immanuel uit
zooals Jozefs broeders Jozef beschouwden: geheel op de verkeerde wijze.
„Want”, dachten zij, „als Immanuel ons liefhad, zou hij ons dat wel
toonen door zijn woord of zijn gelaat; maar daar hij dit niet doet, zoo
haat hij ons zeker. Welnu, als Immanuel ons haat, dan zal alles in
Menschziel gedood worden en de stad tot een puinhoop.” Zij wisten, dat
zij hadden overtreden, dat zijns Vaders wet door hen geschonden was, en
dat zij tegenover hem gemeene zaak hadden gemaakt met Diábolus; dat hij
van dit alles kennis droeg, want zij waren overtuigd, dat hij was als
een engel Gods om alle dingen te weten, die op aarde gebeuren; en dit
deed hen nu denken, dat hun vooruitzicht ellendig was en dat de goede
Prins hen zou vernielen.
Daarbij dachten zij: „Welke tijd is geschikter voor hem om dit te doen
dan nu, daar hij Menschziel thans geheel in zijne hand heeft?” En
daarbij trok dit in het bijzonder mijne aandacht, dat de inwoners van
Menschziel ofschoon zij vreesden, niet anders konden dan diep voor hem
nederbuigen; ja, zij waren gereed het stof van zijne voeten te lekken.
Ook wenschten zij duizendmaal, dat hij hun Heer en Hoofd mocht worden en
hen in zijne bescherming nemen. Ook spraken zij met elkander over de
schoonheid van zijn persoon, en hoezeer hij in grootheid en
voortreffelijkheid alle wereldgrooten overtrof. Maar wat hunzelven
aanging, och armen! hunne gedachten veranderden elk oogenblik en gingen
van het eene uiterste tot het andere. Ja, door dit tusschen vrees en
hoop geslingerd worden werd Menschziel als een bal, die door een
wervelwind wordt voortgejaagd.
Toen hij nu bij de poorten van het kasteel was gekomen, beval hij
Diábolus voor hem te verschijnen en zich in zijne handen over te geven.
Maar o, hoe onwillig was dat beest om voor den dag te komen! Hoe
worstelde hij daar tegen! Hoe kromde hij zich in duizend bochten! Toch
moest hij voor den Prins komen. Toen beval Immanuel en zij vatten
Diábolus aan, hem met zware ketenen bindende, om hem te bewaren voor het
vonnis, dat hij over hem had uitgesproken. Maar Diábolus stond op en
smeekte voor zichzelven Immanuel, dat hij hem toch niet naar den afgrond
zenden zou, maar toelaten dat hij in vrede Menschziel verliet.
[Afbeelding: ONTWAAKTE-BEGEERTE EN BEWEENER VOOR DEN PRINS.]
Toen Immanuel hem nu overwonnen en in ketenen gebonden had, leidde hij
hem naar de marktplaats, en daar voor het oog van gansch Menschziel
ontdeed hij hem van zijne wapenrusting, waarop hij eertijds zoo pochte.
Dit was een van de glorierijke daden van Immanuel, waar hij zulk eene
overwinning op zijn vijand behaalde. Terwijl men den reus uitkleedde
gaven de gouden trompetten van den Prins hun aangenaam geluid, de
kapiteins klapten in de handen en het geheele leger hief een
vreugdegeschrei aan. Toen werd Menschziel opgeroepen om te zien het
begin der zegepraal van Immanuel over hem, dien zij zoo hun gansche
vertrouwen hadden gegeven en op wien zij zoo gepocht hadden in de dagen
toen hij hen vleide.
Aldus Diábolus naakt uitgestroopt hebbende voor de oogen van Menschziel
en van alle dienaren des Prinsen gaf hij bevel, dat hij met ketenen aan
zijn zegewagen zou worden gebonden. Daarna een deel van zijne macht, te
weten kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging tot bewaking van het
kasteel achterlatende, indien soms Diábolus volgelingen nog mochten
trachten het in te nemen of in bezit te houden, reed hij in zegepraal
over hem heen, langs de straten van Menschziel de Oogpoort uit naar de
vlakte, waar zijn legerkamp was opgeslagen. [Coll. 2 : 15.]
Maar gij kunt u niet verbeelden, of ge mocht het gezien hebben zooals
ik, welk eene vreugde er in Immanuels leger was toen zij daar den tiran
gebonden zagen door de hand van hun edelen vorst en aan de wielen van
zijn zegekar gekluisterd. Zij riepen uit: „Hij heeft de gevangenis
gevangen genomen en de overheden en machten heeft hij uitgetogen;
Diábolus is aan de kracht van zijn zwaard onderworpen en tot een
voorwerp van aller verachting gemaakt!” Ook de vrijwilligers en die
meêgekomen waren om den strijd aan te zien juichten met zulk eene blijde
stem en zongen op zulke welluidende muziek, dat zij die de hooge sfeeren
bewonen, en in de hooger plaatsen zijn gezeten hunne vensteren
opendeden, en hunne hoofden naar buiten staken om de oorzaak van die
groote blijdschap aan te zien. [Luk. 15 : 7, 10.]
De lieden der stad, voor zoovelen dit mede aanschouwden, waren terwijl
zij het aanzagen, als tusschen hemel en aarde. Wel konden zij niet
zeggen wat de uitslag van deze dingen wezen zou voor zoover hun aanging;
maar alles geschiedde langs een zoo heerlijken weg, en ik weet niet hoe
ik het noemen zal, maar alles scheen de stad als het ware toe te lachen,
zoodat hun hoofd en hart en al hunne zinnen vervuld waren met de
aanschouwing der dingen die Immanuel deed.
Toen nu de edele vorst dit deel van zijne zegepraal over zijn vijand
Diàbolus volbracht had, gaf hij hem aan aller smaad en verachting in het
openbaar over, en daarna hem bevel gegeven hebbende Menschziel
onmiddellijk te verlaten, liet hij hem uitgaan uit het midden des
legers. Daar ging Diábolus door woeste en onbewoonde plaatsen, zoekende
rust, maar die niet vindende. [Matth. 12 : 43.]
Nu waren de kapiteins Boanerges en Overtuiging beiden mannen van groot
aanzien: hunne aangezichten waren als de aangezichten der leeuwen, en
hunne woorden klonken als een bruischende zee. Zij hielden voortdurend
hun verblijf in het huis van den heer Geweten. Toen aldus die groote en
machtige Prins zijne overwinning op Diábolus had volvoerd, hadden de
lieden der stad meer gelegenheid op de daden van deze edele kapiteins te
letten. Die kapiteins deden alles met zulk een ernst en waren zoo
indrukwekkend in al hunne handelingen, dat de stad onder voortdurende
vreeze werd gehouden en zij voor de toekomst nog altijd in twijfel
verkeerden, zoodat zij kwalijk wisten wat rust of gemak, vrede of hoop
beduidde.
Ook woonde de prins toen zelf niet in de stad Menschziel, maar in zijn
koninklijke tent in het midden van zijns vaders heirmacht. Zoo gaf hij
echter op zekeren bestemden tijd speciale bevelen aan kapitein Boanerges
om Menschziel op te eischen, om al de burgers te laten komen in het
kasteel en dan voor hun aangezicht de heeren Verstand, Geweten en
Vastewil in bewaring te nemen, en hen streng te laten bewaken tot zijn
welbehagen aangaande hen voor de toekomst zou openbaar worden. Het
opvolgen van dit bevel maakte waarlijk de vreezen en angst in de stad
niet minder; nu waren dan hun donkere vooruitzichten omtrent dat droevig
lot van Menschziel wel terdege bevestigd. Welken dood zij sterven zouden
en hoe lang hunne strafoefening zou duren waren gedachten, die alle
hoofden bezighielden; ja er waren, die vreesden dat Immanuel hen allen
in den afgrond werpen zou, die akelige plaats, daar Diábolus zoo bang
voor was; want zij wisten, dat zij het hadden verdiend. Anderen meenden,
dat zij met het zwaard zouden worden onthalsd in het gezicht hunner
stad; in ongenade gevallen te zijn bij een zoo goed en heilig vorst, o
dat maakte hen zoo droevig! Ook was de stad in groote onrust met het oog
op de mannen, die in gijzeling werden gehouden, want dat waren hun
gidsen en leidslieden, en als nu deze mannen werden weggenomen, dan
moest het immers eindigen met den ondergang van gansch Menschziel.
Daarom wisten zij niets beters te doen dan gezamenlijk met de mannen,
die gevangen zaten een verzoekschrift opstellen tot den prins, en dit
zonden zij op door de hand van zekeren heer Begeerte-tot-leven. De man
ging heen, kwam aan het verblijf van den vorst en bood daar het rekwest
aan,[25] dat van den volgenden inhoud was.
[25] ~Het rekwest wordt gebracht door den heer Begeerte-tot-leven~. Nu
bidt Menschziel wel, maar dat gebed wordt bezield door den naam van
den verzoeker. ’t Is alleen om lijfsbehoud te doen.
„Groote en wonderbare Heerscher, Overwinnaar van Diábolus en van de stad
Menschziel! Wij, de ellendige inwoners van deze beklagenswaardige
plaats, smeeken u nederig dat wij genade mogen vinden in uwe oogen.
Gedenk toch onze vorige overtredingen niet, noch de groote zonden van de
machtigen onzer stad, maar spaar ons naar de grootheid uwer
goedertierenheid! en laat ons niet sterven, maar voor uw aangezicht
leven, zoo zullen wij gewillig zijn om uwe knechten te wezen, en om als
het u behagen mocht zelfs de kruimkens onder uwe tafel op te lezen.
Amen.”
Zoo begaf zich dan deze smeekeling met zijn verzoekschrift naar den
Prins; en de Prins nam het uit zijne hand aan, maar zond hem in alle
stilte weg. Deze stilte, dit zwijgen bedroefde de stad Menschziel: maar
nu in aanmerking nemende, dat zij smeekschriften moesten indienen of
sterven daar zij voor het oogenblik niets anders konden doen, zoo
beraadslaagden zij weder met elkaer en zonden een nieuw rekwest in. Het
was alzoo in denzelfden geest en vorm gesteld als het vorige.
[Afbeelding: HET BEROUW VAN MENSCHZIEL.]
Maar toen het verzoekschrift opgesteld was, wisten ze weer niet door
wien het te zenden. Die het de eerste maal gebracht had mocht het niet
weder doen, want ze meenden dat hij op eene of andere wijze den prins
beleedigd had. Zoo deden zij dan eene schoorvoetende poging om
kapitein Overtuiging hun rekwest in handen te geven; maar hij
antwoordde, dat hij voor verraders wilde noch durfde tusschenbeiden
treden en bij den prins Immanuel geen voorspraak wilde wezen voor
rebellen. „Dat neemt niet weg,” zeide hij, „dat onze vorst goed is, en
dat gij het wel kunt wagen door de hand van iemand uit uwe stad een
verzoekschrift op te zenden, maar dan moest hij ook komen met den strop
om zijn hals en op niets pleitende dan genade.”
Wel stelden zij dit uit vrees zoo lang uit als zij maar eenigszins
konden, maar bang zijnde dat nog meer uitstel gevaarlijk worden zou, zoo
kwamen zij er toch toe om onder veel angst en vreeze een adres op te
stellen en in te zenden door de hand van zekeren Ontwaakte Begeerte.[26]
Die heer Ontwaakte Begeerte woonde in een zeer jammerlijke woning binnen
Menschziel en men had zich tot dusverre niet met hem bemoeid maar nu
moest hij naar den prins. Toen zij dit aan dezen armen man voorstelden
zeide hij: „Hoe zou ik anders kunnen dan al mijn best doen dat
Menschziel van de verwoesting bewaard blijve?” Zij gaven hem dan
vrijmoedig het verzoekschrift over en deelden hem mede hoe hij zich tot
den prins moest wenden en wat hij had te zeggen; daarna wenschten zij
hem een gelukkigen tocht. Toen de man aan des Prinsen tent gekomen was
vraagde hij evenals de eerste om den prins te spreken. Dat woord werd
aan Zijne Majesteit overgebracht en Immanuel kwam naar buiten. Toen
Ontwaakte Begeerte den Prins zag viel hij vlak op zijn aangezicht ter
aarde en riep uit: „O, dat Menschziel voor uw aangezicht mocht leven!”
en daarbij bood hij het verzoekschrift aan. Toen de Prins dat gelezen
had begaf hij zich een weinig ter zijde en weende, maar zich
verstellende keerde hij tot den man terug, welke daar nog altijd
schreiende aan zijne voeten lag en sprak toen voor het eerst deze
woorden tot hem: „Keer weder naar uwe plaats, ik zal uw verzoek in
overweging nemen.”
[26] ~Ontwaakte Begeerte~ is weder een hoogere trap van geestelijke
ervaring. De ziel kent nu haar toestand en begeert iets beters en
hoogers.
Nu kunt gij wel denken, dat de lieden van Menschziel, die hem gezonden
hadden, met groot verlangen uitzagen naar zijne terugkomst, in angst en
vreeze, dat hun verzoek mocht verworpen zijn. Ten laatste zagen zij den
boodschapper terugkomen. Pas was hij binnen de stad of zij vraagden hem
hoe hij gevaren was, wat Immanuel zeide en of hun verzoek ook van de
hand was gewezen. Maar hij antwoordde, dat hij zwijgen zou tot hij aan
de gevangenis kwam bij den heer burgemeester Vastewil en den secretaris.
Daarom spoedden zij zich dan voort naar het gevangenhuis, waar de
grooten van Menschziel gebonden lagen. O, welk een groote menigte
stroomde daar samen om te vernemen wat de boodschapper zeide. Toen hij
zich nu voor de tralies der gevangenis vertoonde keek de burgemeester
naar buiten zoo wit als een doek en ook de secretaris beefde. Toch
vraagden zij: „Verhaal ons, goede vriend, wat de groote prins tot u
zeide.” Daarop antwoordde Ontwaakte Begeerte: „Toen ik aan de tent van
den grooten heer kwam en naar hem vraagde, kwam hij terstond. Zoo boog
ik mij neder aan zijne voeten en leverde mijn verzoekschrift in, want de
grootheid van zijn persoon en de heerlijkheid van zijn voorkomen
maakten, dat ik onmogelijk op mijne voeten kon blijven staan. Toen hij
het verzoekschrift aannam riep ik uit: „O, dat toch Menschziel voor uw
aangezicht mocht leven!” Hij verwijderde zich daarop een weinig en toen
terugkomende zeide hij tot uw knecht: „Ga heen naar uwe plaats en ik zal
uw verzoek in overweging nemen.” De bode voegde daar nog bij: „De vorst
tot wien gij mij gezonden hebt is zulk een schoon en heerlijk
personaadje, dat wie hem ziet hem tegelijkertijd moet liefhebben en
vreezen. Ik voor mij kan niet anders doen; maar ik weet niet wat het
einde van deze dingen wezen zal.””
Bij het hooren van dit antwoord waren zij allen versuft, beiden zij, die
in de gevangenis zaten, en zij, die daar nieuwsgierig omheen stonden;
want zij wisten niet welke uitlegging zij aan deze woorden zouden geven.
Toen nu de gevangenis door de menigte verlaten was begonnen de
gevangenen onderling Immanuels woorden te bespreken. De heer
burgemeester zeide, dat dit antwoord niet getuigde van een toornig
aangezicht; maar Vastewil zeide, dat er kwaad achter stak en de
secretaris dat het een doodvonnis inhield. Degenen, die daar in de
nabijheid stonden en intusschen heengingen, zoodat ze niet al te best
konden hooren wat de gevangenen spraken, hadden maar een gedeelte van
dat gesprek opgevangen, daarom schepten enkelen troost uit die boodschap
en anderen begrepen er verschrikking in te moeten hooren, en zoo
verstond niemand het juist. Maar gij kunt u moeielijk voorstellen welk
eene opschudding daardoor in Menschziel ontstond en welk eene verwarring
daar heerschte.
[Afbeelding: DE GEVANGENEN VOOR IMMANUEL.]
Degenen, die aan de gevangenis geweest waren, doorliepen de stad, de een
dit roepende, de ander vlak het tegenovergestelde, en beiden meenden dat
zij de volle waarheid vertelden, want zij hadden met hun eigen ooren
gehoord wat de burgemeester en de secretaris vertelden. De een riep:
„Wij moeten allen gedood worden,” een ander daarentegen: „Wij zullen
allen nog gered worden,” een derde schreeuwde, dat de prins niets meer
met Menschziel wilde te doen hebben, en een vierde, dat de gevangenen
spoedig ter dood zouden worden gebracht. En, zooals gezegd, ieder stond
er voor in, dat hij het bij het rechte einde had. Om die reden liep nu
alles verward dooreen en kon niemand rust vinden voor het hol van zijnen
voet. Zelfs zoover ging het met dit verwarde gerucht, dat sommigen luide
verzekerden: de Prins zou gansch Menschziel met het zwaard vernielen.
Intusschen werd het donker en bracht het ellendige Menschziel een
kommervollen nacht door.
Voor zoover ik kon nagaan kwam evenwel al deze verschrikking voort uit
het woord van den secretaris, dat ’s prinsen antwoord een doodvonnis
bevatte. Dit verschrikte de stad; want eertijds hadden de inwoners van
Menschziel het er stellig voor gehouden, dat de griffier een ziener was
en dat zijne uitspraak als een godspraak kon worden beschouwd. Daardoor
was Menschziel dus slechts een verschrikker van zichzelve.
Nu begonnen zij eerst recht te gevoelen wat de gevolgen waren van
opstand en rebellie en onwettigen tegenstand tegen hunnen vorst. Ik zeg,
dat zij nu door vrees en schrik de gevolgen, de vruchten van hunne
hardnekkigheid plukten, en wie leden daar meer onder dan de hoofden en
voornaamsten der stad!
Maar om kort te gaan, toen de schrik een weinig over was en de
gevangenen wat tot zichzelven gekomen waren, grepen zij ook weder een
weinig moed, en stelden een derde verzoekschrift[27] op, waarvan de
inhoud hier volgt:
[27] ~Een derde verzoekschrift~. Menschziel leert de groote les dat
men altijd bidden moet en niet vertragen. Ditmaal bestaat het gebed
meest in schuldbelijdenis.
„Prins Immanuel de Groote, heer der gansche wereld en meester der
barmhartigheid, -- wij, uwe arme, ellendige, goddelooze, stervende
onderdanen uit de stad Menschziel, belijden voor uwe groote en heerlijke
majesteit, dat wij tegen uwen Vader en u gezondigd hebben en niet meer
waard zijn uw Menschziel genoemd te worden, maar veeleer om in den
afgrond te worden geworpen. Als gij ons dooden wilt, zoo hebben wij het
verdiend. Als gij ons wilt verdoemen, kunnen wij niet anders zeggen dan
dat het rechtvaardig is. Wij hebben geen reden tot klagen, wat gij ook
doet en hoe gij u jegens ons gedraagt. Maar o, laat barmhartigheid
heerschen en laat zij zich tot ons uitstrekken! Laat uwe ontferming op
ons nederzien en ons van onze ongerechtigheden bevrijden; dan zullen wij
zingen van uwe barmhartigheid en uwe oordeelen! Amen.”
Dit rekwest moest nu weder naar den prins worden gezonden, maar wie zou
het bij hem brengen? Sommigen zeiden: „Laat het hem doen, die ook het
eerste bracht;” maar anderen keurden dat af omdat hij geen betere
uitkomst had verkregen. Nu leefde er nog een oud man in de stad, wiens
naam was Goede Werken -- een man, die alleen dien naam droeg, maar die
niets had van de bedoelde zaak. De griffier was er evenwel zeer tegen,
dat deze zou gezonden worden, „want,” zeide hij, „wij zijn nu in grooten
nood en pleiten om genade, waarom zouden wij dan een man kiezen, wiens
naam reeds in tegenspraak is met zijn verzoekschrift? Moeten wij nu
vriend Goede Werken onzen bode maken, wanneer wij een rekwest indienen
om barmhartigheid?”
[Afbeelding: DE KLOKKEN GELUID.]
„Bovendien,” ging de edelman voort, „als de Prins hem eens vroeg: hoe is
uw naam? dat best kan gebeuren, en hij moest dan zeggen: de oude Goede
Werken,” wat denkt gij dat Immanuel dan antwoorden zou? Ha zoo? leeft
oude Goede Werken nog in Menschziel? Laat dan Goede Werken u ook uit
uwen nood verlossen! En zegt hij dat, dan ben ik er zeker van, dat wij
verloren zijn; want geen duizendtal Goede Werken kunnen Menschziel
redden.”
Toen de secretaris zijne redenen opgegeven had waarom Goede Werken niet
met het verzoekschrift naar Immanuel gaan zou, waren de andere
gevangenen en opperhoofden van Menschziel er ook op tegen, en wilden zij
Ontwaakte Begeerte opnieuw met deze zending belasten. Zoo lieten zij hem
dan roepen en begeerden dat hij wederom heenging, en hij was daartoe dan
ook dadelijk gereed. Maar zij smeekten hem, dat hij toch met geen enkel
woord of handeling den prins zou beleedigen, „want door dat te doen”,
zeiden zij, „Zoudt gij Menschziel in tallooze ellende brengen.”
Toen nu Ontwaakte Begeerte bemerkte, dat hij weder gaan moest verzocht
hij dat ze hem zekeren heer Beweener zouden medegeven. Deze Beweener was
een naaste buurman van Ontwaakte Begeerte, een arm man van een verbroken
geest en die zeer goed spreken kon bij een verzoekschrift; daarom
stonden zij dan ook toe, dat hij met hem gaan zou. Zoo maakten zij zich
dan gereed, Ontwaakte Begeerte deed een koord om zijn hals en Beweener
vergezelde hem handenwringende. Zoo kwamen zij aan de tent van den
Prins.
Waar zij nu voor de derde maal terug kwamen zoo bekroop hen de vrees,
dat hun herhaald aankloppen den prins hinderlijk wezen mocht. Daarom,
toen zij aan de deur der tent waren genaderd, zoo maakten zij eerst eene
verontschuldiging voor henzelven en hunne herhaalde komst, waardoor zij
het Immanuel zoo lastig maakten, en zij zeiden, dat zij niet zoo vaak
terugkwamen omdat zij er behagen in vonden hem lastig te wezen of
zichzelven te hooren spreken, maar dat de nood hen drong. Zij konden,
zeiden zij, nacht noch dag rusten wegens hunne overtredingen tegen
El-Schaddaï en zijn zoon Immanuel. Zij zeiden ook, dat zij toch niet
hoopten, dat eenig wangedrag van Ontwaakte Begeerte bij het laatste
bezoek Zijne Majesteit mocht beleedigd hebben, en hij daarom met geen
beteren troost was teruggekeerd. Na dit alles nu gezegd te hebben, wierp
Ontwaakte Begeerte zich evenals de eerste maal op den grond aan de
voeten van Immanuel, roepende: „O, dat toch Menschziel voor uw
aangezicht mocht leven!” daarmede gaf hij zijn verzoekschrift over. De
Prins dan het verzoekschrift gelezen hebbende, wendde zich weder een
wijle ter zijde als de eerste maal, en daarna terugkomende op de plaats
waar de smeekeling lag, vraagde hij naar zijn naam en wat er in hem werd
gevonden in de schatting van de burgers van Menschziel, dat men boven
velerlei anderen hem had uitgekozen om deze boodschap te doen. Daarop
zeide de man tot den prins: „O, dat het toch niet kwaad zij in mijns
heeren oogen, dat ik tot u kwam, en wat vraagt gij naar den naam van
zulk een dooden hond als ik ben? Sla geen acht, bid ik u, op hetgeen ik
ben, omdat er, zooals gij zeer wel weet, zulk een groote afstand bestaat
tusschen u en mij. Waarom de lieden der stad mij gezonden hebben, zullen
zij zelven het best weten; maar het kan nooit wezen omdat zij meenden,
dat ik bij mijnen Heer in bijzondere gunst sta. Wat mij aangaat, ik heb
een walg aan mijzelven, wie zou dan met mij bijzonder ingenomen zijn?
Toch zou ik begeeren te leven, en dat begeer ik ook voor de lieden der
stad, en waar beiden zij en ik aan groote overtredingen schuldig staan,
zoo hebben zij mij gezonden en kom ik in hun naam u barmhartigheid
vragen. Laat het u daarom behagen barmhartigheid te bewijzen; maar vraag
niet wie uw dienstknecht is.”
Toen zeide de prins: „En waarom is uw medgezel met u gekomen in deze
gewichtige zaak?” Zoo verhaalde Ontwaakte Begeerte aan Immanuel, dat hij
een arme buurman van hem was, en een van zijne beste vrienden. „En zijn
naam, als het Uwe Majesteit niet mishaagt, is Beweener van Menschziel.
Ik weet, dat er velen van dien naam zijn en daaronder ook wel
bedriegers, maar ik hoop, dat het mijnen Heer toch niet mishagen zal,
dat ik mijn armen buurman heb medegebracht.”
Toen viel ook Beweener op zijn aangezicht ter aarde en sprak voor
zichzelven:
„O, mijn Heer, wat ik ben weet ik zelf niet, noch of mijn naam slechts
voorgewend dan wel waar is, vooral wanneer ik begin te bedenken wat
sommigen gezegd hebben, namelijk dat de heer Berouw mijn vader is
geweest. Goede lieden hebben soms slechte kinderen en de oprechten
kweeken soms huichelaars. Mijne moeder noemde mij bij dien naam van
mijne wieg af, maar of dit nu gebeurd is wegens de ijlheid van mijn
hoofd dan wegens de weekheid van mijn hart, kan ik niet vertellen. Ik
zie onreinheid in mijn eigen tranen en goddeloosheid op den bodem van
mijne gebeden. Maar ik smeek u” (en bij dit alles weende die man zeer),
„dat gij toch onze overtredingen niet wilt gedenken, noch onze
ongerechtigheden en tekortkomingen aanzien, maar beide mijne zonden en
die van Menschziel verschoonen en niet langer wachten met het
verheerlijken van uwe genade aan ons.”
Nadat zij aldus hunne smeekingen voor zijn aangezicht hadden
neergeworpen stonden zij bevende op en wachtten het antwoord af. De
Prins sprak:
„De stad Menschziel heeft grootelijks tegen mijnen Vader gerebelleerd,
daarin dat zij hem als haar koning verworpen heeft en zich tot een
overheid koos een leugenaar, moordenaar en weggeloopen slaaf. Want dezen
Diábolus, uw voorgewende vorst, eertijds zoo hoog door u geschat, stond
op tegen mijn Vader en mij, in ons eigen paleis in het hoogste hof,
meenende daar overheer en koning te worden. Maar daar is hij nog juist
bijtijds ontdekt en gevangen genomen, voor zijne goddeloosheid in
ketenen geklonken en in dien afgrond geworpen tegelijk met hen, die
zijne metgezellen waren. Die onverlaat heeft zich aan u vertoond en gij
hebt hem aangenomen.
„Dit is nu en was reeds langen tijd een groote beleediging voor mijnen
Vader en daarom zond mijn Vader een machtig leger naar u heen om u weder
tot zijne gehoorzaamheid terug te brengen. Maar gij weet hoe deze
manschappen, hunne kapiteins en raadsheeren door u werden geacht en wat
zij uit uwe hand ontvingen. Gij stondt tegen hen op, gij sloot uwe
poorten voor hen, gij bondt den strijd met hen aan, gij vocht tegen hen
en vóor Diábolus. Daarom zonden zij tot mijnen Vader om meerdere
strijdkrachten en ik kwam met mijne manschappen om u tot onderwerping te
brengen. Maar zooals gij de dienaars behandeld hebt, hebt gij ook den
Meester behandeld. Gij stondt evenzeer vijandig tegenover mij en sloot
ook voor mij uwe poorten, en hieldt u doof voor mijn roepstem, en
hieldt den tegenstand zoo lang vol als gij maar kondt. Maar nu heb ik u
met geweld onderworpen. Riept gij ook om genade zoolang gij nog hoop
hadt het tegen mij uit te houden? Maar nu ik de stad ingenomen heb roept
gij. Waarom riept gij niet eer toen de witte vlag mijner barmhartigheid
en de zwarte vlag des oordeels tegenover elkander uithingen? Nu ik weer
Diábolus overwonnen heb komt gij mijne gunst zoeken, maar waarom hielpt
gij mij niet tegen dien machtigen reus? Toch wil ik uw verzoekschrift in
overweging nemen en het beantwoorden zooals het meest strekken kan om
mij te verheerlijken.
[Afbeelding: VREUGDE IN HET LEGER VAN IMMANUEL.]
„Gaat heen en verzoekt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat
zij de gevangenen tot mij uitbrengen,[28] hier in het leger, en reeds
morgen, en zegt tot kapitein Oordeel en kapitein Strafoefening, dat zij
in het kasteel moeten blijven om alles in de stad Menschziel in rust te
houden totdat gij verder van mij hooren zult.” En daarna keerde hij zich
om en trok zich in zijn koninklijke tent terug.
[28] ~Breng de gevangenen tot mij uit~. De gevangen en gebonden ziel
is niet op eenmaal en onmiddellijk verlost; zij moet het ernstig
gevoelen welk eene droevige zaak het is tegen den Heere te zondigen.
Zoo keerden dan ook onze beide smeekelingen om en zochten den terugweg
op, het antwoord van den vorst overleggende. Het kwam hun zoo voor, dat
er niet veel hoop was op genade en barmhartigheid, en dat de vorst te
diep gekrenkt was om hun te kunnen gehoor verleenen. Zoo kwamen zij dan
ook tot de plaats waar de gevangenen in hunne ketenen nederlagen, maar
hun droevige gemoedsgesteldheid was oorzaak, dat zij in het eerst geen
enkel woord konden uitbrengen.
Aan de poorten der stad hadden reeds honderden inwoners hen opgewacht en
hun toegeroepen: „Welke tijding brengt gij mede? Wat heeft de Prins
gezegd?” maar zij antwoordden daar niet op tot zij aan de gevangenis
gekomen waren, terwijl de schare hen op de hielen volgde. Toen zij een
weinig bekomen waren, deelden zij het eerste gedeelte van Immanuels
antwoord aan de gevangenen mede, te weten wat hij gezegd had van hunne
booze handelingen tegenover den koning en hun verbond met Diábolus, hoe
zij voor hem gevochten hadden, naar hem geluisterd, zich door hem hadden
laten regeeren en den Prins met zijne mannen veracht. Dit maakte dat de
gevangenen bleek begonnen te zien; maar de boodschappers gingen voort en
spraken: „Hij zeide, dat hij desniettemin ons verzoekschrift in
overweging wilde nemen en daarop zulk een antwoord geven als hem het
meest verheerlijken zal.” En toen deze woorden gesproken waren slaakte
Beweener een zeer diepe zucht. Daarop werd al het volk droevig en
verslagen; allen meenden hun doodvonnis ontvangen te hebben. Nu was er
onder het volk ook een oud edelman, wiens naam luidde Onderzoeker. Deze
vraagde aan de boodschappers of zij nu alles verteld hadden wat Immanuel
had gezegd en zij riepen: „O, neen, dat is waar.” Daarop vraagde
Onderzoeker: „Nu, wat heeft hij dan nog meer tot u gezegd?” Toen
bedachten zij zich een oogenblik en daarna kwam alles er uit: „De Prins
verzocht ons ook de kapiteins Boanerges en Overtuiging te gelasten
morgen de gevangenen tot hem uit te brengen, en de kapiteins Oordeel en
Strafoefening te vragen zoolang opzicht te houden over het kasteel en de
stad tot wij meer van hem zouden hooren.” Ook voegden zij nog daarbij:
„Toen de prins dit gezegd had keerde hij ons onmiddellijk den rug toe en
verwijderde zich.”
Maar o, dit laatste bericht brak alle hoop op eenmaal af. Eensklaps ging
er een eenparige jammertoon uit aller mond ten hemel. Daarop bereidde
ieder der drie gevangenen zich tot den dood, terwijl de griffier sprak:
„Dit was het juist, dat ik vreesde!” Zij meenden stellig, dat morgen eer
de zon onderging hun levenslamp zou zijn uitgebluscht, en alle lieden
der stad geloofden niet anders dan dat een dergelijk vonnis hen allen
treffen zou. Dien ganschen nacht bracht de stad Menschziel door in
geween, zak en asch. Toen de tijd gekomen was om naar den Prins te gaan,
kleedden de gevangenen zich in rouwgewaad met stroppen om hunne halzen,
en de gansche stad Menschziel vertegenwoordigde zich op de wallen in
diepen rouw gekleed, opdat de Prins door het gezicht van al dien rouw
tot medelijden mocht worden gestemd. Al wat zich in Menschziel bewoog
liep als razend en wanhopig door de straten, de een luid schreiend en
kermend, de ander in stomme smart.
[Afbeelding: MENSCHZIEL IN FEESTGEWAAD.]
Zoo was dan de tijd gekomen, waarop de gevangenen moesten vertrekken en
voor den Prins verschijnen. Dit was de optocht, waarin zij gingen.[29]
Kapitein Boanerges ging met eene wacht vooruit en kapitein Overtuiging
kwam achteraan, met de gevangenen in ketenen geslagen in hun midden.
Deze laatste gingen diep gebogen en dropen weg van treurigheid, maar de
kapiteins gingen met vliegende vaandels en volle wapenrusting.
[29] ~De gevangenen werden uitgeleid~. Het komen van eene overtuigde
ziel tot Christus gaat niet anders dan met Boanerges voorop en
Overtuiging tot achterhoede.
’t Was een jammerlijk gezicht dat drietal met stroppen om hunnen hals,
telkens zich op de borst slaande, terwijl zij het niet waagden hunne
oogen ten hemel op te heffen. Toen zij midden in het leger van den Prins
kwamen deed de heerlijkheid daarvan hunne droefheid nog vermeerderen.
Zij konden zich nu niet langer inhouden, maar riepen overluid: „O
ongelukkige menschen! O rampzalige inwoners van Menschziel!” terwijl zij
met hunne ketenen rammelden, welk geluid hun angstkreet nog akeliger
maakte.
Voor de deur van ’s Prinsen tent gekomen knielden de gevangenen
eerbiedig neer, terwijl iemand naar binnen ging om den Prins van hunne
aankomst te verwittigen. Toen beklom de Prins een prachtigen troon en
liet ze inbrengen; zij kwamen bevende voor hem, terwijl hun aangezicht
van schaamte bloosde, en wierpen zich onmiddellijk ter aarde. Maar de
Prins zeide tot kapitein Boanerges: „Zeg den gevangenen, dat zij op
hunne voeten staan moeten.” Toen stonden zij weder sidderend vlak voor
den vorst, die tot hen sprak: „Zijt gij die mannen, die eertijds
dienaren waart van El-Schaddaï?” En zij antwoordden: „Ja, heer, ja!”
Toen ging de prins voort: „Zijt gij dan ook die mannen, die toelieten,
dat alles bedorven en ingenomen werd door dien afschuwelijken Diábolus?”
En zij antwoordden „Wij deden zelfs meer dan dit toelaten, Heer, want
wij verkozen hem zelf tot meester.” Toen ging de prins voort: „Zoudt gij
er mede tevreden geweest zijn, dat uwe slavernij onder zijne tirannie uw
leven lang voortgeduurd had?”
En zij antwoordden: „Ja, heer, ja; want zijne wegen waren aangenaam voor
ons vleesch en wij waren vervreemd geworden van betere dingen.” „En
wenschtet gij ook van harte,” ging hij voort, „toen ik optrok tegen
Menschziel, dat ik de overwinning over ulieden niet behaald had?” --
„Ja, Heer, ja!” antwoordden zij met schaamte. Toen zeide de Prins: „En
welke straf meent gij nu wel, dat gij van mijne hand verdient door deze
en nog zoovele andere groote zonden?” En zij antwoordden: „Beiden den
dood en het verderf, Heer, wij hebben niets minder verdiend.” Hij
vraagde verder of zij dan niets tot verschooning van zichzelven hadden
in te brengen. Maar zij antwoordden: „Wij kunnen niets anders zeggen
heer, dan dat gij rechtvaardig zijt en wij schuldig.” Toen zeide de
Prins: „En waarom zijn er stroppen om uwen hals? De gevangenen
antwoordden: „Die stroppen zijn bestemd om ons er mede te binden op de
gerichtsplaats, wanneer het u niet behaagt ons barmhartigheid te
bewijzen.” Zoo vraagde hij dan al verder, of al de lieden van Menschziel
het met hen eens waren in deze belijdenis? En zij antwoordden: „Ja, al
de inboorlingen van Menschziel, Heer, maar wat de Diàbolusmannen
aangaat, die tot ons inkwamen toen de reus ons in bezit nam, van hen
kunnen wij niets zeggen.” [Spreuk. 5 : 22.]
Toen beval de Prins dat er een heraut zou worden geroepen, en dat deze
door het midden van het gansche leger van Immanuel gaan zou om uit te
roepen bij den klank der trompet, dat de Prins, de zoon van El-Schaddaï,
in den naam van zijn Vader en tot zijns Vaders heerlijkheid een volkomen
overwinning behaald had op de stad Menschziel; en dat de gevangenen hem
zouden navolgen al roepende: „Amen.” Dit gebeurde zooals hij bevolen
had, terwijl de muziek der hooge plaatsen overheerlijk speelde en de
kapiteins, die in het leger waren, juichten, en de soldaten
overwinningsliederen zongen ter eere van den Prins; de vaandels
wapperden in den wind en overal was groote vreugde; alleen de mannen van
Menschziel bezweken schier van verlangen om van dit alles het einde te
weten.
Toen liet de Prins de gevangenen weder roepen om nogmaals voor hem te
staan, en zij kwamen weder bevende voor hem. Maar hij sprak tot hen: „De
zonden, ongerechtigheden, overtredingen, die gij met de gansche stad
Menschziel gedurende al dien tijd tegen mijnen Vader en mij bedreven
hebt, mag ik u uit naam van mijnen Vader vergeven, en dat doe ik bij
dezen.” En dit gezegd hebbende, gaf hij hun, op perkament geschreven en
verzegeld met zeven zegelen een groot en algemeen pardon, bevelende aan
den heer burgemeester, den heer Vastewil, en den heer griffier te willen
zorgen, dat dit pardon op morgen als de zon opging, door de gansche stad
Menschziel zou worden gehoord.
Bovendien liet de Prins de gevangenen hun rouwgewaad uittrekken en gaf
hun sieraad voor assche en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad
des lofs voor een benauwden geest. [Jes. 61 : 3.]
Toen gaf hij aan ieder hunner drie gouden kleinodiën en kostbare
steenen, en nam hunne stroppen af en hing gouden ketenen om hunnen hals
en gouden ringen in hunne ooren. Toen nu de gevangenen de genadige
woorden van Prins Immanuel hoorden en al wat hun gedaan werd bemerkten,
vielen zij schier in zwijm; want de genade, de weldadigheid, het pardon
gingen allen zoo schielijk in hun werk, waren zoo overheerlijk en
verrassend, dat zij niet in staat waren zooveel goedheid te verdragen.
Ja, de heer Vastewil bezweek schier geheel; maar de Prins liep op hem
toe, omvatte hem met zijn eeuwige armen, omhelsde hem, kuste hem en
sprak hem moed in, daar alles naar het woord der belofte zou worden
gedaan. Ook omhelsde hij en kuste de anderen, die Vastewils medgezellen
waren, zeggende: „Neem dit aan als een teeken van mijne liefde, gunst en
medelijden, en nu belast ik u, mijnheer de griffier, dat gij aan de stad
Menschziel mededeelt wat gij gehoord en gezien hebt.”
[Afbeelding: DE INTOCHT VAN IMMANUEL.]
Toen werden hunne ketenen voor hun aangezicht in stukken gebroken en in
de lucht geslingerd, terwijl hunne voetstappen onder hen werden
vastgemaakt. Toen vielen zij neder aan de voeten van den Prins, kusten
zijne voeten en maakten die nat met hunne tranen; ook riepen zij uit met
luide stemmen: „Gezegend zij de heerlijkheid des Heeren van uit deze
plaats!” Toen werden zij verzocht op te staan en aan de stad Menschziel
te gaan vertellen wat de Prins gedaan had. Hij beval ook, dat lieden met
fluiten en trommelen voor hen zou uitgaan en spelen in de geheele stad
Menschziel. Toen werd vervuld waar zij nooit naar hadden uitgezien en
kwam in hun bezit wat zij nooit gedroomd hadden.
De Prins liet ook den edelen kapitein Geloof roepen en beval, dat hij en
eenige zijner officieren voor de edellieden van Menschziel zouden
heentrekken en rukken met vliegende vaandels de stad binnen. Ook ontving
deze kapitein Geloof last om ten tijde als de griffier het algemeen
pardon in de stad Menschziel zou aflezen, alsdan met vliegende vaandels
de Oogpoort in te rijden met tienduizend mannen en zijn gevolg. Hij
moest dan doortrekken de hooge straat op tot in het kasteel, en nemen
dat in bezit tot zijn Heer daar binnen kwam. Bovendien moest aan de
kapiteins Oordeel en Strafoefening geboden worden die sterkte aan hem af
te staan, Menschziel te verlaten en spoedig tot den Prins in het leger
terug te keeren.
Alzoo was nu de stad verlost van de verschrikkingen der vier eerste
kapiteins en hunne manschappen.
Welnu, ik heb u verteld hoe de gevangenen door den edelen vorst Immanuel
behandeld werden en hoe zij zich voor hem gedroegen en hoe hij ze met
fluit en trommel weder naar huis zond. Nu moet gij u eens voorstellen
hoe die van de stad, die niets anders verwachtten te hooren dan een
vonnis des doods, en daarom niet anders dan in droefenis konden
verkeeren, alsof ze met doornen gegeeseld werden, deze verandering van
zaken vernamen. Hunne gedachten konden zich in het eerst op geen ander
punt bepalen; zij verkeerden voortdurend in groote onzekerheid, ja hunne
harten waren gelijk een weegschaal, die door een bevende hand wordt
vastgehouden. Maar ten laatste toen zij telkens over den muur keken,
meenden zij toch iets te zien terugkeeren, en nu dachten zij weder: wie
zouden dat wezen? Ten laatste herkenden zij hunne gevangenen; maar wie
beschrijft de verwondering hunner harten, toen zij bemerkten onder welk
een geleide en met hoeveel eerbewijzen zij terugkeerden. Zij gingen naar
het leger in het zwart, maar keerden nu in het wit terug; zij gingen uit
naar het leger met stroppen om hun hals en keerden nu terug met gouden
ketenen omhangen; zij gingen uit naar het leger met hunne voeten in
ketenen, maar kwamen terug met ontbonden en vroolijke voetstappen; zij
gingen uit naar het leger met den dood voor oogen en kwamen terug in de
volle verzekerdheid des levens; zij gingen uit naar het leger met
bezwaarde harten, maar kwamen terug met trommelen en pijpen.
Toen zij nu voor de Oogpoort gekomen waren, waagde de arme bezwaarde
stad Menschziel het, een kreet te doen opgaan, en het was zulk een kreet
dat de kapiteins in ’s Prinsen leger bij dat geluid kwamen toeloopen.
Ach, die arme bezwaarde harten! wie zal hun dit euvel duiden, daar hunne
doodgewaande vrienden weder in het leven waren teruggekeerd; want het
was hun als een leven uit den dood de oudsten van Menschziel in zulk een
glans te zien verschijnen. Zij hadden naar niets anders uitgezien dan
naar den bijl en het blok; maar ziet, vreugde en blijdschap, groote
vertroosting en zulke welluidende muziek bereikten hen, dat er een zieke
gezond van worden zou.
[Afbeelding: IMMANUELS FEEST.]
Toen zij dan binnenkwamen begroetten zij elkander met een: „Welkom!
welkom! en gezegend is hij, die u spaarde!” Zij voegden daarbij: „Wij
zien het wel, dat het goed met u afgeloopen is, maar hoe moet het nu
gaan met de stad Menschziel? Zal het ook met ons goed afloopen?” Toen
antwoordden de heer griffier en de burgemeester: „O, goede tijding! Een
blijde boodschap van het goede! Groote vreugde voor de stad Menschziel!”
Toen slaakten zij een nieuwen vreugdekreet, die de aarde deed beven.
Hierna vraagden zij meer naar de bijzonderheden, hoe het in het leger
was toegegaan en welke boodschap zij van Immanuel voor de stad hadden
meegekregen. Zoo verhaalden zij hun dan alle voorvallen uit het leger en
alles wat de Prins hun gedaan had. Dit maakte, dat de stad zich
verwonderde over de wijsheid en genade van vorst Immanuel. Toen
verhaalden zij wat zij uit zijne hand ontvangen hadden voor de inwoners
der stad, en de griffier sprak luide deze woorden: „~Pardon~, volkomen
vergiffenis voor Menschziel! Menschziel zal dit morgen ochtend te weten
komen!” Daarop gaf hij bevel, dat alle lieden van Menschziel morgen
ochtend zich op het marktplein vereenigen zouden om dit pardon, deze
algemeene schuldvergiffenis, te hooren voorlezen.
Maar wie kan nu zich voorstellen welk eene verandering, welk een
geestdrift deze keer der dingen in het voorkomen der stad Menschziel
teweegbracht! Geen enkel burger der stad kon dien nacht slapen van
louter vreugde; in ieder huis was er vreugde, zang en muziek en allerlei
vroolijkheid; elkander het geluk van Menschziel te vertellen en naar
deze verhalen te luisteren was al wat een ieder te doen had, en het
besluit van dit alles was: „Veel meer dan dit zal de opgaande zon ons
nog brengen! Wie had gisteren kunnen vermoeden, dat de dag van heden
~zulk~ een dag voor ons zijn zou! En wie had durven denken toen onze
gevangenen met ijzeren ketenen beladen uitgingen naar de legerplaats,
dat zij met gouden ketenen omhangen zouden wederkeeren! Ja, zij, die
zichzelven veroordeelden toen zij zich naar hunnen rechter begaven,
werden door zijn eigen mond vrijgesproken, niet omdat zij onschuldig
waren, maar door ’s Prinsen barmhartigheid alleen, en met pijpen en
trommelen naar huis gezonden. Maar is dit de gewone handelwijze van de
vorsten? Zijn zij gewoon zulke gunsten aan verraders te bewijzen? Neen,
dit is alleen het werk van El-Schaddaï en Immanuel, zijn zoon.”
De morgen brak dan aan. De heer burgemeester, de heer Vastewil en de
heer griffier Geweten kwamen af naar het marktplein op den tijd door den
prins bepaald, waar het volk der stad hen reeds stond op te wachten.
Toen zij er kwamen waren zij gekleed in die glorierijke gewaden, welke
de prins hun den vorigen dag had aangetrokken, en de straat werd door
hunne heerlijkheid verlicht. Zij drongen door naar de Mondpoort, die
aan het benedeneind der marktplaats was, omdat deze van oude tijden af
de plaats was, waar publieke zaken werden behandeld. Zoo stonden zij
daar in hunne toga’s en hunne eereteekenen waren voor hen uitgedragen.
Nu was de nieuwsgierigheid van het volk groot om de volle beteekenis van
het pardon te vernemen.
Toen stond de secretaris recht op zijne voeten en eerst met de hand
gewenkt hebbende om stilte, las hij met luider stemme de
schuldvergiffenis. Maar toen hij kwam aan deze woorden; „de Heere, de
Heere God, barmhartig en genadig, vergevende de ongerechtigheid, de
overtreding en zonden. Alle godslastering en zonde zullen vergeven
worden,” toen konden zij zich niet langer inhouden van vreugde. Want gij
moet weten dat ieder mensch in de stad in dit pardon begrepen was, niet
één uitgezonderd. [Exod. 34 : 6.] [Matth. 12 : 31.]
Toen de griffier geëindigd dit gewichtige stuk te lezen draafden de
burgers over de muren en wallen[30] al huppelende en springende van
blijdschap, en bogen zich zevenmaal op hun aangezicht ter aarde
tegenover de tent van Prins Immanuel. Een luide vreugdekreet ging op en
al het volk riep: „Dat Immanuel eeuwig leve!” Toen werd aan de
jongelieden last gegeven dat zij al de klokken van Menschziel luiden
zouden. Zoo luidden dan de klokken en gingen de lofliederen op en klonk
de muziek in ieder huis van Menschziel.
[30] ~De burgers over de wallen en muren draafden~. Bunyan zelf legt
in eene noot zijne bedoeling daarmede uit. De wallen beteekenen het
vleesch; dit vleesch nu wordt onder den voet getreden, waar de ziel
van vreugde over de verlossing overstelpt is. Zoo beduidt ook het
klokkeluiden de liefelijke gedachten en lofverheffingen, welke uit de
ziel omhoog stijgen. En nu vertoont zich kapitein Geloof in de
vesting. Het geloof komt voor den dag, het laat zich zien beiden aan
Immanuel en aan de geredde Menschziel.
Toen de prins de drie gevangenen met vreugde, met trommelen en pijpen
naar huis gezonden had, beval hij aan zijne kapiteins met al de
legerofficieren en soldaten gereed te wezen op morgen tegen het
oogenblik, dat de griffier het pardon had afgelezen om dan naar zijn
welbehagen te handelen. Toen nu de morgen gekomen was en de griffier het
pardon had voorgelezen, zoo beval Immanuel, dat alle trompetten van het
leger zouden worden geblazen, en dat alle vlaggen en vaandels zouden
worden geplant, de helft daarvan op den berg Genade en de andere helft
op den berg Gerechtigheid. Hij beval ook dat al de kapiteins zich zouden
vertoonen in hun volle wapenrusting en dat de soldaten vreugdegejuich
zouden aanheffen. En evenmin hield kapitein Geloof, die in het kasteel
getrokken was, zich schuil, maar hij vertoonde zich aan den torentrans
van het fort met al zijne officieren en muziekanten in volle
wapenrusting, zich nu eens wendende naar de stad en dan naar ’s Prinsen
legerkamp.