Bunyan geloofde, dat hij zijn ambt van God gekregen had. Deze
overtuiging lag als een last op zijne schouders. Als een vuur in zijne
beenderen was het verlangen in hem om de blijde tijding aan anderen te
brengen. Sedert lang was hij de dienaar zijner medegevangenen geweest;
ook in de gevangenis had hij van Jezus getuigd. Maar nu mocht hij weer
openbaar getuigen, en wat was zijne prediking stichtelijk! Wat ging er
eene kracht uit van zijne getuigenis der waarheid! Hij verhaalt van
zekere gelegenheid, toen hij in de kamer der gevangenis zich buiten
staat gevoelde meer dan vijf woorden te spreken. De vergadering wachtte
en de tekst was over het heilige Jeruzalem, afdalende uit den hemel van
God. ’t Was of eene schittering van de paarlen poorten zijne oogen
verblindde, en hij zelf vermoedde, dat hij meer zou te zien krijgen. Hij
stortte zijn hart uit voor God, en kreeg zulk eene toestrooming van
geestelijke gedachten, dat al de aanwezigen verzadigd en verblijd
werden. Toen hij allen hun bescheiden deel gegeven had hield hij nog een
korf vol over.
Zulke oefeningen waren niet weinig geschikt geweest om hem voor te
bereiden voor het werk der bediening als herder en leeraar der gemeente
van Christus. Door het voortdurend ernstig Bijbelonderzoek en het
gebruik, dat hij van zijne gaven gemaakt had, was hij een welsprekend
man geworden, machtig in de Schriften. Bij zijne loslating vond hij een
groote vergaderzaal, die keurig netjes was ingericht en waar het volk
bij menigten samenstroomde. Ernstig en diep bestudeerde hij zijn
onderwerp, dan predikte hij, en daarna, volgens zijne opvatting in
dezen, schreef hij uit wat hij gezegd had tot later gebruik. Zijne
hulpbronnen waren slechts weinige; vooral in het eerst had hij geene
andere dan het Woord Gods en het gebed. Hij vond zijne hulp en zijne
inspiratie bij een hoogere bron, zooals hij zelf voortdurend verklaarde.
Water uit zijne eigen regenbak te putten was zijn genot, een ander te
mogen verblijden met wat God hem had geschonken door de kracht van Woord
en Geest verheugde hem. De groote bijbelkennis van Bunyan kwam uit in
elke preek, die hij deed. Het gebruik, dat hij van de Schrift maakte,
was niet slechts voortdurend, maar ook recht gepast en krachtig; hij
toonde steeds aan zonder het zelf te vermoeden, dat het ware geloof en
de zuivere prediking nooit anders dan schriftuurlijk zijn. Daarbij
drukte hij zich zeer klaar en eenvoudig uit. Hij zeide dat woorden, die
goed verstaan worden, tot het gemoed doordringen, terwijl hooge en
geleerde uitdrukkingen slechts de lucht slaan. In geen enkel opzicht gaf
zijne bazuin een onzeker geluid. Zijn prediking was dadelijk te
verstaan. Het geringe volk hoorde hem gaarne, terwijl de meer
ontwikkelden zich nooit over zijne woorden beklaagden. Hij was
begrijpelijk zonder plat te zijn, en krachtig zonder brutaal te wezen.
In het uitspreken zijner redevoeringen had hij het voorrecht een scherpe
en vlugge blik, een mooie stem en een aangenaam talent te bezitten.
Zoowel door de natuur als de genade was hij geschikt gemaakt om een goed
prediker van Jezus Christus te wezen. Geen wonder dus, dat zijne kerk
altijd opgepropt was van toehoorders en dat menigeen daar getroffen
werd, terwijl vele belangstellenden moesten buiten staan. Daar ging
kracht uit van dezen prediker, dat werd in den ganschen omtrek openbaar,
terwijl allerlei lieden zijn onderricht begeerden.
Op bepaalde tijden bezocht hij de omliggende dorpen, en bijgemeenten
werden gevormd, die tot op heden bestaan. Nu en dan bracht hij ook een
bezoek aan de hoofdstad, waar hij bijna even populair was als tehuis.
Eene enkele aankondiging was voldoende om hem een groot gehoor te
verzekeren. Een ooggetuige zegt: „Ik heb eens eene prediking van hem
bijgewoond, waar, naar ik gis, twaalf honderd menschen samen kwamen, en
dat nog wel des morgens om zeven uur op een werkdag, in den donkeren
wintertijd. Ook woonde ik eene prediking bij op den dag des Heeren in
eene vergaderzaal te Londen, waar meer dan drie duizend waren opgekomen,
zoodat de helft zich genoodzaakt zag uit gebrek aan plaats weer heen te
gaan, en Bunyan zelf kon slechts met moeite door een achterdeur als over
de schouders der hoorders heen zijn predikstoel bereiken”. Het was een
zeer aandoenlijk schouwspel wanneer hij op afgelegen plaatsen optrad,
meestal voor een duizendtal personen en dat nog wel midden in den nacht.
Zijn groote beroemdheid vervulde hem met zorg. Hij verontmoedigde zich
des te dieper voor den Heere. Indien hem geen groote genade van den
hemel ware geschonken, dan zou hij zijn gaan roemen buiten de maat, en
de duivel zou hem verstrikt hebben.
God liet ook toe, dat zijn knecht werd gekastijd. Er kwamen kwade
geruchten in omloop, die hem onteerden. Er werd verzekerd, dat hij het
zevende gebod had geschonden en het negende evenzeer. Zekere heer
Beaumont kwam plotseling te sterven. Zijne dochter, die eerst door hem
op straat was gezet omdat zij Bunyans prediking volgde, was daarna weder
in gunst ontvangen nadat zij beloofd had niet langer onder „dat volk” op
te gaan. Zij had spoedig spijt van die belofte en smeekte haar vader
haar toch verlof te geven om naar de preek te gaan luisteren. Op zekeren
avond toen de oude heer reeds ter rust was gegaan, zocht zij hem op
zijne slaapkamer op en sprak zoo ernstig met hem, dat hij tot tranen
bewogen werd. In den loop van dien nacht kwam de vader te sterven. Nu
liep het gerucht dat hij vermoord was, dat zijne dochter hem vergiftigd
had, en dat haar leeraar haar hierin was behulpzaam geweest. Dit gerucht
bracht heel den omtrek in beweging. Deze vrouw was eene moordenares en
haar prediker leefde met haar in ontucht. Ofschoon echtgenoot en vader
was hij een schandelijk overspeler, zoo niet nog erger dan dat! Het
gerecht zou hem straffen. Een onderzoek werd ingesteld, nu ook naar
andere lasteringen, die reeds in omloop waren. Maar met dit onderzoek
eindigde ook de gansche zaak. De lasteraars werden door den lijkschouwer
aan de kaak gesteld, en ernstig wegens hunne vermetelheid bestraft,
terwijl de leeraar zeide: „Ik roep God tot getuige aan, dat ik
onschuldig ben. Niet dat ik uit of van mijzelven van eenige
goddeloosheid ben teruggehouden; maar God heeft mij in zijne genade
bewaard, zooals ik bid, dat Hij altoos doen zal.”
[Afbeelding: BUNYAN IN DE GEVANGENIS.]
Dit zooveel opspraakmakende leed werkte mede ten goede. De prediking won
aan kracht, en de prediker kwam in nog grooter roep als een goed
dienstknecht van Jezus Christus. Uitnoodigingen kwamen tot hem van
andere en grootere gemeenten. Hij kreeg beroepen, die zijn inkomen
aanmerkelijk zouden vermeerderd hebben en hem in staat gesteld een
grooten staat te voeren. Maar hij was onbeweeglijk. De stad Bedford met
hare nabuurschap was zijn kring, met dien verstande echter, dat hij ook
als de gelegenheid zich aanbood elders ging prediken. Hij werd nu in de
wandeling altijd „bisschop Bunyan” genaamd en ontzag moeite noch arbeid
om naar verwijderde streken heen te reizen, waar het volk zijne hulp
noodig had. Het was hem nu vergund te prediken en raad te geven zonder
dat iemand hem eenigszins mocht hinderen, en ofschoon hij voortdurend
bleef ontkennen, dat hij deze vergunning behoefde, kwam zij hem toch ten
goede. Van zijne roeping als leeraar liet hij zich nooit aftronen,
evenmin door goed als kwaad gerucht. Zijn vriend Charles Doe getuigt
daarvan: „Toen Bunyan eens op weg naar Cambridge was, ontmoette hem
iemand van de universiteit, die tot hem zeide: „Hoe durft gij prediken,
aangezien gij den oorspronkelijken tekst niet kent en geen geleerde
zijt?” Toen antwoordde Bunyan: „Hebt gij den oorspronkelijken tekst?” --
„Ja”, zeide de academie-man. „Zoo, zijt gij in het bezit van de
oorspronkelijke handschriften, die door de pennen der profeten en
apostelen zijn geschreven?” vroeg Bunyan verder. -- „Neen” zeide de
ander, „maar wij hebben de echte copiën van het oorspronkelijke.” --
„Hoe weet gij dat?” -- „Hoe?” herhaalde de ander. „Hoe? Wel wij
gelooven, dat wij de ware en echte copiën van den grondtekst bezitten.”
-- „Juist,” zeide Bunyan, „en zoo geloof ik nu ook, dat de Engelsche
vertaling een echte en zuivere copie van den grondtekst is.” En de
geleerde mijnheer ging door.
Het zaad des Woords viel in goede aarde. Vele werden bekeerd en den
Heere toegevoegd. De gemeente, die onder zijne hoede stond, werd
voortdurend uitgebreid, en als een onderherder arbeidde hij voortdurend
aan haar welzijn. Op de bediening der sacramenten was hij zeer stipt en
daarin zeer getrouw. Zij waren de genade niet, maar wel genademiddelen,
die niemand verzuimen mocht. Het laatste avondmaal veranderde niet in
het lichaam en bloed des Heeren; maar het stelde het voor. En deze
leeraar geloofde, dat de berouwhebbende zondaar en de pasbekeerde
geloovige ze niet mochten verzuimen, of zij verzuimden een voorrecht en
begingen eenen misslag.
Hij zorgde voor het krankbezoek met veel medelijden en liefde. Waar soms
strijd tusschen de broeders ontstond, trad hij onmiddellijk tusschen
beiden. Voor zoekenden naar de waarheid in hunne menigvuldige
aanvechtingen en bekommering, was hij een trouw en vriendelijk
raadgever. Met de leden, die naar elders vertrokken waren, hield hij
briefwisseling, er in toestemmend, dat zij elders zich bij eene
zusterkerk aansloten, die op denzelfden bodem stond. De tucht op
degenen, die zich vergrepen, paste hij met alle gestrengheid toe. Hij
zelf ging eerst met de zoodanigen in de eenzaamheid; gelukte het hem dan
niet de dwalenden terecht te brengen, dan moesten de broeders er aan
tepas komen. Alle tuchtiging, die hij oplegde, moesten de broeders
goedkeuren of verzachten. Hij handelde daarin geheel eenstemmig met hen.
De haast, waarmede hij strafte, werd weder goedgemaakt door de haast
waarmede hij vergaf. Menigmaal hief hij de tuchtroede op of verzachtte
de kastijding aanmerkelijk, waar hij groot berouw en oprechte
schuldbekentenis bespeurde, zoodat de tucht diende tot opbouwing van het
allerheiligst geloof.
Bunyan matigde zich geen monopolie aan voor den dienst des Evangelies.
Hij achtte zich gesteld over de broederschap des Heeren, als voorganger
en herder der gemeente. Maar hij zag in ieder lid der gemeente een
medearbeider en droeg hun zulke bedieningen op als het best voor hen
pasten. De jongere en oudere leden leerden hunne voorrechten en
verplichtingen kennen; allen beijverden zich in ’s Heeren dienst, om
elkander op te voeden in het Evangelie, elkanders lasten te dragen en
alzoo de wet van Christus te vervullen.
Langs deze verschillende wegen werd zorg gedragen voor de kudde over
welke de Heilige Geest hem tot een opziener gesteld had. Hij voedde haar
met het brood des levens; hij bracht haar tot werken des geloofs; hij
oefende haar in godzaligheid; hij bezielde allen met zelfverloochenenden
ijver; hij hield haar terug van een zelfvertrouwen, dat gevaarlijk wezen
zou, en van verachtering in het geloof, dat eenmaal den heiligen
overgeleverd is.