VOORBEREIDSELEN OVER EN WEER.

Nu kunt gij u toch best voorstellen, dat het niet lang behoefde te duren

of de een of ander deelde aan den goeden koning El-Schaddaï mede, hoe

zijn Menschziel in het groote Heelal-gebied verloren was gegaan, en hoe

de afvallige reus Diábolus, eenmaal een van Zijner Majesteits dienaren,

nu een opstandeling tegen zijn koning, zich van haar had meester

gemaakt. Ja, deze tijdingen werden tot den koning gebracht en wel tot in

de kleinste bijzonderheden.

Eerst werd hem bericht hoe Diábolus tegen Menschziel was opgetrokken,

dat door een eenvoudig en oprecht volk bewoond, geen erg had in sterkte,

slimheid, leugen en bedriegelijke geesten, die hij tegen haar aanvoerde.

Verder hoe hij verraderlijk gedood had den zeer edelen en dapperen

kapitein Tegenstand, toen hij met de rest van het volk der stad op den

muur stond. Verder hoe die brave heer Oprecht dood viel, zooals sommigen

zeiden vergiftigd door den verpestenden adem van Kwaderust toen deze met

zijn duivelschen mond den edelen en rechtvaardigen vorst El-Schaddaï

lasterde. De boodschappers verhaalden al verder hoe de lieden der stad,

nadat deze Kwaderust een korte toespraak tot hen gehouden had ten gunste

van Diábolus, zijn meester, geloovende, dat hij waarheid sprak, er in

toestemden om de Oorpoort, de voornaamste van alle stadspoorten, te

openen en hem met zijn gespuis inlieten, zoodat hij in het bezit kwam

van het wijdvermaarde Menschziel. Zij verhaalden verder hoe Diábolus met

den heer burgemeester en den stadssecretaris gehandeld had, hen uit alle

ambt en bediening ontzettende. Nog verder werd aan koning El-Schaddaï

bericht, dat de heer Vastewil een rebel en een afvallige geworden was,

evenals de heer Bedenken zijn klerk, en dat zij beiden zooveel oproer en

schelmerij in de stad aanrichtten en allen leerden in hunne goddelooze

wegen te wandelen. Hij hoorde, dat deze heer Vastewil in groote gunst

stond bij Diábolus en dat deze alle sterkten in Menschziel in zijne hand

gegeven had, terwijl Meester Bedenken de afgezant van den heer Vastewil

was in diens meest oproerige ondernemingen. „Ja”, zeide een der

boodschappers, „dit monster Vastewil heeft openlijk zijn koning

El-Schaddaï afgezworen en zich plechtig aan Diábolus verbonden!”

[Afbeelding: EL-SCHADDAÏ ONTVANGT TIJDING VAN MENSCHZIEL.]

Ook ging de boodschapper voort: „Benevens dit alles heeft de nieuwe

koning, of liever oproerige tiran, over de eens zoo beroemde maar nu in

ellende verzinkende stad Menschziel, een burgemeester en een griffier op

eigen hand aangesteld. Als burgemeester benoemde hij Zinnelijke lust, en

als griffier Godvergeter, twee van de allergeringsten uit de stad

Menschziel.” Deze betrouwbare getuige ging al voort en verhaalde welk

nieuw soort van adeldom Diábolus had ingesteld, en dat deze verscheidene

sterke forten of kasteelen in Menschziel had gebouwd. Hij vertelde, wat

ik bijna vergeten had, dat Diábolus de stad in de wapens had geroepen en

hen in den wapenhandel geoefend om des te beter El-Schaddaï, hunnen

Koning, weerstand te kunnen bieden, wanneer hij haar kwam opeischen.

Deze berichtgever deed zijn verhaal niet in het geheim, maar voor het

volle hof, voor den Koning, zijn Zoon, zijn hoogen Raad, hoofdofficieren

en edelen, waar deze allen tegenwoordig waren om naar hem te luisteren.

En als gij nu eens gezien hadt, welk een indruk het hooren van deze

tijdingen op hen maakte, dan zoudt gij u verwonderd hebben over de

smart, de droefenis, de verslagenheid van geest, die hen allen aangreep

bij de gedachte, dat dit vermaarde Menschziel nu genomen was. Alleen de

Koning en zijn Zoon voorzagen dit alles reeds sedert lang, ja zelfs

hadden zij reeds voldoende voorzien in hetgeen noodig was om Menschziel

weder te herstellen, al hadden zij er ook nog met niemand over

gesproken. Echter zij wilden ook deelnemen in de algemeene droefheid

over het verlies van Menschziel en spraken hun leedgevoel zeer duidelijk

uit. De Koning zeide openlijk, dat het hem smartte aan zijn hart, en gij

kunt er op rekenen, dat het met zijn Zoon niet anders was gesteld.

Daardoor werden nu allen overtuigd, dat zij groote liefde en groot

medelijden voor de vermaarde stad Menschziel voelden. Daarop gingen de

Koning en zijn Zoon in hunne binnenkamer, waar zij altijd samen

raadpleegden over hetgeen zij voornemens waren te doen. Zij hadden daar

vroeger reeds afgesproken, dat indien zij al toelieten, dat Menschziel

in der tijd verloren ging, het toch voorzeker zou worden heroverd; en

wel heroverd langs zulk eenen weg, dat beiden de Koning en zijn Zoon

daarbij eeuwige roem en heerlijkheid behalen zouden. Waarom dan ook na

deze beraadslaging, de Zoon van El-Schaddaï, -- een uitnemend persoon

vol liefde, en die altijd groot medelijden aan den dag legde met hen,

welke in droefenis verkeerden, maar die een doodelijken haat in zijn

binnenste koesterde tegen Diábolus, omdat deze het op zijn kroon en

waardigheid toelegde, -- waarom dan ook, zeg ik, deze Zoon van

El-Schaddaï, na zijnen Vader er de hand op te hebben gegeven, beloofde,

dat hij zijn dienaar wilde zijn in het herwinnen van Menschziel, daarin

vastberaden te werk zou gaan en zich daarover later niet te zullen

berouwen. De hoofdzaak van dit raadsbesluit kwam hierop neder, dat op

een bepaalden tijd, door beiden vastgesteld, de Zoon des Konings eene

reis zou doen in de landstreek Heelal, en dat Hij daar langs een weg van

gerechtigheid en waarheid, door voor de zonden en dwaasheden van

Menschziel te boeten, het fondament zou leggen voor hare volkomen

verlossing uit de macht van Diábolus en zijne onderdrukking. [Gen. 6 :

5, 6.]

Bovendien besloot Immanuel op een bepaalden tijd een oorlog te beginnen

tegen den reus Diábolus omdat hij bezit genomen had van de stad

Menschziel, en dat hij door de kracht zijner hand hem uit zijne

sterkten, waar hij zich genesteld had, zou uitdrijven en die tot zijne

woonplaats maken.

Dit alles nu besloten zijnde zoo werd bevel gegeven aan de Opperste

Secretarie van het hof om een verslag op te stellen van hetgeen bepaald

was, en te zorgen, dat dit zou worden publiek gemaakt in alle hoeken van

het koninkrijk des Heelals. Een klein uittreksel uit den inhoud van dit

geschrift, kunt gij, als gij wilt, hier lezen:

„Laat allen, die het aangaat, nu weten, dat de Zoon van El-Schaddaï, den

grooten Koning, door een verbond met zijn Vader zich heeft verplicht

zijn Menschziel tot hem weder te brengen; ja uit kracht van zijne

grenzelooze liefde wil hij haar zelfs in veel gelukzaliger toestand

brengen dan waarin zij ooit verkeerd heeft eer Diábolus haar veroverde.”

De papieren werden bovendien op verschillende plaatsen aangeplakt tot

geen geringe ergernis van Diábolus, „want nu”, dacht hij, „zal ik worden

aangevallen en mijne bezitting mij worden ontnomen.”

Maar toen dit plan en voornemen in het paleis van den Koning en zijn

Zoon werd vernomen, wie kan vertellen hoe de hoogedele hoofdlieden en

edele vorsten, die daar waren, dat opnamen! Eerst fluisterden zij het

tot elkander en daarna begon het door het geheele paleis te weerklinken,

terwijl allen het glorierijke voornemen en het heerlijke verbond van den

Koning en zijn Zoon ten gunste van het ellendige Menschziel bewonderden!

Ja, de hovelingen konden nauwelijks iets voor hunnen Koning verrichten

of zij vlochten daarin eenig bericht aangaande de groote liefde des

Konings en zijns Zoons voor de vermaarde en ongelukkige stad Menschziel.

[Afbeelding: WACHTEN AAN DE POORTEN VAN MENSCHZIEL.]

Evenmin konden deze raadsheeren, kapiteins en vorsten zich vergenoegen

met deze tijding aan het hof te laten blijven berusten, zij maakten dat,

zelfs eer het officieele verslag daarvan volkomen in orde was, die goede

tijding reeds overal verteld werd in het landschap Heelal. Daardoor kwam

zij dan ook, zooals ik reeds zeide, ter ooren van Diábolus tot zijne

niet geringe verlegenheid; want gij kunt wel begrijpen, dat het hooren

van zulke voornemens en plannen tegen hem, hem verschrikken moest. Na er

eenigen tijd over te hebben nagedacht, verzon hij de vier volgende

zaken.

Eerstens. Dat dit nieuws, deze goede tijdingen namelijk, zoo eenigszins

mogelijk voor de ooren van Menschziel zouden verborgen gehouden worden;

„want”, zeide hij, „als zij eens tot de wetenschap kwamen, dat

El-Schaddaï, hun vroegere koning, en Immanuel zijn Zoon het goede voor

de stad Menschziel zoeken, wat zou daar dan anders voor mij uit kunnen

voortvloeien dan dat zij tegen mij opstaan en onder zijne heerschappij

terugkeeren?”

Om nu dit voornemen te vervullen vernieuwde hij zijne vleierij jegens

den heer Vastewil en gaf hem ook strengen last en bevel om toch dag en

nacht wacht te houden bij al de poorten van de stad, maar vooral bij de

Oorpoort en de Oogpoort, „want ik hoor”, zeide hij, „van een besluit,

dat ons allen tot verraders verklaart en dat Menschziel tot zijne eerste

slavernij terugkeeren moet. Ik hoop, dat het maar verzinseltjes zijn;

maar toch mag zulk eene tijding in geenendeele in Menschziel bekend

worden, opdat het volk niet verontrust worde. Ik vermoed, Mijnheer, dat

het ook voor u geen welkome tijding wezen kan, en ik ben zeker dat zij

het voor mij niet is; en daarom denk ik het wijs en van het uiterste

belang al zulke rumoeren den kop in te nijpen vóor zij ons volk in de

war brengen. Daarom begeer ik, Mijnheer, dat gij in deze zaak zult

handelen zooals ik zeg. Laat ons iederen dag sterke wachten zetten aan

elke poort van de stad. Houd ook aan en onderzoek al degenen, die gij

bemerkt, dat van verre tot ons komen om handel te drijven, en laat ze

onder geen voorwendsel in Menschziel worden toegelaten tenzij gij wel

overtuigd zijt, dat zij ons uitmuntend gouvernement gunstig zijn

gestemd. Ook beveel ik,” ging Diábolus voort, „dat er voortdurend

spionnen de stad op en neer wandelen, met macht en last om alles te

onderdrukken wat zij eenigszins in ons nadeel bemerken te zijn, en wat

El-Schaddaï en Immanuel zou kunnen begunstigen.”

Dit werd alles overeenkomstig zijn bevel gedaan; de heer Vastewil

gehoorzaamde zijn heer en meester en volgde gewillig het bevel op, en

met allen vlijt waartoe hij in staat was, hield hij alles buiten en

onderdrukte elke tijding voor Menschziel aangaande deze dingen.

Ten tweede. Dit gedaan zijnde legde Diábolus, opdat hij Menschziel zoo

onneembaar maken zou als hij maar kon, aan al het volk der stad een

nieuwen eed op en maakte met hen een verschrikkelijk verbond, te weten,

dat zij nooit hem of zijne regeering zouden verlaten, noch bedriegen,

noch zijne wetten zoeken te veranderen; maar dat zij hem als hun

wettigen koning zouden erkennen, getrouw blijven en verdedigen tegen een

iegelijk, die nu of voortaan door eenig voorwendsel, wet of instelling,

hoe dan ook, op de stad Menschziel aanspraak maken zou. Hij dacht

hierbij, naar het scheen, dat El-Schaddaï geene macht had om hen te

ontslaan van dit verbond met den dood en dit voorzichtig verdrag met de

hel. En die onnoozele stad Menschziel had op dit alles niets tegen, zag

geen gevaar, in dit monsterverbond, maar als ware het een splintertje

geweest in den bek van een walvisch, slikte zij het door zonder eenigen

schroom. Was zij er wel eenigszins door ontroerd? O, neen, integendeel,

zij roemden op hunne getrouwheid aan den tiran, hun voorgewenden koning,

zwerende, dat zij nooit zouden wankelen, nooit hun ouden heer voor een

nieuwen verruilen. Aldus kluisterde Diábolus het arme Menschziel vast.

[Jes. 28 : 15.]

Ten derde. De jalousie, die zich nooit sterk genoeg waant, dreef hem aan

tot nog meerdere heldendaden, en dat was om Menschziel, zoo mogelijk,

nog meer tot uitspattingen aan te hitsen. Hij liet dan zekeren heer

Vuil, een verachtelijk, wulpsch en beestachtig persoon, geschriften

opstellen en die boven de poorten van het kasteel plaatsen, waarbij hij

verlof gaf aan al zijne getrouwe aanhangers en zonen in Menschziel om

alles vrijelijk te volbrengen wat hunne zinnelijke lusten streelen kon,

en dat niemand hen daarin kon verhinderen of tegenstaan op straffe van

zich het ongenoegen van hunnen vorst op den hals te halen.

Dit deed hij om deze navolgende redenen:

1^{e}. Dat de stad Menschziel daardoor al zwakker en zwakker worden zou

en des te meer ongeschikt om als de tijdingen kwamen, die van hare

verlossing getuigden, daaraan geloof te slaan of daarop te hopen, omdat

men algemeen denkt: hoe grooter zondaar des te minder kans op

barmhartigheid.

2^{e}. De tweede reden was, dat als misschien Immanuel, de Zoon des

grooten Konings, hunne verschrikkelijke en afschuwelijke handelingen

zag, hij berouw mocht krijgen, dat hij een verbond had aangegaan om zulk

volk te verlossen, en er van mocht afzien het uit te voeren. Want hij

wist, dat El-Schaddaï heilig is en dat ook zijn Zoon Immanuel heilig is,

ja hij wist dit bij ondervinding, want om zijne eigen zonden was

Diábolus uit de hoogste sfeeren verjaagd. Weshalve hij zeer rationeel

tot dit besluit kwam, dat wegens hare gruwelijke zonde het ook zoo gaan

zou met Menschziel. Toch nog vreezende, dat ook dit touw breken zou

bedacht hij nog iets anders.

[Afbeelding: DIÁBOLUS ROEPT MENSCHZIEL TE WAPEN.]

3^{e}. Hij wilde verder alle gemoederen in Menschziel doordringen van

het denkbeeld, dat El-Schaddaï een leger aangeworven had om de stad te

verderven. Dit deed hij om alle tijdingen, die tot haar komen mochten

aangaande eene voorgenomen verlossing krachteloos te maken, „want”,

dacht hij, „als ik dit gerucht maar eerst in omloop breng, zullen alle

daarna komende tijdingen, die hun oor bereiken, daardoor verslonden

worden; want wat anders zal Menschziel zeggen wanneer zij hoort, dat zij

verlost moet worden, dan dat de eigenlijke bedoeling van El-Schaddaï is

haar te vernielen?” Tot dat einde riep hij de gansche burgerschap op het

marktplein bijeen, en daar sprak hij haar met een bedriegelijke tong

aldus aan:

„Mijne heeren en goede vrienden, gij allen zijt, zooals gij weet, mijne

wettige onderdanen en lieden der beroemde stad Menschziel. Gij weet, van

den eersten dag af, dat ik onder u verkeerde tot op dit oogenblik, hoe

ik mij in uw midden heb gedragen, en welke vrijheden en groote

voorrechten gij onder mijne regeering hebt genoten, naar ik hoop tot uwe

en mijne eer en niet minder tot uw en mijn genot. Welnu, beroemde stad

Menschziel, er loopt daarbuiten een gerucht, dat de stad kan

verontrusten en dat mij om uwentwil leed doet, want ik ontving daar

juist door de post van den heer Lucifer, die altijd goed op de hoogte is

van alles, een brief, waarin staat, dat uw oude heer en koning

El-schaddaï een leger werft om tegen u op te trekken, ten einde u met

wortel en tak uit te roeien. En dit is nu de oorzaak, o Menschziel, dat

ik u heb opgeroepen om te raadplegen wat in dezen nood het best zij te

doen. Wat mij zelf betreft, ik ben maar alleen en kan mij gemakkelijk

uit de voeten maken, als ik mijn eigen welzijn zocht en mijn Menschziel

in het gevaar alleen wilde laten, maar mijn hart is innig aan u

verbonden, en zoo onwillig ben ik om u te verlaten, dat ik met u wil

staan en vallen, wat mij dan ook overkomen moge. Wat zegt gij, o

geliefde Menschziel! Wilt gij nu uw ouden vriend verlaten of hem

bijstaan?” Toen riepen zij allen als een eenig man en uit éenen mond:

„Sterven moet wie u ontrouw wordt!”

Toen zeide Diábolus weder: „Het is tevergeefs voor ons op genade te

hopen; want deze koning weet van geen kwartier geven. Ja, misschien zal

hij, als hij pas tot ons komt, over eene dusgenaamde barmhartigheid

spreken, opdat hij daardoor des te eer en des te gemakkelijker zich

meester make van de stad Menschziel. Wat hij nu daarover zal believen te

zeggen, geloof er geen letter of tittel of jota van; want al zulke taal

dient maar om ons te verschalken en dan ons de slachtoffers van zijne

armzalige zegepraal te maken, terwijl wij daar liggen te wentelen in ons

bloed. Daarom is het mijn plan, dat wij hem tegenstaan tot den laatsten

man toe, en hem in geen enkel opzicht gelooven; want door die deur

dreigt het gevaar binnen te sluipen. Maar zullen wij ons aldus door dit

gevlei om hals laten brengen? Ik hoop toch, dat gij te veel weet van de

regelen der staatkunde om u zoo jammerlijk onder het juk te laten

brengen.”

„Maar onderstelt nu eens, dat als hij eenmaal de stad in handen kreeg,

hij sommigen van ons spaarde, dat hij enkele onderdanen in het leven

liet, wat zal dat u baten, die opperhoofden zijt in deze stad, in het

bijzonder u, die ik zoo hoog verheven heb, en die uwen adelstand

verdiend hebt door innige gehechtheid aan mij? En stel nogmaals, dat hij

sommigen uwer kwartier gave, houdt u er toch van verzekerd, dat hij u

een slavernij zal brengen, evenals die u vroeger gekneld hield of erger

dan die, en wat hebt gij dan aan uw leven? Zult gij het bij hem zoo

prettig en aangenaam hebben als tegenwoordig bij mij? Neen, neen, gij

zult gebonden worden door wetten, die u zullen knellen, en gij zult

genoodzaakt worden te doen wat gij nu haat en verafschuwt. Ik ben voor u

als gij voor mij zijt; en het is beter dapper en met eere te sneuvelen

dan als jammerlijke slaven te leven. Maar dit zeg ik u, dat een

slavenleven nog te goed geacht zal worden voor Menschziel, als de stad

valt. Bloed, bloed, niets anders dan bloed! dat roept iedere toon uit

El-Schaddaï’s trompet, die van verre weerklinkt. Eilieve, neemt het ter

harte; ik hoor, dat hij komt. Op, staat in de wapens; waar gij nu nog

eenige rust hebt, zoo wil ik u nog eenige krijgslisten leeren. Ik heb

eene wapenrusting voor u, die geschikt is om u van top tot teen te

harnassen. Zoodoende kunt gij niet gekwetst worden door wat hij ook

tegen u begint, als gij deze wapenrusting maar stevig aangespt. Komt

daartoe in mijn kasteel, gij zijt er welkom, en harnast u tegen den

oorlog. Daar is een helm, een borstharnas, zwaard en schild, die maken

zullen dat gij als mannen vechten kunt.”

„Daar hebt gij eerst mijn helm of hoofdbedekking, het is de hoop, dat

het nog wel goed afloopen zal of dat gij eindelijk nog wel goed zult

doen welk leven gij ook tot dusverre leefdet. Deze helm is in het bezit

van allen, die voorgeven, dat zij toch vrede hebben al wandelen zij ook

in de goddeloosheid hunner harten om de dronkenen te doen tot de

dorstigen. Dat is een beproefd stuk wapen, en al wie het bezit en het

vast kan houden, wordt al dien tijd door geen pijl, spies of zwaard

gewond. Zet dat hoofdbedeksel op en gij kunt menigen stoot weerstaan,

geliefd Menschziel.” [Deut. 29 : 19.]

„Mijn borstwapen is een ijzeren borstharnas. Ik heb het in mijn eigen

land gesmeed en al mijne soldaten zijn daarmede gewapend. Om het u

duidelijk te zeggen, het bestaat uit een hard hart, een hart zoo hard

als ijzer en zoo ongevoelig, ongevoelig als een steen. Doet ge dat aan

dan zal de barmhartigheid u niet verteederen noch het oordeel u

verschrikken. Daarom is het zoo hoog noodig voor allen, die El-Schaddaï

haten, en onder mijne banieren willen strijden.” [Openb. 9 : 9.]

„Mijn zwaard is eene tong, die in het helsche vuur gescherpt is, en die

maar niets liever doet dan kwaad spreken van El-Schaddaï, zijn Zoon,

zijn wegen en zijn volk. Gebruikt dit zwaard, het is beproefd wel

duizendmaal, de duizenden verdubbeld. Wie het bezit, vast houdt en er

dat gebruik van maakt, dat ik begeer, kan nooit door mijn vijand

overwonnen worden.” [Ps. 57 : 5; 64 : 4.] [Jac. 3 : 6.]

„Mijn schild is ongeloof, of wilt ge het liever noemen: in twijfel

trekken van de waarheid des woords, van alle oordeel, dat El-Schaddaï

uitspreekt over goddelooze menschen. Gebruikt dit schild: daar heeft hij

al menigen aanval op gedaan en somtijds, is het, wel is waar,

verbrijzeld; maar toch staat geschreven in het boek der oorlogen van

Immanuel tegen mijne dienaren, dat hij belet werd menig goed werk te

doen ter zake van hun ongeloof. Welnu, dit zeer machtige wapen te

handhaven valt zeer gemakkelijk, men heeft dan maar geloof te weigeren

aan alles wat waar is op welke wijze het ook wordt bewezen of betuigd.

Spreekt hij van oordeel, let er niet op; spreekt hij van barmhartigheid,

geeft er niet om; -- of hij al belooft, ja zelfs zweert, dat hij

Menschziel goed wil doen wanneer het tot hem wederkeert, laat hem maar

praten, trekt de waarheid van al wat hij zegt in twijfel; want op die

wijze hanteert gij het schild des ongeloofs voortreffelijk, zooals al

mijne getrouwe dienaren doen, en wie anders handelt heeft mij niet lief,

dien reken ik mijn vijand.”

„Bovendien”, zeide Diábolus verder, „heb ik nog een uitmuntend wapen,

dat bestaat uit een doffen, onverschilligen en gebedloozen geest, die

spot met alle roepen om genade. O, Menschziel, maak daar ook gebruik

van. Wat, roepen om genade! Doe dat nooit als gij de mijne wezen wilt!

Ik weet dat gij dappere mannen zijt, en nu ben ik ook zeker, dat ik u

gekleed heb in beproefde wapenen. Waarom zoudt gij dan nog tot

El-Schaddaï om genade roepen? Laat dat verre van u zijn! Benevens dit

alles heb ik nog mokers, vuurbranders, vuurpijlen, dood en verderf, al

te maal goed wapentuig en dat een uitmuntende uitwerking zal doen.”

Nadat hij aldus zijne mannen met eene wapenrusting en allerlei geweer

had voorzien, sprak hij hen wederom aan met woorden als deze: „Bedenkt

nu, dat ik uw rechtmatige koning ben en dat gij mij een eed gezworen en

met mij in een verbond getreden zijt om mij en mijne zaak getrouw te

blijven. Ik zeg u: bedenkt dit en beschouwt u als flinke en dappere

mannen van Menschziel. Bedenkt ook al de vriendelijkheid, die ik u

voortdurend heb betoond, en dat ik u zonder dat gij mij het verzoekt

allerlei uitwendige dingen heb geschonken. Daarom eischen die

voorrechten, goedgunstigheden, voordeelen en eereposten, waarmede ik u

begiftigd heb, ook een rechtmatige vergelding van uwe hand, o mijne

mannen van Menschziel, gij mannen als leeuwen! Wanneer was de tijd

geschikter dan thans om dit te toonen, waar anderen mijne heerschappij

over u gaan betwisten? Nog éen woord en ik eindig. Kunnen wij nu maar

staande blijven en dezen schok doorstaan, dan twijfel ik niet of de

geheele wereld is binnen kort in ons bezit. Komt die dag, o mijne

getrouwen, dan maak ik u allen koningen, vorsten en opperhoofden; welke

gelukkige dagen zullen wij dan beleven!”

Diábolus op deze wijze zijne knechten en vasallen in Menschziel tegen

hunnen wettigen koning, den goeden El-Schaddaï gewapend en in het harnas

gejaagd hebbende, ging over tot het verdubbelen zijner wachten aan de

stadspoorten, en trok zichzelven terug in het kasteel, dat zijn

bijzondere sterkte was. Zijne vasallen, ten einde hunne toegenegenheid

en voorgewenden (ofschoon laaghartigen) moed te toonen, oefenden zich

dagelijks in den wapenhandel en onderwezen elkander daarin; zij daagden

hunne vijanden uit en zongen den lof van hunnen tiran. Hierdoor toonden

zij wat mannen zij zouden wezen als het eens zóo hoog liep, dat het kwam

tot een werkelijken oorlog tusschen El-Schaddaï en hunnen koning.

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 20 / 56 题