ZIJNE BEKEERING EN BELIJDENIS.

Zijn handwerk bracht hem eens naar Bedford, en gelukkig was het voor

hem, dat hij zijne bezigheden op straat had. Een paar arme vrouwen zaten

daar aan hare deuren toen hij voorbijkwam. Het gebeurde nu, dat hij zijn

kruiwagen daar vlak bij neerzette en haar gesprek afluisterde. Zij zagen

er zoo godsdienstig uit, en misschien was er ook voor hem wel

gelegenheid om een gesprek met haar aan te knoopen, waartoe hij op dit

oogenblik wel geneigd was. Toen hij daar zoo luisterend neerzat werd hij

verbaasd. Geen preek in de kerk van Elstow had hem ooit van de

noodzakelijkheid der wedergeboorte ingelicht, noch over de arglistigheid

van het menschelijk hart of de aanvechtingen van den booze, of de genade

van den Heiligen Geest, noch ook over de souvereiniteits Gods en zijne

barmhartigheid in Christus Jezus gesproken. De zaken, welke deze vrouwen

bespraken grepen hem nu met alle kracht aan. In geval zij waarheid

spraken, dan ontbrak hem ten eenenmale elk kenmerk van een echt godzalig

man. En toch scheen alles zoo waar te wezen. Die vrouwen waren zoo

eenvoudig in hare manieren en zoo gelukkig; er was zulk eene zalving in

al wat zij zeiden, dat hij wel moest toegeven, dat zij zeer verstandig

en oprecht waren.

Toen zij haar gesprek geëindigd hadden, was het werk aan den kruiwagen

gedaan. Het had wel lang geduurd, want het werd telkens afgebroken daar

hij met zijn gansche ziel belangstelde in dat gesprek; maar nu was hij

ook gewillig om zich alleen in Jezus Christus te beroemen en het

vertrouwen in het vleesch, dat hij tot dusverre koesterde, op te geven.

[Afbeelding: BUNJAN LEEST LUTHERS SCHRIFTEN.]

Bunyan zocht kennis te maken met deze onwaardeerbare vriendinnen. Zij

waren zeer vriendelijk en gedienstig, en deden al haar best om hem den

weg Gods bescheidenlijk en volledig uit te leggen. Twee uitwerkselen

sproten daaruit voort -- het eene was: een groote weekheid en teederheid

des harten om aan te nemen, wat de Heilige Schrift leert, en het andere

een voortdurende geneigdheid van het gemoed om over de dingen, die hij

hoorde en las na te denken en te peinzen. Het Schriftwoord stond nu aan

hem vervuld te worden, dat hij de waarheid zou verstaan en dat de

waarheid hem vrij zou maken. Maar die geesteswerking ging slechts

langzaam voort. Eenige lieden, die de genade Gods veranderden in

ontuchtigheid, ontmoetten hem, en deden hun best om hem met hunne

dwalingen te besmetten. De duivel bracht hem bovendien in grooten strijd

evenals het kind, dat door de booze geesten werd gescheurd en gekweld,

toen de vader het tot Jezus wilde brengen. Welk recht had hij om te

zeggen, dat hij het ware zaligmakende geloof bezat? Hij bezat niet het

minste bewijs, dat hij tot de uitverkorenen behoorde. Hij kon niet weten

of de dag der genade voor hem niet reeds voorbij was.

Op deze aanvechtingen antwoordde hij zoo goed hij kon. Hij worstelde

dikwijls, maar nu en dan lag hij onder. „Doe eens een wonder,” zeide de

ingeving des boozen op zekeren morgen tot hem. „Zeg tot de diepe poelen

in de waadplaats der paarden dat ze droog worden, en tot het droge: word

een modderpoel.” Hij was reeds bezig dit bevel in Gods naam uit te

voeren, toen de gedachte in zijn hart opkwam: ga eerst eens onder

gindsche heg op uwe knieën liggen en bid God, dat Hij u bekrachtige. Dit

uitstel was zijne redding; hij bemerkte het gevaar en ontsnapte er aan.

„Houd maar niet vast aan uwe hoop,” was de inblazing van den volgenden

dag. „Als God u in zijne oneindige barmhartigheid niet heeft uitverkoren

tot een vat ter eere en ter barmhartigheid, helpt al uw werken en bidden

en zwoegen niet met al.” Hij zag het groote bezwaar, dat zich aldus

krachtig aan hem voordeed, en stond er voor. Weken lang was hij ter

neder geslagen en gedrukt, tot op eenmaal een tekst der Schriftuur in

zijn hart kwam, die betrekking had op het eenvoudig komen tot God en

zich aan Hem toe te vertrouwen. Deze woorden vertroostten hem wel zeer

en strekten hem tot aanmoediging, maar tot zijn spijt kon hij ze in zijn

Bijbel niet vinden. Hij zocht overal en zette ook anderen aan het

zoeken, maar er ging meer dan een jaar voorbij eer die woorden waren

gevonden, on toen kwam het uit, dat ze in de Apocryfe boeken stonden.

Daar nu de Apocryfe boeken volstrekt geen gezag hadden, gaf hij ook al

den moed weer op tot hij weldra tot de ontdekking kwam, dat een bijna

gelijkluidende tekst in de wezenlijke Heilige Schrift stond, en daarop

kon hij nu staat maken. Zoo bracht hij dan den booze tot zwijgen. Hij

mocht zich aan God toevertrouwen en alle geslachten van oudsher

getuigden dat iemand, die dat deed, niet beschaamd zou worden. O, hij

stelde al zijne hoop op den Heere, en vermocht niet uit te spreken met

welk een smachtend verlangen der ziel hij tot Christus riep om hem te

redden, opdat hij toch eindelijk eens bekeerd mocht worden.

Tot op dezen tijd hield hij zijne geestelijke worsteling voor

zichzelven. Maar ten laatste deed zich eene gelegenheid voor, waardoor

hij bewogen werd om zijn hart eens uit te storten voor die arme vrouwen

te Bedford, die hem zoo vriendelijk in de waarheid hadden ingeleid. Zij

luisterden met toegenegenheid naar zijne verhalen en antwoordden dan ook

naar hun beste weten. Maar het duurde niet lang of zij moesten hem het

antwoord schuldig blijven, niet wetende hoe zulke mysteriën konden

worden opgeklaard. Misschien zou hun leeraar, de predikant Gifford, hem

terecht kunnen helpen. Zij verzochten dien te mogen spreken en wisten

ook te bewerken, dat Bunyan ten huize van dien leeraar uitgenoodigd

werd. Niets beters had kunnen gebeuren. Giffords helder oordeel en

uitgebreide kennis brachten de weelderige, ja onstuimige

verbeeldingskracht van zijn nieuwen vriend onder tucht en beperking.

Gezelschappen, die hij met zijne gemeenteleden in het bijzonder hield,

waarop gehandeld werd over de wegen des Heeren met zijn volk, en die

dienen moesten tot hunne geestelijke opbouwing, werden door dezen

getrouwen dienstknecht reeds sedert lang gehouden, en tot deze

gezelschappen werd nu ook de ketellapper van Elstow toegelaten. Vele van

zijne misvattingen werden ongemerkt verbeterd, en een dieper besef van

wat eigenlijk de wil Gods is, wortelde in zijn gemoed. Hier werd hem

vooral aangeraden zijn hart te gewennen aan meer onbepaalde en innige

gehoorzaamheid aan den Geest Gods, zooals deze zich openbaart in zijn

heilig Woord.

Het eerste gevolg hiervan was eene vernieuwing zijner droefenis. Het

kwam hem nu voor, dat hij een zeer groot zondaar was. Hoe meer hij

hierover nadacht, des te meer beefde hij. Hij werd overstelpt door de

kracht en den invloed zijner onstuimige verbeelding. Het kwam hem voor,

dat hij gelijk was aan een kind, dat eene of andere bedelares onder haar

lompen verborgen had om daarmede weg te loopen ver van vrienden en

magen. Hij hoorde eene stem achter zich aanroepen wel een halve mijl

ver. Hij oordeelde, dat de toestand van een hond of een pad vrij wat

verkieselijker was dan de zijne. Hij zou duizend pond sterling hebben

willen geven voor een enkelen traan. Hij was er nu zeker van, dat hij

van den duivel bezeten was.

Toch bleef hij temidden van dit alles aanhouden in het gebed en in zijn

onderzoek der Heilige Schrift, op hoop tegen hoop hopende. Het gebeurde

eens, dat hij zeer droevig in de woning van een buurman zat, toen het

woord op zijne ziel werd gedrukt: „Als God vóor ons is, wie zal dan

tegen ons zijn?” Spoedig daarop toen hij in het veld wandelde, kreeg hij

dat andere woord: „Vrede makende door het bloed des kruises.” Daarna bij

zijn eigen huiselijken haard zittende, viel hem dit woord in: „Overmits

dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij ook

desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door den dood teniet

doen zou dengenen, die het geweld des doods had.” Deze „druiven” zooals

hij ze noemde, of „kleine bezoekjes” of „aanrakingen” deden hem wel

goed; maar ze werden als bij Petrus gezicht op het dak spoedig weer

opgetrokken in den hemel.

Meer goed zou het hem echter gedaan hebben wanneer hij die vertroostende

woorden vastgehouden had, wanneer hij geloofd had dat zij van kracht

bleven en dienen konden om hem tot vrede te brengen. Hij lette veel te

veel op zijne gemoedsgesteldheid. De waarborg voor zijne vertroosting in

Christus en het anker zijner hoop lag niet in zijn gevoel, maar in de

goddelijke verzekering, dat Christus zijne zonden door zijne

zelfofferande had weggenomen.

Gedurende een korte tusschenpoos van evangelische rust, was het Bunyans

vurig verlangen toch eens de bevinding van een oud godzalig man te

mogen lezen, die honderd jaar vóor hem geleefd had. Het kwam hem voor,

dat de nieuwere godsdienstige boeken slechts dogmatisch en oppervlakkig

waren, en hunne schrijvers de diepten Gods niet kenden. Hem viel een

afschrift in handen van Luthers werk over den brief aan de Galaten. Het

was zóo oud, dat het bijna in stukken viel toen hij het vasthield; maar

hoe hardhandig hij ook wezen mocht door zijn ruw handwerk en den omgang

met den kruiwagen en zijn gereedschap, zoo ging hij toch zeer

voorzichtig om met dit handschrift en in korten tijd was het in zijn

bezit. Het kwam hem voor als een oude bekende; zoozeer was Luther een

man van gelijke bewegingen als hij. Geen boek ter wereld was hem zoo

dierbaar als dit, uitgezonderd de Bijbel.

Deze vreedzame tusschentijd was maar kort, en de volgende aanvechting

was eene van de allerergste. Gedurende een geheel jaar en bijna zonder

tusschenpozen werd hij verzocht om Christus te verkoopen. Dit

vreeselijke denkbeeld werd door hem gekoesterd met eene bepaaldheid, die

wij ons maar kwalijk kunnen verbeelden. Op zekeren morgen op zijn bed

liggende, werden de woorden door hem gehoord: „Verkoop hem, verkoop hem,

verkoop hem!” en dat met eene duidelijkheid of eene menschenstem tot hem

sprak. Hij gaf ten antwoord: „Neen, neen, voor geen duizenden en

millioenen!” Maar ten laatste, nadat hij er lang en breed over had

nagedacht ging het door zijn ziel: „Laat Hem dan maar varen als Hij weg

wil!” en hij gevoelde, dat zijn hart hierin volkomen toestemde.

Nu bleef er niets over dan de worm, die nooit sterft. Hij plofte neer

evenals een vogel, die uit den top van een boom werd geschoten, in

verschrikkelijke wanhoop en vertwijfeling, en twee jaren lang leed hij

een nameloos leed. Nu en dan kwamen woorden van Christus hem weer een

weinig hoop geven, maar dit duurde slechts kort en dan klonk het weer in

zijn binnenste: „Gij hebt uwen Zaligmaker verkocht en daarom zijt gij

verdoemd.”

Dit voorval was zeker van een zonderlingen aard: het verdient, voorwaar!

in geen opzicht navolging, maar kan ons beter en dieper inzicht geven in

den jammerlijken toestand van ons eigen hart, en het zondige der zonde

duidelijk in het licht stellen. Ook kan het ons inleiden in de

verleidingen des satans, onzen grooten vijand, die nimmer slaapt of

sluimert.

Bunyan verhaalt een anderen toestand van tijdelijke verademing, waarvan

hij zelf niet weet hoe hij dien noemen zal. Toen hij weder op het punt

stond van angst en kommer in een te krimpen, was het hem of hij door de

vensters het gesuis van eenen wind hoorde, die met een liefelijke stem

tot hem sprak: „Waart gij ooit weigerachtig om door het bloed van

Christus gerechtvaardigd te worden?” Zijn hart antwoordde rondborstig:

„neen.” Toen viel dat andere woord met kracht op zijne ziel: „Ziet toe,

dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt.” Dit maakte een zonderling

diepen indruk op zijn geest, en legde al die verontrustende gedachten

het zwijgen op, die, als losgelaten helhonden, hem onophoudelijk

aanblaften en tegengrijnsden. De kracht van dit teeken hield drie of

vier dagen aan, en toen begonnen de oude twijfelingen weer.

Later echter kwam hij tot wezenlijke en voortdurende bevrijding. Terwijl

hij over een weiland liep, viel dat woord krachtig in zijne ziel: „Uwe

gerechtigheid is in den hemel.” Met het oog zijns geloofs zag hij Jezus

aan de rechterhand Gods gezeten, als zijne eigen persoonlijke

gerechtigheid, zoodat waar hij ook was en wat hij ook deed, God nooit

tot hem zeggen kon: „Gij mist mijne gerechtigheid,” omdat deze altijd

voor Gods oog blonk in Christus, die éen is met zijn volk. Niet de goede

gesteldheid des harten van den geloovige maakt zijne gerechtigheid uit,

ook maakt zij die niet grooter of beter, evenmin minder of slechter,

sedert Christus zelf er borg voor staat, die gisteren en heden dezelfde

is. Niets minder dan eene poort des hemels was dat weiland voor Bunyan.

Toen en daar geraakte hij uit de slavernij der eigengerechtigheid en van

het inwonend bederf in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods.

Hij somde nu in zijn geest al de tekortkomingen op, die voor zijne

rekening lagen, en daaruit besluitende tot de zwakheid van zijn geloof

in het gebed, de onverschilligheid van zijne ziel voor het voortdurend

gevaar, waarin zij verkeerde, zijne verkeerde handelwijze om God als het

ware de wet voor te schrijven in de behandeling van zijn geestelijk

leven, bemerkte hij, dat hij toch nu van veel dwaling en wangestalten

verlost was, en dat hij evenals Job na zijne rampspoeden en strijd

dubbel gezegend was en wel tweemaal zooveel bezat als hij eerst had

bezeten. Een zeer karakteristieke uitspraak wordt in zijn levensbericht

gevonden, deze namelijk: sprekende over de dierbare woorden van Jezus:

„Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen,” zegt hij: „O, over dat

Johannes zes, dat gezegende woord, heb ik heel wat met satan te

worstelen gehad, eer ik het mijn eigendom noemen mocht.”

Het was voor anderen reeds lang duidelijk geweest, dat hun vriend Jezus

toebehoorde, maar nu geloofde hij het zelf ook. Wel vermocht hij niet

met juiste zekerheid het oogenblik aan te geven, waarop hij volkomen

werd veranderd en omgezet, maar dat hij werkelijk in God leefde stond nu

bij hem vast.

Het eerste wat hij nu uit de Heilige Schrift leerde, was Christus voor

de menschen te belijden. Daarom openbaarde hij nu ook zijne begeerte om

tot de kerk zijner keuze over te gaan, om daarin te wandelen volgens

Christus’ bevel. Hij werd met liefde ontvangen, en nadat hij gedoopt was

werd ook hij opgenomen onder de leden van die gemeenschap. Toen hij deel

nam aan het Heilig Avondmaal was het hem, of hij ingedompeld werd in de

kracht van Christus’ dood. Zeer dierbaar waren hem de woorden: „Doe dat

tot mijne gedachtenis.”

Omstreeks dien tijd werd hij aangetast door eene krankheid, die wel

longtering scheen te wezen. Hij herstelde, maar stortte weder in, tot

hij eindelijk volkomen genas en toen zeer sterk werd. Gedurende zijne

krankheid maakte hij weder verscheidene bevindelijke toestanden door;

maar over het algemeen mocht hij zich toch in den Heere verblijden.

„Vrouw,” zeide hij, toen hij in beterschap toenemende bij den haard zat,

„staat er ergens in de Schrift dit woord: „Ik ben tot Jezus gekomen?””

Zij herinnerde het zich niet. Daarna zochten zij eenige minuten met

elkaêr, toen een tekst uit de Hebreën in zijne gedachten schoot. „Vrouw,

nu weet ik het: ja ik weet het: „wij zijn gekomen tot Jezus den

middelaar van het Nieuwe Verbond.”” Toen ging hij weder naar zijn bed,

maar hij kon moeielijk stil blijven liggen, zooveel genoot hij in den

Heere zijn God.

Toen zijne gezondheid hersteld was, nam hij met allen ijver de plichten

waar, die aan zijn lidmaatschap waren verbonden, zijn leeraar ter zijde

staande in de godsdienstige gezelschappen en bijeenkomsten en bij het

krankbezoek. Zijne geschiktheid tot dit werk was zoo klaarblijkelijk,

dat zijne medeleden hem met algemeene stemmen tot diaken zijner kerk

aanstelden. Aldus bediende hij nu het heiligdom als koster en deed

dienst als diaken voor armen en kranken. Nadat hij zijne woonplaats van

Elstow naar Bedford had overgebracht, nam hij die betrekking aan en

diende daarin trouw.

Omstreeks dezen tijd werd hij weduwnaar; maar de omstandigheden,

waaronder dit plaats vond, zijn ons niet bekend.

Een oogopslag in het notulenboek van den kerkeraad van Bedford kan ons

overtuigen, in welke hooge achting hij stond bij zijne broederen. „Bij

gelegenheid eener bijeenkomst, gehouden op den 27^{sten} der zesde maand

van ’t jaar 1657, was de diakendienst door John Bunyan verricht

overgedragen aan John Pernie, omdat hij niet langer zijnen dienst kon

vervullen, daar zijn tijd zoo bezet was met het prediken des Woords.”

Eenige zijner medeleden hadden begeerd, dat hij hun een woord ter

opwekking zou toespreken in hun bijzonder gezelschap, en ofschoon hij er

zeer tegen op zag, was het toch gebeurd en werd het allen daarna

duidelijk welke uitnemende gaven hij had voor dit werk. Nu werd hij

menigmaal uitgenoodigd op de naburige dorpen te prediken. Nauwelijks had

dit eenige maanden zoo voortgeduurd, toen zijne geschiktheid en

bekwaamheid op dit punt zóo treffend aan het licht traden, dat zijne

medeleden niet langer aarzelden om hem tot de bediening des Woords te

beroepen.

Zij spraken hierover met den leeraar der gemeente, die hunne overtuiging

in deze deelde. De uitslag was, dat na ernstig en plechtig gebed, met

vasten verbonden, John Bunyan werd geordend tot de openbare

evangelie-prediking. Met groote vreeze en onder veel beving bij het

gezicht op zijne eigen zwakheid, schikte hij zichzelven tot dezen

arbeid, echter niet zonder veel aanmoediging en vertroosting, die de

Heilige Geest hem uit de Heilige Schrift deed toekomen. Later werd hij

bij uitnemendheid aangemoedigd door den grooten toeloop, dien zijne

prediking wekte, waar honderden van alle kanten toestroomden. Velen

beleden met blijdschap, dat zij door hem waren wakker geschud, zoodat

het Woord Gods met kracht op zijn gemoed werd gedrukt: „De zegen

desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik

vroolijk zingen.” De nood was hem nu ook opgelegd en weldra klonk het in

zijn binnenste: „Wee mij, als ik u het Evangelie niet verkondig!” [Job.

29 : 13.]

[Afbeelding: BUNYAN WORDT GEVANGEN GENOMEN.]

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus · 第 7 / 56 题