Nu was al dien tijd de goede koning, koning El-Schaddaï, bezig
voorbereidselen te maken om een leger te zenden ten einde Menschziel te
herwinnen en van de tirannie van hun voorgewenden koning Diábolus te
verlossen; maar het dacht hem goed dit leger niet dadelijk te geven in
de hand van den dapperen Immanuel, zijn Zoon, maar van sommigen zijner
dienaren, om eerst door hen den geest van Menschziel te onderzoeken of
zij wellicht zóo tot de gehoorzaamheid aan hunnen koning zouden worden
teruggebracht. Dit leger bestond uit meer dan veertig duizend, al te
maal getrouwe manschappen, want zij kwamen uit des konings eigen hof en
waren zijne uitgelezenen.
Zij kwamen op Menschziel aan onder het geleide van vier dappere
generaals, die ieder hoofdman over tien duizend waren. Hier zijn hunne
namen en titels. De naam des eersten was kapitein Boanerges, de naam des
tweeden kapitein Overtuiging, de naam des derden was kapitein Oordeel en
de naam des vierden kapitein Strafoefening. Deze waren de hoofdlieden,
die op Menschziel werden afgezonden.
Dit viertal werd nu, zooals gezegd is, vooruitgezonden om den eersten
aanval te doen; want de koning was gewoon in al zijne oorlogen deze vier
in den voortocht te stellen; zij waren dan ook zeer stout en forsch,
mannen, juist geschikt om het ijs te breken, en zich een weg te banen
langs de snede van hun zwaard, terwijl al hunne manschappen hun daarin
geleken.
Aan ieder van deze hoofdlieden gaf de Koning eene banier, opdat hij deze
zou ontplooien, wegens de eerlijkheid zijner zaak en het recht, dat hij
op Menschziel had.
Eerst werden dan aan kapitein Boanerges, want hij was het opperhoofd,
tienduizend manschappen gegeven. Zijn vaandeldrager was vaandrig Donder;
hij droeg de zwarte kleur en zijn onderscheidingsteeken was drie
brandende donderbussen.
De tweede hoofdman was kapitein Overtuiging. Ook aan hem werden
tienduizend manschappen toevertrouwd. De naam van zijn vaandeldrager was
Droefheid; hij droeg de bleeke kleur en zijn wapenschild prijkte met een
opengeslagen wetboek, waaruit vuurvlammen spatten.
De derde hoofdman was kapitein Oordeel, en onder hem ook tienduizend
manschappen. De naam van zijn vaandrig was Vreeze; hij droeg de roode
kleur, en op zijn wapenschild stond een vurige brandende oven.
De vierde hoofdman was kapitein Strafoefening; ook hij gebood over
tienduizend man. Zijn vaandrig heette Gerechtigheid. Zijne kleuren waren
eveneens rood, maar op zijn banier prijkte een onvruchtbare boom met een
bijl aan den wortel.
Op zekeren dag hield koning El-Schaddaï over deze vier hoofdlieden en
hun legertros, soldaten en onderofficieren eene wapenschouwing; riep hen
allen bij hunne namen op, en onderrichtte hen in hetgeen zij voor hunnen
koning moesten gaan uitvoeren.
Toen de koning zijne krachten gemonsterd had, deelde hij aan elk der
kapiteins hunne bijzondere lastgeving mede, en maande hen aan ten
aanhoore van al hunne heirscharen, om getrouw en moedig op hun post te
staan om die lastgeving uit te voeren. Die lastgeving was voor ieder
hunner in hoofdzaak dezelfde; wat vorm, naam, titel, plaats en rang der
kapiteins betrof, daarin waren maar zeer kleine afwisselingen. Ik zal u
hier een verslag geven van hetgeen hun lastbrief in hoofdzaak inhield.
[Afbeelding: DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ.]
_De last van den grooten Koning El-Schaddaï, Koning van Menschziel,
aan zijn welvertrouwden en edelen hoofdman, den Kapitein Boanerges,
voor zijne oorlogsverklaring aan de stad Menschziel._
„O, gij Boanerges, een mijner dappere en donderende aanvoerders over
tienduizenden mijner edele en moedige dienaren, ga heen in mijnen
naam, in deze uwe kracht, naar het ellendige Menschziel. Als gij daar
komt biedt haar dan eerst vredesvoorwaarden aan. Gebied haar dat zij,
het juk der tirannie van dien goddeloozen Diábolus afschuddende, tot
mij, haar wettigen Vorst en Heer, terugkeere. Gebied haar tevens, dat
zij zich reinige van alles wat hem behoort in de stad Menschziel. Maar
zie vooral toe, dat gij goede waarborgen hebt aangaande de oprechtheid
van hare gehoorzaamheid. Wanneer zij zich in waarheid onderwerpt, doe
gij dan alles wat in uw vermogen is om een vesting voor mij op te
richten in de vermaarde stad Menschziel; en veroorzaak niet het minste
leed aan den geringsten inwoner, die daarin leeft en zich voor mij wil
verootmoedigen; maar behandel dien integendeel als uwen vriend en
broeder. Al dezulken heb ik lief en ze zullen mij dierbaar wezen. O,
zegt het hem, dat ik ter bestemder tijd tot hen zal komen en doet het
hun weten, dat ik genadig ben. [1 Thess. 2 : 7-11.]
„Maar wanneer zij, niettegenstaande uwe opeisching en uw bevel,
weerstand biedt, tegen u opstaat en rebelleert, dan gebied ik u, dat gij
gebruik maakt van al uwe wijsheid, kracht, macht en sterkte, om haar
weder tot mij te brengen door eenen sterken arm. Vaarwel.”
Zoo ziet gij hier den inhoud van hun lastbrief; want, zooals ik tevoren
zeide, ze waren allen eenerlei voor de overige kapiteins.
Weshalve zij, allen en een iegelijk, zijn gezag hebbende ontvangen uit
huns konings hand, en dag en plaats van hun aantreden bepaald zijnde,
verschenen in zulk een wapendosch als aan hun ambt en roeping paste. Na
een nieuw onderhoud met El-Schaddaï, trokken zij voorwaarts met
vliegende vaandels om tegen de vermaarde stad Menschziel op te trekken.
Kapitein Boanerges bestuurde de voorhoede, kapitein Overtuiging en
kapitein Oordeel vormden den middentocht en kapitein Strafoefening
bracht de achterhoede mede. Zij hadden een grooten weg af te leggen,
want de stad Menschziel lag zeer ver van het hof van El-Schaddaï
verwijderd en zij marcheerden door landen en gewesten van vele volken,
niemand last of nadeel doende, maar overal zegenend waar zij kwamen. Ook
leefden zij op ’s konings kosten langs al den weg dien zij gingen.
[Efez. 2 : 13, 17.]
Zóo vele dagen gereisd hebbende, kwamen zij ten laatste in het gezicht
van Menschziel, en toen zij haar zagen konden de kapiteins zich in het
eerst niet onthouden den jammerlijken staat der stad te beweenen, want
zij bemerkten hoe zij aan den wil van Diábolus was onderworpen en reeds
gewoon in zijne wegen en inzettingen te wandelen.
Om kort te gaan, de kapiteins sloegen zich voor de stad neder, en
trokken toen op naar de Oorpoort, want dat was de plaats, waar men
gehoor kreeg. Hunne tenten opgeslagen hebbende en zich daar legerend
maakten zij zich tot den aanval gereed.
De lieden der stad voor het eerst zulk een prachtig leger, dat zoo goed
ingericht was, onder zulk eene uitmuntende discipline stond, en in zoo
schitterende wapenrusting zijn vliegende vaandels ontplooide,
bemerkende, konden niet anders doen dan onmiddellijk hunne woningen
verlaten om het aan te staren. Maar de listige vos Diábolus, die bang
was, dat zijn volk bij dit gezicht op een plotselinge opeisching der
stad de poorten zou openen en de kapiteins binnenlaten, kwam in alle
haast uit zijn kasteel en liet hen terugtrekken naar het midden der
stad, waar hij deze leugenachtige en bedriegelijke redevoering tot hen
hield:
„Mijneheeren,” zeide hij; „ofschoon gij mijn getrouwe en veel geliefde
vrienden zijt, kan ik toch niet nalaten u eene kleine bestraffing te
geven wegens uwe onvoorzichtige handelwijze, daar gij uit uwe woningen
zijt gegaan om te kijken naar dat groote en machtige leger, dat sedert
gisteren zich hier heeft vertoond en een beleg gaat beginnen tegen de
vermaarde stad Menschziel. Weet gij wel wie ze zijn, vanwaar ze komen en
wat hun oogmerk is met onze goede stad? Zij zijn het, van wie ik u reeds
lang geleden heb verteld, dat zij komen zouden om deze stad te
vernielen, en tegen wie ik u van top tot teen gewapend heb, en deze
groote sterkten heb opgericht. Waarom hebt gij dan niet veel eer zelfs
bij hunne eerste verschijning het uitgeschreeuwd, de vuurbakens
aangestoken en de geheele stad in alarm gebracht, opdat wij allen in
staat van verdediging geraakten en hen met groote verachting en
tegenweer ontvangen hadden? Dan hadt gij u mannen getoond naar mijn
hart, terwijl door hetgeen gij gedaan Hebt, gij mij bijna bevreesd
gemaakt hebt -- ik zeg bijna bevreesd -- dat wanneer wij en zij eens
vlak tegenover elkander komen te staan, ik bij u gebrek aan moed zal
ontdekken om het tegen dien vijand uit te houden. Waarvoor heb ik
bevolen dat er patrouilles zouden rondloopen en dat gij uwe wachten aan
de poort verdubbelen zoudt? Waarom heb ik getracht u zoo hard te maken
als ijzer, en uwe harten als een stuk van een molensteen? Was dat, naar
uwe meening, opdat gij u als vrouwen aanstellen zoudt, en dat gij als
een troep onnoozelen naar uwe doodvijanden zoudt gaan staan kijken?
Foei, foei, stelt u in staat van tegenweer, roert de trom, loopt samen
als dappere krijgers, opdat uwe vijanden mogen weten, dat gij mannen
zijt en dat zij nog heel wat te doen zullen hebben eer zij deze stad
Menschziel in hun bezit krijgen.”
[Afbeelding: DIÁBOLUS BESTRAFT MENSCHZIEL.]
„Ik zal nu ophouden met u te bestraffen en niet meer op u schelden, maar
dan eisch ik ook, dat ik voortaan zulke dingen niet meer zie. Laat
voortaan niemand uwer, zonder eerst bevel van mij ontvangen te hebben,
het wagen zijn hoofd over den muur te steken. Gij hebt mij nu gehoord,
doet wat ik u bevolen heb en dan zal ik veilig in uw midden blijven
wonen, en zorg voor u dragen als voor mijzelven in alles wat onze
veiligheid en heerlijkheid bevorderen kan. Vaarwel!”
Nu werden de mannen van Menschziel zeer ontroerd; ’t was of eene
panische schrik hen allen had bevangen; zij draafden maar onophoudelijk
door de straten van Menschziel, luid roepende: „Help! Help! Deze mannen,
die de wereld in oproer gebracht hebben, zijn ook hier gekomen.” Niemand
hunner kon zich voortaan meer rustig houden, maar voortdurend riepen en
schreeuwden zij als mannen, die van hun zinnen beroofd waren: „De
verwoesters van onzen vrede en van ons volk zijn hier gekomen!” Dit
hoorde Diábolus. „Ha!” zeide hij bij zichzelven, „zoo gaat het goed; zoo
wilde ik het hebben; nu toonen zij dat zij aan hun vorst gehecht zijn!
Houd u maar zoo,” riep hij, „en laat ze dan de stad eens innemen als ze
kunnen!”
Eer nu ’s konings leger drie dagen voor Menschziel had gelegen, beval
kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort te gaan, en daar in
naam van den grooten El-Schaddaï de stad Menschziel op te eischen om
gehoor te geven aan de boodschap, die hij in zijns Meesters naam tot
haar bracht. De trompetter, wiens naam was: „Ziet toe hoe gij hoort”
ging heen zooals hem geboden was naar de Oorpoort en blies daar op zijne
trompet om gehoor, maar er was niemand, die voor den dag kwam of eenig
antwoord gaf, of uitkeek, want zoo had Diábolus het geboden.
Zoo keerde dan de trompetter tot zijn kapitein terug en vertelde hem wat
hij gedaan had en hoe hij was gevaren, waarover de kapitein zeer
bedroefd was, maar hij verzocht den trompetter naar zijne tent te gaan.
Weder zond kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort om daar
gehoor te verzoeken; maar ze hielden zich weder stil, kwamen niet voor
den dag, noch wilden hem eenig antwoord geven, zoo nauwkeurig volgden
zij het bevel van Diábolus hunnen koning op.
Toen hielden de kapiteins en de andere veldoversten een krijgsraad om
samen te overleggen wat verder te doen zij om Menschziel te bemachtigen;
en nadat zij met elkander beraadslaagd hadden wat de inhoud van hun
lastbrief hun in dezen gebood, zoo kwamen zij tot het besluit om door de
hand van den voornoemden trompetter nog eenmaal te zenden, en voor de
derde keer dezelfde oproeping te laten hooren. Maar zou deze opnieuw
geweigerd worden of de stad zich voortdurend stil houden, dan bepaalden
zij, en verzochten den trompetter dit ook aan de onwilligen mede te
deelen, dat zij alle middelen, die in hunne macht stonden, zouden
aanwenden om de ongehoorzamen met geweld onder het gezag van hunnen
koning te doen bukken. [Luk. 14 : 23.]
Zoo gebood dan kapitein Boanerges zijn trompetter weder naar de Oorpoort
te gaan, en in naam van den grooten koning El-Schaddaï een luide
sommatie te doen hooren om zonder dralen bij de Oorpoort te verschijnen
ten einde aldaar gehoor te verleenen aan ’s konings voortreffelijkste
kapiteins. De trompetter ging heen en deed wat hem bevolen was. Bij de
Oorpoort blies hij op zijne trompet en deed eene derde oproeping aan
Menschziel hooren. Hij zeide bovendien, dat indien zij weigerden aldus
te doen, de kapiteins van zijn vorst met een krachtigen arm op hen
zouden aanvallen en hen met geweld dwingen tot gehoorzaamheid. [Jes.
58 : 1.]
Toen stond de heer Vastewil op, hij, die gouverneur van de stad was, wij
herkennen hem als dien afvallige over wien vroeger is gesproken, en die
de poorten bewaakte. Met ruwe en trotsche woorden vraagde hij aan den
trompetter wie hij was, vanwaar hij kwam, en wat wel de oorzaak zijn
mocht, dat hij zulk een geweldig leven aan de poort maakte, zulke
onverdragelijke woorden tot Menschziel sprekende.
De trompetter antwoordde: „Ik ben een dienaar van den edelen kapitein
Boanerges, generaal van het leger des grooten konings El-Schaddaï, tegen
wien gij en de gansche stad Menschziel gerebelleerd hebt en uwe hand
hebt opgeheven. Mijn meester, de kapitein, heeft een speciale boodschap
voor deze stad, en tot u, als een van hare burgers; eene boodschap, die
gij rustig zult moeten aanhooren of anders moet gij maar afwachten wat
er komt.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe woorden aan mijnen heer
bekendmaken, en zal daarna hooren wat hij zegt.”
Maar de trompetter antwoordde: „Onze boodschap is niet bestemd voor den
reus Diábolus, maar voor de ellendige stad Menschziel; ook zullen wij er
volstrekt niet op letten welk antwoord door hem wordt gegeven, noch door
een ander in zijne plaats. Wij zijn naar deze stad gezonden om haar van
onder zijn wreede tirannie te verlossen, en haar over te halen zich,
zooals zij in vorige tijden deed, te onderwerpen aan den
allervoortreffelijksten koning El-Schaddaï.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe boodschap aan de stad
overbrengen.”
Toen riep de trompetter: „Heerschap, bedrieg ons toch niet, want door
dat te doen fopt gij uzelven het meest.” Hij voegde daar nog bij: „Wij
zijn besloten, als gij u niet langs een vreedzamen weg onderwerpt, u den
oorlog aan te doen en door geweld ten onder te brengen.” En ten
bewijze, dat ik u thans de waarheid zeg, zal het u een teeken zijn, dat
gij de witte vlag met hare vurige brandende donderkogels morgen ochtend
op den heuvel zult zien wapperen tot verachting van uwen vorst en tot
een teeken van onderwerping aan uwen Heer en wettigen Koning.”
[Afbeelding: KAPITEIN STRAFOEFENING.]
Zoo keerde dan de heer Vastewil van de wallen terug, en de trompetter
kwam in het kamp. Toen deze laatste in het kamp was teruggekeerd, kwamen
al de kapiteins en officieren samen om van hem te weten te komen of hij
gehoor bekomen had en wat de uitwerking van zijne boodschap was. De
trompetter begon aldus: „Toen ik mijne trompet geblazen had en luid tot
de stad om gehoor geroepen kwam de heer Vastewil, gouverneur der stad en
bewaarder der poorten, voor den dag bij den klank mijner trompet en
gluurde over den muur. Hij vraagde mij wie ik was, vanwaar ik kwam en
waarom ik zooveel leven maakte. Zoo deelde ik hem mijne boodschap mede,
op wiens gezag en in wiens naam ik sprak. Daarop ging hij eindelijk van
mij af, zeggende: ik zal het aan de lieden der stad mededeelen.”
Alsnu sprak de dappere Boanerges: „Laat ons nu een wijle stil op onze
hoede liggen en zien wat deze oproermakers doen zullen.”
Toen de tijd nu daar was, dat Menschziel aan den dapperen Boanerges en
zijne medgezellen antwoord geven moest, werd bevolen, dat alle
krijgslieden van het gansche leger van El-Schaddaï als een eenig man in
de wapens zouden staan en zich gereed houden om, mocht de stad hooren,
haar onmiddellijk in genade te ontvangen, en zoo niet, dan haar te
dwingen tot onderwerping. Daar bliezen de trompetters door het gansche
leger opdat alle krijgers gereed zouden wezen voor het werk van dien
dag. Maar toen zij, die binnen de stad Menschziel waren, het geluid der
trompetten vernamen in het legerkamp van El-Schaddaï, en daaruit
opmaakten dat dit met geen ander doel geschiedde dan op de stad storm
te loopen, geraakten zij in groote ontsteltenis des harten. Maar nadat
zij zich weer een weinig hersteld hadden, maakten ook zij toebereidselen
tot den oorlog om zich te verdedigen als die storm begon.
In het uiterste oogenblik wilde nu Boanerges hun antwoord vernemen en
zond zijn trompetter uit om Menschziel op te roepen tot het hooren der
boodschap van El-Schaddaï. Deze ging uit en blies, en de mannen der stad
kwamen voor den dag, maar maakten de Oorpoort zoo stijf vast als zij
maar konden. Toen zij nu allen den muur beklommen hadden, begeerde
kapitein Boanerges den burgemeester te zien, maar de heer Ongeloof was
toen burgemeester, want hij was aangesteld in de plaats van
Vleeschelijke Lust. Zoo kwam dan Ongeloof voor den dag en plaatste zich
op den muur, maar toen kapitein Boanerges hem gezien had, riep hij uit:
„Dat is hij niet. Waar is de heer Verstand, de oude burgemeester der
stad Menschziel? Aan hem wilde ik mijne boodschap bekendmaken.” [Zach.
7 : 11.]
Toen sprak de reus, (want Diábolus was ook meêgekomen) tot den kapitein:
„Heer hoofdman, gij hebt de vrijpostigheid gebruikt om Menschziel
viermaal op te roepen tot onderwerping aan uwen koning, uit wiens naam
en op wiens gezag, dat weet ik niet en daar wil ik ook niet over
twisten. Maar ik vraag u wat de reden is van al dit rumoer, of wie gij
wel zijt als gij uzelven kent?”
Kapitein Boanerges, wiens kleuren zwart waren en wiens vaandel drie
brandende donderbussen vertoonde, sloeg geen acht op den reus of op
zijne woorden, maar richtte zich tot de stad Menschziel. „Laat het onder
u bekend zijn”, zoo sprak hij, „o, ongelukkig en oproerig Menschziel,
dat de genadigste van alle koningen, de groote Vorst El-Schaddaï, mijn
Meester, mij tot u gezonden heeft met eene boodschap” (en dit zeggende
liet hij aan het volk zijn grooten bezegelden lastbrief zien) „om u
onder zijn gezag terug te brengen. Hij heeft mij bevolen, ingeval gij
naar mijne roepstem wilt hooren, mij jegens u te gedragen alsof gij
mijne vrienden en broeders waart; maar hij heeft evenzeer geboden, dat
indien gij na de oproeping tot onderwerping, nog volhardt met uwe
rebellie, wij trachten moeten ons met geweld van u meester te maken.”
Toen stond kapitein Overtuiging op, en sprak (hij was het, die de bleeke
kleuren droeg en een wijd geopend wetboek in zijne vlag had). Hoor, o
Menschziel! Gij, o Menschziel, waart eens beroemd wegens uwe onschuld,
maar nu zijt gij ontaard door leugen en bedrog. Gij hebt gehoord wat
mijn broeder, kapitein Boanerges, gezegd heeft, en gij zult wijs wezen
en het zal een geluk voor u zijn, als gij de vredesvoorwaarden aanneemt,
die u aangeboden zijn, en dat nog wel door eenen tegen wien gij hebt
gerebelleerd, een die de macht heeft u te verpletteren, want zulk een is
El-Schaddaï onze koning. Wie kan bestaan voor zijnen toorn? Als gij
zeggen wildet, dat gij niet gezondigd hebt noch oproerig tegen onzen
koning gehandeld, dan zou uw gansche gedrag sedert den dag, dat gij zijn
dienst verlaten hebt (en dat was reeds het begin van uwe zonde) tegen u
getuigen. Wat beduidde dan toch uw luisterend oor naar den tiran, en
waartoe hebt gij hem tot koning aangenomen? Waarom hebt gij de wetten
van El-Schaddaï verworpen en zijt gehoorzaam geweest aan Diábolus? Ja,
wat beduidt dit dan, dat gij de wapens hebt opgevat en de poorten
gesloten voor ons, den getrouwe dienaren van uwen koning? Laat u dan
raden en neemt mijns broeders uitnoodiging aan, en laat den tijd van
genade niet voorbijgaan, maar onderhandelt spoedig met uwe tegenpartij.
Ach, Menschziel! Laat toch niet toe, dat gij van de genade vervallen
zoudt en in duizend ellenden geraken door het vleiend gesnap van
Diábolus! Misschien zal die aartsleugenaar en bedrieger nog trachten u
te doen gelooven, dat wij ons eigen voordeel zoeken in dezen onzen
dienst; maar weet, dat het alleen gehoorzaamheid aan onzen Koning en
liefde tot uw geluk is, dat ons tot deze onderneming heeft gebracht.
[Rom 3 : 10, 19-23; 16 : 17, 18.] [Ps. 50 : 21, 22.] [Luk. 12 : 58, 59.]
„Verder zeg ik u, o, Menschziel, merk toch eens op of het niet een
wonderbare genade is, dat El-Schaddaï zich zoo diep vernedert als hij
doet: waar hij nu door ons als tusschenpersonen tot u spreekt in den weg
van onderhandeling en der liefelijke overtuiging, opdat gij u aan hem
zoudt onderwerpen. Heeft hij u zoo noodig als wij er zeker van zijn, dat
gij hem behoeft? Neen, neen; maar hij is genadig, en wil niet dat
Menschziel sterve, maar tot hem wederkeere en leve.” [2 Cor. 5 :
18-21.]
[Afbeelding: DE REDE VAN ONGELOOF.]
Toen stond kapitein Oordeel op, die de roode kleuren droeg en die op
zijn vaandel had een brandenden oven. Hij sprak aldus: „O, gij inwoners
van Menschziel, die zoolang in opstand en verraad geleefd hebt tegen
koning El-Schaddaï, weet, dat wij heden niet uit onszelven op deze
plaats komen, en met eene boodschap, die wij zelf hebben bedacht of om
onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn Meester, die ons
gezonden heeft om u tot zijne gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert
gij langs een vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te
dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran Diábolus u
overhale om te denken, dat onze koning niet in staat is u neder te
werpen en u onder zijne voeten te leggen; want Hij is de formeerder van
alle dingen en als Hij de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort
van ’s konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag, die
branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij haast om te komen
en sluimert niet.
„O, Menschziel, is het gering in uwe oogen, dat onze koning u genade
laat aanbieden en dat na zoo vele waarschuwingen? Ja, hij steekt nog
zijn gouden schepter u toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u loslaten;
zult gij hem tergen tot hij dat doet? Zoo ja, let dan op hetgeen ik zeg:
voor u is die poort niet eeuwig open. Als gij zegt: „Gij zult Hem niet
aanschouwen, daar is nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht gij
dan op Hem; ja omdat er grimmigheid bij Hem is, wacht u, dat Hij u
misschien niet als met éen klop wegstoote, zoodat u een groot rantsoen
daar niet van af zou kunnen brengen.” Zou Hij uwen rijkdom achten, dat
gij niet in benauwheid zoudt zijn, of eenige versterking van kracht?
Neen, neen, geen goud of rijkdom of geweld. Hij heeft zijn troon bereid
ten gerichte, want ziet de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen
zijn als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te
wenden, en zijne scheldingen met vuurvlammen. Zie derhalve toe, o
Menschziel, opdat niet, nadat gij het oordeel de goddeloozen vervuld
hebt, hij kome en u aangrijpe met oordeel en gerichten.” [Job. 36 : 17,
18.] [Ps. 9 : 8.] [Jes. 66 : 15.]
Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel hield werd door
sommigen opgemerkt, dat Diábolus sidderde, maar hij ging met zijne
aanspraak voort en sprak: „O, gij ellendige Menschziel, wilt gij nog uwe
poorten niet openzetten om ons te ontvangen, de afgezanten van uwen
koning, en die er zich in verheugen zouden als zij u zagen leven? Zal uw
hart bestaan en zullen uwe handen het uithouden in den dag, dat hij met
u in het gezicht zal treden? Ik zeg, kunt gij het verdragen als gij
gedwongen zult worden uit te drinken, als ware het zoete wijn, die zee
van toorn, welke de koning voor Diábolus en zijne engelen bereid heeft?
Bedenk deze dingen en doe dat bijtijds.” [Ezech. 22 : 14.]
Toen stond op de vierde kapitein, de edele hoofdman Strafoefening, en
sprak: „O, gij stad Menschziel! eertijds beroemd, maar nu gelijk aan een
onvruchtbare tak; eenmaal het vermaak van den Allerhoogste, maar nu een
hol van Diábolus, hoor ook naar mij en luister naar de woorden, die ik
spreken zal in den naam van den grooten El-Schaddaï. Zie, de bijl ligt
reeds aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht
voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. [Matth. 3 :
7-10.]
„Gij, o stad Menschziel, zijt tot dusverre zulk een onvruchtbare boom
geweest, gij droegt niets dan doornen en distelen. Uw kwade vruchten
toonen het duidelijk, dat gij geen goede boom zijt, uwe druiven zijn
druiven van gal, hunne beziën zijn bitter. Gij hebt tegen uwen koning
gerebelleerd, en o wee! de kracht en macht van El-Schaddaï zijn de bijl,
die aan uwen wortel is neergelegd. Wat zegt gij? Wilt gij omkeeren? Ik
herhaal het: zeg mij eer de eerste slag valt: wilt gij wederkeeren? Onze
bijl moet eerst bij den wortel worden gelegd vóor hij nog aan den wortel
raakt: eerst moet ik dien bijl bij uwen wortel leggen bij wijze van
waarschuwing voor hij aan den wortel raakt als eene strafoefening. En
daartusschen in wordt de tijd, u tot bekeering gegund, begrensd -- dit
is al de tijd, dien gij nog hebt. Wat wilt gij doen? Wilt gij u
overgeven of zal ik slaan? Als ik mijn bijl laat vallen, Menschziel, dan
gaat gij onder, want ik heb in last niet slechts den bijl bij den boom
neer te leggen, maar ook toe te slaan, niets zal dit vonnis kunnen
voorkomen dan uwe overgave aan onzen koning. Wat zal er dan anders van u
worden, o Menschziel, indien genade het niet verhindert, dan dat gij
uitgehouwen en in het vuur geworpen wordt? [Deut. 32 : 32.]
[Afbeelding: DE EERSTE AANVAL OP OORPOORT.]
„O, Menschziel, geduld en verdraagzaamheid duren niet eeuwig: ze mogen
een jaar twee, drie kracht doen, maar als men drie jaren lang in opstand
leeft (en het is bij u al veel langer) dan volgt niets dan: „Houw hem
af:” of, „Gij zult hem namaals uithouwen!” En durft gij waarlijk denken,
dat dit maar bedreigingen zijn, of dat onze koning zijn woord niet
volbrengt? O Menschziel, gij zult bevinden dat in de woorden van onzen
koning, wanneer zij door zondaars licht geacht worden niet alleen
bedreigingen, maar gloeiende kolen opgesloten liggen. Gij zijt tot
hiertoe een dorre boom geweest, wilt gij voortgaan dat te blijven? Uwe
zonden hebben dit leger voor uwe wallen gebracht, en dat zal het oordeel
der verwoesting in uwe stad brengen Gij hebt gehoord wat de kapiteins
gezegd hebben, maar tot op dit oogenblik sluit gij uwe poorten. Spreek
op, Menschziel, wilt gij zoo voortgaan -- of wilt gij de
vredesvoorwaarden aannemen?” [Luk. 13 : 7, 9.]
Maar de stad Menschziel weigerde deze uitnemende toespraken van die
vier dappere generaals te hooren; ofschoon wel eenige klank daarvan
tegen de Oorpoort sloeg, zoo kon de kracht daarvan die toch niet
openbreken. Eindelijk begeerde de stad nog eenigen tijd om op deze
opeisching te antwoorden. De kapiteins zeiden, dat indien die van de
stad Kwaderust tot hen wilden uitwerpen, opdat zij hem loon naar werk
mochten geven, haar dan nog eenigen tijd tot overleg zou gegeven worden.
Maar zoo zij dien niet over den muur wierpen, dan zou haar ook geen tijd
meer gegund zijn. „Want”, zeiden zij, „wij weten, dat zoolang deze
Kwaderust in Menschziel ademt, alle goede overleggingen zullen worden
afgebroken en niets dan schade en ellende volgen.”
Toen besloot Diábolus, die daar eveneens tegenwoordig was, en nu in
vrees verkeerde dat hij Kwaderust zijn redenaar verliezen zou, zelf aan
de kapiteins des konings antwoord te geven. Maar eensklaps van gedachte
veranderend beval hij aan den burgemeester, den heer Ongeloof, dit te
doen, zeggende: „Mijnheer, geef gij aan dit boevengespuis eens antwoord
en spreek zoo luid, dat heel Menschziel u kan hooren en verstaan.”
Zoo begon dan Ongeloof op Diábolus bevel en sprak:
„Mijne heeren, gij hebt, zooals wij gewaar worden, u hier tegen ons
gelegerd om onzen vorst te verontrusten en onze stad te beleedigen: maar
vanwaar gij komt willen wij niet weten en wat gij zegt willen wij niet
gelooven. Inderdaad gij vertelt ons in uwe verschrikkelijke
redevoeringen, dat gij dit gezag ontleent aan El-Schaddaï, maar met welk
recht gij dit doet, willen wij niet weten. Gij hebt alzoo op dat
voornoemde gezag deze stad gesommeerd om haren heer vaarwel te zeggen en
zich onder de hoede van den grooten El-Schaddaï, uwen koning, over te
geven. Gij vertelt haar leugenachtige dingen, namelijk, dat hij haar,
als zij zich overgeeft, alle gedane beleedigingen wil vergeven. Verder
hebt gij, om de stad Menschziel bang te maken, gedreigd met groote en
jammerlijke verwoestingen, waarmede zij dan zou gestraft worden als zij
naar uwe woorden niet luistert. Welnu, kapiteins, vanwaar gij dan ook
komt, en al zijn uwe bedoelingen dan ook nog zoo recht en goed, toch
moet gij weten, dat noch koning Diábolus, noch ik, zijn dienaar
Ongeloof, noch iemand uit ons dapper Menschziel eenigszins acht slaat op
uwe personen, uwe boodschap, of den koning, dien gij zegt dat u gezonden
heeft. Wij vreezen zijne macht, zijne grootheid en zijne wraak niet en
willen ons op uwe sommatie niet overgeven. Wat den oorlog aangaat, dien
gij ons wilt aandoen, daarin zullen wij ons verdedigen zoo goed wij
kunnen. Weet, dat wij niet stil zullen zitten bij die verdediging. En nu
om kort te gaan, want ik wil niet lang tot u spreken, ik verklaar u dat
wij u aanzien voor een partij landloopers en vagebonden, die, alle
gehoorzaamheid aan uwen koning uitgeschud hebbende, u samen hebt
vereenigd om het land af te loopen en van plaats tot plaats te trekken
ten einde u best te doen, eenerzijds door pluimstrijkende woorden (want
daarin zijt gij zeer geoefend), anderzijds door bedreigingen, de eene of
andere onnoozele stad of vesting of dorpsbuurt te verschalken, zoodat
zij zich aan u overgeven. Maar daaronder behoort Menschziel waarlijk
niet. Ten slotte dus: wij vreezen u niet, wij gelooven u niet en wij
willen aan uwe oproeping geen gevolg geven. Wij sluiten onze poorten
voor u toe en zullen u buiten onze stad houden. Ook willen wij niet
langer dulden, dat gij daar voor ons u nederslaat; want ons volk moet
rustig leven en uwe verschijning mag het niet verontrusten. Gaat daarom
maar heen, scheert u weg met pak en zak of anders schieten wij eens
eenige kogels op u af, die u dat wel leeren zullen!” [Luk. 11 : 21, 22.]
Deze rede van den ouden Ongeloof, werd ondersteund door den diepbedorven
Vastewil in woorden als deze: „Heeren, wij hebben gehoord wat gij vraagt
en al de drukte uwer bedreigingen en het geklank van uwe sommatie; maar
wij vreezen uwe sterkte niet, wij letten niet op uwe bedreigingen, maar
blijven stil en rustig wat wij waren. Wij gelasten u bovendien, dat gij
binnen drie dagen ophoudt u in ons gebied te vertoonen, anders zult gij
weten wat het is den leeuw Diábolus wakker te maken, wanneer hij in
zijne stad Menschziel slaapt!”
[Afbeelding: DE TWEE KANONNEN.]
De griffier Goedvergeter voegde er nog het volgende bij: „Mijne heeren,
zooals gij bemerkt, hebben wij met beleefde en vriendelijke woorden uw
lompe en nijdige toespraken beantwoord. Dat is uw geluk; maar ik hoorde
ook dat mijne Meesters u bevel gaven spoedig en stil te vertrekken;
maakt van die gunst gebruik en pakt u weg. Anders mochten wij eens naar
buiten komen en op u aanvallen ten einde u de scherpte onzer zwaarden te
doen gevoelen. Maar dat ligt niet in onzen aard, want evenals wij zelf
van een stil en gerust leven houden, zoo hinderen wij ook anderen niet.”
Toen juichte de gansche stad Menschziel van vreugde alsof door Diábolus
en zijn gevolg al een groot voordeel op deze kapiteins was behaald. Zij
luidden de klokken en liepen zingend en dansend langs de wallen.
Diábolus keerde ook naar zijn kasteel terug, en de burgemeester en de
griffier naar hunne woningen, maar de heer Vastewil droeg eerst nog
bijzondere zorg, dat de poorten door dubbele wachten zouden bewaard
worden en met dubbele grendels en bouten verzegeld. Vooral zorgde hij,
dat de Oorpoort het zekerst gesloten bleef en nog veel versterkt werd,
want daar zochten ’s konings heirlegers het eerst en het meest binnen te
dringen. De heer Vastewil maakte zekeren ouden snaak Vooroordeel
genaamd, een boosaardig en laatdunkend persoon, kapitein der wacht bij
die poort en gaf hem zestig onderhoorige manschappen, die allen doof
waren en daarom zeer geschikt voor dezen dienst, aangezien zij geen
woord van de kapiteins en hunne soldaten verstonden.
Daar nu de kapiteins het antwoord der groote heeren hadden vernomen en
bemerkten, dat zij bij de oude inwoners der stad geen gehoor konden
krijgen, dat bovendien Menschziel besloten was aan ’s konings leger slag
te leveren, maakten zij zich gereed tot dien slag, om alzoo door een
machtigen arm te trachten hun oogmerk te bereiken. Eerstens versterkten
zij hunne legermacht tegen de Oorpoort, want zij wisten, dat zoo zij
daar niet konden binnendringen er geen invloed op de stad viel uit te
oefenen. Dit gedaan stelden zij de overige manschappen in hunne
plaatsen; waarna zij als wachtwoord noemden: „~Gij moet wedergeboren
worden~.” Toen bliezen zij op de trompetten en die van de stad
beantwoordden dat geklank met schot op schot. Zoo ving dan de strijd
aan. Nu hadden die van de stad op de Oorpoort twee groote kanonnen
geplaatst; het eene heette Hooggevoelend en het andere Hardnekkig. Op
deze twee stukken waren zij dan al zeer trotsch, ze waren in Diábolus
kasteel door zijn eigen geschutgieter Opgeblazen gegoten, en ’t was
waarlijk een kwaadaardig tuig. Maar de kapiteins waren zóo voorzichtig
en waakzaam, dat ofschoon sommige kogels vlak langs hunne ooren vlogen,
ze toch niemand raakten. De inwoners twijfelden niet of zij brachten
door deze twee kanonnen El-Schaddaï’s leger heel wat schade toe en
beveiligden hunne poort zeer; maar zij hadden geen reden op de
uitwerking daarvan te roemen, gelijk uit het vervolg zal blijken.
Behalve deze had de stad Menschziel nog enkele kleine stukjes geschut,
die eveneens tegen het leger van El-Schaddaï werden gericht.
Die van het leger evenwel vochten dapper, bezield met een vuur, dat
eerst werkelijk dapperheid genoemd kon worden, en stormden op de stad en
de Oorpoort los.[19] Zij wisten, dat ingeval zij deze niet openbraken
het tevergeefs zou zijn, den muur te bestormen. Nu hadden ’s Konings
kapiteins verscheidene slingers en twee of drie stormrammen
medegebracht. Met deze groote slingers wierpen zij op de huizen en het
volk der stad en met hunne stormrammen rammeiden zij de Oorpoort.
[19] ~Op de oorpoort los~. -- Het geloof is uit het gehoor.
Het leger en de stad hadden verscheidene schermutselingen en korte
ontmoetingen met elkaêr, terwijl de kapiteins hunne krijgslisten te werk
stelden om den toren, die tegenover de Oorpoort gebouwd was, open te
breken of neder te werpen, en daardoor den ingang door de poort te
bespoedigen. Maar Menschziel stond dit alles door; de woede van
Diábolus, de dapperheid van den gouverneur Vastewil, het bestuur van den
ouden burgemeester Ongeloof, en den griffier Goedvergeter hadden ten
gevolge, dat het waarlijk wel scheen of al de kosten aan deze
zomerexpeditie besteed verloren waren, en al het voordeel aan de zijde
van Menschziel bleef. Maar toen de kapiteins zagen hoe de zaken stonden,
trokken zij zich in goede orde terug en sloegen hunne winterkwartieren
op. Nu moet gij ook weten, dat aan weerzszijden groote verliezen geleden
werden, waarvan hier eene opnoeming volgt.
Toen ’s konings kapiteins het hof verlieten en optrokken om tegen
Menschziel te krijgen, ontmoetten hen drie jonge mannen, die er zeer
krijgshaftig uitzagen. Het waren inderdaad ook zeer nette mannen vol
moed en verstand. Zij wilden in het leger dienst nemen. Hunne namen
waren Overlevering, Menschenwijsheid, Menschelijke uitvinding. Zoo
stelden zij zich dan voor de kapiteins en boden hunne diensten aan
El-Schaddaï aan. De kapiteins deelden hun voornemen mede en vermaanden
hen toch niet al te ras met hunne dienstaanbieding te zijn; maar de
jonge mannen antwoordden, dat zij alle zaken van tevoren hadden
overgelegd, en dat zij, vernomen hebbende welk een tocht ’s konings
kapiteins ondernamen, hen juist tegemoet waren gegaan om onder hen
dienst te nemen.
Daarom nam kapitein Boanerges, aangezien zij moedige mannen waren, hen
aan in zijn gevolg en deelde hen in zijne compagnie in, zoodat zij mede
in den oorlog trokken.
Toen nu de oorlog begonnen was, deed een compagnie van den heer Vastewil
uit een achterlaag der stad een uitval op de achterhoede van kapitein
Boanerges, in welke korte maar scherpe schermutseling deze drie jonge
lieden werden verrast en als gevangenen naar de stad gevoerd. De tijding
daarvan werd aan Diábolus overgebracht en verheugde de lieden van zijn
kasteel niet weinig.
Toen liet Diábolus den heer Vastewil roepen om van hemzelven de
zekerheid dezer zaak te kennen. Deze verhaalde hem alles. Daarna liet de
reus de gevangenen komen en als zij gekomen waren vraagde hij hun
vanwaar zij kwamen, wie zij waren en wat zij in het leger van
El-Schaddaï te maken hadden; en dat vertelden zij hem. Toen zond hij hen
naar de hoofdwacht terug. Niet vele dagen daarna liet hij hen weder
roepen en vraagde hun of zij genegen zouden zijn hem te dienen en tegen
hunne vroegere kapiteins te strijden. Zij verhaalden hem toen, dat zij
niet zoozeer uit godsdienstige beweegredenen handelden dan wel naar de
grillen van het noodlot en, daar zijn heerschap gewillig was hen te
onderhouden, zij ook gewillig waren hem te dienen. Nu was er in
Menschziel een zekere kapitein Iets of Neutraal, die veel te doen had in
de stad; tot dezen kapitein zond Diábolus die jonge mannen met een
eigenhandig schrijven, hetwelk aldus luidde:
[Afbeelding: DE DERDE OPEISCHING DER STAD.]
„Veelgeliefde Neutraal! Deze drie mannen, houders van den onderhavigen
brief, hebben begeerte mij in den oorlog te dienen; daarom weet ik niets
beters te doen dan hen onder uwe bevelen te plaatsen. Ontvang hen daarom
in mijnen naam, en als gij hen noodig hebt, gebruik hen dan tegen
El-Schaddaï en zijne mannen. Vaarwel!”
Zoo kwamen zij dan en hij ontving hen, makende twee hunner
onderofficier; maar Menschelijke uitvinding maakte hij zijn vaandrig.
Maar laat ons naar het leger terugkeeren.
Die van het leger behaalden ook eenige voordeelen op de stad. Zoo
wierpen zij het dak in van het paleis des burgemeesters Ongeloof,
waardoor hij veel meer bloot lag dan tevoren. Bijna hadden zij den heer
Vastewil met een slinger ter aarde geworpen, maar hij stond weder op en
bleef gespaard. De leden van den raad evenwel kwamen er minder goed af;
de heeren Vloeker, Hoereerder, Boosheid, Leugenaar, Dronkenschap en
Bedrieger werden met een enkel schot zwaar gewond. Zij maakten ook die
twee kanonnen, welke op den toren van de Oorpoort stonden, onbruikbaar,
en deden ze diep in den modder nederstorten.
Het leger van El-Schaddaï had, zooals gezegd is, de winterkwartieren
betrokken, en zich aldaar zoodanig verschanst, als dat voor hun koning
het voordeeligst en voor den vijand het nadeeligst was, terwijl zij
telkens groote beweging brachten in de stad Menschziel. En dit gelukte
hun zoo uitnemend, dat zij den belegerden heel wat overlast aandeden.
Want nu kon Menschziel in het geheel niet meer zoo gerust slapen als
tevoren, ook konden zij niet meer in stille gerustheid als eertijds
hunne drinkgelagen houden; want van uit het legerkamp van El-Schaddaï
kwamen zoo menigvuldige, luide en verschrikkelijke alarmkreten, nu eens
aan de eene poort en dan aan eene andere, ook soms wel aan alle poorten
tegelijk, dat al hun vroegere vrede verbroken was. Ja, deze beroeringen
waren zóo menigvuldig, en wel in den tijd dat de nachten het langst en
de koude het strengst waren, dat die winter de lieden van Menschziel
heugen zou. Nu eens klonken alleen de trompetten en dan weder waren deze
vergezeld van geweldige slingersteenen, die in de stad geworpen werden.
Somtijds marcheerden tienduizend van ’s konings soldaten rondom de
stadsmuren, en dat wel te middernacht, terwijl zij onophoudelijk schoten
en krijgsgeschreeuw aanhieven. Dan weer werden enkelen in de stad gewond
en hun geroep en klagelijk schreeuwen werd in de stad vernomen tot haar
groote ongerustheid. Ja, zij werden zóo benard door hen, die hen
ingesloten hielden, dat ik gerust durf beweren, dat zelfs de rust van
Diábolus in die dagen menigmaal werd verstoord.
In deze dagen begonnen, naar mij bericht werd, verscheidene gemoederen
binnen Menschziel verontrust te worden door allerlei gedachten,
overleggingen en denkbeelden. Sommigen zeiden: „Dat is op die manier
geen leven.” Anderen antwoordden: „O, ’t zal wel spoedig weer overgaan.”
Dan stond een derde op en sprak: „Laat ons tot Koning El-Schaddaï
terugkeeren en daardoor een eind maken aan al deze ellende”, terwijl
weer een vierde met de vrees voor den dag kwam: „Zou hij ons wel willen
vergeven!” Daarbij kwam, dat die oude heer griffier, die griffier was
eer Diábolus de stad nam, ook hoe langer hoe harder begon te praten, en
zijne woorden klonken nu het volk van Menschziel als sterke donderslagen
in de ooren. Geen geluid was nu zoo ontzettend voor Menschziel als zijne
stem vereenigd met het schieten en de alarmkreten der kapiteins.
Nu begon er ook gebrek in Menschziel te komen, daar de dingen, die hare
ziel zich eertijds gelusten liet van haar waren weggenomen. Al hare
begeerlijke dingen waren omfloersd en daar was verbranding in plaats van
schoonheid. Rimpels en schaduwen des doods waren op de inwoners. O, hoe
verheugd zou nu Menschziel geweest zijn als zij maar rust en vrede had
gehad, al had zij in armoede moeten leven! [Luk. 15 : 14, 15.]
De kapiteins lieten nu midden in den winter door den mond van Boanerges
trompetter nog eene opeisching tot Menschziel komen, om zich toch aan
den koning, den grooten koning El-Schaddaï, over te geven. Zij deden dit
eenmaal en andermaal en ten derden male, nog altijd hopende, dat
Menschziel gewillig mocht worden bevonden om zich over te geven op eene
vriendelijke uitnoodiging. Ja, mij is zelfs verteld, dut de stad
gewillig zou geweest zijn om zich over te geven op dit oogenblik, als
niet de oude heer Ongeloof zich daartegen had verzet en de heer Vastewil
niet zoo wankelend in zijn besluiten ware geweest. Ook Diábolus begon te
razen. Op die manier waren zij volstrekt niet eensgezind omtrent de
overgave der stad; daarom bleven zij in hunne droefheid en in hunne
vreeze liggen.
[Afbeelding: ONGELOOF BRENGT VERSLAG UIT.]
Ik zeide dat de kapiteins tot driemaal over een trompetter zonden. De
eerste maal kwam deze met woorden van vrede, hun zeggende, dat de edele
kapiteins van El-Schaddaï medelijden hadden met de ellende der arme stad
Menschziel, die haar eigen geluk en welvaren in den weg stond. Hij zeide
bovendien, dat de kapiteins hem hadden gelast mede te deelen, dat als de
arme stad zich wilde overgeven en zich vernederen, al hare afdwalingen
en haar opstand zouden worden vergeven en vergeten, en haar nog op het
gemoed gedrukt hebbende, dat zij toch zichzelve niet langer zou in den
weg staan of zelf de oorzaak wezen, dat zij jammerlijk omkwamen, zoo
keerde hij terug naar het kamp.
De tweede maal dat de trompetter kwam, behandelde hij haar een weinig
harder, want na geblazen te hebben deelde hij haar mede, dat haar
voortgezette halsstarrigheid den geest der kapiteins verbitterde, en dat
zij besloten waren de stad Menschziel in te nemen of voor hare muren te
sterven.
De derde keer sprak hij nog harder woorden on verhaalde, dat waar zij
zoo ontzettend goddeloos bleef, hij nu niet zeker meer wist of de
kapiteins tot barmhartigheid of tot oordeel gestemd waren. Zij hadden
hem alleen de boodschap meegegeven: „Beveel de stad, dat zij de poorten
opent!” Daarna keerde hij zich om en ging weder naar het leger terug.
Deze drie opeischingen, en voornamelijk de laatste twee, verschrikten de
stad zoozeer, dat er dadelijk eene raadsvergadering belegd werd, waarvan
de uitslag was, dat de heer Vastewil zich naar de Oorpoort zou begeven
om daar bij trompetgeschal de kapiteins tot een mondgesprek uit te
noodigen. Dit gebeurde; de heer Vastewil blies de trompet en de
kapiteins kwamen in hunne harnassen met al hunne tienduizenden, die
hunne voetstappen volgden. Toen vertelden de lieden der stad aan de
kapiteins, dat zij hunne opeischingen hadden gehoord en dat zij met hen
en hunnen koning El-Schaddaï wilden onderhandelen op de artikelen en
voorwaarden, die zij op last van hun vorst thans wilden vaststellen, en
die hierop moesten uitloopen, dat zij éen volk met hen worden zouden.
Die voorwaarden luidden:
1^{e}. Dat de tegenwoordige burgemeester Ongeloof met den heer
Goedvergeter en den dapperen Vastewil onder koning El-Schaddaï de
bestuurders der stad zouden blijven en in hunne tegenwoordige ambten
bevestigd worden.
2^{e}. Dat niemand, die tegenwoordig onder den reus diende, door
El-Schaddaï zou worden weggejaagd of uit huis en haard verdreven, noch
eenigszins in de vrijheid gekrenkt, die hij tot dusverre onder Diábolus
had genoten.
3^{e}. Dat aan al de burgers der stad zou worden vergund de privilegiën
en rechten te behouden, die hun eertijds vergund waren en waaronder zij
nu onder Diábolus zoo lang geleefd hadden, die hun eenige heer en
beschermer al dien tijd geweest was.
4^{e}. Dat geen nieuwe wetten zouden worden ingesteld, noch
gerechtsdienaren of andere beambten onder hen aangesteld, zonder hun
eigen keus en goedvinden.
„Dit zijn nu onze vredesvoorwaarden, en alleen op die voorwaarden willen
wij ons aan uwen koning onderwerpen.”
Maar toen de kapiteins deze geringe toegeefelijkheid en deze hooge en
trotsche eischen hadden gehoord, waren zij volstrekt niet tevreden en
hielden bij monde van kapitein Boanerges de volgende toespraak:
„O, gij inwoners van Menschziel, toen ik uwe trompet hoorde klinken om
met ons een mondgesprek te houden, was ik inderdaad zeer blijde. Toen
gij daarop zeidet, dat gij gewillig waart u aan onzen koning te
onderwerpen was ik nog meer verheugd. Maar toen gij door uw zot geklap
en onzinnige voorwaarden het struikelblok uwer ongerechtigheden opnieuw
voor uw aangezicht legdet, veranderde mijne vreugde in droefenis en de
hoop op uwe onderwerping in smart en vrees.
„Ik denk dat de oude Kwaderust, de geboren vijand van Menschziel, deze
artikelen heeft opgesteld, die gij ons nu als vredesvoorwaarden
voorhoudt; maar waarlijk zij mogen niet in de ooren klinken van eenigen
mensch, die in dienst van koning El-Schaddaï staat of eenige betrekking
op hem heeft. Daarom weigeren en verwerpen wij gezamenlijk, en dat wel
met de hoogste verachting de ons voorgestelde artikelen als zijnde die
de grootste der ongerechtigheden. [2 Tim. 2 : 19.]
„Maar o Menschziel, wanneer gij uzelve in onze handen wilt overgeven, of
beter gezegd in de handen van onzen koning, en het aan hem wilt
overlaten zulke bepalingen voor u te maken als goed zullen wezen in
zijne oogen, (en ik durf u verzekeren, dat ze door u als de beste en
voordeeligste bevonden zullen worden) dan willen wij u aannemen, en met
u in vrede leven; maar als gij uzelve niet in de handen van El-Schaddaï
onzen koning wilt toevertrouwen, dan blijft alles zooals het is en
zullen wij weten wat wij te doen hebben.”
Toen riep de oude Ongeloof, de burgemeester der stad, luide van den
muur, en zeide: „Wie zou er zoo dwaas zijn, die, zooals wij nu, uit de
handen van zijne vijanden verlost is, om dan het heft uit eigen hand te
geven en zich in den blinde aan een onbekende te onderwerpen? Ik voor
mij zal nooit in zulk een onbepaald voorstel toestemmen. Kennen wij het
karakter en de handelwijze van dien koning? Door sommigen wordt gezegd,
dat hij boos tegen zijne onderdanen is, wanneer zij maar een haarbreed
van den weg afwijken, dien hij hun voorschrijft; en anderen beweren, dat
hij veel meer van hen eischt dan zij volbrengen kunnen. Daarom komt het
mij voor, o Menschziel, dat gij goed moet overleggen wat u in dezen te
doen staat, want als gij u aan een anderen hebt overgegeven zijt gij uw
eigen heer en meester niet meer. Uzelven over te geven aan een bepaald
gezag is de grootste dwaasheid der wereld, want gij zoudt er u stellig
over berouwen, maar nooit recht hebben u er over te beklagen. Weet gij
nu wel, wanneer gij de zijne zijt geworden, wie van u hij zal dooden en
wie hij in het leven zal behouden, en of hij wellicht niet ons allen om
het leven zal brengen en uit zijn land een nieuw volk zenden om deze
stad te bewonen?”
[Afbeelding: OUDE ONGELOOF AANGEVALLEN DOOR VERSTAND.]
Deze toespraak van den burgemeester ontstelde hen allen en wierp al hun
grond der hope op een accoord omver. Daarom keerden de kapiteins terug
naar hunne tenten en de burgemeester naar het kasteel van zijn Koning.
Diábolus wachtte daar reeds zijne terugkomst af, want hij had gehoord,
dat er eene ontmoeting had plaatsgevonden. Zoodra hij de kamer
binnenkwam groette Diábolus hem met een: „Welkom, edele heer! Wat heeft
er heden plaatsgevonden?” Daarop vertelde de heer Ongeloof hem met
gedempte stem de geheele zaak, zeggende: „Zóo en zóo spraken de
kapiteins, en zóo en zóo heb ik gesproken.” Diábolus was zeer blijde dit
te hooren en zeide: „Mijn waarde burgemeester, mijn getrouwe heer
Ongeloof; ik heb altijd op uwe trouw gerekend en die nog nooit valsch
bevonden. Ik beloof u, dat als wij dezen berg overkomen, een veel
heerlijker betrekking dan die van Menschziels burgemeester u zal ten
deel vallen. Ik zal u mijn algemeenen afgezant maken, ambassadeur aan
alle hoven, ja wat meer zegt, gij zult de eerste na mij zijn en alle
natiën regeeren. Gij zult hun banden aanleggen naar uwen lust, en
niemand mijner vasallen zal meer vrijheid genieten dan die in uwe
ketenen wil wandelen.”
Nu trad de burgemeester uit het paleis van Diábolus alsof hij een groote
gunst ontvangen had, waarom hij met groote deftigheid daarheen ging en
zichzelven reeds vleide met de schitterende verwachtingen, die hij nu
koesterde.
Doch terwijl de burgemeester en Diábolus het aldus best samen eens
waren, bracht dit afwijzen der dappere kapiteins Menschziel tot
muiterij. Want terwijl de oude Ongeloof het kasteel binnenging om met
zijn meester te raadplegen, kwamen de oud-burgemeester, die vóor
Diábolus in Menschziel kwam aan het hoofd stond, namelijk de heer
Verstand, en de oude griffier Geweten in de stad om kennis te nemen van
hetgeen aan de Oorpoort had plaats gegrepen. Gij moet weten, dat zij
niet hadden mogen tegenwoordig zijn bij de beraadslagingen, die gehouden
waren, anders zouden zij voorzeker ten gunste der kapiteins gesproken
hebben; maar nu kwamen zij om te vernemen wat er gebeurd was. Daarna
verzamelden zich enkelen uit de stad rondom hen en die brachten hun aan
het verstand hoe verstandig en zedelijk de eisch der kapiteins was en
welke slechte gevolgen voortspruiten zouden uit de verwaande woorden van
den ouden Ongeloof, den burgemeester, die zoo weinig eerbied had getoond
voor de kapiteins en hun koning, en hoe hij hen allen onnoozel weg van
ontrouw en verraad beschuldigde. „Want wat minder dan dat”, zeiden zij,
„kon uit zijne woorden worden afgeleid toen hij beweerde hun eisch niet
te kunnen vervullen, en voegde daar nog bij dat de koning ons wilde
vernielen waar hij ons tevoren betuigd had op zijn woord van eer, dat
hij ons wilde genadig zijn?” De menigte werd daardoor overtuigd van het
kwaad, dat de oude Ongeloof had aangericht, en begon saam te scholen op
alle pleinen en op de hoeken van alle straten van Menschziel. Eerst
begonnen zij te morren, daarna er openlijk over te spreken en daarna
liepen zij uit alle macht rond al schreeuwende: „O, die dappere
kapiteins van El-Schaddaï! Waren wij maar onder hun bestuur en onder dat
van hunnen koning El-Schaddaï!” Toen de burgemeester er nu erg in kreeg
dat Menschziel in opstand was, kwam hij neder om het volk te stillen, en
vermeende hen met zijne fiere houding en zijn forsch voorkomen op
eenmaal te bedaren; maar toen zij hem zagen, vielen zij op hem aan en
zouden hem stellig een ongeluk hebben toegebracht, had hij zich niet in
zijne woning teruggetrokken. Desniettemin belegerden zij met alle macht
het huis waar hij was, om het boven zijn hoofd te laten instorten; maar
het was een te sterk kasteel en daarom gelukte hun dit niet. Zoo greep
hij dan weder moed, opende een venster en sprak van daar het volk op de
volgende wijze aan:
„Mijne heeren, wat is toch de reden, dat hier zulk een oproer is
uitgebarsten?”
Toen antwoordde de heer Verstand: „De reden is, dat gij en uw meester
niet recht hebt gehandeld, en niet naar behooren tot de kapiteins van
El-Schaddaï hebt gesproken. In drie dingen hebt gij verkeerd gedaan. Het
eerste is, dat gij den heer Geweten en mijzelven niet hebt opgeroepen om
naar uw gesprek te hooren. Het tweede, dat gij zulke vredesvoorwaarden
aan de kapiteins hebt voorgesteld, die zij onmogelijk konden aannemen of
hun El-Schaddaï moest maar vorst in naam wezen, en Menschziel zou de
macht behouden om in alle wetteloosheid en ijdelheid te leven, en dus
zou daar uit volgen, dat Diábolus hier toch koning bleef; Diábolus
koning in werkelijkheid en de andere alleen koning in naam. En het derde
is, dat gij nadat de kapiteins ons getoond hadden op welke voorwaarden
zij ons wilden aannemen, gij met uwe zoutelooze, goddelooze en ongepaste
redeneering alles weer hebt omvergeworpen.”
[Afbeelding: VERSTAND EN GEWETEN GEVANGEN GENOMEN.]
Toen de oude Ongeloof deze toespraak gehoord had riep hij: „Verraad!
Verraad! Te wapen! Te wapen! o gij alle getrouwe vrienden van Diábolus
binnen Menschziel!”
Verstand sprak toen: „Mijnheer, gij kunt aan mijne woorden de beteekenis
hechten, die u behaagt, maar ik ben zeker dat de kapiteins van zulk een
voornaam heer eene betere behandeling van u verdiend hadden.”
Daarop antwoordde de oude Ongeloof: „Dit is maar weinig beter. Maar
heerschap, wat ik sprak, dat sprak ik voor mijn vorst, voor zijne
regeering en tot rust van het volk, dat gij door uwe onwettige
handelingen dezen dag tegen ons hebt opgezet.”
Toen antwoordde de oude Griffier, wiens naam Geweten was, en zeide:
„Heerschap, gij mocht wel niet zooveel afdingen op hetgeen de heer
Verstand gesproken heeft, want het is zeer duidelijk, dat hij de
waarheid heeft gesproken en dat gij een vijand van Menschziel zijt. Wees
dan overtuigd van de boosheid en verkeerdheid uwer stoute en vermetele
taal, en van de droefheid, die gij den kapiteins hebt aangedaan, en niet
het minst van de schade, die gij daardoor aan Menschziel hebt berokkend.
Hadt gij de voorwaarden aangenomen, het geklank der trompetten en het
krijgsrumoer zou reeds van rondom deze stad zijn verdwenen; maar dat
droevige geluid klinkt voort en uw gebrek aan wijsheid is daarvan de
oorzaak.”
Toen zeide oude Ongeloof: „Mijnheer, zoo ik het beleef, zal ik uwe
boodschap aan Diábolus overbrengen, en daar zult gij een antwoord op uwe
woorden ontvangen. Intusschen zullen wij het goede voor de stad zoeken
en u niet om raad vragen.”
Verstand sprak daarop: „Heerschap, uw vorst en gij zijt beiden
vreemdelingen in Menschziel en geene ingeborenen aldaar: en wat kan er
nu anders gebeuren dan dat gijlieden, als gij ons in nog grooter ellende
hebt gebracht, en gij geen anderen uitweg ziet om uzelven te redden, ons
in de steek laat, onze stad in brand steekt en temidden van den rook u
wegpakt? Wij blijven in de ellende achter.”
Ongeloof antwoordde: „Mijnheer, gij vergeet dat gij onder een gouverneur
leeft en dat gij u als een onderdaan hebt te gedragen; weet dat als
mijnheer de koning hooren zal wat heden door u geschied is, hij u daar
kleinen dank voor weten zal.”
Terwijl nu deze edellieden op zulk eene wijze met elkander in twist
waren, kwamen van de wallen en poorten der stad de heeren Vastewil,
Vooroordeel, Kwaderust en verscheidene anderen van den nieuwbakken adel
en eereburgerij, en zij vraagden naar de reden van dezen oploop. Daarop
begon een ieder op eigen gelegenheid te vertellen wat er gaande was,
zoodat zij niets duidelijk konden verstaan of begrijpen. Toen werd er
stilte geboden en de vos Ongeloof begon te spreken. „Mijnheer”, zeide
hij, „hier staan een paar bedorven edellieden, die als gevolg van hun
slecht begrip of vrees, ook op raad van een zekeren heer Misnoegen, deze
gansche bende oproerig tegen mij in het harnas gejaagd, en aldus
getracht hebben onze stad aan het muiten te doen slaan tegen onzen
vorst.”
Toen stonden al de Diábolus-mannen daar tegenwoordig op, en bevestigden,
dat deze dingen aldus waren.
Toen nu zij, die het met de heeren Verstand en Geweten hielden,
bemerkten, dat het hun slecht bekomen kon omdat kracht en macht aan de
andere zijde waren, kwamen zij toeloopen om hen te helpen, zoodat er aan
beide zijden een groote menigte stond. Nu hadden zij, die aan Ongeloofs
kant stonden, wel gewild, dat die twee oude edellieden maar dadelijk
naar de gevangenis werden gebracht; maar die aan den anderen kant
stonden, wilden dit niet toelaten. Daarna begonnen de twee partijen
weder tegen elkander aan te gaan. De Diábolusvrienden riepen om den
ouden Ongeloof, Goedvergeter, de nieuwe edellieden en hunnen grooten
Diábolus. De andere partij riep om El-Schaddaï, de kapiteins, hunne
wetten, hunne barmhartigheid en prezen hunne voorwaarden en manieren.
Deze twist duurde eenigen tijd voort en toen kwamen zij van woorden tot
daden, zoodat er van beide zijden slagen vielen. De goede oude edelman
Geweten werd tweemaal door een Diábolus-man ter neder geworpen; de
persoon, die dit deed, heette Verdooving. Ook de heer Verstand was bijna
afgemaakt en dat wel met een handboog, maar de persoon, die er meê
schoot, kon niet te best mikken. Toch kwamen die van de andere zijde er
ook niet allen heelhuids af. Daar was een zekere Overijling, een
Diábolus-man, dien de hersens ingeslagen werden door den heer Gemoed,
een dienaar van den heer Vastewil. Ook deed het mij lachen toen ik zag
hoe den ouden Meester Vooroordeel een beentje werd gelicht en hij in den
modder tuimelde, want nog niet lang geleden was hij tot kapitein
aangesteld van eene compagnie Diábolus-mannen tot nadeel van de stad. Nu
was hij onder de voet geraakt, en ik kan u verzekeren, dat eenigen van
de Verstandspartij hem den schedel intrapten. Zoo ook de heer Iets. Deze
was temidden van de troebelen een groot man geworden; maar toch waren
beide zijden tegen hem omdat hij aan niemand getrouw was. Ze hadden hem
om zijne trotschheid een been gebroken, en het speet hun dat het zijn
nek niet was geweest. Nog veel meer ongelukken hadden aan beide zijden
plaatsgevonden; maar het was een wonder te zien hoe onverschillig
Vastewil dit alles aanzag: hij scheen geen meerdere notitie te nemen van
het een dan van het ander; alleen heeft men opgemerkt, dat hij
glimlachte toen de oude Vooroordeel in den modder viel. Zoo ook toen
kapitein Iets (Neutraal) daar aan kwam strompelen, gaf hij er weinig
acht op.
Toen nu het oproer gestild was, zond Diábolus om de heeren Verstand en
Geweten, en sloot hen beiden in de gevangenis als de aanstokers van deze
muiterij in Menschziel. Daardoor begon de stad nu weer rustig te worden
en de gevangenen werden zeer hard behandeld. Zelfs had Diábolus hen
gaarne van kant geholpen; maar de tegenwoordige tijd paste niet voor een
rechtsgeding, waar de oorlog aan alle poorten woedde.
Maar laat ons naar onze geschiedenis wederkeeren. De kapiteins, toen zij
van de poort waren teruggekeerd, en in het kamp teruggekomen, riepen een
krijgsraad op om te beraadslagen wat verder gebeuren zou. Sommigen
zeiden: „Laat ons nu heengaan en op de stad aanvallen!” Maar het
meerendeel vond toch geraden hen nog eerst eene nieuwe opeisching te
doen toekomen, en de reden daarvoor was, dat naar uit alles scheen te
blijken, de stad meer tot overgave geneigd scheen dan vroeger. „En als”,
zeiden zij, „sommigen in een weg van toenadering verkeeren, zouden wij
door ruwheid en hardheid hen afstooten; wij moeten hun door onze
oproeping opnieuw toonen, dat wij gewillig zijn hen aan te nemen.”
Nadat nu diensvolgens besloten was, werd weder een trompetter geroepen
en de woorden in zijn mond gelegd, terwijl hem geboden werd zich te
haasten en voorspoed toegewenscht. Het duurde dan ook maar kort of de
trompetter trok af. Bij den muur gekomen zijnde liep hij regelrecht op
de Oorpoort aan en blies daar uit alle macht zooals hem geboden was. Die
van binnen kwamen nu dan ook uit om te zien wat er gaande was en de
trompetter hield de volgende toespraak:
„O, gij beklagenswaardige stad Menschziel, met uw verharde hart! hoe
lang zult gij nog volharden in uwe zondige slechtigheden, en uw vermaak
vinden in uwe schande? Tot dusverre versmaadt gij alle aanbiedingen van
vrede en verlossing. Hoe kunt gij de heerlijke aanbiedingen van
El-Schaddaï in den wind slaan en de leugens en valschheden van Diábolus
vertrouwen? Meent gij, dat als El-Schaddaï u zal hebben overwonnen de
herinnering aan dit uw verkeerd gedrag u eenigen vrede of troost zal
brengen? Of dat gij Hem met uwe snorkende woorden verward zult maken als
een sprinkhaan? Spaart hij u ook uit vrees voor u? Denkt gij sterker te
wezen dan hij? Ziet eens op naar den hemel en aanschouwt de sterren hoe
hoog ze zijn? Kunt gij de zon tegenhouden in haren loop? Kunt gij de
maan beletten licht te geven? Kunt gij het heir der starren tellen of de
flesschen des hemels ontsluiten? Kunt gij de wateren der zee oproepen en
laten die over de aarde stroomen? Kunt gij alle hoogmoedigen vernederen
en hen met het aangezicht in het stof doen liggen? Dit zijn nu nog maar
enkele van ’s konings werken, in wiens naam wij heden tot u komen, opdat
gij u onder zijn gezag zoudt schikken. Daarom roep ik u nogmaals op in
zijnen naam, dat gij uzelven aan zijne kapiteins zoudt overgeven.”
Bij deze oproepingen schenen de bewoners van Menschziel stil te staan,
niet wetende wat daarop te antwoorden. Om die reden kwam Diábolus
schielijk voor den dag en wilde zelf een antwoord geven; hij begon dan
ook, maar richtte zijne toespraak tot de lieden van Menschziel.
„Mijne heeren en getrouwe onderdanen,” aldus ving hij aan, „als het waar
is wat deze opeischer gezegd heeft aangaande de grootheid van hunnen
koning, zoo zult gij door zijne schrik voortdurend in slavernij worden
gehouden en als een slak versmelten. Hoe kunt gij, zelfs waar hij op een
afstand is, de gedachte aan zulk een machtig vorst verdragen? En waar
gij hem u zelfs op een afstand niet voorstellen kunt, hoe zult gij dan
zijne tegenwoordigheid verdragen? Ik, uw vorst, ga gemeenzaam met u om
en gij moogt met mij spelen als met een graskriek of huismusch. Bedenk
daarom wel wat uw voordeel wezen zal en welke voorrechten ik u altijd
heb bewezen.
„En als nu verder alles eens waar is wat deze man heeft gezegd, vanwaar
komt het dan dat de onderdanen van El-Schaddaï overal zoo in slavernij
zuchten? Niemand in het Heelal is zoo ongelukkig als zij, niemand zoo
vertrapt en vernederd.
„O, mijn arm Menschziel! waart gij toch zoo traag om mij te verlaten als
ik traag ben om u aan uw lot over te geven. Maar nu zeg ik u: de ure der
beslissing is gekomen; de kogel moet door de kerk, vrijheid zult gij
bezitten als gij haar weet te gebruiken, ja een koning bezit gij altijd
als gij hem maar weet lief te hebben en te gehoorzamen.”
Na deze toespraak verhardde de stad Menschziel wederom haar hart tegen
de kapiteins van El-Schaddaï. De gedachte aan zijne grootheid deed de
inwoners sidderen, en de gedachte aan zijne heiligheid deed hen in
wanhoop wegzinken. Daarom na een korte beraadslaging met de partij van
Diábolus, zonden zij den trompetter met dit woord terug, dat zij van
hunne zijde besloten waren hunnen koning aan te kleven en zich nimmer
aan El-Schaddaï over te geven; en dat het daarom ook nutteloos was hun
nog verdere opeischingen te zenden, aangezien zij liever wilden sterven
dan zich over te geven. En nu schenen de zaken dan al zeer slecht te
gaan, hoe langer hoe meer achteruit, namelijk, zoo dat Menschziel weldra
buiten het bereik van iedere roepstem wezen zou. Maar de kapiteins, die
wisten wat hun koning vermocht, verloren daarom nog den moed niet. Zij
zonden nog een nieuwe oproeping, veel scherper en gestrenger dan de
voorgaande. Maar hoe meer zij zonden des te afkeeriger werd de stad.
„Gelijk zij hen riepen, alzoo gingen zij van hun aangezicht weg -- zij
riepen wel van den Allerhoogste, maar niet een verhoogde Hem. [Hos. 11 :
2, 7.]