Veroorzaakt door het slecht beleid van de Hollandsche regeering, aangevuurd
door de kuiperijen van de Fransche clubs in België, mogelijk gemaakt door
het verbond der geestelijkheid met de vrijzinnigen, bekrachtigd door den
naijver en de hebzucht van Engeland en Frankrijk, is de Belgische
Omwenteling in hare gevolgen op zeer verschillende wijzen beoordeeld
geworden.
Ondanks de veroordeeling der Belgische Grondwet door Paus Gregorius XVI,
die de vrijheid van geweten «een pest en een geestverwarring» en die van
drukpers «eene verderfelijke ongeregeldheid» noemde (15en Augustus 1832),
trachtten de katholieken voor zich zelven, met volle handen, het rijkste
gewin uit de onbeperkte grondwettelijke vrijheden te putten; onafhankelijk
van alle tusschenkomst van den Staat en toch door hem bezoldigd,
bemachtigde de geestelijkheid alras het lager onderwijs door de stichting
van vrije scholen, en oefende een feitelijk gezag zelfs op de Staatsscholen
uit; het platteland werd door de priesters volkomen beheerscht, en men
weet, door talrijke tot het Congres gerichte protestaties, dat zij de
verkiezingen voor de gemeenteraden in persoon bestuurden. De clericale
partij vond dus in de gevolgen van de Omwenteling voordeelen die zij nooit
te voren had mogen droomen: ook behooren de eersten die de Revolutie in
hunne schriften verdedigden, Robiano de Borsbeek (1832), Nothomb (1833) en
De Gerlache (1839) tot de katholieke partij.
Robiano de Borsbeek, de agent der Jezuieten -- die, naar men beweerde, in
November 1829 ineens 80,000 frank van die orde ontvangen had om de
geestelijkheid tegen Koning Willem op te jagen -- na de wijze uiteengezet
te hebben waarop de katholieken, uit de door de Grondwet gewaarborgde
vrijheden, voordeel kunnen trekken, roemt de Constitutie onvoorwaardelijk.
Uit een liberaal standpunt noemt de groote liberale geschiedschrijver en
rechtsgeleerde Prof. F. Laurent de Omwenteling «de groote fopperij van
1830»: en ontegensprekelijk zijn de Liberalen in hunne Unie met de
Katholieken gefopt geweest, zooals het reeds bleek door de schoolwet op het
lager onderwijs van 1842.
Nog vóór het afkondigen der Grondwet zag men de kloosters, waarvan Jozef
II, de Fransche Revolutie en Willem I ons verlost hadden, alom weer
oprijzen. De geestelijke orden van beider kunne maakten zich de
regeeringloosheid te nutte om in der haast in de Zuidelijke Nederlanden
neer te strijken. Veel liever dan in Frankrijk te blijven, waar de
Jacobijnen van de Clubregeering hun een onverzoenlijken oorlog aandeden,
kwamen de Jezuïeten, die zoo krachtig de Revolutie geldelijk ondersteund
hadden, verder de Broeders der Christelijke Leering, de Kapucijnen en
andere monniken, mitsgaders talrijke nonnencongregaties, zich in ons land
vestigen; en sedert het midden van October werden de Vlaamsche gewesten
door een leger paters en nonnen van alle slag om zoo te zeggen overrompeld.
De wijsgeerige handelingen van L. de Potter en zijne vrienden, en de
liberale strekking van de hoogere geestelijkheid waren gelukkiglijk een
tegenwicht: anders zou de Belgische Omwenteling van 1830 eene tweede
verbeterde uitgave der clericale Brabantsche Omwenteling van 1789 zijn
geworden.
Uit een sociaal-œconomisch oogpunt was de Belgische Omwenteling, volgens
den geleerden staathuishoudkundige Emile de Laveleye een groote misgreep:
niemand zal betwisten dat de bestuurlijke scheiding tusschen Holland en
België, door het behoud van eene gezamenlijke vloot en van de uitvoerhavens
naar de Oostindische koloniën, voor handel, nijverheid en maatschappij
voordeeliger zou geweest zijn, dan de volkomen scheuring der Nederlanden.
De telkens terugkeerende crisissen, die voor koop- en werklieden dadelijk
na de Septemberdagen begonnen, zijn er het rechtstreeksch bewijs van.
Ook werd het Europeesch evenwicht er door geschokt, nu dat Frankrijk niet
meer in toom gehouden werd door het Koninkrijk der Nederlanden, zoodat
dezelfde Prof. E. de Laveleye de Belgische Omwenteling «eene misdaad tegen
de rust van Europa» heeft genoemd.
Maar het is nutteloos zich over die daad te berouwen. Een volk mag zijn
tijd niet verspillen met het verleden te betreuren, het moet de toekomst in
de oogen kijken en manmoedig voorbereiden. België heeft door zijn
werkdadigheid en vernuft bewezen, dat het recht had op de
onafhankelijkheid: vijf en zeventig jaar van stoffelijken vooruitgang,
vrede en rust hebben het afdoende betoogd.
Maar voor ons, Vlamingen, heeft de Omwenteling gevolgen gehad, die wij
nooit mogen vergeten. Die zijn te wijten aan de partijdige houding
tegenover Vlaamsch-België van de leiders der Omwenteling, die na October
1830 het bewind in handen gehad hebben.
Immers, het Voorloopig Bewind, de twee ministeries van den Regent en de
ministeries die malkander tot in het midden van de regeering van Leopold I
opgevolgd zijn, hebben stelselmatig alles in 't werk gesteld om niet alleen
de stoffelijke, maar ook de geestelijke belangen van het Vlaamsche volk te
verwaarloozen ten voordeele van de Walen.
Het gansche land door had de Omwenteling den onmiddellijken stilstand van
handel en nijverheid, de stremming van alle ondernemingen, de vermindering
van de waarde der eigendommen, en niet het minst het verlies van het
crediet na zich gesleept; vele fabrieken, die vroeger door Koning Willem
ondersteund werden of op het Nijverheidsfonds teerden, hadden hunne
arbeiders moeten afdanken: de werkloosheid werd zoo groot dat men de
arbeidersklasse tot het uitvoeren van openbare werken moest gebruiken.
Gent, Antwerpen, Oostende, die zulk een hoogen trap van bloei en welvaart
onder het Hollandsch bestuur bereikt hadden, zagen, de eerste hare
weefgetouwen en andere mekanieken stilvallen, de twee andere hunne
handelsvloot verhuizen of in hunne dokken verrotten.
Vlaanderens œconomisch verval in 't bijzonder was zoo openbaar, dat zelfs
Louis-Philippe er de aandacht van Talleyrand op vestigde. Welnu, in plaats
van Vlaamsch-België uit dien hachelijken toestand te redden, lieten de
verschillende besturen, die sedert October 1830 elkander opvolgden, deze
vroeger zoo welige streek, uit voorliefde voor den Waal, volkomen
verkwijnen.
Het door koning Willem gegraven kanaal van Terneuzen werd niet voltooid; de
haven van Oostende wachtte lang en vruchteloos naar verbetering; de
ontworpen vaarten in Vlaanderen en in de Kempen werden voor geruimen tijd
verdaagd. Terwijl het Walenland als in een net van Staatsspoorwegen
omwikkeld was, bleven West-Vlaanderen en Limburg er zonder; en de rijks- en
provinciestraten die tijdens het Hollandsch bewind zulke gunstige
uitbreiding genomen hadden, werden nauwelijks onderhouden. Aan het
Walenland werden de officieele toelagen voor allerlei openbare werken
kwistig uitgedeeld, maar Vlaamsch-België en bepaaldelijk het Orangistische
Gent werden door de verfranschte bureaucraten te Brussel uit alle
gouvernementeele gunsten gesloten gehouden.
Men kende slechts de Vlamingen als 't er op aankwam om te betalen; dank zij
een gebrekkige kadastrale verdeeling werden de Walen, in zake
grondbelasting, in verhouding tot de Vlamingen op de onrechtvaardigste
wijze, lange jaren, begunstigd; Julius Vuylsteke heeft in zijn _Korte
Statistieke Beschrijving van België_ de schreeuwende wanverhouding
aangetoond in de verdeeling der belastingen ten opzichte van de Waalsche
provincies en het Vlaamsche platteland. Ook de visscherij aan de Noordzee
liet men doodkwijnen, daar de Walen, die in de achtereenvolgende
ministeries alles beheerschten, schenen te vergeten dat België een
Vlaamsche zeekust bezat, die geen mindere schatten bevatte dan de Waalsche
mijnen.
Doch deze verwaarloozing of ontkenning van de stoffelijke belangen van de
Vlamingen wordt nog in de schaduw gesteld, door de verdrukking van hunne
verstandelijke rechten.
Vóór 1830 was er een algemeen geschreeuw in de rangen van de oppositie
opgegaan, toen Willem zijne taalbesluiten afgekondigd had, en de
advocaten-journalisten van Luik en Brussel hadden de regeering verweten,
dat zij het Nederlandsch aan de Walen wilde opdringen: een onjuiste
bewering. Maar nu, door eene soort van reactie tegen het schrikmiddel dat
zij zelf gesmeed hadden, beproefden de Fransche en Waalsche leiders van de
Omwenteling, onze taal in Vlaamsch-België uit te roeien. Durfde niet
Nothomb, in zijn berucht _Essai sur la Révolution Belge_(1834) -- eene
verdediging van het gedrag van de hoofden van de beweging -- de Vlamingen
aansporen «openlijk de Fransche taal aan te nemen?» Toonden zich niet de
Rogiers en hunne vrienden in alle omstandigheden de vijanden van de
Vlaamsche taal, en trachtten zij niet, op alle mogelijke wijzen, het
Fransch in Vlaamsch-België te verspreiden?
Den dag na zijne aanstelling, was de eerste daad van het Voorloopig Bewind
het Staatsblad uitsluitend in de Fransche taal op te stellen (5en October);
tien dagen nadien schafte zij de Vlaamsche Kamer af, die over de vonnissen
uit Limburg bij het Beroepshof van Luik uitspraak deed. Einde October werd
de Vlaamsche taal insgelijks uit het leger gebannen; bevelen en bestuur
zouden voortaan in het Fransch «als zijnde de in België meest verspreide
taal» geschieden. Men vergete daarbij niet dat er in 1831 op 2700
officieren nog geen 150 Belgen waren; de overige waren, tot Wellingtons
groote ergernis, door Leopold aangeworven Franschen, en zijn generale staf
bevatte 24 Franschen tegenover 4 Belgen.
Den 16en November 1830 vaardigde het Voorloopig Bewind -- dat nochtans,
sedert de aanstelling van het Congres, van de wetgevende macht beroofd was
-- zijn berucht treurig Besluit uit, dat straffeloos onze taal versmaadde
en met de voeten trapte.
«Overwegende, zeiden Rogier, Gendebien. Félix de Mérode en Van de Weyer,
dat het Vlaamsch, door de inwoners van zekere plaatsen (?) gesproken,
verschilt van provincie tot provincie en soms van omschrijving tot
omschrijving, zoodat het onmogelijk zijn zou den tekst der wetten en
besluiten in die taal af te kondigen, zal het Fransch in België de eenige
officieele taal zijn.» Wel is waar werd het gebruik van het Nederlandsch
toegelaten, doch onder zulke voorwaarden, dat de aanwezigheid van éen
Vlaamschonkundige onder de rechters, de Fransche taal aan een gansche
omschrijving opdrong. En in het bestuur zoowel als in het leger welk een
onrechtvaardige verhouding tusschen Vlamingen en Walen: bijna geen
Vlaamsche officieren, bijna geen Vlaamsche ambtenaren; dit was het gevolg
van de geweldige plaatskensjacht, waarmede de Walen hunne taalgenooten van
't Voorloopig Bewind bestormd hadden.
Onrechtvaardige taalbesluiten, onrechtvaardige verdeeling der ambten: voor
dezelfde grieven had de Waalsche oppositie het tot de Omwenteling gebracht,
en het Koninkrijk der Nederlanden vaneengescheurd; de gedweeë Vlaming liet
maar alles lijdzaam gebeuren.
De ministeries van Leopold zetten de kroon op dit hatelijk
verfranschingswerk met het Fransch als voertaal aan de overgebleven
officieele onderwijsgestichten op te dringen. Wij zeggen de nog
overgebleven gestichten: want in de eerste dagen der Omwenteling, die in
Vlaamsch-België meestal een clericaal karakter had aangenomen, waren de
lagere officieele scholen door de geestelijkheid weggekuischt, met zulk een
wraaklust, dat de landkaarten van de muren werden gerukt, de leertoestellen
in een vreugdevuur verbrand, en dat de koperen gewichten van het metriek
stelsel naar de kinderen gegooid werden om er mee te spelen; de
gemeentebesturen sloten eenvoudig de colleges en wierpen de wereldlijke
leeraars buiten om ze door priesters te vervangen. In tien jaar tijds viel
de gemiddelde wedde der schoolmeesters van 300 op 210 frank; het getal
scholen viel van 4000 op 2000; en door de afschaffing der opzieners van 't
onderwijs verdween alle toezicht op de scholen.
In October had het Voorloopig Bewind de drie Staatshoogescholen afgeschaft
en ze in de volgende maand heringericht, doch derwijze verminkt, dat de
twee voorbereidende faculteiten ontbraken. Na de inrichting van de
hoogeschool te Leuven door de Katholieken en die te Brussel door de
Liberalen (1834-1835), werd de regeering verplicht de twee
Staatshoogescholen te Gent en te Luik te herstellen; doch voor het
middelbaar en het lager onderwijs deed zij niets! Het onderwijs in
Vlaanderen, zonder programma, zonder toezicht van de openbare besturen, in
handen van eene in 't algemeen zeer weinig ontwikkelde geestelijkheid,
bleef gedurende jaren bijna nul: van daar weldra het ontzettend getal
ongeletterden in een streek die onder Willem's regeering zooveel beloofde!
In de gestichten, die aan de ramp ontsnapt waren, voerde nu het hooger
bestuur het Fransch als voertaal in! Nevens de algemeene onwetendheid van
de bevolking schiep men aldus een kloof tusschen de verlichte standen en de
lagere volksklasse, hetgeen onberekenbare gevolgen moest hebben.
Het doel scheen bereikt; reeds jubelden deze Franschgezinde meesters over
de uitroeiing van de taal van de groote meerderheid der bevolking. Doch,
daar ontstaat de Vlaamsche Beweging; de Vlaamsche Commissie legt de grieven
van de Vlaamsche bevolking bloot......
De volgende hoofdstukken zullen uitwijzen hoe het Vlaamsche volk,
niettegenstaande de Waalsche overheersching en dank zij zijn taaien moed en
de aanhoudendheid van de leiders onzer Beweging, op velerlei gebied aan de
ondergeschiktheid kon ontsnappen en zich voorbereidt om de geleden schade
in te halen.