Zoo hielden zij dan op langs dezen weg met de stad te handelen en
sloegen een anderen in. Tot dit doel vergaderden zich de kapiteins tot
eene gedachtenwisseling over hetgeen nu te doen ware, ten einde de stad
uit de heerschappij van Diábolus te verlossen. Toen stond de edele
kapitein Overtuiging op, en sprak:
„Broeders, ziet hier mijne meening.
„Eerstens moeten wij onophoudelijk onze slingersteenen in de stad
werpen, en haar dag en nacht aldus belegerend, voortdurend de onrust
aldaar gaande houden. Daardoor zullen wij ook haar onstuimigen geest in
bedwang houden; want zelfs een leeuw kan men temmen door hem voortdurend
lastig te vallen.
„Ten tweede geef ik den raad, dat wij een verzoekschrift opstellen aan
onzen Koning en heer El-Schaddaï, waarin wij hem den toestand van
Menschziel mededeelen en zijne vergiffenis vragen, dat wij niet beter
geslaagd zijn, en ernstig de hulp van Zijne Majesteit inroepen om ons
meer krachten te zenden en een welbespraakten aanvoerder daarbij, opdat
het voordeel, dat wij reeds behaald hebben, niet weder verloren ga, maar
door een algeheele verovering van Menschziel gevolgd worde.”
In deze denkbeelden van den edelen kapitein Overtuiging stemden allen
als een eenig man mede, en een verzoekschrift werd onmiddellijk
opgesteld, en door een vertrouwd man aan den koning gezonden. De inhoud
was daarvan als volgt:
„Allergenadigste en overheerlijke Koning, heer der hoogere wereld en
bouwmeester der stad Menschziel! Wij hebben, geduchte souverein, op uw
bevel ons leven in de waagschaal gesteld, en een oorlog begonnen tegen
de vermaarde stad Menschziel. Toen wij tegen haar optrokken, deden wij
volgens onzen lastbrief eerst vredesvoorwaarden hooren. Maar, groote
Koning, zij namen onzen raad lichtvaardig op en wilden naar onze
bestraffing niet luisteren. Zij hebben hunne poorten toegesloten en ons
buiten hunne stad gehouden. Ook haalden zij hunne kanonnen voor den dag
en schoten op ons en deden ons zooveel nadeel als hun mogelijk was. Maar
wij hebben de stad met alarm op alarm verontrust, haar telkens gepast
geantwoord en daardoor ook wel eenig voordeel op haar behaald. [Matth.
22 : 5.] [Spreuk. 1 : 25.] [Zach. 7 : 11-13.]
[Afbeelding: HET VERZOEKSCHRIFT AAN EL-SCHADDAÏ GERICHT.]
„Diábolus, Ongeloof en Vastewil zijn onze groote tegenstanders; nu
hebben wij onze winterkwartieren betrokken, maar toch zóo, dat wij
voortdurend met een vaste hand de stad benauwen.
„Hadden wij maar een enkelen flinken vriend in de stad, dan zou zulk een
ons geholpen hebben en aan onze oproeping eenige kracht bijgezet om hen
over te halen zich over te geven; maar daarbinnen waren niet anders dan
vijanden, niet éen, die ten gunste van onzen koning sprak. Daarom,
ofschoon wij gedaan hebben wat wij vermochten, volhardt Menschziel in
haren opstand tegen u.
„Nu, Koning der koningen, moge het u behagen dit niet welgelukken van
uwer dienaren pogen te vergeven. Zend gij, Heere, naar onze begeerte,
meer krachten naar Menschziel, opdat zij worde onderworpen, en een man
aan het hoofd daarvan, die de stad beide beminnen en vreezen mocht.
„Wij spreken niet aldus omdat wij onwillig zijn den oorlog te voeren
(want wij zijn besloten te sterven of te overwinnen); maar opdat de stad
Menschziel voor Uwe majesteit moge gewonnen worden. Wij bidden bovendien
Uwe Majesteit, dat wij na het eindigen van dezen oorlog en de
overwinning dezer stad weder gebruikt mogen worden tot uitvoering van
uwe genadige en heerlijke plannen en oogmerken. Amen.”
Dit verzoekschrift aldus opgesteld, werd met allen spoed naar den koning
gezonden door de hand van een zeer goed man, genaamd Liefde tot
Menschziel.
Toen dit rekwest in het paleis van den koning kwam, aan wien kon het
toen beter overhandigd worden dan aan ’s konings zoon? Hij nam het aan
en las het omdat de inhoud hem best beviel; ook voegde hij er met eigen
hand nog eenige dingen bij, die hij noodig achtte en droeg het toen
eigenhandig naar den koning. Het daar gehoorzaam overgeleverd hebbende,
maakte hij insgelijks van zijne eigen macht gebruik en beval het
mondeling aan.
Nu werd de koning verheugd op het zien van het verzoekschrift, maar nog
meer verblijdde hij zich omdat zijn zoon het ondersteunde! Het behaagde
hem zeer te vernemen hoe zijne kapiteins zich rondom Menschziel gelegerd
hadden en daar zoo van ganscher harte met de verovering bezig waren, zoo
standvastig in hun besluit, en reeds in het bezit van sommige voordeelen
op de vermaarde stad Menschziel.
Daarom riep de koning zijn zoon Immanuel tot zich, en deze antwoordde:
„Ziet, hier ben ik, Vader.” Toen zeide de koning: „Gij kent even goed
als ik zelf den toestand der stad Menschziel, en wat wij hebben
voorgenomen en wat gij gedaan hebt om haar te verlossen. Kom nu, mijn
zoon, en bereid u tot den oorlog, want gij zult naar mijn leger te
Menschziel vertrekken. Gij zult aldaar voorspoedig zijn en de stad
veroveren.”
Toen zeide ’s konings zoon: „Uwe wet is in het midden mijns ingewands;
ik heb lust om uwen wil te doen. Dit is de dag, waarnaar ik verlangd
heb, en het werk, waarop ik gewacht heb. Geef mij daarom die versterking
mede, welke gij in uwe wijsheid noodig keurt, en ik zal heengaan en de
ellendige stad Menschziel van Diábolus verlossen, en uit zijne hand
redden. Dikwijls heeft mijn hart in mijn binnenste gebloed over die
ellendige stad; maar nu ben ik verheugd en blijde.” En dat zeggende ging
hij springende over de bergen, uitroepende: „Niets is mij te dierbaar
voor Menschziel; de dag der wrake is voor u gekomen, en hoe verheug ik
mij, dat mijn Vader mij gemaakt heeft tot den oversten leidsman harer
redding en zaligheid. Ik zal beginnen met al diegenen te plagen, die
eene plaag geweest zijn voor de stad en zal haar uit hunne hand
verlossen!” [Hebr. 10 : 7.] [Hebr. 2 : 10.]
Toen des konings zoon aldus had gesproken, scheen er een licht door het
geheele hof; allen verheugden zich en alle gesprekken liepen over
hetgeen Immanuel voor die vermaarde stad Menschziel ging doen. Gij kunt
u niet half begrijpen hoe de hovelingen waren ingenomen met dit
voornemen van den prins; ja, zoo waren zij in deze zaak belangstellende,
dat de hoogste edelen en eerste stafofficieren van het koninkrijk onder
Immanuel wilden dienen om mede te helpen ten einde de stad Menschziel
voor El-Schaddaï te herwinnen.
Toen werd besloten, dat er enkelen vooruit zouden gaan om aan het leger
bericht te brengen, dat Immanuel op de komst was om Menschziel te
herwinnen, en dat hij zulk een machtig en onverwinnelijk leger zou
medebrengen, dat het niet te weerstaan was. Hoe gereed waren die
hooggeplaatsten aan het hof om als boodschappers en couriers dienst te
doen, ten einde deze tijdingen aan het kamp vóor de stad Menschziel te
brengen. Toen nu de kapiteins bemerkten, dat de koning zijn zoon
Immanuel zenden wilde, en dat deze evenzeer begeerig was om dien tocht
te ondernemen, gaven zij allen een vreugdekreet als bewijs hunner
blijdschap, zoodat de aarde er van beefde. Ja, de bergen gaven er
antwoord op met hunne echo’s en Diábolus zelf sidderde als een aal.
Want gij moet weten, dat ofschoon de stad Menschziel zelve met het plan
in het geheel niet was bekend geworden (want helaas, daarvoor waren zij
al te zeer verbijsterd, zijnde hun vermaak en hunne lusten het
voornaamste wat zij zochten), Diábolus, hun beheerscher wist het wel;
want hij had zijne spionnen, die voortdurend rondzwierven en hem bericht
brachten van alle dingen. Deze verhaalden hem wat aan het hof tegen hem
besloten was, en dat Immanuel binnen kort zou komen om hem te
overweldigen. Nu was er geen mensch aan het hof, noch groote in het
rijk, dien Diábolus zoo vreesde als dezen prins; want, als gij u
herinnert wat ik u gezegd heb, dan weet gij dat Diábolus het gewicht van
zijne hand reeds gevoeld had, zoodat zijne komst hem het meest in angst
joeg.
Daar nu, zooals ik u verhaald heb, alles was in orde gebracht en ’s
konings zoon het hoofd der legermacht, maakte deze zich op den bestemden
tijd tot zijn tocht gereed, nemende met zich een groote macht en vijf
kapiteins.
[Afbeelding: KAPITEIN GEDULD EN ZIJN VAANDRIG LIJDZAAMHEID.]
De eerste was de beroemde kapitein Geloof. Hij voerde de roode kleur en
de heer Belofte droeg die; tot wapen had hij het heilige lam op een
gouden schild; en tienduizend manschappen volgden hem. [Joh. 1 : 29.]
[Efez. 6 : 16.]
De tweede was de beroemde kapitein Hoop. Hij voerde de blauwe kleur;
zijn vaandeldrager was de heer Verwachting, en tot een wapen bezat hij
drie gouden ankers. Ook hem volgden tienduizend manschappen. [Hebr. 6 :
19.]
De derde was de moedige kapitein Liefde. Zijn vaandeldrager was de heer
Ontferming; hij voerde de groene kleuren en had tot wapen eene vrouw,
die drie naakte weezen omhelsde. Ook hem volgden er tienduizend. [1 Cor.
13.]
De vierde heette kapitein Onschuld, een dapper gezagvoerder. Zijn
vaandeldrager was de heer Oprecht. De witte kleur was de zijne en drie
gouden duiven zijn wapen. [Matth. 10 : 16.]
De vijfde was de flinke, trouwe en zeer beminde kapitein Geduld. Zijn
vaandeldrager heette Lijdzaamheid. Hij voerde de zwarte kleur met drie
pijlen door een gouden hart tot wapen.
Dit waren nu de kapiteins van Immanuel, hunne vaandrigs, hunne kleuren
en hunne wapens, en de manschappen, die hunne voetstappen volgden. Zoo
ging dan de dappere vorst naar Menschziel op weg. Kapitein Geloof voerde
de voorhoede aan, en kapitein Geduld de achterhoede; de andere drie
vormden den middentocht, de prins zelf reed op zijn wagen aan haar
hoofd.
Hoe klonken de trompetten, hoe glinsterden de wapenrustingen, hoe
wapperden de vaandels in den wind! Des prinsen wapenrusting was van goud
en schitterde als de zon aan het firmament, de wapenrusting des
kapiteins was van staal en had het voorkomen van blinkende sterren.
Bovendien waren er enkelen van het hof, die vrijwillig dienst hadden
genomen uit liefde tot den koning en belangstelling in de stad
Menschziel.
Immanuel had toen hij zich opmaakte om de stad Menschziel te herwinnen,
op het bevel van zijn vader vier en vijftig stormrammen medegenomen en
twaalf slingers om daarmede steenen te werpen. Ieder daarvan was van
zuiver goud, en deze namen zij mede in het hart van het leger, terwijl
zij naar Menschziel trokken.
Zoo legerden zij zich tot binnen een mijl afstands van de stad, daar
hielden zij halt om de vier eerste kapiteins af te wachten, die hun
kennis van zaken moesten geven. Daarna marcheerden zij weer op, rondom
Menschziel, maar toen de oude gedienden, welke daar reeds lagen, zagen
welke nieuwe krachten aangekomen waren om zich met hen te vereenigen,
hieven zij zulk een vreugdegeroep aan, dat de muren van Menschziel
daverden en Diábolus hevig sidderde. Zoo zetten zij zich voor de stad
neder, niet slechts gelijk de andere kapiteins gedaan hadden voor de
poorten, maar zij omringden haar geheel, aan alle zijden, van voren en
van achteren, zoodat nu Menschziel kon uitzien waar zij wilde, maar
altijd zag zij een vijandige macht zich tegen haar stellende. Ook werden
nog verschansingen tegen haar opgeworpen. De berg Genadig was aan de
eene zijde; de berg Rechtvaardig aan de andere; verder maakten zij nog
verscheidene lagere hoogten, die als kleinere batterijen moesten dienst
doen; als Zuivere Waarheidsheuvel, en Zonder-Zonde, waarop vele slingers
geplaatst en tegen de stad gericht werden. Op den berg Genade stonden er
vier en op Gerechtigheid even zooveel, en de overigen waren op
verschillende punten verdeeld. Vijf van de beste stormrammen, dat is van
de zwaarste, waren op den berg Opmerken, eene batterij vlak bij de
Oorpoort opgeworpen, teneinde die open te rammeien.
Toen nu de lieden der stad die menigte soldaten zagen, die tegen hen
waren opgetrokken, en de stormrammen en slingers, mitsgaders batterijen,
die waren opgeworpen, tegelijk met de glinsterende wapenrustingen en de
wuivende vaandels, werden zij wel gedwongen te overleggen wat zij doen
zouden. Die overleggingen konden nu echter bezwaarlijk van stoutmoedigen
aard wezen, integendeel ze werden telkens meer vreesachtig; want
ofschoon zij vroeger wel eens gemeend hadden dat zij genoegzaam
verzekerd waren, zoo begonnen zij nu toch te twijfelen of het wel goed
met hen zou afloopen.
Toen de goede prins Immanuel Menschziel aldus had belegerd, begon hij
eerst de witte vlag uit te steken, die men gewoonlijk op de gouden
slingers plaatste, welke op den berg Genade stonden. Dit deed hij om
twee redenen: 1^{e} om aan Menschziel te verstaan te geven, dat hij haar
wilde genadig zijn wanneer zij tot hem terugkeerde, en 2^{e} opdat zij
des te minder te verontschuldigen zouden zijn wanneer hij hen moest
vernielen omdat zij in hun oproer volhardden.
Zoo werd dan de witte vlag met de drie gouden duiven uitgehangen, en dat
wel twee dagen achter elkaêr om hun tijd te geven zich te bedenken. Doch
zij sloegen geen acht en gaven geen antwoord op dit gunstig zinnebeeld.
Toen gaf de prins opnieuw bevel en zij zetten de roode vlag op den berg
genaamd Gerechtigheid. Het was de roode vlag van kapitein Oordeel, wiens
wapen was de brandende oven; en deze stond toen ook verscheidene dagen
achtereen in den wind te wapperen. Maar evenals zij dat met de witte
vlag gedaan hadden, toen die uithing, zoo handelden zij nu ook met de
roode; zij deden er hun voordeel niet mede.
Daarna beval hij dat zijne mannen de zwarte vlag der verwoesting tegen
hen zouden uithangen, welks zinnebeeld was de drie brandende
donderkogels. Menschziel bleef daarbij evenwel onaandoenlijk als
tevoren. Maar toen de prins zag, dat noch genade, noch gerechtigheid,
noch oordeel het hart van Menschziel konden bereiken, werd hij door diep
medelijden bewogen en sprak: „Voorzeker, dit vreemdsoortige gedrag van
de stad Menschziel moet veeleer voortspruiten uit onwetendheid aangaande
de oorlogsmanieren, dan wel uit een geheime en stille verachting van ons
en een veronachtzamen van hun eigen welzijn; of als zij de
oorlogsmanieren kent dan toch niet die, welke ik gebruik met mijn vijand
Diábolus.”
Daarom zond hij naar de stad Menschziel om haar te laten weten wat hij
met deze teekens en vlaggen bedoelde, -- hij deed dit om te weten te
komen of zij wilden kiezen, en wat zij kozen, ’t zij genade en
barmhartigheid, of rechtvaardigheid en oordeel. Zij sloten intusschen
hunne poorten met dubbele grendels toe, versterkten ze met bouten en
maakten ze zoo stevig vast als zij slechts vermochten. Ook werden al
weder hunne wachten verdubbeld en versterkt. Diábolus was daarbij druk
in de weer om de stad tot tegenweer aan te moedigen.
[Afbeelding: DE OORPOORT WORDT GEBARRIKADEERD.]
Zoo gaven dan ook de lieden der stad een antwoord aan ’s prinsen
afgezanten in hoofdzaak hierop neer komende:
„Groote Heerscher, wat aangaat hetgeen gij door uwen afgezant aan ons
hebt laten voorstellen, namelijk of wij uwe barmhartigheid willen
aannemen dan wel vallen door uwe gerechtigheid, zoo zijn wij door de wet
gebonden u geen positief antwoord te geven; want het is tegen de wetten,
ordonnantiën en koninklijke besluiten van onzen koning, dat wij vrede of
oorlog maken zonder hem. Maar dit willen wij wel doen -- wij zullen
onzen koning verzoeken op den muur te komen en u daar zulk een bescheid
te doen als hij zal denken oorbaar en voor ons voordeelig te zijn.”
Toen de goede prins Immanuel dit antwoord hoorde en de slavernij en
afhankelijkheid van het volk zag en hoe gaarne zij in de ketens van den
tiran Diábolus bleven, smartte het hem aan zijn hart; en inderdaad als
hij te eeniger tijd bemerkte, dat iemand zich tevreden gevoelde in de
slavernij van den reus, zoo deed hem dit altijd leed.
Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Nadat de lieden der stad dit
nieuws aan Diábolus hadden medegedeeld, bovendien, dat de prins zich
daar gelegerd had en hem bij den muur verwachtte om een antwoord,
weigerde hij te komen; hij pochte luid, maar in zijn hart was hij
bevreesd.
Daarna echter zeide hij: „Ik zal toch zelf naar de poort gaan en geven
hun zulk een antwoord als ik zal goedvinden.” Zoo ging hij dan naar de
Mondpoort en richtte zich tot Immanuel, (maar in eene taal, die de stad
niet verstond) op deze wijze:
„O, gij groote Immanuel, heer der geheele wereld, ik ken u, dat gij de
zoon zijt van den grooten El-Schaddaï. Waarom zijt gij hier gekomen om
mij te kwellen en mij uit mijne bezitting te verjagen? Deze stad
Menschziel is de mijne, zooals gij zeer wel weet en dat wel met een
dubbel recht. 1^{e} Is zij mijn uit recht van verovering. Ik won haar in
het open veld, en zal men den machtige zijn roof ontnemen of den wettig
gevangene bevrijden? 2^{e} Is zij mijn wegens hare onderwerping. Zij
heeft de poorten harer stad vrijwillig voor mij geopend; zij heeft mij
trouw gezworen en mij openlijk tot haren koning verkozen; zij heeft ook
haar kasteel in mijne handen gesteld, ja, zij heeft al hare krachten mij
vrijwillig onderworpen.
„Bovendien heeft deze stad u afgezworen, ja zij heeft uwe wetten
verworpen, uwen naam en uw beeld en al wat het uwe is achter haren rug
geworpen; zij heeft mijne wetten aangenomen en mijn naam, mijn beeld en
al wat van mij is daarvoor in de plaats gesteld. Vraag dit maar aan uwe
kapiteins en zij zullen u wel mededeelen, dat Menschziel in antwoord op
hunne oproepingen, liefde en gehechtheid aan mij heeft getoond, maar
verachting en wrevel voor u en het uwe. Nu zijt gij toch de
Rechtvaardige en de Heilige, en gij kunt geene ongerechtigheid doen.
Vertrek dan, bid ik u, laat van mij af en gun mij het bezit van mijne
wettige erfenis.”
Deze redevoering werd gehouden in de taal van Diábolus zelf; want
ofschoon hij tot iedereen in zijne eigen taal kan spreken (anders kon
hij ook niet allen in verzoeking brengen zooals hij doet) toch heeft hij
eene eigen taal, en dat is de spraak uit den helschen afgrond of de
zwarte put.
Daarom verstond de stad Menschziel (arme stumpert!) hem niet, en kon zij
ook niet zien hoe hij zich in allerlei bochten kronkelde, terwijl hij
daar stond voor Immanuel den vorst.
Ja, zij hielden hem bij dit alles voor iemand van groote macht, dien men
onmogelijk kon wederstaan. Zoodat, terwijl hij aldus stond te smeeken,
dat hij toch zijne woning in Menschziel mocht houden en dat Immanuel hem
niet met geweld mocht verjagen, de inwoners op zijne dapperheid pochten,
zeggende: „Wie is in staat hem den oorlog aan te doen?”
Toen deze voorgewende koning nu een eind gemaakt had met hetgeen hij
wilde zeggen, stond Immanuel, de gouden prins, op en sprak:
„Gij, groote bedrieger, ik heb in mijns Vaders naam en ook in mijn eigen
naam, en in het belang van deze ellendige stad Menschziel iets tot u te
zeggen. Gij geeft voor een recht, een wettig recht te hebben op deze
arme stad, terwijl het zeer duidelijk is voor het gansche hof mijns
Vaders, dat de toegang, die gij tot de poorten van Menschziel hebt
verkregen, slechts door leugen en valschheid heeft kunnen plaats hebben.
Gij beloogt mijn Vader, gij beloogt zijne wet en alzoo bedroogt gij het
volk van Menschziel. Gij geeft voor, dat het volk u aangenomen heeft
voor zijn koning, hoofdman en wettigen heer; maar dat gebeurde ook door
gebruik te maken van bedrog en leugentaal. Welnu, indien leugen,
eigenwilligheid, zondige kracht en alle vormen van afschuwelijke
huichelarij, in mijns Vaders hof (waaruit gij moest verbannen worden)
kunnen doorgaan voor billijkheid en recht, dan zal ik voor u bekennen,
dat gij een wettige verovering hebt gedaan. Maar, helaas, welke roover,
welke tiran, welke duivel is er niet, die op die manier geene
veroveringen zou kunnen maken? Maar ik kan het u duidelijk voor oogen
stellen, o Diábolus, dat gij in al uw voorgeven van eene verovering der
stad niet een enkel woord waarheid hebt gesproken. Meent gij dit recht
te zijn dat gij mijn Vader een leugen in den mond legdet en hem aan
Menschziel voorsteldet als den grootsten bedrieger ter wereld? En hoe
noemt gij uwe uitlegging, waar gij de rechte bedoeling der wet
uitmuntend verstondt? Was het ook goed, dat gij alzoo een prooi maaktet
van de onnoozelheid en eenvoudigheid van de thans zoo ellendige stad
Menschziel? Gij haaldet Menschziel over door haar allerlei geluk te
beloven in hare overtreding van mijns Vaders wet, die gij kendet, en
kennen kondt, als gij alleen maar uwe eigen ondervinding hadt
geraadpleegd, wel wetende, dat dit de weg was tot ondergang. Zoo hebt
gij dan, o meester in de vijandschap, mijns Vaders beeld in Menschziel
smadelijk verbroken en het uwe daarvoor in de plaats gesteld, tot groote
verachting van mijn Vader en verergering van uw misdrijf, gelijk ook tot
onnoemelijke schade van de verloren stad Menschziel.
[Afbeelding: DIÁBOLUS BEROEP OP IMMANUEL.]
„Gij hebt boven dit alles, alsof dit maar weinig ware, niet alleen deze
plaats bedrogen en bedorven, maar door uwe leugens en bedriegelijk
gedrag hebt gij haar nog van hare verlossing afkeerig gemaakt. Hoe hebt
gij haar opgehitst, tegen mijns Vaders kapiteins, en gemaakt, dat zij
strijdt tegen degenen, die haar uit uwe slavernij willen verlossen! Al
deze dingen en nog veel meer hebt gij gedaan, tegen licht en beter weten
aan en ten spijt van mijn Vader en zijne wet, en dat met het voornemen
om de ellendige stad Menschziel voor eeuwig onder zijn ongenoegen te
doen vervallen. Ik ben nu gekomen om den smaad, dien gij mijn Vader
aangedaan hebt, te wreeken, en met u in het gericht te treden wegens de
lasteringen, waarmede gij het arme Menschziel geleerd hebt zijnen naam
te lasteren. Ja, op uw kop, gij vorst van den helschen afgrond, zal ik
het verhalen.
„Wat mij zelf betreft, o Diábolus, ik ben tot u gekomen met een wettige
macht, en met het doel om door eene machtige hand, deze stad Menschziel
uit uwe brandende vingeren te verlossen. Deze stad Menschziel is de
mijne, o Diábolus, en dat door een onbetwistbaar recht, zooals allen
zullen inzien, die naarstig de oudste en autentieke bescheiden willen
onderzoeken; en ik zal mijn recht daarop verdedigen tot beschaming van
uw aangezicht.
„Eerstens is de stad Menschziel door mijn Vader gebouwd en door zijne
hand gefatsoeneerd. Het paleis, dat in het midden der stad is, heeft hij
gebouwd tot zijn eigen genoegen. Daarom is deze stad Menschziel van mijn
Vader, en dat met alle recht, en hij, die dit tegenspreken wil, liegt
tegen zijne eigen ziel.
„Ten tweede is, o gij opperste leugenaar, deze stad Menschziel de mijne,
omdat ik mijns Vaders erfgenaam ben, zijn eerstgeborene en de lieveling
van zijn hart. Ik ben daarom tegen u opgetrokken uit kracht van mijn
eigen recht, ten einde mijne erfenis weder uit uwe hand te lossen.
[Hebr. 1 : 2.] [Joh. 15 : 16.]
„Maar verder, al heb ik een recht op Menschziel als mijns Vaders
erfgenaam, zoo ontving ik het evenzeer als een geschenk. Het was het
zijne en hij gaf het mij; ook heb ik nooit mijn Vader bedroefd, zoodat
hij het van mij zou genomen hebben en u gegeven hebben. Evenmin ben ik
genoodzaakt geworden door geldelijke verlegenheid mijn geliefde stad
Menschziel aan u te verkoopen. Menschziel is mijn lust en mijn leven, de
vreugde van mijn hart. Maar Menschziel is ook mijn eigendom omdat ik het
gekocht heb. O Diábolus, ik heb het mij gekocht. Merk nu eens op, eerst
was het van mijn Vader en mij omdat ik erfgenaam ben, en daarna omdat ik
het voor een duren prijs heb gekocht. Volgt dan daar niet uit, dat bij
wettig recht de stad Menschziel mij toebehoort, en dat gij een
overweldiger, een tiran, een verrader zijt als gij het in uw bezit
houdt? Ik zal u ook zeggen wat de oorzaak was, dat ik het kocht.
Menschziel had tegen mijn Vader overtreden, en mijn Vader had gezegd,
dat ten dage als zij zondigde, zoo zou zij sterven. Nu is het eer
mogelijk dat hemel en aarde voorbijgaat, dan dat het woord van mijn
Vader gebroken wordt. Daarom toen Menschziel gezondigd had door naar uwe
leugenen te luisteren, ben ik daar tusschen getreden en bij mijn Vader
borg gebleven, lijf voor lijf, en ziel voor ziel, dat ik zou boeten voor
Menschziels overtreding, en mijn Vader heeft daarin berust. Zoo heb ik
dan toen de bestemde tijd gekomen was, lijf voor lijf en ziel voor ziel
gegeven, leven voor leven en bloed voor bloed, en aldus heb ik mijn
dierbaar Menschziel verlost. [Jes. 50 : 1.]
„Ook heb ik dit niet ten halve gedaan: mijns Vaders wet en recht zijn
voldaan, de straf is voor de misdaad geboet, en op gansch wettige wijze
is Menschziel verlost.
„Evenmin ben ik heden eigenwillig tot u gekomen, maar op mijns Vaders
bevel; hij was het, die tot mij zeide: „ga heen en verlos Menschziel!”
„Daarom zij het u nu bekend, o bronwel van alle bedrog, en zij het ook
bekend aan de dwaze stad Menschziel, dat ik thans niet tegen u ben
opgetrokken zonder mijn Vader.
„En nu,” besloot de met goud gekroonde prins, „heb ik een woord tot de
stad Menschziel.” Zoodra hij echter daarvan repte om tot de verdwaasde
stad Menschziel te spreken, werden alle poorten weder dubbel gesloten en
iedereen ontving bevel hem geen gehoor te geven. Daarom ging hij voort:
„O, ongelukkige stad Menschziel, ik ben met medelijden over u vervuld.
Gij hebt Diábolus tot uwen koning aangenomen, en zijt de voedstervrouw
geworden van booze geesten, die tegen uw souvereinen Heer opstaan. Uwe
poorten hebt gij voor hem geopend, maar voor mij hebt gij ze
toegesloten; gij hebt hem gehoor gegeven, maar voor mijne roepstem uwe
ooren gestopt. Hij bracht u in ellende en gij hebt beiden hem en al wat
hij u bracht ontvangen. Ik kom u redding brengen, maar gij ziet mij niet
aan. Bovendien hebt gij uwe heiligschennende handen uitgestoken naar al
wat in u mij toebehoorde, en hebt uzelven met al wat het mijne was aan
hem gegeven; aan hem, mijn vijand en den grootsten tegenstander van mijn
Vader. Gij hebt u voor hem gebogen en u aan hem onderworpen, gij hebt
beloofd en gezworen, dat gij de zijne zoudt zijn. Arm Menschziel, wat
zal ik u doen? Zal ik op u aanvallen? Zal ik u vermorzelen of zal ik u
redden? Wat zal ik u doen? U met den grond gelijk maken of u stellen tot
een toonbeeld van vrije genade? Wat zal ik u doen? Hoor daarom, o hoor,
gij stad Menschziel, hoor naar mijne woord, en gij zult leven. Ik ben
genadig, Menschziel, en gij zult mij barmhartig bevinden; sluit mij niet
buiten uwe poorten.” [Hoogl. 5 : 2.]
„O, Menschziel, het is mijn doel noch mijn roeping om u kwaad te doen.
Waarom ontvlucht gij uwen vriend en hecht u zoo vast aan uwen vijand?
Inderdaad, ik wensch dat gij, zooals het u past, bedroefd zijt over uwe
zonden, maar wanhoop niet aan uw leven; deze groote legermacht is niet
hier om u kwaad te doen, maar om u van de slavernij te verlossen en
onder mijn gezag terug te brengen. [Joh. 12 : 47.] [Luk. 9 : 56.]
„Mijn doel is, inderdaad, alleen Diábolus, uwen koning, en al zijne
duivelsche geesten den oorlog aan te doen; want hij is de sterke, die
het huis bewaakt, en ik wil hem er uit hebben; zijn vaten moet ik hem
ontrooven, zijn wapenrusting moet ik van hem nemen, ik moet hem uit zijn
nest jagen en van zijne verblijfplaatsen eene woning voor mijzelven
maken. En dat, o Menschziel, zal Diábolus ondervinden, wanneer hij in
ketenen geklonken mijne voetstappen volgt als een gevangene, en
Menschziel zal zich bij dit gezicht verblijden.
„Ik zou wel op zulk eene wijze van mijne macht gebruik kunnen maken, dat
hij dadelijk moest heengaan en het opgeven; maar ik heb in mijn hart
voorgenomen zóo met hem te handelen, dat de rechtvaardigheid van den
oorlog, dien ik hem aandoe, door allen zal worden erkend. Hij heeft
Menschziel met bedrog genomen, en houdt het met geweld en bedrog vast,
en ik zal hem naakt en bloot stellen voor aller oog.
„Al mijne woorden zijn waarheid. Ik ben machtig om te helpen en zal mijn
Menschziel uit zijne hand verlossen.”
Deze toespraak was in de eerste plaats voor Menschziel bestemd, maar
Menschziel wilde er niet naar hooren. Zij sloten de Oorpoort,
barrikadeerden die met ijzers en bouten, en zetten daar wachters, die de
bewoners van Menschziel moesten beletten tot hem uit te gaan, en die
niemand uit het leger in de stad mochten toelaten. Dit alles deden zij
omdat Diábolus op zulk een ontzettende wijze hunne zinnen had verblind,
en hen opgezet tegen hun wettigen heer en vorst. Daardoor kwam nu ook
geen stem, of boodschapper, noch eenig geluid, dat van den glorierijken
koningszoon uitging, de stad binnen.
Toen nu Immanuel zag, dat Menschziel op die wijze in hare zonde verhard
was en dat zijne woorden veracht werden, zoo riep hij zijn leger samen,
en liet al zijne heirscharen weten, dat zij op het bestemde uur gereed
moesten zijn. Daar er nu geen andere wettige weg was om in de stad
Menschziel te komen, en daar vooral de Oorpoort zoo zorgvuldig gesloten
bleef, zoo beval hij zijne kapiteins en gezagvoerders om hunne
stormrammen voor den dag te halen, en al hunne slingeraars en
manschappen te richten op de Oorpoort en de Oogpoort, teneinde de stad
in te nemen.
Als nu Immanuel alle dingen had gereed gemaakt om Diábolus slag te
leveren, zond hij nogmaals naar de stad Menschziel een vreedzame
boodschap of zij zich ook wilde overgeven of dat zij nu besloten was het
tot het uiterste te wagen? Zij riepen dan met Diábolus, hunnen koning,
een krijgsraad samen en bepaalden weder eenige voorwaarden, die Immanuel
zouden worden aangeboden of hij daarin mocht bewilligen, en die door
iemand uit de stad tot hem zouden worden gezonden. Wie kon die boodschap
doen? Nu woonde in de stad een oud man, een duivelskind, zijn naam was
Onbuigzaam,[20] die zeer stijf op zijn stuk stond, een uitmuntend
werktuig voor Diábolus. Deze man werd uitgezonden en hem in den mond
gelegd wat hij zeggen moest. Zoo kwam dan deze in het leger van
Immanuel, en toen hij daar aankwam werd een tijd bepaald, waarop hem
gehoor zou worden gegeven. Na een paar duivelsche plichtplegingen begon
hij aldus te spreken: „Groot en machtig Heer, opdat het allen bekend zij
welk een goedhartig vorst mijn meester is, heeft hij mij gezonden om u
te zeggen, dat hij, liever dan een oorlog met u te beginnen, genegen is
de helft van de stad Menschziel in uwe handen over te geven. Ik moet
daarom maar weten of Uwe Majesteit gewillig is dit voorstel aan te
nemen.” [Titus 1 : 16.]
[20] Die zekere heer ~Onbuigzaam~, blijkt op het einde zijn naam te
volle te verdienen, ofschoon hij in het eerst de buigzaamheid zelf
schijnt te wezen. Al dat toegeven is geen toegeven, ’t is alles
satanische list. Al dat wenden en keeren doet denken aan de
kronkelingen van de slang.
Toen zeide Immanuel: „De geheele stad is mijn eigendom, zoowel omdat zij
mij gegeven is als omdat ik haar gekocht heb.”
Toen antwoordde Onbuigzaam: „Heerschap, mijn meester heeft gezegd, dat
hij er ook in toestemt, dat gij den titel hebt van Heer over alles, als
hij maar een deel voor zich in bezit mag houden.” [Luk. 13 : 25.]
Maar Immanuel sprak: „Alles is wettig het mijne, niet slechts in naam,
maar in werkelijkheid, daarom wil ik ook de eenige Heer en bezitter van
alles wezen, òf ik wil er niets van hebben.”
Toen ging Onbuigzaam al weer voort: „Heerschap, ziet toch eens hoe
toegevend mijn meester is; hij zegt dat hij tevreden zal wezen, als hij
maar eene plek in Menschziel heeft daar hij wonen mag, en u Heer en
Meester zal laten van al het overige.” [Hand. 5 : 1-5.]
Maar daarop antwoordde de gouden prins: „Al wat mij de Vader geeft zal
tot mij komen, en van al wat Hij mij geeft -- zal ik niets verliezen --
zelfs niet een haar van het hoofd. Ik zal hem daarom zelfs het kleinste
hoekje in Menschziel niet vergunnen, ik wil het alles zelf hebben.”
Toen sprak Onbuigzaam weder: „Maar, mijnheer, onderstel dat mijn meester
kon besluiten u de gansche stad over te geven alleen met dit voorbehoud,
dat hij somtijds wanneer hij in deze streken komt, daar als oude kennis,
en als een doortrekkend man eens een paar dagen, eene week of eene maand
kwam verblijven. Kan zelfs deze kleine zaak niet vergund worden?”
Toen zeide Immanuel: „Hij kwam als een doortrekkend reiziger tot David
en bleef niet lang bij hem en toch had het David zijne ziel kunnen
kosten. Ik wil niet toestaan, dat hij er ooit weer binnenkomt.” [2 Sam.
12 : 1-5.]
Toen zeide Onbuigzaam: „Heer, gij schijnt wel zeer hard te wezen.
Onderstel, dat mijn meester alles toestemt wat Uwe Majesteit zegt, met
deze uitzondering, dat zijne vrienden en bekenden in Menschziel vrijheid
mogen genieten om in de stad handel te drijven en daar hunne
tegenwoordige woonplaats mogen behouden. Dat wordt toch wel toegestemd,
Mijnheer?”
Toen zeide Immanuel: „Neen, dat is tegen den wil van mijn Vader; want
allen en een iegelijk, die van Diábolus aanhang nu of later in de stad
gevonden worden, zullen hunne bezittingen, hunne vrijheid en hun leven
verliezen.” [Rom. 6 : 13.] [Col. 3 : 5.]
Daarop antwoordde Onbuigzaam: „Maar, Heerschap, mag dan mijn meester en
groote Heer niet door brieven of doortrekkende reizigers of bij
voorkomende gelegenheden, als hij alles in uwe handen overgeeft eene
soort van vriendschap en gemeenschap met de stad onderhouden?” [Joh.
10 : 8.]
Immanuels antwoord was: „Neen, op geenerlei wijze, aangezien zulk eene
gemeenschap, vriendschap, toegenegenheid of kennismaking zal strekken
tot verderf van Menschziel, en haar vrede met mijn Vader in gevaar
brengen.”
De heer Onbuigzaam voegde daar nog bij: „Maar, groote Heer, mijn Meester
heeft veel vrienden en die hem dierbaar zijn in Menschziel, mag hij dan
niet als hij uit overmaat van goedheid vertrekt, hun eenige bewijzen van
zijne goedertierenheid bij wijze van gedachtenis achterlaten, waarop zij
na zijn vertrek kunnen staren als panden van oude vriendschap en tot
herinnering, dat hij eens hun koning was, en van den goeden, vroolijken
tijd, dien zij samen hebben doorgebracht, toen hij en zij samen in vrede
leefden?” [Rom. 6 : 12, 13.]
Toen zeide Immanuel: „Neen, want als Menschziel de mijne wordt, zoo zal
ik niet toelaten, dat er het minste overblijfsel, ja dat zelfs het stof
van Diábolus, dat hij achterlaat, als gift of gedachtenis aan iemand in
Menschziel geschonken zij, om de verschrikkelijke herinnering van die
jammerlijke vriendschap levendig te houden.”
[Afbeelding: ONBUIGZAAM NAAR IMMANUEL GEZONDEN.]
„O, Heer”, zeide toen Onbuigzaam, „ik heb nog maar éen ding voor te
stellen en dan is mijn lastbrief ten einde. Onderstel dat, wanneer mijn
meester uit Menschziel is weggegaan, iemand, die daar woont of later
wonen zal, zoo iets belangrijks en bijzonders aldaar te doen heeft, dat
indien het verzuimd wordt de geheele zaak daaronder lijden zou, en die
belangrijke zaak kan door niemand anders gedaan worden dan door mijn
meester, zou dan niet aan die persoon gelegenheid gegeven worden om mijn
meester te zijnen huize te ontvangen? Of zelfs, werd dit niet
toegestaan, dat zij dan elkander mochten ontmoeten in een der naburige
dorpen ten einde samen raad te plegen?” [2 Kon. 1 : 3, 6, 7.]
Dit was de laatste der voorstellen, die Onbuigzaam aan Immanuel had voor
te stellen in naam van zijn meester Diábolus; maar Immanuel wilde niets
toestaan, want hij zeide: „Er kan geen geval, geen zaak van welken aard
ook in Menschziel voorkomen wanneer uw meester zal vertrokken zijn, die
niet door mijn Vader kan worden in orde gebracht. Bovendien zou het een
groote verachting wezen van mijns Vaders wijsheid en verstand als iemand
uit Menschziel toegelaten werd naar Diábolus uit te gaan om raad te
plegen. In ieder denkbaar geval kunnen zij hunne begeerten met bidden en
smeeken met dankzegging bij mijnen Vader bekend maken. En verder: werd
dit toegestaan, dan zou eene deur worden opengehouden voor Diábolus en
de zijnen in Menschziel om een komplot te maken en verscheidene
verraderlijke dingen te doen tot mijns Vaders verdriet en tot vernieling
der stad.” [1 Sam. 28 : 15.] [2 Kon. 1 : 2, 3.]
Toen de heer Onbuigzaam dit antwoord gehoord had, nam hij afscheid van
Immanuel en vertrok, zeggende, dat hij zijn meester bericht zou brengen.
Zoo kwam hij dan ook bij Diábolus, zijn meester, te Menschziel en
verhaalde hem de geheele zaak en hoe Immanuel niets wilde toegeven; dat
als hij er eens uitging hij dan voor altijd buiten de stad was gebannen
en hij er nooit meer iets mede mocht te doen hebben. Toen Menschziel en
Diábolus dit verhaal der dingen hadden vernomen, besloten zij met
algemeene stemmen hun uiterste best te doen om Immanuel buiten
Menschziel te houden en om den ouden Kwaderust, van wien wij tevoren
gehoord hebben te zenden om dit aan den prins en zijne kapiteins te
berichten. Zoo kwam dan die oude heer boven op de Oorpoort staan, en
riep tot het leger om gehoor, en nadat hij dat bekomen had sprak hij:
„Ik heb van mijn hoogen vorst en heer in last u te verzoeken aan uwen
prins te berichten, dat Menschziel en haar koning vastelijk besloten
zijn samen te staan of te vallen; en dat het tevergeefs is wanneer uw
prins Immanuel vermeent ooit Menschziel weder in handen te krijgen,
tenzij hij bij machte is haar met geweld te nemen.” Zoo gingen dan de
kapiteins en verhaalden aan Immanuel wat die Kwaderust gezegd had,
waarop de prins antwoordde: „Ik moet de kracht van mijn zwaard
beproeven, want ik zal geenszins van hier vertrekken eer ik Menschziel
van haren vijand verlost heb, welke oproeren zij ook heeft aangericht,
en hoe menigmaal zij mij ook heeft verstooten!” Daarop gaf hij bevel aan
kapitein Boanerges, kapitein Overtuiging, kapitein Oordeel en kapitein
Strafoefening om onmiddellijk met bazuingeschal en vliegende vaandels en
krijgsgeschal naar de Oorpoort op te trekken. Ook wilde hij, dat
kapitein Geloof zich bij hen voegen zou. Immanuel gaf bovendien bevel,
dat de kapitein Goede Hoop en kapitein Liefde zich voor de Oogpoort
zouden in slagorde stellen. De overige kapiteins en hunne manschappen
moesten zich elders rondom de stad gereed houden en de voordeeligste
stellingen tegenover de stad innemen, en alles gebeurde zooals hij het
geboden had. [Efez. 6 : 17.]
Daarop werd uitgeroepen dat het wachtwoord zou wezen „Immanuel”. Toen
ontstond er een oorverdoovend geraas, de stormrammen werden aangelegd,
en de slingers zweepten groote steenen door de lucht, die in de stad
neerkwamen. Zoo begon de strijd. Diábolus voerde nu zelf de lieden der
stad tot den strijd aan en wel bij elke poort, daarom was haar
tegenstand zooveel te krachtiger, helscher en beleedigender voor
Immanuel. Verscheidene dagen achtereen werd de goede prins op deze wijze
door Diábolus en Menschziel tegengestaan, terwijl het inderdaad de
moeite waard was te zien hoe flink El-Schaddaï’s kapiteins zich in den
oorlog gedroegen.
[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN IMMANUEL BELOOND.]
Daar hebt gij eerst kapitein Boanerges; ofschoon de anderen niet bij hem
achterstonden; deze deed driemaal zulke krachtige aanvallen op de
Oorpoort, dat deze poorten en deuren kraakten en schudden. Kapitein
Overtuiging, die Boanerges trouw terzijde stond, deed wat hij vermocht,
en beiden, bemerkende dat de poort begon te kraken, bevalen dat de
stormrammen er maar voortdurend tegen spelen zouden. Daar kapitein
Overtuiging zich wat dicht bij de poort waagde, kreeg hij drie wonden in
den mond[21] en werd teruggedreven. Toen kwamen de vrijwilligers in het
leger en dit moedigde de kapiteins opnieuw aan.
[21] ~In deze worsteling werd kapitein Overtuiging gewond~. -- Wij
worstelen menigmaal tegen onze overtuigingen in, en brengen het soms
zóo ver, dat wij ze op een of ander punt tot zwijgen doemen. Toch doen
deze aanvallen van ons overtuigend geweten den booze in ons afbreuk;
de zekerheid en stille gerustheid worden geschokt en verdreven.
Om deze kapiteins voor hunne dapperheid te beloonen zond de prins hen
naar zijne eigen tent, en beval, dat zij daar een weinig zouden
uitrusten en zich herstellen. Ook werd er onmiddellijk voor gezorgd, dat
kapitein Overtuiging van zijne wonden genezen werd. De prins vereerde
ieder hunner een gouden keten en sprak hun moed in.
Meent evenmin, dat kapitein Goede Hoop of kapitein Liefde achteraan
kwamen in dit wanhopige gevecht, want deze gedroegen zich zóo kloek aan
de Oogpoort, dat zij haar bijna openbraken. Ook deze ontvingen loon van
hunnen vorst evenals de overigen der hoofdlieden, omdat zij zich rondom
de stad zoo dapper weerden.
In deze worsteling werden verscheidene officieren van Diábolus gewond of
gedood, en ook vele lieden uit de stad bekwamen blessuren. Onder de
gesneuvelde officieren behoorde zekere kapitein Pocher. Deze Pocher had
gemeend, dat niemand de deuren der Oorpoort noch het hart van Diábolus
kon doen beven. Naast hem werd een zekere kapitein Zekerheid
neergeslagen, die gewoon was in stille gerustheid te leven en voor een
spreekwoord had aangenomen, dat de blinden en lammen in Menschziel
alleen wel in staat waren de poorten der stad tegen Immanuel te
verdedigen. Dezen kapitein Zekerheid werd door kapitein Overtuiging met
een tweesnijdend zwaard het hoofd gekloofd, toen deze drie wonden in den
mond kreeg. [2 Sam. 5 : 6.]
Behalve dezen was er nog een hoofdman Bluffer, een snoode boef, een
aanvoerder van een troep, die vuurbranden, pijlen en doodelijke
werktuigen aandroegen. Deze man kreeg aan de Oogpoort van kapitein Goede
Hoop een doodelijke wonde in de borst.
Zoo was er ook een mijnheer Gevoelig, geen kapitein, maar een opstoker
tot opstand. Hij kreeg eene wond in het oog, van de hand van een van
Boanerges’ soldaten. De kapitein zou hem zelf wel gedood hebben, maar
hij maakte een spoedigen terugtocht.
Maar nooit in mijn leven zag ik Vastewil zoo tam; hij was volstrekt niet
in staat zijn gewone handelwijze te volgen, en sommigen zeggen, dat hij
ook eene wond gekregen had in het been. Men had hem ten minste uit het
leger van den prins in de verte zien hinken.
Ik zal u geen nauwkeurige opsomming geven van de soldaten, die in de
stad gedood werden; velen werden er verminkt, gewond en velen schoten er
het leven bij in. Toen zij zagen, dat de Oorpoort wankelde en de
Oogpoort bijna geheel opengebroken was, ook dat verscheidene van hunne
kapiteins waren geslagen, versmolt het hart van velen, die Diábolus
aanhingen. Ook vielen er velen door de slingersteenen, die met kracht in
de stad werden geworpen.
Onder de burgers behoorde een zekere Goedhater, die ook een Diábolist
was. Deze kreeg een doodelijke wond in Menschziel, maar waaraan hij
eerst later stierf.
De heer Kwaderust, gij kent hem wel, die het eerst met Diábolus meekwam
toen hij Menschziel belaagde, ontving ook gevaarlijke wonden in zijn
hoofd; ik heb zelfs hooren zeggen, dat zijn hersenpan gescheurd was. Dit
heb ik ten minste opgemerkt, dat hij in later tijd nooit meer in staat
was zooveel kwaad in Menschziel te doen als voorheen. De oude heer
Vooroordeel en Neutraal zetten het op een loopen.
Toen nu deze worsteling voorbij was gaf de prins bevel, dat weder de
witte vlag op den berg Genade zou worden geheschen, in het gezicht der
stad, om te toonen, dat Immanuel Menschziel in hare ellende wilde
genadig zijn.
[Afbeelding: GRIFFIER GEWETEN VERONTRUST.]
Toen evenwel Diábolus de witte vlag der genade zag waaien, en hij wist
wel, dat dit niet voor hem was, zoo bedacht hij een andere list,
namelijk hij wilde beproeven of Immanuel zijn beleg niet wilde opbreken
en heengaan op belofte van hervormingen. Zoo kwam hij dan in den avond
naar de poort wandelen, een heel poosje nadat de zon was ondergegaan, en
riep om een gesprek met Immanuel, die onmiddellijk tot hem kwam, en
Diábolus sprak:
„Nademaal gij door het uitsteken van de witte vlag bekend maakt, dat gij
op vrede en rust gesteld zijt, zoo dacht het mij goed u te zeggen, dat
wij zeer bereid zijn die aan te nemen op zulke voorwaarden als gij wel
zult willen goedvinden.
„Ik weet dat godsvrucht u behaagt en dat gij zeer gesteld zijt op
heiligheid, ja, dat een groote drangreden om Menschziel den oorlog aan
te doen, juist hierin gelegen is, dat gij haar tot een heilige
woonplaats maken wilt. Welnu, wend u met uwe legermacht van de stad af
en ik zal maken, dat Menschziel voor u buigt.
„Ik zal alle daden van vijandschap tegen u doen ophouden, en ben
gewillig om uw afgezant te worden, en gelijk ik u tevoren heb
tegengestaan, zoo wil ik u in de toekomst in Menschziel dienen.
„1^{e}. Zal ik Menschziel bewegen u als Heer te ontvangen, en ik weet,
dat zij dit te eerder zullen doen als zij weten, dat ik uw afgezant ben.
„2^{e}. Zal ik haar toonen waarin zij gedwaald heeft, en dat alle
ongerechtigheid den weg des levens in den weg staat.
„3^{e}. Zal ik haar de heilige wet uitleggen, waarnaar zij zich heeft te
gedragen en weer goed maken wat zij bedorven heeft.
„4^{e}. Zal ik bij haar aandringen op de hooge noodzakelijkheid eener
hervorming naar den eisch uwer wet.
„5^{e}. Opdat geen van deze dingen verzuimd worden zal ik op mijn eigen
kosten en gezag een voldoende bediening in Menschziel oprichten en in
stand houden, en predikatiën laten doen tot leering en vermaning.
„6^{e}. Zult gij als een teeken van onze onderwerping aan u ons jaar op
jaar de schatting opleggen, die gij noodig keurt, en die wij u brengen.”
Toen zeide Immanuel tot hem: „O, gij enkel bedrog, hoe dikwijls zijt gij
veranderd in uw bedriegelijke wegen opdat gij dit Menschziel maar in uw
bezit zoudt mogen behouden; dit Menschziel dat het mijne is, en waarop
ik onbetwistbare rechten bezit! Reeds menigmaal zijt gij met uwe
voorslagen gekomen, en deze laatste is geen zier beter dan de vorigen.
Waar het u niet gelukt is te bedriegen als gij uw ware zwarte gedaante
vertoondet, daar verandert gij u nu in een engel des lichts, en doet u
thans voor als een leeraar der gerechtigheid. [2 Cor. 11 : 14.]
„Maar dit zij u bekend, o Diábolus, dat uwe voorstellen allen voor niets
geacht moeten worden, omdat zij allen op bedrog zijn toegelegd. Gij
bezit evenmin vreeze Gods als liefde tot de stad Menschziel. Uit welken
anderen grond kunnen dan deze uwe woorden voortkomen dan uit list en
bedrog? Hij, die uit list of eigenwil alles kan voorstellen wat hem
behaagt, en dat om hen ongelukkig te maken, die hem gelooven, verdient
gehoor noch geloof in alles wat hij zegt. Indien dan gerechtigheid zulk
een voortreffelijke zaak is in uw oog, waarom hebt gij dan vroeger de
goddeloosheid zoo toomeloos bedreven? Maar dat is tot daar aan toe.
„Gij spreekt van hervormingen in Menschziel, en dat gij, als het mij
behaagt, de eerste wilt wezen in dat hervormingswerk, ofschoon gij zeer
goed weet, dat de hoogste trap van gerechtigheid, die een mensch
bereiken kan, toch nooit baten kan om den vloek weg te nemen, die op
Menschziel rust. De wet, eenmaal door Menschziel gebroken, heeft den
vloek tegen haar doen uitspreken, en nooit kan door eenige
gehoorzaamheid in de toekomst, wat daar achter ligt worden weggenomen of
hersteld, in geen geval eene hervorming, die door een duivel wordt
voorgesteld of uitgevoerd. Gij weet zelf zeer goed, dat al wat gij
gezegd hebt niets anders is dan bedrog, en dat dit de laatste kaart is,
die gij uitspelen kunt. Velen zijn er, die u spoedig herkennen zullen
als gij hun uw gespleten klauwen laat zien, maar in uw witte gedaante,
in uwe verandering in een engel des lichts wordt gij van weinigen
aangezien. Maar gij zult, o Diábolus, alzoo met mijn Menschziel niet
leven, want daarvoor heb ik het te lief.
„Bovendien ben ik niet gekomen om Menschziel aan te sporen tot goede
werken om daardoor te leven; deed ik dat, dan zou ik u gelijk wezen;
maar ik ben gekomen opdat zij door mij en door hetgeen ik voor haar
gedaan heb met mijnen Vader zou worden verzoend, al heeft zij Hem ook
door hare zonden tot toorn getergd, en al kan zij langs den weg der wet
op geene genade meer hopen.
„Gij spreekt van het onderwerpen dezer stad aan het goede, dat niemand
van uwe hand begeert. Ik ben door mijn Vader gezonden om haar zelf te
bezitten, en haar te besturen met mijne eigen hand in zulk eene
overeenstemming met hem als hem welbehagelijk wezen zal. Daarom wil ik
haar zelf hebben; ik zal u onttroonen en uitwerpen, ik zal mijn eigen
standaard in het midden van haar planten. Ik zal haar ook regeeren door
nieuwe wetten, nieuwe dienaren, nieuwe grondregels en nieuwe
instellingen; ja, ik zal deze stad ter nederwerpen en weder opbouwen;
men zal haar niet meer herkennen, en zij zal de heerlijkheid der gansche
aarde zijn.”
Toen Diábolus dit hoorde en bemerkte, dat hij in al zijn list en bedrog
ontdekt was, stond hij daar versuft en als tot het uiterste gebracht;
maar daar in zijn binnenste woelde de fontein van ongerechtigheid,
woeste kwaadaardigheid en opstand tegen El-Schaddaï en zijn Zoon beiden.
Wat kon hij dan anders doen dan zich weder gereed maken om een nieuw
gevecht te beginnen tegen den edelen prins Immanuel? Zoo krijgen wij dus
weder een nieuw gevecht voor de stad Menschziel te zien. Klimt dan op de
heuvelen, gij die gaarne den oorlog aanschouwt of krijgstooneelen
bijwoont, en ziet aan beide zijden welke noodlottige slagen daar worden
uitgedeeld, terwijl de een zoekt de stad te behouden en de ander er zich
van meester te maken.
Diábolus keerde van de wal terug naar zijne grootste sterkte, die hij in
het hart der stad Menschziel bezat; Immanuel keerde ook zijn aangezicht
naar het leger, en beiden maakten zich ieder op zijne wijze gereed op
nieuw slag te leveren.
[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN STELLEN EEN VERZOEKSCHRIFT OP.]
Diábolus tot het uiterste wanhopig omdat hij de beroemde stad Menschziel
niet behouden kon, besloot zooveel nadeel als maar mogelijk was toe te
brengen aan het leger van den prins en de stad zelve; want, helaas, het
was geenszins het geluk der stad, dat hij bedoelde, maar integendeel
haar uiterste verwoesting, dit blijkt duidelijk genoeg. Daarom beval hij
ook aan zijne officieren, dat wanneer zij bemerkten, dat zij de stad
niet langer houden konden, zij daar zooveel nadeel en verwoesting zouden
aanrichten als maar mogelijk was, doende mannen, vrouwen en kinderen
weenen. „Want”, zeide hij, „’t is beter, dat wij deze plaats met den
grond gelijk maken en als een puinhoop achterlaten, dan haar zóo te
verlaten, dat zij nog een geschikte woning voor Immanuel is.” [Mark. 9 :
26, 27.]
Immanuel daarentegen, wetende, dat de nu volgende worsteling beslissend
zou wezen en hij zich dus meester van de stad zou zien, gaf een
koninklijk bevel uit aan al zijne officieren, voorname kapiteins en
krijgslieden, dat zij zich kloek zouden houden als echte krijgers tegen
Diábolus en zijn aanhang, maar dat zij barmhartig, zachtmoedig en
vriendelijk moesten wezen jegens de oude inwoners van Menschziel.[22]
„Bindt den strijd aan met hem en de zijnen”, zeide de edele vorst, „en
laat het heetst van het gevecht op hem aankomen!”
[22] ~Dit laatste bevel~ van Immanuel is karakteristiek, en toont hoe
Hij den booze en het booze haat, maar den zondaar liefheeft.