Bunyan was vertrouwd met de behandeling der pen. Het schrijven was hem
daarbij een genot. De opstellen gingen van zijn hart naar zijn hoofd en
dan kwamen ze door zijne vingers op het papier. Het moet intusschen
worden toegestemd, dat de handeling van het schrijven zelf hem veel
moeite kostte en zeer langzaam ging. Te oordeelen naar de vroegste
staaltjes van zijn pennekunst, moet het hem heel wat tijd gekost hebben
zijn dunste boek voor de pers gereed te maken. De geest was zonder
twijfel de pen ver vooruit.
Hij werd auteur in 1656, bijna tegelijkertijd toen hij prediker werd, en
zijn eerste werk was een strijdschrift. Het droeg den titel: „Eenige
Evangelische waarheden volgens de Schriftuur uitgelegd.” Het doel
daarvan was zich te verzetten tegen enkele dwalingen, waaraan zekere
Kwakers leden, namelijk de geringschatting van de Schrift en van het
offerbloed des Lams in het plaatsvervangend lijden.
Het werd dadelijk beantwoord, en op dat antwoord gaf hij een
buitengewoon scherp wederantwoord. Andere boeken volgden en toen werd
hij gevangen gezet. Maar het schrijven hield niet op, want de nood drong
hem zijne pen geen rust te laten. Hij moest zijne familie ondersteunen,
en ofschoon hij een gevangene was, toch moest hij zijn eigen kost
verdienen. Daar nu het schoenlappen daartoe niet voldoende was, schreef
hij nu en dan korte stukjes, welke zijne vrienden lieten drukken om ze
langs de straten te verkoopen. Ze gingen zoo goed van de hand, dat de
liedjeszangers bij Newgate en Londen Bridge zijn portret en
handteekening op hunne prullerij plaatsten, ten einde ze ingang te doen
vinden bij het volk.
Als een bewijs van vriendschap voor hen, die zijne prediking gevolgd
waren, en voor wie ze gezegend was geweest, schreef hij een kort verhaal
van hetgeen Gods barmhartigheid voor hem gedaan had. Deze
levensbeschrijving, die van zijne geboorte tot zijne gevangenneming
loopt, is een der merkwaardigste autobiographiën, die ooit uitkwamen.
Zij bevat inderdaad de aanleidende oorzaak voor ieder punt zijner
bekeering, al wat hij ondervond, dat invloed uitoefende op zijne
inwendige wijding tot het leeraarschap. De lezer van deze levensschets
heeft dan ook grootendeels den man zelf hooren spreken, zij is in
hoofdzaak wat Bunyan zelf geschreven heeft.
De ernstige toon, waarin het geheel gesteld is, komt vooral uit in de
volgende zinsnede, die bewonderenswaardig heeten mag. „God speelde er
niet mede toen hij mij tot overtuiging der waarheid bracht; de duivel
speelde er niet mede toen hij mij verzocht; en evenmin speelde ik er
mede, toen de angsten der hel op mij nederkwamen; en daarom mag ik er
ook niet mede spelen als ik deze dingen verhaal; maar ik leg ze daar
klaar en duidelijk neder, juist zooals ze gebeurd zijn.” De titel, welke
hij aan zijn boek gaf: „Overvloedige genade bewezen aan den grootsten
der zondaren,” was de beste, dien hij kiezen kon.
Meer doorwrochte uitgaven volgden, waarvan het in gereedheid brengen
onder Bunyans omstandigheden inderdaad verbazing wekt. Zij waren
diepdoordachte studiën over groote waarheden, als, de rechtvaardigmaking
door het geloof, de wederopstanding der dooden, en ofschoon nieuwere
werken deze in onze theologische scholen hebben verdrongen, ze zijn toch
maar zelden overtroffen evenmin in hunne overtuigingskracht als in hun
diep inzicht, terwijl ze blijk dragen hoe nauwgezet hij de waarheid
toepaste en ook anderen tot ernstige toepassing drong. De eenige
hulpbron, die bij zijne letterkundige werken hem als hulpmiddel diende,
was een Concordance, en het „Boek der martelaren van Fox;” -- de eenige
plaats, waar hij schrijven kon, zijne cel, waar hij ieder oogenblik werd
gestoord en hij zoo goed als geene geriefelijkheden krijgen kon. De toon
van zijne werken in de gevangenis was grootendeels de polemische, en
somtijds was de strijder zelfs hardvochtig en gestreng. Jegens den
predikant Fowler, die eene ondubbelzinnige ontkenning en verloochening
van het 13e artikel van zijne eigen kerk had geschreven, zegt Macaulay
dat hij „woest” was. Hij was voorzeker wel wat ruw, maar Fowler was op
zijn minst al even ruw, en beiden verloren veel te veel de
bescheidenheid uit het oog.
Het laatste werk, dat uit zijne gevangenis naar de pers ging, was
getiteld: „Eene belijdenis van mijn geloof, en eene verdediging van mijn
praktijk.” Het had de strekking om zijne praktijk te verdedigen, dat
Christenen _als Christenen_ aan ’s Heeren avondmaal mochten deelnemen.
Het was volgens Bunyans gevoelen genoeg, dat iemand het bewijs leverde
van een geloof in de liefde werkende. Dat zoo iemand nog niet gedoopt
was na de belijdenis van zijn geloof, betreurde de Baptisten-predikant
ernstig, maar ofschoon hij zich om des gewetens wille van zulk eene
indompeling ook voorloopig onthield -- de godzaligheid van zijn wandel
was daar het bewijs van -- zoo bleef toch zijn recht op de voorrechten
der kerk onaangeroerd, en te Bedford mocht hij ze allen genieten.
Een groot geroep ging er na deze uitgave op onder de Baptisten, en deze
openbare mededeeling werd als een onteering van den Heere aangezien.
Maar Bunyan volhardde stillekens in zijne overtuiging, wel bewust, dat
de almachtige God zijn schild was, en duldde alles, naar hij zeide „tot
het mos op zijne oogleden groeien zou.”
Er was een ander boek, dat in het licht gegeven is vóor onze auteur de
gevangenis verliet -- dat boek, hetwelk inderdaad zijn naam vereeuwigd
heeft. De „Pelgrimsreis” werd begonnen en geëindigd in de gevangenis.
Dit boek werd hem als het ware ingegeven en kwam zonder moeite op
papier, zich aan hem opdringende met groote zoetvloeiendheid en innig
gevoel, als in de bekoorlijkheden van een droomgezicht. Hij was bezig
een ander boek te schrijven, toen hij eensklaps aan dit begon. Twintig
denkbeelden drongen zich aan hem op, en vóor hij die neergeschreven had
weer twintig andere. Hij zette met genot de pen op het papier. Terwijl
hij ophield of rustte kwam het denkbeeld, en wachtte hij maar weer dan
kwam er weder een ander, tot hij eindelijk in alle opzichten verblijd en
verwonderd was over wat hij had geschreven. Hij behandelde dit onderwerp
geheel uit zichzelven, geen enkele menschelijke ziel was hem daarbij
behulpzaam; hij had niet zooals anders vooraf bouwstoffen opgezameld.
Hij had geene inspiratie gezocht, noch bij het plechtig geklots van vele
wateren, noch bij den prachtigen aanblik van een Oosterschen hemel, noch
in de plechtige eenzaamheid, of zelfs in de afzondering bij verheven
natuurtooneelen. Hij was bewoner van een hol en hij was altijd een
zwerveling geweest in het weinig romantische land aan den oever der
Ouse. Maar tot zijne onuitsprekelijke vreugde had hij Christen temidden
van wonderveel en groote zonden heengevoerd naar de liefelijke bergen,
en door het land van doodschaduwen naar het Paradijs van God. De
bouwstof en de wijze van bewerking was alles het zijne, en geen mensch
kwam er iets van te weten vóor het afwas.
In de gevangenis zat ook een zekere Marsom, door wiens familie bericht
is, dat toen de „Christenreis” gereed was, Bunyan die aan al zijne
medegevangenen voorlas, om van hen te weten te komen of hij het werk zou
laten drukken al dan niet.
Men was er niet eenstemmig over. Sommigen zeiden: „John, laat het
drukken,” anderen zeiden: „Niet doen.” Sommigen zeiden: „Het kan goed
doen,” anderen meenden van niet. Marsom vroeg of hij het nog eens
overlezen mocht en na het nauwkeurig bestudeerd te hebben, ried hij aan,
dat het zonder mankeeren moest worden gedrukt.
Toch gebeurde het niet vóór 1678, en toen was dit boek onmiddellijk
populair en wel in bijzonder groote mate. Binnen tien jaren werden er
twaalf herdrukken van bezorgd en in Engeland alleen hadden 100000
exemplaren hunnen weg gevonden vóor Bunyans dood. Van dien tijd af is
het een gevierd boek gebleven. Het is in den schouwburg opgevoerd. De
romanschrijvers hebben er van geprofiteerd. Allerlei letterkundigen
hebben het aangehaald en vele schrijvers er hunne beelden aan ontleend.
De kritiek heeft het onder handen genomen en het op allerlei wijzen
ontleed, zoodat alle schoonheden en gebreken in het helderste licht
verschenen zijn. Door vertaling is het populair geworden bij schier alle
natiën onder den hemel. Kunstenaars hebben hun uiterste best gedaan om
de schoone tafereelen af te beelden.
De „Geschiedenis van Meester Kwaad”, met nog een of twee andere boeken
volgden op de uitgave van den „Christenreis”, en toen kwam in 1682 „De
Heilige Oorlog”. Het valt gemakkelijk uit de inleiding op te maken, dat
bij de beschrijving van Menschziel, eerst in bezit genomen door Diabolus
en dan heroverd door Immanuel, de schrijver zichzelven op het oog heeft.
De beschrijving is geheel op militaire wijze, de bijzonderheden uit het
krijgsmansleven zijn herinneringen uit zijn eigen militaire loopbaan bij
het beleg van Leicester, vandaar dus zijne beelden. De eerste aanval van
den duivel, die met zulk een spoedig succes bekroond werd in de
vervreemding van den mensch van zijn Maker, is wonderschoon verhaald, en
zoo ook de vleeschwording van den Zone Gods tot verlossing van den
verloren mensch. Wellicht wordt dit nog overtroffen door de vernieuwde
pogingen van den Booze om den mensch weder in zijne macht te brengen. De
diepzinnige filosofie van de beelden, die gebruikt worden, is volkomen
in overeenstemming met den geest, die hier lichamelijk voorgesteld
wordt. Het bovennatuurlijke, het dichterlijke en het evangelische gaan
hand aan hand.
Ook dit boek beleefde vele herdrukken gedurende het leven van den
schrijver en wordt nog voortdurend gretig gevraagd, maar toch niet in
die mate als de onovertroffen inhoud verdient. Het is het beste
menschelijke richtsnoer voor hem, die wenscht te weten hoe de wet der
zonden in zijne leden woelt en door Satanische macht daarin is gekomen,
en hoe ook door de inwerkende genade des Heiligen Geestes die macht in
toom kan worden gehouden.
[Afbeelding: BUNYAN PREDIKENDE IN DE OPEN LUCHT.]
Binnen een paar jaren werd het tweede deel van „de Christenreis”
uitgegeven, „de Christinnereis,” waarin wij Christens vrouw en kinderen
met hunne geburin Barmhartigheid achter hem naar den hemel zien trekken.
Andere medereizigers, wier namen eene zeer diepe karakterkennis
verraden, voegen zich bij het gezelschap en onder het voortreffelijk
geleide van „Grootmoedig”, bereiken zij eindelijk hunne bestemming. Het
is heerlijk om te zien hoe het vlakke veld opgevuld is met paarden en
wagenen en trompetters om de pelgrims te begroeten, waar zij éen voor
éen de gouden stad binnentrekken. De groote rijkdom en afwisseling van
Bunyans denkbeelden komt in dit tweede deel vooral uit waar men ze
vergelijkt met het eerste. De reis van Christen was meestal een zware en
moeielijke worsteling om de zegepraal; de reis van Christina was
grootendeels een aangename reis naar het vaderhuis.[1]
[1] Van „De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid” verscheen
bij de uitgevers van dit werk en geheel in dezelfde wijze van
uitvoering eene volksuitgave met 100 uitstekende platen en portret van
den schrijver, in prachtigen stempelband, tot den geringen prijs van
ƒ 4.25.
Christina’s zonen waren achtergebleven als een groote zegen voor de
strijdende kerk; de droomer begreep, dat hij daarvan in de toekomst nog
wel wat te zeggen zou hebben. Zijn vermoeden werd waarschijnlijk
vervuld, ten minste in zooverre dat hij ook nog een derde deel onder
handen heeft gehad; want enkele jaren na zijn dood kondigde zijn
uitgever, Nathaniel Ponder aan, dat hem het manuscript was toevertrouwd
en dat het binnenkort het licht zou zien. Er werd evenwel niets meer van
die uitgave van Ponder vernomen. Wel kwam er later iets uit, dat een
derde deel beteekenen moest; maar het was eene vervalsching. Alle
innerlijke en uitwendige bewijzen zijn voorhanden, dat het volstrekt
niets te maken heeft met den wezenlijken droomen-droomer, en zijne twee
echte „droomen”.
Weder andere boeken volgden tot omstreeks zestig boekdeelen, waaronder
verscheidene van aanzienlijke grootte, Bunyans werken uitmaken. Velen
daarvan waren polemisch, maar allen hadden betrekking op de
fundamenteele waarheden des Christendoms. In vele gevallen bestonden zij
uit eene uitbreiding van zijne predikaties, wanneer de overtuiging zich
van hem meester maakte, dat zij zeer geschikt waren om goddelooze lezers
te doen ontwaken uit hunnen doodslaap en de vromen tot dieper
overtuiging te brengen. Hij wilde nuttig zijn niet alleen voor zijn
eigen tijdgenooten, maar ook voor de toekomstige geslachten. Het was
inderdaad een moeilijke taak om al de tegenwerpingen der verachtende
spotters naar eisch te beantwoorden, maar hij vervulde die taak. Het was
een hard werk al de verschillende moeielijkheden op te lossen van
tuchtelooze en huichelachtige gemoederen, maar hij deed dat werk. Hem
woog de zware verantwoordelijkheid om de gemeente Gods te waarschuwen
tegen de menigvuldige verzoekingen om de waarheid te ontkennen of te
verminken, op het hart, en hij onttrok zich niet aan die taak, maar
arbeidde hieraan ijverig, zoowel op den predikstoel als in de pers.
Zijne leer leefde in duizenden zijner tijdgenooten, die hij nooit gezien
had, en hij wist hen te vervullen met bewonderende liefde voor het
Evangelie van Gods genade.
Beide door zijne eenvoudige werken als daar is „Het boek voor jongens en
meisjes”, en door zijne diepzinnige geschriften, als b. v. „De Genadewet
ontvouwd”, werd het volk over het algemeen aangetrokken; het hield die
geschriften dankbaar in waarde, en werd er krachtig door overtuigd.
Niet éen was er onder al die zestig deelen, waarvan niet veilig kon
gezegd worden, dat zijn onderwerp waardig, zijne taal verstaanbaar,
zijne redeneering vloeiend, zijne inkleeding smaakvol, zijne oprechte
bedoeling doorzichtig, zijn toon die van Boanerges en Barnabas was; nu
eens verontrustend en verschrikkelijk, dan weer vertroostend -- altijd
geschikt om zijne lezers een inzicht te geven in het ware zaligmakende
geloof.
Als eene proeve van zijne aangrijpende welsprekendheid, diene het
volgende: „Luiaards, onverschilligen, slaapt gij dan altijd? Zijt gij nu
vast besloten den slaap des doods te slapen? Zullen noch boodschappen
van den hemel noch van de hel u wakker maken? Zult gij dan maar altijd
zeggen: Nog een weinig slapens, nog een weinig sluimerings, noch een
weinig handvouwens al nederliggende? O, dat mijne oogen tranenbeeken
waren, en dat ik een hart vol medelijden met u hadde! Hoe zou ik u dan
beklagen! Hoe zou ik u beweenen! Arme, verloren, stervende ziel! Hoe
hard is mijn hart, dat ik niet over u wegsmelt in tranen! Indien gij
maar een lid van uw lichaam verloort, of een kind, of een vriend, dan
zou het nog zoo erg niet wezen; maar arme mensch, het is UWE ZIEL!
Indien die naar de hel verwezen werd voor één dag, of voor een jaar, of
zelfs voor duizend jaren, dan ware het vergelijkender wijze nog te
overkomen; maar het is voor eeuwig! O die ontzettende EEUWIGHEID! Welk
een zielverbrijzelend woord zal dat voor u wezen als tot u gezegd wordt:
„Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel
en zijnen engelen bereid is!””
[Afbeelding: BUNYANS LAATSTE LIEFDEWERK.]
In zijn omgang met bekommerden en wankelmoedigen ging hij met groote
wijsheid te werk. Lees hier wat hij tot hen zegt: „Niets is eene meer
algemeene kwaal onder ons menschen, dan dat er velen zijn, die twijfelen
aan de genade Gods, en dat bekomt een zondaar toch wel het
allerslechtste. De wet te verbreken is inderdaad reeds dwaas genoeg;
maar de genoegzaamheid der genade te betwijfelen is nog erger dan
dwaasheid en zonde, erger dan al wat slecht heeten moet. Daarom,
wanhopende zielen -- want het is tot u dat ik spreek -- werpt uw
wantrouwen weg, schudt uit uwe slaafsche vrees, hangt al uwen argwaan
aan den kapstok, en gelooft, dat gij daartoe een zeer voldoende reden
hebt, want daar stroomt eene rivier voor uwe voeten. Laat uw gebrek aan
vroomheid en goede werken u niet het minste verhinderen. Dit is eene
rivier van het water des levens: stroomen van genade en barmhartigheid
ziet gij daar. En wanneer gij ziet dat zij, die vreezen van honger te
sterven, mondvoorraad opdoen te Tunbridge, Epsom, Bath en elders, opdat
zij voor lange reizen op de wateren uitgerust zijn; zorgt gij dan, dat
gij voorzien zijt van levend water, dat gij niet behoeft te koopen, maar
dat u wordt aangeboden om niet. O, laat dan uwe ziel niet ophouden noch
u terughouden door vrees of twijfel; maar drinkt, drinkt en leeft in
eeuwigheid.”
Ook voor den geloovige, die zich in Christus verheugt, had hij een woord
op zijn pas. „Het is zoo heerlijk en Gode zoo aangenaam, wanneer
Christenen wandelen waardiglijk hunne roeping, hun staat en hun
toestand: in alle dingen getrouw aan wat God van hen maakte. Dan zijn
zij als de bloemen in den tuin. Waar de tuinman ze geplant heeft daar
staan ze, en van den hysop, die aan den wand uitwast, tot den ceder van
den Libanon toe is van hen allen hunne vrucht ook hunne heerlijkheid. En
aangezien de stam, waarop zij ingeënt zijn, de vruchtbaarste stam is, en
het sap, dat door hen heenvloeit het vruchtbaarste sap, en de Kweeker
onzer zielen de wijste hovenier, zoo vertrouwen wij alles aan Hem toe
ook wat ons vreemd toeschijnt, alleen zorg dragende, dat wij rijk worden
in goede werken. Daardoor toont gij immers, dat gij geen geschilderd
vuur zijt, dat geen warmte afgeeft; geen geschilderde bloemen, die geen
geur hebben; geen geschilderde boomen, waaraan nooit vruchten groeien.”