In mijne omwandeling, terwijl ik vele landstreken en gewesten
doorreisde, gebeurde het mij, dat ik in dat wijdberoemde land kwam, het
Heelal genaamd. Dat is een zeer groot en wijd gebied; het ligt tusschen
de twee polen en juist in het midden der vier hemelstreken. Het is eene
overvloedig bewaterde en rijkelijk van heuvelen en dalen voorziene
streek, aangenaam gelegen en grootendeels, ten minste op de plaats waar
ik was, zeer vruchtbaar, goed bevolkt en in een overheerlijk klimaat.
De inwoners van dat land zijn niet allen van denzelfden aard, noch
spreken eenerlei taal, noch hebben dezelfde zeden, manieren of
godsvereering, maar verschillen zooveel van elkander als de eene planeet
van de andere. Sommigen zijn rechtschapen en anderen mismaakt, evenals
dat in andere landschappen pleegt te zijn.
Zooals ik zeide, in dit land moest ik reizen en mijn zwerftocht aldaar
duurde zóo lang tot ik heel wat van de moedertaal, zeden en gewoonten
dergenen, met wie ik verkeerde, leerde kennen. En, om u de waarheid te
zeggen, ik was zeer met al wat ik zag en hoorde ingenomen; ja, zoo
gevoelde ik mij daar op mijn gemak, dat ik zeker voortdurend tot aan
mijn dood toe als inboorling onder hen had blijven leven, als mijn
Meester mij niet naar huis teruggeroepen had, om daar werk voor Hem te
doen, en mijn gedanen arbeid te overzien.
Nu is er in dat aangename land, het Heelal, eene zeer schoone,
bekoorlijke stad of gemeente, Menschziel geheeten, eene stad wat hare
bouworde aangaat zoo buitengewoon, wat hare ligging betreft zoo
gemakkelijk, wat hare privilegiën aangaat zoo voordeelig -- (ik zeg dit
met het oog op haar oorsprong) -- dat van haar, evenals vroeger van het
land, waarin zij gebouwd is, met alle recht kan gezegd worden: zij heeft
haars gelijke niet onder den geheelen hemel.[4]
[4] ~Menschziel~. -- In het heelal heeft de stad haar gelijke niet.
(Hand. 17 : 28).
Wat de ligging van deze stad aangaat: zij is gelegen tusschen de twee
werelden;[5] en haar eerste Fondeerder en Bouwmeester was, volgens de
beste en authentiekste bescheiden, die ik machtig worden kon, zekere
El-Schaddaï.[6] Deze bouwde haar tot zijn eigen vermaak. Hij maakte haar
tot een spiegel en tot eene heerlijkheid van al zijne werken, ja tot een
meesterstuk boven al het andere, wat Hij in dit land had daargesteld.
Zoo goed was de stad Menschziel, dat toen zij eerst gebouwd was, naar
ons bericht wordt, zelfs de goden nederdaalden om haar te komen zien en
van vreugde vroolijk te zingen. En evenals Hij haar maakte aangenaam
voor het gezicht, zoo gaf hij haar ook macht over al het omliggende
land. Ja, aan allen was geboden Menschziel als hunne hoofdstad te
erkennen, en allen brachten haar gaarne als zoodanig hunne hulde. De
stad had dan ook van haren koning macht en last gekregen om van allen
heerendiensten te eischen en allen ten onder te brengen; die haar in
eenig opzicht miskenden. [Gen. 1 : 26.]
[5] ~Tusschen de twee werelden~. -- Tusschen de tegenwoordige en
toekomende wereld.
[6] ~El-Schaddai~. -- God de almachtige.
In het midden van deze stad was een zeer beroemd en aanzienlijk paleis
opgericht; wegens zijne sterkte kon het wel een kasteel genoemd worden;
wegens zijne aangenaamheid een paradijs, wegens zijne uitgebreidheid
eene plaats, die de gansche wereld omsloot. Deze plaats begeerde de
koning El-Schaddaï alleen voor zichzelven te behouden, en voor niemand
anders met Hem; ten deele tot zijn eigen vermaak en ten deele ook opdat
de schrik der vreemden niet over deze stad zou komen. Van deze plaats
maakte Elschaddaï ook eene vesting, maar liet hare bewaring enkel aan de
burgers der stad over. [Pred. 3 : 11.]
De muren der stad waren wèl gebouwd, ja zóo vast en sterk waren zij
gemetseld en zóo dicht saamgedrongen, dat, ware het niet gebeurd door de
lieden der stad zelven, zij in eeuwigheid niet konden bewogen of
verbroken worden. Want hierin bestond de voortreffelijke wijsheid van
Hem, die Menschziel bouwde, dat de muren nooit konden worden opgebroken
noch zelfs eenigszins beschadigd door den allermachtigsten vijandelijken
potentaat, ’t en ware dat de inwoners zelven daarin bewilligden.
Deze beroemde stad had vijf poorten om er in te komen en er uit te gaan,
en deze waren, evenals de wallen of muren, ondoordringbaar,[7] en konden
nooit of nimmer geopend of gesloten worden buiten den wil en de
toelating van hen, die daar binnen woonden. De namen van deze poorten
waren: Oorpoort, Oogpoort, Mondpoort, Neuspoort en Voelpoort.
[7] ~Evenals de wallen of muren ondoordringbaar~. -- Zonder ’s
menschen eigen toestemming was het, zelfs voor Satan zelf, onmogelijk
hem van God te doen afvallen.
[Afbeelding: DIABOLUS UIT DEN HEMEL GEWORPEN]
Nog andere dingen waren aan deze stad Menschziel eigen, die als gij ze
bij de reeds genoemde voegt, u een nog overvloediger bewijs zullen geven
van de heerlijkheid en sterkte dezer plaats. Zij had voortdurend een
voldoenden voorraad binnen hare muren; zij bezat de beste, meest
gezegende en voortreffelijkste wetten, die ooit in de wereld bekend
waren. Daar was niet éen schelm, oproermaker of verrader binnen hare
wallen; ’t ware alle oprechte lieden, trouw en innig met elkaêr
verbonden, en dit is -- zooals gij weet -- van groot belang. En boven
dit alles bezat zij (zoolang zij aan haren koning El-Schaddaï getrouw
bleef) zijn steun, zijne bescherming, en was zij zijn vermaak.
Nu was er op zekeren tijd een Diábolus,[8] een zeer groote en machtige
reus, die een aanslag waagde op deze beroemde stad Menschziel, ten einde
haar in te nemen en tot zijne eigen woonplaats te maken.
[8] ~Diábolus~. -- Satan, aanklager, tegenstander.
Deze reus was koning der zwarten, en de roofzuchtigste vorst der wereld.
Met uw believen zullen wij eerst over de afkomst van dezen Diábolus
spreken en dan over zijne verovering van de beroemde stad Menschziel.
Deze Diábolus is inderdaad een groot en machtig vorst en toch
tegelijkertijd arm en ellendig. Wat zijne afkomst betreft, zoo was hij
in den beginne een van Koning El-Schaddaï’s dienstknechten, door Hem
daartoe gemaakt en opgenomen in de allerhoogste en machtigste plaatsen,
ja hij was zelfs tot de hoogste posten en waardigheden in ’s konings
gebied verheven. Deze Diábolus was gemaakt tot een „zoon des dageraads”
en bezat een schoone plaats, die hem veel heerlijkheid en glans gaf en
een inkomen, dat zijn Lucifershart wel had kunnen voldoen, ware het niet
onverzadelijk geweest en wijd gapend als de hel zelve. [Jes. 14 : 12.]
Hij, zich aldus in grootheid en eere verhoogd ziende, en toch naar
hooger staat en trap strevende, deed niet anders dan bij zichzelven
overleggen hoe hij er toe komen mocht tot een Heer over alles te worden
verheven en het gansche opperbestuur te bezitten onder El-Schaddaï. Dit
nu bewaarde de Koning voor zijn Zoon, en had het dezen reeds verleend.
Daarom hield hij nu eerst raad met zichzelven wat in dezen het best te
doen ware, en daarna openbaarde hij zijne gedachte ook aan sommigen
zijner gezellen, en slaagde er in hen over te halen. Zoo kwamen zij dan
ten laatste tot dit plan, dat zij een aanslag zouden wagen op ’s Konings
Zoon om hem te verderven, opdat de erfenis hunne werd. Om kort te gaan,
het verraad werd, zooals ik zeide, besloten, de tijd bepaald, het
wachtwoord gegeven, de oproerlingen op een vastgestelde plaats
bijeengeroepen en de aanslag beproefd. Daar nu de Koning en zijn Zoon
altijd en overal alles zien, zoo kon geen enkele plek in hun gebied voor
hen verborgen wezen; en daar Hij altijd zijn Zoon liefheeft als
zichzelven, zoo moest Hij wel grootelijks vertoornd en beleedigd wezen
door wat Hij aanschouwde. Wat kon Hij nu ook anders doen dan hen bij de
eerste poging, die zij in het werk stelden, van verraad overtuigen, van
oproer aanklagen, hun de verschrikkelijke samenzwering, die zij
bestonden, voor oogen houden, en hen allen onmiddellijk uit iederen post
van vertrouwen, van eer, voorrang of voordeel, dien zij bekleedden,
ontzetten? Dit gedaan zijnde verbande hij hen ook van zijn hof, wierp
hen neder in dien verschrikkelijken afgrond, waar zij met ketenen
vastgebonden, nooit meer de minste gunst uit zijne handen verwachten
kunnen, maar onder het oordeel moeten blijven, dat Hij bepaald heeft en
dat eeuwig duren zal. [2 Petr. 2 : 4.] [Jud. 6.]
Aldus uit alle posten van vertrouwen, voordeel en eere verstooten
zijnde, en wetende, dat zij de gunst van hunnen vorst voor eeuwig
verloren hadden, verbannen van zijn hof en in dien allerakeligsten put
des afgronds nedergeworpen, voegden bij hunnen vorigen hoogmoed alle
woede en boosaardigheid tegen El-Schaddaï en zijnen Zoon, waartoe zij in
staat waren.
Derhalve in groote woede en furie, al brullende omloopend van plaats tot
plaats, om, waar zij wellicht iets vinden mochten dat ’s Konings
eigendom was, dat te schenden, ten einde zich op Hem te wreken -- zoo
gebeurde het ten laatste, dat zij in dit ruime landschap het Heelal
kwamen, en recht op de stad Menschziel aanliepen. Alsnu in aanmerking
nemende, dat deze stad een van de meesterstukken en de vermaking van
Koning El-Schaddaï was, zoo wisten zij niet beter te doen dan na genomen
raadslag, een aanval op de stad te wagen. Ik zeide: zij wisten dat
Menschziel den Koning El-schaddaï toebehoorde, want zij waren er bij
tegenwoordig toen Hij haar bouwde en voor zich opsierde. Toen zij nu die
plaats gevonden hadden juichten zij geweldig van vreugde en brulden
haar tegen als een leeuw zijne prooi, zeggende: „Nu hebben wij den schat
gevonden, en nu weten wij hoe ons op Koning El-Schaddaï te wreken voor
hetgeen Hij ons gedaan heeft!” Zoo zaten zij dan neder en riepen een
krijgsraad bijeen, onderzoekende langs welken weg en op wat wijze zij
het zouden aanleggen om deze beroemde stad Menschziel voor zich te
bemachtigen. Vier zaken werden toen voorgesteld en besproken. [1 Petr.
5 : 8.]
[Afbeelding: KRIJGSRAAD VAN DIÁBOLUS.]
Ten eerste, of het best was, dat zij allen zich tot dit doel voor de
stad vertoonden.
Ten tweede, of het wel geraden was zich voor de stad neder te slaan in
hun lompen en bedelaarsgewaad, want hun prachtige kleeding was nu
verscheurd en vernield.
Ten derde, of het goed zou zijn aan de stad Menschziel hun oogmerk te
ontdekken en het doel, waarmede zij kwamen, bloot te leggen, dan of men
haar liever zou aanvallen langs valsche wegen en met bedriegelijke
woorden.
Ten vierde, eindelijk, of het niet best was, dat aan eenigen hunner een
bijzonderen last gegeven werd om hun geluk te beproeven, ten einde éen
of meer van de voornaamste lieden der stad neder te schieten, of men
niet oordeelde dat daardoor hun zaak en voornemen des te beter bevorderd
werd.
Op de eerste dezer voorstellen werd ontkennend geantwoord, namelijk, dat
het niet best zou wezen dat allen zich voor de stad zouden vertoonen,
daar de verschijning van zoo velen de stad verschrikken en ontstellen
kon, terwijl het waarschijnlijk was, dat weinigen of enkelen hunner dit
niet doen zouden. En om dezen raad ingang te doen vinden werd er
bijgevoegd, dat indien Menschziel verschrikt werd of alarm begon te
slaan, het dan onmogelijk zijn zou die stad in te nemen. „Want,” zeide
Diábolus -- hij was het namelijk, welke dien raad gaf -- „want niemand
kan haar nemen zonder haar eigen toestemming. Laat daarom slechts
weinigen of een enkele Menschziel aanvallen; en volgens mijn gevoelen”,
zoo besloot Diábolus, „moet ik dat zelf doen.” En allen stemden daarin
toe.
Nu kwam het tweede voorstel aan de orde, namelijk of zij zich aan
Menschziel zouden vertoonen in hun havelooze plunje. Daarop werd
eveneens ontkennend geantwoord. O neen, geenszins, want ofschoon de stad
Menschziel er op ingericht was om met onzichtbare dingen om te gaan en
daarvan ook reeds voordezen ervaring had gehad, toch zagen zij nooit
eenig medeschepsel in zulk een droevigen en haveloozen staat. Dit was
het advies van den trotschen Alecto. Toen zeide Apollyon: „Die raad is
uitmuntend, want zoo slechts éen onzer haar verscheen zooals wij nu
zijn, dan zouden daardoor noodzakelijk zulke denkbeelden in hen oprijzen
en zich vermenigvuldigen, welke hen in ontsteltenis des geestes brengen
zullen en hen dringen op hunne hoede te zijn. En gebeurt dit”, ging hij
voort, „dan is het, zooals vorst Diábolus zegt, voorzeker tevergeefs aan
de inneming der stad te denken.” Toen zeide de sterke reus Beëlzebub:
„Het reeds gegeven advies is zeer goed, want ofschoon de lieden van
Menschziel zulke wezens als wij eertijds waren ook al gezien hebben, tot
hiertoe zagen zij nooit zulke wezens als wij nu zijn; en het dunkt mij
best te wezen tot hen te komen, in zulk eene gedaante als waarmede zij
bekend zijn, en waarmede zij zich reeds vertrouwd maakten”. Toen dit tot
algemeen genoegen besloten was, moest er nu worden besproken in welke
gedaante, gestaltenis of vermomming Diábolus zich zou voordoen, wanneer
hij zich opmaakte om Menschziel de zijne te maken. Daarop zeide de een
dit, de ander wat anders. Ten laatste antwoordde Lucifer, dat volgens
zijne gedachte, het best was dat zijn meester het lichaam van een of
ander schepsel, over hetwelk de bewoners der stad heerschappij hadden,
zou aannemen. „Want”, zeide hij, „deze zijn hun niet alleen bekend, maar
daar deze onder hen staan, zullen zij zich nooit verbeelden, dat een
aanslag op de stad bedoeld wordt. En om nu allen te verblinden, laat hem
het lichaam aandoen van een dezer beesten, die men in Menschziel meent
dat wijzer is dan al de overigen.” Dit advies werd door allen
toegejuicht, en zoo werd dan bepaald, dat Diábolus den draak zou
gebruiken, aangezien deze in die dagen even familiaar met de stedelingen
van Menschziel was als tegenwoordig een vogeltje met een knaap. Want er
was niets in de slang toen zij in haar oorspronkelijken staat verkeerde,
dat eenigen schrik kon wekken. Nu gingen zij tot het derde voorstel
over. [Gen. 3 : 1.] [Openb. 20 : 1, 2.]
Dit gold de vraag of zij hun voornemen en bedoeling openlijk zouden
toonen bij hunne komst te Menschziel, ja dan neen. Ook dit werd
ontkennend beantwoord; na het tevoren beslotene sprak dit dan ook als
vanzelf. Menschziel was een sterke stad, een sterk volk woonde daarin;
de wallen en poorten waren ondoordringbaar (om nu nog niets te zeggen
van haar kasteel), en in geenen deele kon iets op haar gewonnen worden
zonder haar eigen goedvinden. „Bovendien”, zeide Legioen (want hij was
het, die dit antwoord gaf), „wanneer wij ons oogmerk blootleggen konden
zij wel eens om hulp naar hunnen Koning zenden, en als dat gedaan werd,
dan weet ik wel hoe het met ons gesteld zal zijn. Laat ons daarom in
gehuichelde oprechtheid tot haar komen, ons voornemen met allerlei
leugenen bedekkend; laat ons vleierij en pluimstrijkende woorden
gebruiken; dingen voorgevende, die nooit bestaan zullen, en beloften
doende, die nooit vervuld zullen worden. Dit is de weg om Menschziel te
winnen en te maken, dat zij hare poorten voor ons opent, ja, zelfs, dat
zij verlangend wordt dat wij tot haar inkomen. En de reden waarom ik
denk, dat dit plan gelukken zal, ligt hierin, dat het volk van
Menschziel eenvoudig en onnoozel is; allen zijn daar eerlijk en oprecht;
tot op heden weten zij nog niet wat het is met bedrog, leugen en
huichelarij te worden aangevallen. Zij zijn vreemd aan leugenachtige en
verachtelijke lippen, daarom kunnen wij aldus vermomd, door niemand
hunner worden onderkend; onze leugens zullen voor echte waarheid
doorgaan en onze veinzerijen voor oprechte handelingen. In hetgeen wij
hun beloven zullen zij ons gelooven, vooral indien wij in al onze
leugenen en huichelachtige woorden groote liefde voor hen veinzen en
alleen hun voordeel en hunne heerlijkheid als ons eenig doel
voorstellen.” Hier viel niets tegen in te brengen en het voorstel ging
er zoo glad en vlot door als een waterval, die langs eene steilte
neêrstort. Daarom gingen zij nu over tot het laatste denkbeeld.
[Afbeelding: DIÁBOLUS EN ZIJN RAAD OP WEG NAAR MENSCHZIEL.]
Zou men nu niet aan eenigen uit hun midden bevel geven éen of meer der
voornaamste burgers uit de stad neder te vellen tot bevordering van hun
doel en oogmerk? Deze vraag werd bevestigend beantwoord en de burger,
die aangewezen werd als het eerste slachtoffer, was een zekere heer
Tegenstand, of anders genoemd, kapitein Tegenstand. Hij was een voornaam
man in Menschziel, deze kapitein Tegenstand, een man, dien de reus
Diábolus en zijn komplot meer vreesden dan alle anderen in Menschziel
samen. Maar wie zou nu deze krijgslist wagen en dezen moord uitvoeren?
Hiertoe werd aangewezen zekere Tisiphone, een der booze geesten uit den
poel des vuurs.
Aldus hun krijgsraad geëindigd zijnde, stonden zij op en beproefden nu
ook te doen wat zij besloten hadden. Zij trokken naar Menschziel op,
ofschoon allen op éen na onzichtbaar, en deze éene naderde de stad
evenmin in zijne eigen gedaante, maar in het lichaam der slang.
Zoo maakten zij zich op en zetten zich neder voor de Oorpoort, want dat
was de plaats, waar gehoor verleend werd aan allen buiten de stad,
evenals de Oogpoort de plaats was, waar men uitzag. Zooals gezegd is, de
reus legde de bende, die hem volgde, in een hinderlaag, met het oog op
kapitein Tegenstand een boogschot van de stad af. Dit gedaan zijnde kwam
hij dicht voor de poort en vraagde om audientie en gehoor. Hij had nu
niemand bij zich dan alleen zekeren Kwaderust, die in alle moeielijke
gevallen zijn woordvoerder was. Zooals gezegd is: voor de poort staande,
blies hij, naar de manier van dien tijd, op zijne trompet om audientie,
waarop de opperhoofden van Menschziel zich vertoonden. De heer Oprecht,
de heer Vastewil, de heer burgemeester Verstand, de heer griffier
Geweten en kapitein Tegenstand kwamen op den muur om te zien wie daar
was en wat er aan de hand was. De heer Vastewil sprak het eerst, hij
keek over den muur naar beneden wie daar voor de poort stond, vragende
met welk doel hij kwam en waarom hij de stad Menschziel door zulk
ongewoon rumoer verschrikte.
Diábolus begon toen, alsof hij een lam geweest ware, eene redevoering te
doen, en sprak: „Mijne Heeren van de beroemde stad Menschziel, ik ben,
zooals gij bemerken kunt niet ver van u verwijderd, maar integendeel u
zeer na, een dergenen, die door den Koning verplicht is u te huldigen en
allen dienst te bewijzen, die in mijn vermogen is. Opdat ik nu mijne
verplichtingen nakome zoo wat mijzelven betreft als ook jegens u, heb ik
u iets van groot belang mede te deelen. Vergunt mij daarom audientie en
hoort mij geduldig aan. Vooreerst zal ik u de verzekering geven, dat ik
niet mijzelven bedoel maar u; -- niet mijn maar uw voordeel zoek ik door
deze mijn handeling, gelijk genoegzaam en ten volle zal blijken wanneer
ik u mijne meening zal blootgesteld hebben. Want, edele heeren, ik ben,
om u de waarheid te zeggen, gekomen om u te toonen hoe gij groot zult
kunnen worden en eene volkomen verlossing erlangen van eene slavernij,
waarin gij, zonder het zelf te bemerken, gevangen ligt.” Dit deed de
stad Menschziel de ooren spitsen. „Wat is dat dan? O, als het u belieft,
zeg ons wat dat is?” vraagden zij. En hij antwoordde: „Ik heb u wat te
zeggen aangaande uwen Koning, zijne wet betreffende, en daarom betreft
het ook u. Wat uw Koning aangaat, ik weet Hij is groot en machtig; maar
toch is al wat Hij u gezegd heeft niet waarachtig en evenmin tot uw
voordeel. 1º. Het is niet waar, want hetgeen, waarmede Hij u tot
dusverre bedreigd heeft, zal niet geschieden, of vervuld worden,
ofschoon gij ook al deedt wat u verboden is. Maar zoo er al gevaar ware,
welk eene slavernij is het dan nog altijd in vrees te leven voor de
strengste straffen, die bedreigd zijn, op zulk een kleine overtreding
als het eten eener onnoozele vrucht! 2º. Aangaande zijne wetten, deze --
ik moet het zeggen, -- zijn onredelijk duister en ondragelijk.
Onredelijk omdat de straf niet geëvenredigd is aan de misdaad: er is een
groot onderscheid tusschen het leven en een appel, daartusschen bestaat
geene vergelijking; toch moet het eerste aan den laatste worden
opgeofferd volgens El-Schaddaï’s wet. Maar die wet is ook duister, en om
u in de war te brengen, daar eerst is gezegd gij moogt van alles eten,
en later wordt het eten van éene vrucht u verboden. En dan ten laatste,
moet het u toch wel onverdragelijk wezen, dat diezelfde vrucht, welke u
verboden is, (indien zij u ten minste verboden is), juist diegene is,
welke alleen de kracht heeft, om, als gij ze eet, u een voorrecht te
bezorgen, dat u tot dusverre onbekend bleef. Dit wordt duidelijk door
den naam des booms zelven; hij is genoemd: „de boom der kennis des goeds
en des kwaads.” En bezit gij die kennis wel? Neen, neen, nooit kunt gij
er achter komen hoe aangenaam, hoe begeerlijk het is iemand verstandig
te maken, zoolang gij in uws Konings gebod blijft berusten. Waarom zoudt
gij in onwetendheid en blindheid blijven volharden? Waarom zoudt ge niet
uitgebreid worden in kennis en wetenschap? En nu, o gij inwoners van de
beroemde stad Menschziel, om meer in het bijzonder tot uzelven te
spreken, gij zijt geen vrij volk! Gij wordt in knechtschap en slavernij
gehouden, en dat door geen andere hinderpaal dan een ernstige
bedreiging, waarvoor geen andere grond wordt opgegeven dan een: „Zoo wil
ik het hebben; zoo moet het zijn!” Is het dan niet naar te moeten
denken, dat deze zelfde zaak, die u verboden is, indien gij ze doen
mocht, u tot wijsheid en eere brengen zou? Want dan zullen uwe oogen
geopend worden en gij zult als God zijn. De zaken nu aldus staande,”
zeide hij, „moet gij dan niet toestemmen, dat gij kwalijk door eenigen
vorst in grooter slavernij en knellender dienstbaarheid kondt gehouden
worden, dan waaronder gij heden ten dage leeft? Gij wordt overheerscht
en ligt in velerlei ellenden, zooals ik u duidelijk getoond heb. Want
welke slavernij is grooter dan blind te worden gehouden? Zal u de rede
zelve niet leeren, dat het beter is oogen te hebben dan die te missen?
En is het niet beter in vrijheid rond te loopen dan in een donkere,
stinkende spelonk te zijn opgesloten?”
[Afbeelding: DOOD VAN TEGENSTAND.]
Onderwijl Diábolus deze woorden tot Menschziel sprak, schoot
Tisiphone[9] op kapitein Tegenstand, daar deze op den muur stond, en
trof hem doodelijk[10] aan het hoofd, zoodat hij, tot verbazing van de
lieden der stad en tot aanmoediging van Diábolus dood over den muur
viel. Nu kapitein Tegenstand dood was, (en hij was de eenige krijgsman
in de geheele stad) ontzonk aan de arme Menschziel op eenmaal alle moed,
en durfden zij daarbinnen niet langer weerstand bieden. Maar dit was nu
juist wat Diábolus begeerde. Toen trad Kwaderust, Diábolus’ redenaar,
tevoorschijn, en hij maakte zich op om tot Menschziel te spreken. Zijne
aanspraak volgt hier:
[9] ~Tisiphone~ beteekent een verraderlijke geest.
[10] ~Trof Tegenstand doodelijk~. -- Wanneer de onrust des gewetens
gedood is, vindt de vleierij licht ingang.
„Edele heeren”, begon hij. „Mijn Meester treft het wel, dat hij heden
zulk een stil en aandachtig gehoor bij u vindt; en het is te hopen, dat
wij u verder zullen overhalen om onzen goeden raad niet in den wind te
slaan. Mijn Meester heeft zeer groote liefde voor u, en ofschoon hij wel
weet, dat hij hierdoor gevaar loopt den toorn van Koning El-Schaddaï op
te wekken, toch zal zijne liefde tot u maken dat hij verder gaat. Het is
niet noodig, dat er nog een enkel woord gesproken worde om de waarheid
van hetgeen hij heeft gezegd te bevestigen; hij sprak geen woord of het
droeg de getuigenis voor zijne waarheid in zichzelven; de naam van den
boom maakt hier reeds een eind aan alle tegenspraak. Daarom zal ik
ditmaal u alleen dezen raad geven, indien mijn Meester het mij
veroorlooft” (en dit zeggende maakte hij voor Diábolus een zeer diepe
buiging): „let op zijne woorden, ziet naar den boom en de veelbelovende
vrucht daaraan; bedenkt daarbij dat gij nu nog maar weinig weet en dat
dit de weg is om meer te weten, en als dan uw verstand niet geneigd is
om zulk een goeden raad aan te nemen, dan zijt gij de lieden niet
waarvoor ik u hield.”
Maar toen de burgers der stad zagen, dat de boom goed was tot spijze, en
dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was om
verstandig te maken, deden zij zooals Kwaderust hen aanraadde; zij namen
en aten daarvan. Maar dit wilde ik u reeds vroeger verhalen, dat terwijl
Kwaderust deze verleidelijke woorden tot het volk sprak, de heer Oprecht
eensklaps nederzeeg[11] op de plaats, waar hij stond, en niet meer tot
bewustzijn gebracht kon worden. Zijn plotselinge dood was veroorzaakt
hetzij door een pijlschot uit het leger in hinderlaag, of door eene
beroerte of hartsbeklemming; sommigen meenen, dat hij vergiftigd werd
door den stinkenden adem van dien leelijken Kwaderust, en daar houd ik
het wel het naaste voor. Zoo stierven dan deze beide brave mannen. Brave
mannen noem ik hen, want zij waren het sieraad en de heerlijkheid van
Menschziel, zoolang zij daarin woonden. Daar bleef nu geen enkele edele
ziel in Menschziel over of zij allen vielen af en onderwierpen zich aan
Diábolus. Zij werden zijne slaven en lijfeigenen, zooals gij nog hooren
zult.
[11] ~Oprecht eensklaps dood nederzeeg~. -- Alle zonde is meer of min
onoprechtheid en tegen beter weten in.
Deze twee edelen dood zijnde handelde nu de rest der inwoneren van de
stad niet anders dan als lieden, die het Paradijs der dwazen gevonden
hebben; zij wilden de proef nemen of de woorden van den reus waarheid
bevatten! Eerst deden zij wat Kwaderust hun aanried; zij zagen de vrucht
aan en werden er door bekoord; zij overlegden eerst, namen daarna en
aten er van. Nauwelijks hadden zij dat gedaan of zij werden er dronken
van, en zetten de poorten open; beide de Oorpoort en de Oogpoort, en zoo
lieten zij Diábolus met al zijn gevolg binnentrekken, vergetende den
goeden El-Schaddaï en zijne wetten, mitsgaders het oordeel, dat Hij
onder zulke plechtige bedreigingen had uitgesproken, wanneer zij die
kwamen te verbreken.
Diábolus nu ingang in de poorten der stad gekregen hebbende trok door
tot het middelpunt om zijne verovering zoo zeker te maken als hij maar
kon; en daar hij te dezer tijd bemerkte, dat de toegenegenheid der
inwoners sterk tot hem overhelde, zoo vond hij het geraden het ijzer te
smeden terwijl het heet was, en weder eene verleidelijke redevoering te
houden. „Helaas, mijn arme Menschziel! ik heb u nu dezen dienst bewezen,
dat ik u tot groote eer en vrijheid den weg heb gebaand! Maar ach, ach!
mijn lieve Menschziel, nu moet ge er een hebben, die u verdedigt; want
wees er verzekerd van, dat als El-Schaddaï hoort wat er gebeurd is, hij
stellig komen zal; het zal hem smarten, dat gij zijne banden hebt
verbroken en zijne touwen van u afgeworpen. Wat wilt gij nu doen? Wilt
gij toelaten, dat u na deze bevrijding, uwe voorrechten weder afhandig
gemaakt worden? Of wilt gij uzelven helpen?”
[Afbeelding: VASTEWIL ONTVANGT ZIJNE AANSTELLING.]
Toen zeiden zij allen tegelijk tot dezen braambosch: „Regeer gij over
ons”. Dit verzoek nam hij aan en werd koning van Menschziel. Dit gedaan
zijnde moest hij nu ook in het bezit worden gesteld van het kasteel,[12]
en daarmede van de gansche sterkte der stad. Daartoe trad hij ook het
kasteel binnen; dat kasteel, hetwelk El-Schaddaï in Menschziel gebouwd
had tot zijn eigen lust en vermaak; -- nu was het een spelonk en een
fort voor den reus Diábolus geworden.
[12] ~In het bezit van het kasteel~. -- Van het hart des menschen.
Hij nu aldus dit prachtige paleis of kasteel in bezit genomen hebbende,
maakte daarvan een vesting voor zichzelven, en versterkte het met
allerlei voorraad tegen Koning El-Schaddaï, of tegen ieder, die trachten
zou het te hernemen of onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen.
Dit was in orde, maar hij achtte zich nog niet veilig genoeg, en daarom
was nu weder zijn eerste werk de stad een nieuw aanzien te geven; het
éene opbouwende en het andere afbrekende of nederwerpende, naar zijn
eigen welgevallen; maar vooral moesten de heer burgemeester Verstand en
de griffier Geweten uit ambt en macht gezet worden.
Wat den burgemeester aangaat, ofschoon hij een verstandig man was en ook
met al de overigen had toegestemd in de overgave van de stad aan den
reus; toch achtte Diábolus het niet raadzaam hem in zijn vorige luister
en heerlijkheid te laten omdat hij een vèrziend man was. Daarom maakte
hij hem niet alleen blind door hem uit ambt en macht te ontzetten, maar
hij bouwde ook een hoogen muur en een sterken toren tusschen de
zonnestralen en de vensters van des burgemeesters paleis, door middel
waarvan zijn woning geheel en al duister werd gemaakt, zoo donker als de
duisternis zelve. Hij, nu aldus van het licht afgesloten zijnde, werd
zóo blind als een die blindgeboren is. In dit huis bleef die heer nu
opgesloten als in eene gevangenis, en hij mocht op zijn woord van eer
niet verder gaan dan zijne eigen palen strekten. Al had hij nu al een
hart gehad om iets voor Menschziel te doen, wat kon hij voor haar doen
of waarin kon hij haar van dienst wezen? Maar, zoolang Menschziel in de
macht van Diábolus was, (en zij was dit zóo lang als zij hem gehoorzaam
bleef, te weten tot zij door een oorlog uit zijne hand verlost werd) --
was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal[13] voor die vermaarde stad
dan haar voordeelig. [2 Cor. 10 : 4, 5.] [Efeze 4 : 18, 19.]
[13] ~Was mijnheer Verstand veeleer een hinderpaal~ -- Het verstand,
bedorven door de zonde en gevangen onder de gehoorzaamheid des
ongeloofs, is een van de grootste hinderpalen voor de bekeering.
Wat den heer griffier of stadssecretaris betreft,[14] hij was eer de
stad ingenomen was een welbelezen man, zeer ervaren in al ’s Konings
wetten, en om de volle waarheid te zeggen, ook een man van moed en
trouw, met een rappe tong en een goed hoofd. Diábolus kon dezen Geweten
in het geheel niet verdragen, omdat ofschoon hij ook zijne toestemming
tot het binnenrukken in de stad gegeven had, het Diábolus geenszins
gelukken wilde door zijne valschheden, listen en bedriegerijen dezen man
tot zijn slaaf te maken. Wel is waar was hij zeer vervreemd van zijn
vroegeren Koning, en met vele van de nieuwe wetten van den reus
ingenomen; maar dit alles baatte niet, daar hij niet geheel de zijne
was. Hij kon zoo nu en dan eens weder aan El-Schaddaï denken en voor
diens wetten vreezen, en dan kon hij beginnen Diábolus tegen te spreken
met een stem zoo krachtig als het gebrul van een leeuw. Ja, hij kon ook
nu en dan als hij het op zijn lijf kreeg, (want gij moet weten dat hij
soms zeer zonderlinge kuren en luimen had), de geheele stad Menschziel
in rep en roer brengen door zijn verschrikkelijke stem. Om die reden nu
mocht de nieuwe koning van Menschziel hem volstrekt niet lijden.
[14] ~Wat den heer Griffier betreft~. -- Men moet alle trappen der
zonde doorloopen hebben, zal het geweten geheel toegeschroeid en tot
zwijgen gebracht zijn.
Diábolus vreesde den secretaris meer dan een der andere heeren, die in
Menschziel levend gebleven waren, omdat, zooals ik zeide, zijne woorden
geheel Menschziel deden trillen en beven als voor ratelende donderslagen
en donderbussen. Daar de reus hem nu niet geheel aan zijne zijde kon
krijgen, stond hem niets anders te doen dan te overleggen wat in het
werk te stellen ware om dien ouden edelman te verschalken en hem door
uitspattingen en verwildering in het verstand te verstompen en zijn hart
hoe langer hoe meer te verharden op de wegen der ijdelheid. En wat hij
beproefde dat volbracht hij ook: hij verwilderde den man langzaam aan;
hier een weinig en daar een weinig trok hij hem in de zonde en
goddeloosheid, tot die hoogte, dat hij eindelijk niet alleen verwilderd
was en zoo als in het begin bezoedeld; maar nu zóo diep gezonken, dat
hij schier geen enkele gewetenszaak meer van de zonde maakte. Maar dit
was dan ook het verste punt, waartoe hij hem brengen kon, verder kon
Diábolus niet gaan. Daarom bedacht hij er iets anders op en dat was om
de lieden der stad wijs te maken: „die oude heer secretaris is gek, gij
moet u niet aan hem storen.” Als bewijs daarvoor bediende hij zich van
zijne vlagen. „Als de man goed bij zijn verstand is”, vervolgde hij,
„waarom is hij dan niet altijd zoo? Maar het gaat hem als alle gekken,
die hun kuren en vlagen hebben, en daarin allerlei dolzinnigheden
uitbraken; die oude suffige heer!”
Door dit een en ander wist hij het schier zóover te brengen, dat
Menschziel de woorden, die de heer Geweten sprak, niet achtte, in den
wind sloeg, ja zelfs verachtte. Want behalve wat ik u heb medegedeeld,
wist Diábolus ook nog raad om te maken dat die heer, wanneer hij
vroolijk was weder alles loochende en herriep wat hij in zijne vlagen
gezegd en bevestigd had. Dit was inderdaad de naaste weg om hem
bespottelijk te maken en er voor te zorgen, dat niemand meer op hem
lette. Hij sprak nu ook nooit meer over Koning El-Schaddaï dan wanneer
hij er toe gedwongen werd. Bovendien was hij thans zoo ongestadig in
zijne handelingen, dat hij den eenen tijd hevig uitvoer tegen hetgeen
hij een ander maal stillekens liet begaan. Somtijds scheen hij wel vast
ingeslapen, ja of hij dood was, en dat nog wel bij gelegenheden, dat de
geheele stad op het luidruchtigst feest vierde en naar de pijpen van
Diábolus danste.
[Afbeelding: HET STANDBEELD VAN DIÁBOLUS OPGERICHT.]
Daarom wanneer Menschziel door de donderende stem van den heer griffier
Geweten werd opgeschrikt, en dit Diábolus werd aangezegd, zoo zeide hij,
dat al die woorden van den ouden sukkel volstrekt niet voortkwamen uit
liefde tot haar of uit medelijden met haar, maar alleen uit een gekke
bui, waarin hij er op verzot was te praten -- en daardoor stelde hij het
volk dan weer tevreden. En om nu geen enkelen bewijsgrond ongebruikt te
laten ten einde hen in zijne klauwen te houden, zoo beweerde hij en
herhaalde dit dikwijls: „O, Menschziel, bemerkt gij wel, dat
niettegenstaande al dat getier van den ouden heer en het geraas van zijn
donderende stem, gij niets te hooren krijgt van El-Schaddaï zelven!” Die
snoode leugenaar en bedrieger! alsof elk geroep van den heer griffier
tegen de zonde van Menschziel niet de stemme Gods tot hen was, die van
zijnentwege tot hen kwam. Maar hij ging voort en sprak: „Gij ziet, dat
hij niet veel geeft om het verlies en den opstand van Menschziel, en dat
hij er zich niet moeielijk om maken zal om haar tot verantwoording te
roepen waarom zij zich aan mij heeft overgegeven. Hij weet, dat hoewel
gij eertijds de zijne waart, gij nu wettig de mijne zijt geworden, en
zoo heeft hij zijne hand van ons afgetrokken, latende ons rustig in
elkanders bezit.”
„Behalve dit, o Menschziel,” ging hij voort, „bedenk eens hoe ik u
geholpen heb tot het uiterste van mijn vermogen toe, en dat wel met het
beste wat ik heb of wat voor u in de geheele wereld te vinden is. Ik
durf dan ook gerust zeggen, dat de wetten en gebruiken, waaronder gij nu
leeft, en waardoor gij mij huldigt, u heel wat meer genoegen en
verkwikking geven dan het Paradijs, hetwelk gij eerst bezat, u ooit
geven kon. Uwe vrijheid is, gelijk gij zelf weet, door mij ook
grootelijks vermeerderd en uitgebreid, daar ik u vond als een
gekortwiekt volk. Ik heb u geen enkelen band aangelegd, gij hebt geene
wetten of rechten van mij te vreezen; ik roep niemand uwer tot
verantwoording over uwe handelingen behalve alleen dien dolleman -- gij
weet wien ik bedoel; ik heb u vergund allen als vorsten te leven, ieder
in het zijne met even weinig last van mij als ik van u heb.”
Aldus stilde Diábolus de stad Menschziel en stelde haar weder tevreden
wanneer de griffier haar somtijds eens lastig viel; ja, hij kon zelfs
met deze vervloekte redeneeringen de geheele stad tegen den ouden heer
in woede en opstand brengen. Ja, nog erger, het gemeen zou hem zelfs wel
hebben willen vermoorden! Zij hebben vaak genoeg gewenscht, dat hij op
duizend mijlen afstands van hen zat: zijn gezelschap, zijne woorden,
zijn gezicht alleen maar, vooral wanneer zij zich herinnerden hoe hij
van ouds hen placht te dreigen en te veroordeelen (want in dit alles was
hij nu zeer verwilderd) -- kon hen in groote benauwdheid en ontsteltenis
brengen. Maar al deze wenschen en dreigingen waren tevergeefs, ofschoon
het mij een raadsel is hoe hij nog onder hen in het leven kon blijven
ten ware door de kracht en de wijsheid van El-Schaddaï. Bovendien, zijn
huis was sterk als een kasteel en stond dicht bij een vestingwerk van de
stad. Wanneer dan het gepeupel hem wilde vermoorden, zette hij de
sluizen open, en liet er zulk een watervloed in stroomen, dat hij allen
in den omtrek dreigde te verdrinken.
Maar om nu den griffier Geweten eens daar te laten en op den heer
Vastewil terug te komen, een ander adelijk persoon der stad Menschziel;
-- deze heer Vastewil was van even hooge afkomst als maar iemand anders
in de gansche stad, en zulk een vrijheer, dat maar weinigen hem
evenaarden, zoo hij hen niet allen overtrof. Hij had ook eenige
bijzondere privilegiën in die vermaarde stad. Daarbenevens was hij een
man van groote sterkte, vastbesloten moed en dapperheid, zoodat niemand
hem gemakkelijk van zijn stuk kon brengen. Of het nu uit trotschheid op
zijn stand, privilegiën, sterkte of wat dan ook ware (voorzeker was het
uit hoogmoed op het een of ander), maar hij wilde geen slaaf wezen in
Menschziel; daarom besloot hij onder Diábolus dienst te nemen op
voorwaarde, dat hij volgens zijn stand en staat een aanzienlijk
heerscher of regent[15] zou worden in Menschziel. En een heethoofd als
hij was, zoo begon hij reeds bijtijds; want deze man was een van de
eersten, die, toen Diábolus zijne verleidelijke redevoering aan de
Oorpoort hield, zijne woorden toestemden, en zijn raad aannamen als
zeer goed, namelijk om voor hem de poort te openen en hem in de stad toe
te laten. Daarom had ook Diábolus genegenheid voor hem opgevat, en hem
eene betrekking bezorgd. Zijn moed en dapperheid opmerkende was hij
zelfs begeerig hem onder zijne grooten te stellen en van hem gebruik te
maken in alle zaken van het hoogste belang.
[15] Zoolang ’s menschen ~wil~ niet bekeerd is, is de mensch nog niet
bekeerd. Daarom maakte Satan hem ook tot gouverneur van het kasteel --
het ~hart~; en van de wallen -- het ~vleesch~, en wachter der poorten
-- de ~zinnen~.
[Afbeelding: ZINNELIJKE LUST. BURGEMEESTER.]
Zoo liet hij hem dan halen en sprak met hem over de heimelijke zaken,
die hij op zijn hart had; maar er waren niet vele beweegredenen noodig
om hem daartoe over te halen. Want evenals hij eerst gewillig geweest
was Diábolus in de stad toe te laten, zoo was hij nu ook gewillig hem te
dienen.
Zoodra de tiran de gewilligheid van dien edelman bemerkte om hem te
dienen en dat zijne gedachten hem reeds waren onderworpen, maakte hij
hem dadelijk kapitein van het kasteel, gouverneur van de wallen en
bewaarder der poorten van Menschziel; ja er was zelfs een artikel in
zijne aanstelling, dat zonder hem niets gedaan mocht worden in de
geheele stad. Daardoor kon of mocht er nu niets gedaan worden in gansch
Menschziel, dat niet in alles overeenstemde met Diábolus welbehagen,
want hij en de heer Wil waren het volkomen eens. Ook had hij een zekeren
klerk, genaamd Bedenken,[16] een man, die in ieder opzicht altijd sprak
als zijn meester, want hij en zijn heer waren het in beginsel eens, en
in de praktijk verschilden zij ook niet noemenswaardig. Zóo kwam het nu,
dat Menschziel er toe gebracht werd de lusten van den wil en het
vleeschelijk bedenken te volbrengen. [Rom. 8 : 7.]
[16] ~Bedenken~. -- Het bedenken is onderworpen aan den wil en doet
wat hij gebiedt.
O, ik kan het niet half uitdrukken welk een ellendeling deze edelman
Vastewil zich betoonde en hoe hij zich gedroeg toen de macht hem in
handen gegeven was. Vooreerst begon hij met gladweg te loochenen, dat
hij eenigen dienst schuldig was aan zijn vroegeren vorst, dat zijn
wettige heer eenig recht op hem had. Daarna zwoer hij een duren eed van
trouw aan zijn grooten meester Diábolus, en daarop in zijne bediening,
ambt en voorrechten bevestigd zijnde, kunt gij u niet half verbeelden
welk een armzalig werk deze werkmeester in de stad Menschziel tot stand
bracht.
Hij haatte den heer Geweten met een doodelijken haat; hij wilde hem
nooit onder zijne oogen dulden, noch een woord uit zijn mond hooren; hij
sloot de oogen als hij hem soms bij geval ontmoette en stak zijne
vingers in zijne ooren als hij zijn stemgeluid vernam. Evenmin duldde
hij, dat eenig deel der wet van koning El-Schaddaï ergens in de stad te
zien ware. Zijn klerk Bedenken had nog eenige oude gescheurde
perkamenten, waarop de wet van den goeden El-Schaddaï stond, in zijn
huis, maar toen de heer Vastewil die zag wierp hij ze dadelijk achter
zijn rug. Alleen had de oude secretaris Geweten nog eenige wetten in
zijne studeerkamer en daar kon heer Vastewil, hij deed wat hij vermocht,
niet aankomen. Daarom begon hij nu te vertellen, dat de vensters van het
oude burgemeestershuis veel te groot en te licht waren voor Menschziel.
Zelfs het licht van een kaars kon hij niet verdragen. Alzoo mocht aan
gouverneur Vastewil niets meer behagen dan wat zijn heer Diábolus
aangenaam was. [Neh. 9 : 26.]
Niemand evenaarde hem in het uitbazuinen langs ’s heeren straten van
koning Diábolus braaf karakter, wijs gedrag en groote heerlijkheid. Hij
zwierde langs de wegen van Menschziel om de voortreffelijkheden van zijn
manhaftigen vorst uit te schreeuwen, en stelde zich daarbij aan als ware
hij de gemeenste van al het gespuis der stad. Waar of wanneer hij deze
schavuiten maar ontmoette, altijd maakte hij zich met hen gemeenzaam. In
alle kwade praktijken mocht hij handelen zonder last of bevel en was
geheel zijn eigen baas.
De heer Vastewil had ook een gezant of bediende, Meester Genegenheid[17]
genaamd, iemand van zeer verkeerde grondstellingen en wiens leven
daarmede overeenstemde; hij was geheel aan het vleesch overgegeven en
daarom noemde men hem ook wel Oneerlijke Bewegingen. Daarbij kwam nog
eene Vleeschelijke Begeerlijkheid, de dochter van Bedenken, die hem
sprekend geleek. Deze twee verliefden op elkaêr, verloofden zich en
traden in het huwelijk, en als ik het wèl heb, dan teelden zij vele
kinderen, als daar zijn Onkuisch, Zwartmuil en Bestraffinghater. Dit
drietal waren zwarte knapen. Daarbij kregen zij ook nog drie dochters,
namelijk Waarheid-verachtster, God-verzaakster en de jongste heette
Wraak. Deze groeiden op en huwden weder in de stad, zoodat dit goddeloos
gebroed sterk voortteelde, te veel om ze allen te noemen. Maar dit in
het voorbijgaan. [Rom. 1 : 26.]
[17] ~Meester Genegenheid~, een bediende of gezant van den Wil.
Wanneer de genegenheden den vleeschelijken Wil dienen gaan zij over in
lage zinnelijke genegenheden.
Toen de reus zich op deze wijze in de stad genesteld had, dezen had
aangesteld en anderen afgezet naar zijn goeddunken, begon hij ook te
denken aan eene gedaanteverandering van Menschziel zelve. Midden op de
markt en op de poorten van het kasteel stond een standbeeld van den
gezegenden koning El-Schaddaï. Dit beeld was keurig gegraveerd, en wel
in goud, en, het geleek koning El-Schaddaï beter dan eenig andere
gelijkenis ter wereld. Laaghartig beval hij dat dit beeld zou vernield
worden en dit bevel werd even laaghartig uitgevoerd door de hand van
Meester Onwaarheid. Nu moet gij bovendien weten, dat toen Diábolus de
vernieling van dit beeld bevolen had en deze was uitgevoerd door Meester
Onwaarheid, hij dezen zelfden persoon last gaf daarvoor in de plaats te
stellen het afgrijselijke afschrikwekkende standbeeld van zijne
Diábolische Majesteit,[18] tot grooten smaad van den vroegeren koning en
tot vernedering van de stad Menschziel.
[18] ~Standbeeld van zijne Diábolische Majesteit~. -- Het beeld Gods
wordt veranderd in het beeld van den satan, terwijl iedere gedachtenis
aan den Schepper en zijn kunstgewrocht vernield wordt.
Daarenboven maakte Diábolus scheurpapier van alle overblijfsels der
wetten en statuten van koning El-Schaddaï, die in de stad Menschziel
gevonden werden, te weten dezulken, die betrekking hadden op de leer en
de zeden, met alle burgerlijke en huishoudelijke verordeningen. Alles
wat daarop betrekking had trachtte hij te vernietigen. Om kort te gaan
er bleef geen enkel spoor van het goede Menschziel over, dat hij en
gouverneur Vastewil niet zochten te vernietigen; want het was hun
oogmerk Menschziel te verdierlijken, ja het onder de behandeling van
Onwaarheid in een zinnelijk zwijn om te scheppen.
Aldus alle wetten en goede ordonnantiën vernietigd hebbende, zette hij
zijn voornemen door om Menschziel geheel van haren koning El-Schaddaï te
vervreemden; daartoe liet hij zijne eigen ijdele verordeningen, statuten
en bevelen afkondigen, in alle plaatsen, die onder Menschziel
ressorteerden nl. de zoodanigen, die vrije inwilliging van alle lusten
des vleesches, van de begeerlijkheid der oogen en den hoogmoed des
levens toestonden; welke niet uit El-Schaddaï zijn, maar uit de wereld.
Hij moedigde alle overdaad en goddeloosheid aan en bevorderde die. Ja,
hij ging nog verder om de goddeloosheid in de stad Menschziel ten top te
voeren, hij beloofde haar vrede, genot, vreugde en voorspoed als zij
zijne wetten onderhield, met de verzekering, dat zij nooit voor een
rechterstoel zou worden geroepen voor wat zij ook misdeed. Laat dit nu
tot een proefje verstrekken aan hen, die zoo gaarne hooren verhalen wat
buiten hun weten in verre landen gebeurd is. [1 Joh. 2 : 16.]
Menschziel op deze wijze geheel aan zijne voeten gelegd en onder het juk
gebracht zijnde, werd er voortaan niets meer in gehoord en gezien dan
wat diende om het te verdierlijken.
Daar hij nu den Burgemeester en den Stadssecretaris van Menschziel uit
hunne bediening had ontslagen, en wel wetende, dat de stad vóor hij tot
haar kwam, een van de oudste en beroemdste rijken der wereld uitmaakte,
-- daarbij vreezende, dat als hij haren luister niet staande hield, zij
hem te eeniger tijd mocht verwijten, dat hij haar vernederd had -- om al
die redenen koos hij zelf voor haar een nieuwen Burgemeester en een
anderen Stadssecretaris, die mannen naar zijn hart waren en hem
behaagden.
De naam van den Burgemeester, die Diábolus aanstelde, was Zinnelijke
lust, iemand die beide oogen en ooren miste. Al wat hij deed, ’t zij als
mensch of als beambte, deed hij volgens natuurdrift als de beesten. En
hetgeen hem nog onedeler maakte, (hoewel niet zoozeer in het oog van
Menschziel dan wel van degenen, die treurden over haar diep verval) was,
dat hem nooit iets goeds bevallen kon, maar dat alleen het kwaad naar
zijn smaak was.
De nieuwe Stadssecretaris was de heer Griffier Godvergeter, een niet
minder booze gast. Hij kon niets onthouden dan wat slecht was, en
slechtheid te doen was zijn vermaak. Hij stelde er zijne eer in dingen
te doen, die schandelijk en schadelijk waren, beide voor de stad
Menschziel zelve en al haar inwoners. Deze beiden nu door hun voorbeeld
en gezag, door hun macht en dreiging, vooral ook door hun glimlachen om
al wat kwaad is, oefenden een jammervollen invloed uit en brachten het
gemeene volk op zeer gevaarlijke wegen. Want wie bemerkt niet altijd en
overal, dat, waar degenen, die hooge posten bekleeden, slecht en
bedorven zijn, allen die onder hen staan, ja, het geheele land slecht en
bedorven wordt?
Bovendien verhief Diábolus verscheidene lieden in Menschziel tot den
adelstand, makende hen eereburgers en overheden der stad. Hij deed dit
met het voornemen om, des noodig, uit hen raadslieden, officieren,
gouverneurs en magistraatspersonen te kiezen. Hier zijn de namen van de
voornaamsten hunner: de heer Ongeloof, de heer Hoogmoed, de heer
Vloeker, de heer Hoereerder, de heer Hardhart, de heer Onbarmhartig, de
heer Toorn, de heer Onwaarheid, de heer Leugenminnaar, de heer
Valschevrede, de heer Dronkenschap, de heer Bedrog, de heer Godverzaker
-- ik noem er u dertien. Van dit gezelschap was de heer Ongeloof de
oudste en de heer Godverzaker de jongste. Daarna werden ook mindere
waardigheidsbekleeders gekozen, als schepenen, gerechtsdienaars,
advocaten en dergelijke; maar allen waren lieden van dezelfde soort als
de voorgaanden, zijnde vaders, broeders, neven of verwanten van hen, die
ik reeds noemde, en daarom laat ik hunne namen kortheidshalve maar weg.
Toen de reus zoover met zijn arbeid gekomen was, kwam het hem in den zin
eenige sterkten of kasteelen te bouwen, en hij maakte er drie, die hij
ondoordringbaar achtte. De eerste noemde hij het fort Tegenweer, omdat
het opgericht was om de gansche stad te bestrijken en te beletten, dat
zij van haar ouden koning iets meer te hooren kwam. De tweede sterkte
noemde hij Middernachtshol, omdat zij gebouwd werd om Menschziel ook
buiten kennis te houden van zichzelve. De derde heette Zoetezonde, omdat
hij daarmede Menschziel verdedigde tegen alle begeerten naar het goede.
Het eerste dezer kasteelen lag dicht bij de Oogpoort, opdat deze
daardoor zooveel mogelijk zou worden verduisterd; het tweede was gebouwd
in de nabijheid van het oude kasteel om het zooveel doenlijk in de
schaduw te plaatsen; en het derde stond midden op de markt.
De persoon, dien Diábolus gouverneur over de eerste sterkte maakte, was
een zekere Inspijt-van-God, een zeer godslasterlijke booswicht: hij was
medegekomen met al dat gespuis, dat het allereerst tegen Menschziel
optrok, en behoorde daar ook bij. De gouverneur van Middernachtshol was
een zekere Lichthater, en behoorde bij datzelfde rot, en de gouverneur
van Zoetezonde heette Minnaar des vleesches; ook hij was een snoode
gast, maar was niet geboortig uit hetzelfde land als zijne collegas.
Deze gast schiep meer behagen in het uitzuigen eener vleeschelijke lust
dan in het bezit van Gods heerlijke Paradijs.
En nu achtte Diábolus zich veilig. Hij had Menschziel ingenomen en zich
daarin versterkt; hij had de oude waardigheidsbekleeders afgezet en
nieuwe aangesteld; hij had het standbeeld van El-Schaddaï vernield en
het zijne daarvoor in de plaats gesteld; hij had al de oude wetboeken
verscheurd en zijne eigen ijdele leugens afgekondigd; hij had nieuwe
magistraatspersonen en raadsheeren aangesteld, nieuwe sterkten gebouwd
en ze van getrouwe lieden voorzien. En dit alles had hij gedaan met het
oog op de mogelijke komst van den goeden El-Schaddaï of diens Zoon, die
hij wel verwachten kon, dat een aanval op hem doen zouden.