De oude vraag werd weldra ook aan Bunyan gedaan: „Door wat macht doet
gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven?” Het antwoord lag
voor de hand. Zijne gave om het Evangelie te verkondigen was zijne
autoriteit; bijzonderlijk daar deze gave opgemerkt en opgewekt was
geworden door de gemeente, waartoe hij behoorde. Onder nauwgezet
onderzoek en ernstig gebed hadden zijne medebroeders hem tot dezen
dienst geroepen, en in hunne roeping had hij de stemme Gods herkend. De
ordening, waarmede hij geordend was, mocht dus veilig wettig heeten.
Maar nu gebeurde het, dat de toenmalige Engelsche regeering een andere
soort van ordening eischte. Niemand werd door haar tot den predikdienst
toegelaten dan zij, die aan eene academie des rijks gestudeerd hadden en
vervolgens onder haar toezicht geordende leeraren, alleen met
uitzondering van de zoodanigen, die door algemeene stemmen door het volk
waren gekozen.
Bunyan ontkende het recht van den staat om zich als rechter op dit
gebied op te werpen, en sloeg geen acht op de waarschuwing, zijn eigen
weg vervolgende. Een klacht werd tegen hem ingediend, en het werd hem
verboden te Eaton te prediken. Zijne broeders hielden raadsvergadering,
en na eene bedestond op den 3^{en} Maart 1658 namen zij maatregelen voor
zijne verdediging. Zij waren in zooverre voorspoedig, dat de vervolging
hier eindigde.
Met de herstelling van de Stuarts op den troon kwam een der krachtigste
aanvallen op de godsdienstvrijheid aan het licht, welke het clericale
dispotisme ooit beproefd heeft te doen. Zulk eene bediening als van John
Bunyan was op de strengste straffen verboden. Hij kon alleen zijn werk
doen onder voortdurend levensgevaar. Het eenige wat hij tot zijne
veiligheid doen kon, was zich stilhouden.
Voor een tijd besloot hij dit laatste te doen, met deze uitzondering
echter, dat hij in strenge vermomming nu en dan in alle stilte, op
verwijderde en afgelegen plaatsen het Woord verkondigde en onder
bedekking der duisternis weer naar huis terugkeerde. Deze handelwijze
stuitte hem evenwel geweldig tegen de borst, daar hij alle vermomming
verachtte, en ten laatste vatte hij het voornemen op maar weer in het
openbaar te spreken, alle gevaar trotseerend. Verzocht zijnde te Samsell
te komen prediken, waar de dorpelingen zeer begeerig waren om het Woord
Gods te hooren, antwoordde hij, dat hij, zoo het God behaagde, aan hunne
uitnoodiging zou voldoen. Een groote menigte kwam uit de omliggende
plaatsen samen en de prediker was op den bepaalden tijd op zijn post.
Maar groote teleurstelling wachtte hem. De gezaghebbers vernomen
hebbende, dat hij kwam, hadden hunne maatregelen genomen om de wetten te
handhaven. Hunne dienaren stonden op de wacht, en waren reeds voorzien
van eene volmacht voor zijne gevangenneming, in geval hij het wagen zou
te prediken. Hij was van het gevaar verwittigd, en de vraag rees op of
de dienst niet tot later zou worden uitgesteld. Het was waarschijnlijk,
dat ze hem vangen zouden, ofschoon er nog een kleine hoop bestond, dat
hij mocht ontsnappen. Hij wilde nu geen enkel woord hooren van te gaan
vluchten. Hij meende, dat wanneer God hem in zijne barmhartigheid had
uitverkoren om verloren zondaars in zijn omgeving het Evangelie te
verkondigen, het een groote ontmoediging voor alle Christenen zou zijn
wanneer hij nu lafhartig op de vlucht ging. En verder meende hij, dat de
wereld uit zijne vreesachtigheid aanleiding zou nemen om het Evangelie
te lasteren, en zoo werd de gedenkwaardige bijeenkomst te Samsell dan
gehouden.
Hij had het voorgebed uitgesproken, waarop al de aanwezigen een plechtig
„amen” hadden gezegd. Toen las hij zijnen tekst af op een toon, die
beide van vrees en moed getuigde, en wel de woorden: „Gelooft gij in den
Zoon van God?” Hij begon dien te verklaren toen de officier van justitie
binnenkwam en hem op de plaats zelve gevangen nam. Daar hij op de daad
betrapt werd bleef er geen keus meer over; hij moest zich onderwerpen en
de gevangene ging met den officier mede, zooals deze van hem verlangde.
Maar de broeders konden goedsmoeds wezen, al werd hun prediker ook als
een dief en moordenaar weggeleid. Gode zij dank, hij was dat niet.
Integendeel, in zulke gevallen is het verreweg beter de vervolgde dan de
vervolger te wezen.
„Maak wat haast,” zeide de politieman; „men wacht u daar buiten.” Maar
toch was het reeds te laat in den avond om nog verder te trekken en werd
het eenige oogenblikken later aan den gevangene vergund nog dien eenen
nacht in vrijheid te blijven, onder borgstelling. In den morgen evenwel
ontmoette Bunyan den overheidspersoon en volgde hem naar het
gerechtshof. De officier Wingate begon eerst een vriendschappelijk
gesprek, waarin hij beweerde, dat een ketellapper niet prediken mocht.
Dat, werd hem geantwoord, hangt af van des ketellappers hoedanigheden en
begaafdheden. Maar hij wist wel, dat de wet hem het prediken verbood,
werd weder aangevoerd. Waarom het niet liever nagelaten? Als hij dit
beloven wilde en de boete betalen, dan was hij vrij. Zijne vrienden
zouden zeker gaarne voor hem de boete betalen, of borg voor hem spreken;
het staatsstuk was reeds opgemaakt, hij behoefde het slechts te
teekenen, en alles was in orde.
En wat behelsde dat stuk? Dat hij afstand doen zou van het prediken. Nu,
zij moesten het zelf maar weten, maar, zoo waar als de waarheid waarheid
was, zoodra hij losgelaten werd zou hij weer dadelijk aan het prediken
gaan. De griffier en de klerk maakten toen zijn vonnis gereed, want hij
moest naar de gevangenis. Toen hij werd weggeleid kwam dr. Lidall, een
oude kennis van hem, de gerechtszaal binnen. Eene zeer zonderlinge
samenspraak had plaats. De dokter noemde hem een afstammeling van den
welbekenden kopersmid Alexander, die de apostelen tegenstond. Bunyan
herinnerde den dokter evenwel dat de apostelen werden tegengestaan door
priesters en farizeën even goed als door koperslagers, en dat er
hoogstwaarschijnlijk afstammelingen van deze priesters en farizeën dicht
in de nabijheid waren. Lidall was buiten zichzelven van boosheid en ging
heen, een strenge straf voor Bunyan vragende. Maar deze legde zijne
woorden uit met ernst en bescheidenheid. De uitslag was dat hij op den
13^{en} November voor de groote kerkelijke overheid van Engelands kerk
werd veroordeeld.
Nog eene poging werd aangewend om hem te redden. Een zekere heer Forbes
wendde alle moeite aan om hem te overtuigen, dat hij best deed allen
geestelijken arbeid op te geven. Met vriendelijkheid en ernst beweerde
hij, dat hij volstrekt geen reden en nog minder recht had om te gaan
prediken. Maar deze redeneering werd op eene zeer onderdanige, maar
tevens standvastige manier tegengesproken. „Weg met hem naar de
gevangenis!” dat was het slot.
Zoo vertrokken zij dan, en hij verliet het gerechtshof, groote moeite
hebbende om te verzwijgen, dat hij den vrede Gods met zich mededroeg:
maar hij hield zich stil en betrad de gevangenis met groote vertroosting
in zijn gemoed.
Bij de eerstvolgende zitting van het hof werd eene aanklacht tegen hem
ingebracht, waarin hij werd beschuldigd van zich op duivelaardige en
verderfelijke wijze te hebben onthouden van de openbare
godsdienstoefening in de kerk, en in plaats daarvan allerlei oefeningen
en gezelschappen te hebben gehouden vlak tegen de wetten des lands in.
Hem werd vergund een advocaat te nemen, die voor hem pleitte, maar dit
weigerde hij. Wat hij te zeggen had vermocht hij zelf wel te zeggen. In
eene beteekenis van het woord, die zeker niet de slechtste was, kon hem
geen verzuim der godsdienstoefeningen worden vermeden, integendeel
bezocht hij ze zeer getrouw. Maar ging hij dan wel naar de dorpskerk of
de stadskerk? Neen; de reden waarom kon hij ook duidelijk uiteenzetten.
Het haalde hem buitendien spot en verachting genoeg op den hals, dat hij
de „groote kerk” voorbijging, en menigmaal kwam hij in verzoeking op dit
punt, maar Bunyan bleef zijn ouden gang gaan en liet zich niet van zijn
stuk brengen. Hij was geen vijand van het gouvernement. Hij beleed
plechtig, dat hij nog tot die ouderwetsche vaderlanders behoorde, die er
zich op toelegden God te vreezen en den koning te eeren. Maar hij durfde
den Koning der koningen niet ongehoorzaam zijn, en daar deze verordend
had, dat iedereen moest handelen naar de mate der gaven hem geschonken,
zoo moest ook hij, gevangene, het Woord Gods bedienen. Hij was even
bereid als ieder der rechters op de groene kussens daar voor hem
gezeten, om aan den keizer te geven wat des keizers was; maar hij mocht
de dingen Gods aan den keizer niet geven. Zoo was dan zijne straf
onvermijdelijk en luidde zijn vonnis opnieuw: „Gij moet terugkeeren naar
de gevangenis, en daar drie maanden in zitten; aan het eind van die drie
maanden, wanneer gij u niet onderwerpt, eerbiedig naar de kerk gaat en
belooft u van prediking te onthouden, moet gij uit het koninkrijk
verbannen worden, en wanneer gij dan na een bestemden dag, die u zal
worden medegedeeld, nog in dit koninkrijk vertoeft, zult gij zonder
genade worden opgehangen.” En zoo kreeg de gevangenbewaarder dan Bunyan
weder in den kerker.
Die kerker was een van de jammerlijkste uit het geheele koninkrijk; hij
zelf noemde haar „een hol”. Daar waren slechts twee cellen in op eene
binnenplaats, waterpas gelegen met den oever der Ouse. Dertig personen
zouden er in hebben kunnen vertoeven, maar meermalen waren er zestig dag
en nacht bij elkander opgesloten. Voor een man van twee en dertig jaar
oud, gewoon aan de vrije beweging in de vrije lucht, moest zulk een
nauwe opsluiting dan al zeer onverdragelijk wezen. Eene enkele week daar
doorgebracht zou voldoende zijn om zijn besluit te doen wankelen. Hij
zou zulk eene vernedering en jammer voorzeker kwalijk langer kunnen
uithouden. Als er hem maar de gelegenheid toe geboden werd zou hij wel
spoedig herroepen. Zoo dachten de rechters en daarom zonden zij den
vrederechter om hun gevangene van hunne goede bedoelingen jegens hem te
verzekeren, en hem toch over te halen van hunne kwijtschelding gebruik
te maken, door maar alleen dit eene te beloven: niet meer te prediken.
Die heer drong daar sterk bij hem op aan. Hij zeide onder anderen, dat
het toch wel zonde en jammer was, dat zulk een man dáar moest zitten
onder gauwdieven en schelmen; maar het zou nog veel erger worden,
wanneer de rechtsdag weder aanbrak, want dan werd het nog harder vonnis
uitgesproken. „Het zal slecht met u afloopen,” zeide Cobb; „men zal u
inderdaad uit ons land wegjagen of nog erger dan dat.”
Het gesprek duurde vier uren, maar het had geene uitwerking. Paulus
erkende, dat de machten, welke in zijne dagen leefden, uit God waren en
toch werd hij meermalen in de gevangenis gezet. Jezus Christus zeide tot
Pilatus, dat hij geen macht over Hem zou gehad hebben als het hem van
boven niet gegeven was, en toch stierf hij onder Pilatus; en toch hoopte
de gevangene, dat de vrederechter niet zou durven zeggen: Paulus en
Christus verzetten zich tegen de overheid. De wet gaf twee wegen aan de
hand, waar langs zij gehoorzaamd kon worden. In gevallen, die voor het
geweten des menschen duidelijk als recht en billijk te boek stonden, was
hij ook verplicht volstrekt en onmiddellijk te gehoorzamen, en Bunyan
wilde dit doen zelfs al moest het zijn leven kosten. Maar in gevallen,
waarin des menschen geweten gekwetst werd, moest hij lijdelijk
gehoorzamen, en dus alles dragen wat hem opgelegd werd met geduld en
onderworpenheid. En ook hiertoe was Bunyan bereid tot den dood toe.
Toen Cobb aldus het vaste besluit van den gevangene vernomen had, zat
hij stil neder en zeide niets meer. De gevangene bedankte hem voor zijn
vriendelijk en aangenaam gesprek, en zoo vertrokken zij met het gebed,
dat zij elkander in den hemel mochten wederzien. Hoe walgelijk en
ongezond het hol ook wezen mocht, Bunyan keerde derwaarts weder om de
gevolgen af te wachten.
Het gebeurde daarna, dat er eene kroning plaats had, en volgens de
nationale gewoonte verkregen alle gevangenen, alleen de allerergste
uitgezonderd, de vrijheid terug. Voor Bunyan echter was er geen pardon.
Zijne vijanden wisten hem als zóo gevaarlijk voor het algemeen belang af
te schilderen, dat zijne hoop werd teleurgesteld en hij gevangen bleef.
Zijne vrouw -- omstreeks een jaar vóor zijne gevangenneming was hij
hertrouwd -- begaf zich met een rekest naar Londen, maar er kwam niets
van terecht. De eenige kans, die nog overbleef was het met de rechters
te beproeven, die aangekomen waren om in den rechtsdag zitting te nemen.
Zij zouden uit kracht van het kroningspardon hem kunnen vrijlaten. Bij
hunne aankomst begeerde hij tot hen te mogen gaan en van hen
kwijtschelding der straf te vragen, maar hij mocht niet naar hen gaan.
Nu bleef alleen over dat zijne vrouw gaan zou. Goedhartig en verstandig
als zij was, verkreeg zij toegang tot de rechters, zelfs meermalen, en
zij bracht het zelfs zoover, dat zij een lang gesprek met haar voerden.
Goed en warm bepleitte de vrouw de zaak van haar man; maar ofschoon de
president der rechtbank inderdaad met hare droefenis begaan was, hij
wilde toch niet voor haar tusschenbeiden treden. Er waren wel een paar
wegen, langs welke het vonnis kon vernietigd worden, maar zij had de
middelen niet om deze dure processen te voeren, en daarom duurde de
gevangenschap voort.
Opdat hij zichzelven van onderhoud zou voorzien en ook nog iets voor
zijn huisgezin verdienen, werkte Bunyan als schoenlapper in de
gevangenis, en kreeg daarvan meer te doen dan hij af kon. Bij
tusschenpoozen las hij in de weinige boeken, die onder zijn bereik
waren, maar het Woord Gods ging boven alles en werd geregeld onderzocht.
[Afbeelding: DE OUDE GEVANGENIS TE BEDFORD.]
Weder werden pogingen aangewend bij den volgenden rechtsdag en ook bij
het Hof der Gezworenen, om hem in vrijheid te krijgen. Onveranderlijk
werd de vraag gesteld: „Wil hij het prediken opgeven?” Wilde hij dit,
dan was er geen hindernis. Maar dat wilde hij niet laten, daarom bleef
die hindernis bestaan. Zes jaren lang bleef hij in ditzelfde hol toeven,
en verduurde daar al de vuiligheid en ongezondheid, welke eene eeuw
later Howard, den vriend der gevangenen, aanleiding gaf op welsprekende
wijze hun lot als onuitstaanbaar te schetsen.
Er kwamen tijden, waarin hij geheel ter neergeslagen was. De scheiding
van zijne vrouw en hulpbehoevende kinderen neep hem menigmaal als het
ware het vleesch van de beenderen, en dat niet alleen omdat hij zoo
innig aan hen was gehecht; maar ook omdat zij maar al te zeer, ook
uitwendig, in zijn lijden deelden, en hij hen door vrij te wezen had
kunnen onderhouden. „Arm kind!” zeide hij tot zijn blinde dochter, „welk
een smart hebt gij toch in deze wereld voor uw deel gekregen! Gij moet
honger lijden. Koude en naaktheid en duizend andere jammeren komen
daarbij, ofschoon ik voor mij niet verdragen kon, dat de wind op u
blies.” Maar weer tot zichzelven komende, kreeg hij nieuwe kracht en gaf
al zijn hulpelooze kleinen in Gods hand. Hij liet zijn huis op vrouw en
kinderen nederstorten, maar het moest zoo zijn en kon niet anders.
Hij begreep zeer goed, dat hij eindelijk van zijn land en volk zou
verbannen worden en in den vreemde sterven, of dat zijne gevangenis in
de galeien eindigen zou; maar toch kon hij zijn recht niet opgeven om
het Woord Gods te prediken. Verlossing uit zijn lijden zou hem zeer
aangenaam geweest zijn, want hij zuchtte er vaak onder, bezwaard zijnde;
maar hij mocht die niet betalen met ontrouw aan Christus.
Twaalf jaren lang duurde zijne gevangenis; sommigen zijner cipiers waren
hem vriendelijk en toegenegen, anderen daarentegen onvriendelijk en
lastig. Aan de vriendelijkheid van sommigen moet het toegeschreven
worden, dat hij nu en dan de gevangenis mocht verlaten. Niet slechts
werd het hem in zijn kerker meer dragelijk gemaakt, maar zelfs werd hem
soms verlof gegeven zijne broeders te gaan bezoeken, nadat hij beloofd
had op zijn woord van eer terug te keeren. Deze zaak werd verklapt en op
zekeren avond werd een bode door de overheden gezonden om den cipier
wakker te roepen en hem te vragen Bunyan eens te laten voor den dag
komen. Nu gebeurde dit juist op een dag dat Bunyan uit geweest was, maar
hij stond onmiddellijk gereed en ontmoette den bode. Zoo was toch alles
in orde. Slechts een uur tevoren was hij teruggekeerd, en dat wel zeer
haastig, want hij had aan zijn hart gevoeld, dat zijne vijanden hem op
het spoor waren. Welke vriendelijkheden hunne ondergeschikten hem ook
mochten bewijzen, de overheidspersonen en regeerders wisten van geen de
minste barmhartigheid.
Ten langen leste daagde er toch verlossing op. In Maart van het jaar
1672 vaardigde de koning een besluit uit, waarbij alle dissenters
(afgescheidenen), uitgezonderd de Papisten, vergunning kregen openbare
godsdienstoefening te houden, aan zulke plaatsen en onder zulke leeraars
als van tijd tot tijd zouden worden erkend. De bedoeling van dit besluit
was de invrijheidstelling der afgescheidenen, die op verschillende
plaatsen in de gevangenis zaten. Daarom werden nu ook pogingen gedaan om
hunne loslating te bewerken, in het bijzonder door vele Kwakers, wier
broeders het grootste getal der lijders om des gewetens wille
uitmaakten. Door de onvermoeide en kostbare nasporingen van George Offor
zijn feiten ontdekt, die vele onder het volk verspreide en algemeen
geloofde misvattingen over de wijze, waarop deze lijders in vrijheid
kwamen, aan het licht hebben gebracht, en tevens is de ware toedracht
der zaak geopenbaard. Al die gebeurtenissen zijn door Offor in eene
meesterlijk geschreven levensschets van Bunyan opgenomen. Wat hier nu
volgt geeft er eene korte opsomming van.
„Gij hebt mij wel meer gezien,” zeide een afgezant der Kwakers tot
koning Karel. -- „Waar dan?” -- „Aan boord van het schip, dat u veilig
naar Frankrijk overbracht na het gevecht van Worcester.” -- „Ja, dat
herinner ik mij.” -- „En herinnert gij u dan niet, dat een kaper ons
nazat, en dat sommigen onzer u naar den oever roeiden, en dat éen onzer
u op de schouders nam, door het bruisende water waadde, en u hoog en
droog naar een naburig dorp droeg?” -- „Ja wel”. -- „De man, die u toen
op de schouders droeg, was ik, en nu kom ik u vragen, dat gij toch
vriendelijk handelen wilt met mijne broeders in hunne droefenis, zooals
wij toen vriendelijk geweest zijn jegens u.”
De koning herinnerde zich die gebeurtenis volkomen. Deze man, Richard
Carver, was bij een groot gevaar een vriend in nood geweest. Hij
verdiende wel eene belooning, dat was waar; maar dissenters waren zoo
dweepachtig, dat als men hen uit de gevangenis liet, zij dadelijk alles
weer zouden doen als tevoren, en dus spoedig naar den kerker
teruggezonden worden. De oude zeeman zette echter zijn pleidooi voort en
beduidde den koning, dat de wetten, die hen weder naar de gevangenis
terug zouden zenden, slechte wetten waren, die herroepen dienden te
worden. De goedhartige koning Karel vergunde den Kwaker zijn verzoek
nogmaals te mogen herhalen. Geen tijd werd verspild, en andere Kwakers
voegden hun smeekschrift bij dat van Carver, terwijl deze zijn rekest
uitstrekte tot alle afgescheidenen van welken naam ook.
Eenig uitstel had plaats, maar op den 13^{en} September van het jaar
1672 werd een bevelschrift geteekend, waarbij John Bunyan vrij verklaard
werd. Hij bevond, dat zijne zaak geheel verloopen was, en dat hij weer
van voren af aan beginnen moest alsof hij pas op de wereld kwam. Vóor
zijne bevrijding was hem een verlofschrift van den koning gezonden, ’t
welk behelsde, dat hij prediken mocht, en daar de predikant Gifford dood
was, zoo werd door diens gemeente besloten, dat hij hun herder en
leeraar worden zou, ingeval hij in hunne begeerte bewilligde.
Volgens de aanwijzingen der apostelen was hij de gevangene des Heeren
geweest. Hij had met vreugde de berooving zijner goederen aangezien,
zijn leven niet dierbaar achtende voor hemzelven, opdat hij het Hoofd
der gemeente mocht navolgen. Het verbod dat hij niet prediken mocht, was
eene onteering geweest, eene schande Christus aangedaan. Het verbod om
vrij uit het hart te mogen bidden was eene onteering van den Heiligen
Geest. Hij had geen ander doel gehad dan pal te staan voor de eere Gods.
Zijne gehoorzaamheid aan de hemelsche overheid noodzaakte hem tot
ongehoorzaamheid aan de aardsche overheid. Hij kon de clericale wet niet
houden omdat die met de goddelijke wet streed. Hij ging naar de
gevangenis en daar zou hij tot aan zijn dood gebleven zijn; niet
aangevuurd door eene dwaze dweepzucht of wanhopige partijzucht, maar uit
diepen eerbied voor God en zijn Woord. Als ziende Hem, die onzichtbaar
is, gaf hij het groote voorrecht niet op zijn hart ongedwongen te mogen
uitstorten voor den Heere, of durfde hij de bediening, die hij van den
Heere Jezus ontvangen had, vaarwel zeggen, wel wetende, dat het
Evangelie zich openbaart als eene genadekracht Gods.