De Markers worden, ofschoon zeer ten onregte, veelal voor een dom slag
van menschen aangezien. Van waar deze valsche beschouwing haren grond
ontleent, dit erkennen wij niet te weten, want, bij eene meer gezette
beschouwing dezer lieden, en uit den dagelijkschen omgang met velen
derzelve, blijkt ons juist het tegenovergestelde.--Of zou men dwaas
genoeg kunnen zijn, om, welligt uit hunne eigenaardige kleederdragt,
en uit hunne, hier alleen inheemsche, gewoonten, dit ongunstig besluit
af te leiden: "Markers zijn dom en onbeschaafd?" Dit mogen wij niet
aannemen.
Wij zullen in deze korte schets ons bepalen met eenige voorname,
algemeene eigenschappen dezer Visschers op te geven. Daarna oordeele
de lezer in hoeverre de beschuldiging gegrond zij, dat deze Eilanders
als dom en onbeschaafd verdienen te worden aangemerkt.
1e. Misbruikers van sterken drank, worden onder deze Eilanders niet
gevonden, hetgeen daarom te meer verwondering baart, en te meer
verdient geprezen te worden, dewijl zij in hun bedrijf, met vele en
aanhoudende moeijelijkheden en ontberingen, te kampen hebben.
Wel wordt er jenever, brandewijn en anijs gedronken, doch dit heeft
slechts bij bijzondere gelegenheden plaats, zoo als bij Bruiloften,
Nieuwjaar, bij de terugkomst der Stuurlieden, enz., en dan nog wel in
zulk eene geringe hoeveelheid, dat het gansche verbruik van sterken
drank s' jaarlijks slechts eenige weinige kannen bedraagt.
2e. Ten aanzien van de zindelijkheid der Markers wordt meermalen een
ongunstig oordeel geveld, en is er wel eens aangemerkt dat deze "veel,
zeer veel te wenschen overlaat."
Wij meenen nogthans, ter voorziening in die aanmerking, wederkeerig te
kunnen aanmerken, dat, evenzeer als de reinheid van Broek in Waterland
vergroot wordt, ook de onzindelijkheid der Markers meer in naam,
dan wel in de daad bestaat.
't Is waar, dit moeten wij erkennen, ook op Marken zijn huisgezinnen
aan te wijzen, waarin men te vergeefs naar eenig spoor van reiniging
zoeken zal. Doch, waar vindt men de zulken niet? Wie wijst ons eene
gemeente aan, waarin geene huisgezinnen worden gevonden, waarin ten
deze opzigte, geene aanmerkingen zoude zijn te maken?
Over het algemeen echter, kan noch mag Marken van onzindelijkheid
beschuldigd worden, ten zij men welligt, de onreinheid der wegen
bedoele, gedurende den winter of bij regenachtig weder.
Als bewijzen van het door ons gezegde, meenen wij te mogen wijzen
op den toestand der vaartuigen. En inderdaad, deze is eenig en
voorbeeldig te noemen. Het voorkomen der botters en schuiten, zoo
als zij dáár, en vooral op Zon- en Feestdagen in de haven liggen,
heeft meer overeenkomst met eene vloot van pleiziervaartuigen, dan wel
van eene vloot van visschersschuiten, die, ook bij storm en onweder,
zee bouwen, en te vergeefs zal er naar slechts één vaartuig worden
gezocht, waarvan met grond gezegd zoude kunnen worden, dat er iets
op valt aan te merken, hetwelk tegen orde en reinheid zondigt; en
toch is alleen aan mannen die zorg opgedragen.
Het zal dus wel geen breedvoerig betoog behoeven, om onze lezers te
overtuigen, dat daar, waar de mannen zóó rein en zóó keurig op het
hunne zijn, de vrouwen (en dit ligt in den aard der zaak opgesloten)
vooral geene mindere reinheid, of minder zorg, op het hare aan
den dag zullen leggen. Men houde hierbij echter in het oog, dat de
meestal zeer bekrompene behuizing, het bij velen groot getal kinderen,
de ontbering van de hulp eener dienstbode, als ook de plaatselijke
gesteldheid zelve, als zoo vele oorzaken zijn aan te merken, die de
zindelijkheid der huismoeders bemoeijelijken, tegenwerken en minder
doen uitkomen, dan zulks veelal aan den vasten wal het geval is.
3e. Ook ten opzigte van hunnen ijver in hun beroep, leeren wij de
Markers van geene ongunstige zijde kennen. Immers van hun vroegste
jeugd af aan, tot zelfs in vergevorderden ouderdom, zijn zij
onafgebroken bezig in hun beroep, en dat zoowel in den barren winter
als in de zachte lente en warmen zomer.
Mannen, jongelingen, knapen, ja zelfs grijsaards, bevinden zich
steeds, bij vaarbaar weêr, ter zee, en komen zij, voor zoo veel de
botterlieden aangaat, slechts eenmaal per week, en wel des Zaturdags,
te huis, terwijl zij dan, wanneer er geene gelegenheid ter uitoefening
van hun bedrijf bestaat, hunnen tijd besteden tot het vervaardigen
en herstellen van de noodige netten en het onderhouden van hunnen
vaartuigen. Aan de vrouwen is, behalve de gewone huisselijke
werkzaamheden, de zorg opgedragen, voor de opvoeding der kinderen,
die meestal voor het grootste gedeelte door de vaders niet kan worden
waargenomen. Hun dagelijksch afzijn is hiervan de oorzaak. Voorts
behoort de vervaardiging van alle noodige kleedingstukken, ook van
die der mannen, tot der vrouwen werkkring, terwijl zij tevens den
hooibouw waarnemen, en het noodige garen spinnen voor het vischwand.
4e. Het is eene erkende waarheid, dat deze Eilandbewoners, in hooge
mate, zuinig zijn, op hunne bezittingen en inkomsten. Slechts zeer
weinigen zijn hiervan uitgezonderd. Van daar is het, dat deze Gemeente,
in vergelijking van andere Visschersplaatsen, meer welvarend en meer
bemiddeld is, dan vele andere. Een bewijs hiervoor, meenen wij te
kunnen vinden in de plaatselijke armoede. Voor vele andere gemeenten
toch, worden jaarlijks, en bij herhaling, liefdegaven opgevraagd
ten behoeve der vele noodlijdende ingezetenen, terwijl ten behoeve
der Markers nooit iets, het minste zelfs niet, wordt gevraagd. En
nogthans ondervinden ook deze, in gelijke mate als andere visschers,
het nadeelige en schadelijke, hetwelk, zoo door mislukte visscherij
als door vroeg invallende winters, wordt te weeg gebragt.
5e. Ook de belezenheid der Markers pleit ten gunste voor hun zedelijk
karakter; want de kennis van vele zaken, inzonderheid der Vaderlandsche
Geschiedenis, Aardrijkskunde en Rekenkunst betreffende, bewijzen
eenen weetgierigen aard en lust tot nuttige bezigheid.
Ook het getrouw bezoeken der school, getuigt, dat zij verstandelijke
ontwikkeling op prijs stellen; van de 190 à 200 schoolpligtige
kinderen, (wier schoolpligtigheid van het 5e tot het 14e jaar
ingesloten duurt,) komen er gemiddeld ruim 160 ter school. Eindelijk,
diegenen der Markers, welke zich op de beoefening van andere vakken
hebben toegelegd, zijn daarin allen naar wensch geslaagd, en toonen zij
nog dagelijks, dat zij in hunne betrekking zijn wat zij moeten zijn.
6e. Even gunstig leeren wij deze Eilanders kennen in hun huisselijk
leven. Bescheidenheid en onderlinge liefde wonen steeds bij hen in,
en indien ons gevraagd werd, of wij voorbeelden kennen van huisselijke
tweedragt, zoo zouden wij daarop ontkennend moeten antwoorden. [6]
7e. Eindelijk, in den omgang doen de Markers zich als eenvoudige
lieden kennen, in zoo verre namelijk, deze eenvoudigheid betrekking
heeft op hunne wijze van voorkomen. Zij zwijgen liever, dan te spreken
over zaken waarvan zij geene kennis hebben, terwijl datgene wat zij
spreken, doorgaans goed ter snede komt.
Over het algemeen stellen zij een levendig belang in al wat
Godsdienstig is, en getuigt hun oordeel over, en hunne bekendheid met
vele zaken dienaangaande, dat zij meer dan oppervlakkig bekend zijn,
met vele Godsdienstige en zedelijke werken.
Wij voegen hierbij nog de volgende bijzonderheden, waarmede wij deze
schets zullen besluiten.
Vooreerst, hunne huisselijke inrigting. Deze is, na den noodlottigen
watervloed van 1825, die overigens op Marken weinig schade heeft
aangebragt, over het geheel zeer bekrompen geworden, en onderscheidt
zich voornamelijk door het gemis van schoorsteenen. De meeste
woningen bestaan uit één woonvertrek, dat mede tot slaapkamer,
keuken en bergplaats voor de visschersgereedschappen dient. De haard
of vuurplaats vindt men doorgaans voor het grootste raam, en bestaat
uit een' plaat, die omgeven is met eene rei gewone vloertegels of
witte marmeren steenen; bij deze plaat staat een kleiner, in den grond
bevestigd, stuk plaatijzer, waartegen het vuur wordt aangelegd. Vlak
voor deze haard staat de tafel, waarbij veelal eenige zeer lage
stoelen. Een gat boven in het dak, de kist genaamd, trekt de rook
regt op, die zich verder boven in het huis, alwaar het vischwand
geborgen is, verspreid, en waardoor men dus beneden weinig of geen
hinder lijdt van den rook.
De woningen der Markers zijn voor het grootste gedeelte inwendig
niet geverwd, maar worden eenige malen 's jaars schoongemaakt en met
zuiver krijtwit bestreken. Behalve de woonkamer hebben sommigen nog
een afzonderlijk vertrekje, dat tot een zoogenaamd pronkkamertje dient,
en waarin het beste huisraad en de kleederen bewaard wordt.
Deze huisselijke inrigting is bij verreweg de meeste Markers dezelfde;
slechts een dertigtal woningen zijn er, waarin men eenen schoorsteen
aantreft.
Ten tweede. Ook de Kleederdragt der Markers is eenig en
bijzonder. Dezelve is een overblijfsel van den zoogenaamden Spaanschen
tijd, en nog op de huidigen dag, zegt men, dat de kleeding der
landlieden in Andalusië, veel met die der Markers overeenkomt. Zij
bestaat zoowel bij de vrouwen als bij de mannen, voor het grootste
gedeelte uit wollen stoffen, zoo als baai, duffel, bever enz.,
en is bij allen, zoo bij behoeftigen als meer gegoeden en rijken,
dezelfde. Het eenige teeken van meerdere gegoedheid of welvaren is
een tweetal knoopen, die zij in de kraag of boord van het hemd dragen;
de gegoedsten bezitten gouden, anderen zilveren. Eigenlijk onderscheid
van rang of stand is er niet zigtbaar.
Ofschoon er onder de Markers geene eigenlijke mode bestaat, zoo
heeft nogthans het gebruik de verwisseling der kleederdragt aan
eenige vaste regels gebonden. Zoo wil het gebruik, dat op kermis, bij
bruiloften, in bruidsdagen enz. de gewone kleeding plaats make voor
andere tooisels, die òf alléén op kermis, òf alléén bij bruiloften,
òf alléén in bruidsdagen enz. gebruikt mogen worden.
Ten derde. Alhoewel op Marken de uitspraak onzer taal vrij goed is,
zoo bezigt men er toch verscheidene woorden, die minder algemeen
verstaan worden. De voornaamste van deze zijn:
het woord bappe voor: grootvader,
het woord noom voor: oom,
het woord tutte voor: zuster,
het woord bort voor: borst,
het woord zeert voor: pijn
het woord schelig voor: leelijk,
het woord bas voor: mooi, (aangedaan),
het woord kniesse voor: knieën,
het woord gank voor: haastig,
het woord vider voor: emmer,
enz. terwijl zij, even als de Zeeuwen, de h dáár noemen waar zij niet,
en dezelve weglaten dáár waar zij al genoemd moet worden.