VICTOR FRIS

«Indien er geen geweldige beweging in Frankrijk ontstaat, schreef de gezant

De Mier in het verslag dat we aan het slot van het vorige stuk ontleed

hebben, mag men gerust zijn dat dit land hier niet zal verroeren» (21en

Juni 1830). Doch toen reeds was Parijs in volle gisting; de reactionnaire

minister De Polignac, de Van Maanen van Karel X, die domweg op eene

onmogelijke omkeering der openbare meening rekende, had de Kamer ontbonden

en nieuwe verkiezingen uitgeschreven; deze echter vermeerderden nog het

getal van de afgevaardigden der oppositie. Alsdan, steunende op den bijval

en het gezag van het leger dat Algiers juist ingenomen had (6en Juli),

dacht zich de Regeering sterk genoeg om een Staatsgreep te plegen: door

vier verordeningen werd de Kamer naar huis gezonden, nieuwe verkiezingen

bepaald, een kiesstelsel in twee graden ingevoerd en de vrijheid van

drukpers afgeschaft (26en Juli). 's Anderendaags brak te Parijs, dank zij

die daden van geweld, de Juli-Omwenteling los; koning Karel X vluchtte naar

Engeland, zijn neef Louis-Philippe van Orleans werd luitenant-generaal van

het Rijk benoemd (31en Juli) en aanvaardde op 't einde der week het

koningschap.

Men kan zich ternauwernood voorstellen met welk gejuich de Parijsche

opstand gansch Europa door onthaald werd. Al de volken die gebukt gingen

onder het juk van het Heilig Verbond, al de vrijzinnigen die eenigszins

onder dwang leden, staarden met vreugdige oogen naar de wereldstad, die

zich zoo onverwachts, zoo snel en zoo zeker van een reactionnair bewind

bevrijd had. Terstond snelden ballingen, uitwijkelingen en ook liberalen

uit den vreemde naar de oevers der Seine, om zich aan de bron der vrijheid

te gaan laven.

Geen wonder dan, dat in het nabijgelegen België, waar de gansche

dagbladpers, trouwens grootendeels in handen van Fransche opstellers,

voortdurend het oog gericht had op Parijs en hare lezers met het nieuws uit

Frankrijk voedde, de opstand van Parijs de grootste ongerustheid baarde.

Verschillend was de indruk op de beide partijen der Unie: terwijl de

Katholieken den val van Karel X, bondgenoot der geestelijkheid,

bejammerden, juichten de Liberalen de overwinnaars der Juli-Omwenteling,

als de verdedigers der grondwettelijke theorieën, dapper toe; zij wezen

zelfs Van Maanen op Polignac's handelwijze als op een voorbeeld en

voorspelden hem hetzelfde lot.

Doch er was een derde partij, die tot dan toe zeer gering in aantal en

zonder invloed op de massa gebleven was, maar door den buitengewonen aard

der omstandigheden plots een onverwacht belang verkreeg. Zij was

hoofdzakelijk samengesteld uit gewezen ambtenaren van de Fransche Republiek

en van het Keizerrijk, die koning Willem onvoorzichtig in zijne bureaux had

opgenomen, uit talrijke Fransche ballingen, meestal Jacobijnen of

oud-soldaten van Napoleon, en uit ettelijke Waalsche advocaten. Deze

laatsten, aan wier hoofd Alexander Gendebien, een hartstochtelijk vereerder

van Frankrijk en een vijand van Holland stond, waren meest allen Franschen

door afkomst of door opvoeding. De meesten onder hen waren vroeger leden

van de liberale oppositie geweest, maar medegesleept in de Fransche bent

door den machtigen redenaar en volksopruier die Gendebien was, namen ze nu

deel aan de kuiperijen die de samenzwering begonnen voor te bereiden: zoo

de beide Rogiers, Charles en Firmin, te Saint-Quentin geboren; later Ch. De

Brouckère en Le Hon. Onder de Klerikalen verborgen de beide De Mérode's,

Frederik, oud-meier van St Luperce bij Chartres, en Felix, pas in Februari

uit Frankrijk teruggekeerd, hunne voorliefde voor hun geboorteland niet; en

Robiano de Borsbeek, de correspondent der Fransche Jezuïeten alhier,

schijnt geld van hen ontvangen te hebben om de regeering te bestrijden.

De voornaamste Fransche uitwijkelingen, op dit oogenblik te Brussel

aanwezig, heetten P. Chazal (geboortig van Tarbes, in Zuid-Frankrijk),

A.-J. Mellinet (Corbeil-bij-Parijs), Ch. Niellon (Parijs), Burggraaf de

Culhat en Ernest Grégoire (Charleville); daarnevens eindelijk de Spanjaard

don Juan van Halen. Enkele dezer ballingen waren republikeinschgezind, en

Grégoire stond bepaald in betrekking met La Fayette, den bekenden held der

groote Fransche Omwenteling van 1789.

Gendebien besloot met de Fransche Clubs overeen te komen, die, niet

tevreden met den triomf hunner denkbeelden in Frankrijk, de omwenteling in

de naburige landen wilden overbrengen; alsook met die fractie, door

generaal Lamarque en Mauguin aangevoerd, welke den Parijschen opstand en de

oorlogszucht der menigte wilde gebruiken, om de Fransche grenzen tot aan

den Rijn uit te breiden. «Sedert den 2en of 3en Augustus, briefde hij aan

De Potter over, heb ik naar Parijs geschreven om te vragen, dat men

rechtuit zou verklaren, of men de Rijngrenzen verlangde, en ik waarborgde

een volledigen uitslag in geval van aanval». Op hunne beurt vertrokken De

Brouckère, Le Hon en De Stassart naar Parijs om er de nieuwe Regeering

nopens hare inzichten te polsen, en zij onderhandelden aldaar eveneens met

de generaals Lamarque en La Fayette en met den leider der Liberalen, Odilon

Barrot, over de inlijving van België bij Frankrijk. Bij hunnen terugkeer

vergaderden de Franschgezinden, op aandrang van Gendebien, in de bureaux

van den _Courrier des Pays-Bas_, om te beslissen hoe men uit de

Juli-Omwenteling partij zou trekken, en op éene stem na, verklaarden zij

zich allen voor de vereeniging met Frankrijk (8en Augustus 1830).

Dienzelfden dag was koning Willem in Brussel aangekomen, en ging den 10en

Augustus met prins Frederik en minister van Gobbelschroy de Brusselsche

Tentoonstelling bezoeken. Met gejuich, door de bevolking onthaald, werd hij

nog in zijne zekerheid gesterkt door de persoonlijke bevestiging van

getrouwheid, welke zekere liberale hoofdleiders aan den prins van Oranje

gegeven hadden, en niet minder door de gematigde taal welke de voornaamste

dagbladen voerden.

Nochtans dachten zekere hooggeplaatste ambtenaren hem te moeten waarschuwen

tegen de schijnbare rust die onder de bevolking heerschte. Immers reeds den

21en Juli had Libry-Bagnano den minister Van Maanen ingelicht, dat hij op

het spoor was van eene verbintenis tusschen de Jacobijnen van hier en die

van Frankrijk; zoodat Gendebien's kuiperijen schijnen uitgelekt te zijn. De

voorzichtige Procureur-Generaal Schuermans raadde den koning aan, de Belgen

nog op zekere punten toe te geven, en wees er op, hoe hardnekkig zekere

kleine pers de populariteit van den prins van Oranje zocht te ondermijnen.

De militaire gouverneur van Zuid-Brabant, graaf de Bijlandt, zag zich

echter de gevraagde vermeerdering van troepen weigeren. Graaf de

Mercy-Argenteau, groot kamerling, bezwoer den Koning nog wat in Brussel te

vertoeven, of ten minste, vóor zijn vertrek, het opperbestuur der politie

in de hoofdstad te regelen voor 't geval van onlusten. De vorst stelde hem

met enkele onbepaalde woorden gerust en vertrok den 12en Augustus naar zijn

kasteel van Het Loo in Gelderland; hij beval alleen enkele

versterkingstroepen naar Philippeville en Mariembourg te zenden; hij meende

dat de snelheid waarmede het bestuur van Louis-Philippe zich gevestigd had,

dadelijk de rust in Frankrijk, en bij weerslag, in België zou hersteld

hebben.

* * * * *

Na Willem's vertrek was te Brussel de Franschgezinde partij stoutmoediger

geworden; rumoerige groepen doorliepen de straten, de driekleurige cocarde

in het knoopsgat; met kwistige hand verspreidde men schriften, luidend als

volgt: «Franschen! doet slechts een stap vooruit en België bekoort u toe!»

en men hoorde den kreet: «Leven de Franschen! Leve de vrijheid!» Voorzeker

waren er zendelingen der Parijsche radicalen in de hoofdstad.

Op 15en Augustus zond het Fransche gouvernement een geheimen agent, gewezen

secretaris van graaf de Celles, aan Gendebien, om hem te verzoeken de

hoofdrichting der omwenteling in handen te nemen, doch de losbarsting te

verdagen tot dat Frankrijk in staat zou zijn deze te ondersteunen. De agent

legde den betreurenswaardigen toestand van het Fransche leger bloot en

toonde dat er drie maanden noodig waren om het herin te richten; hij maande

beslist aan dat men alles tot rust moest brengen en gedurende een jaar

allen opstand tegenhouden. Daarop riepen Gendebien en Van de Weyer in 't

geniep hunne aanhangers in de bureaux van den _Courrier des Pays-Bas_

bijeen. Zij verklaarden hun dat de omwenteling rijp was en dat men deze

moest inrichten; maar zij werden door de meerderheid tegengesproken, die

besliste dat men de beweging nog zou verdagen tot midden September. Den

21en Augustus vertrok Gendebien, op aandringen zijner vrienden, naar

Parijs; maar onverwachte gebeurtenissen beletten hem verder te gaan dan

Bergen, zijne vaderstad, waar hij ook de leiders zocht te bedaren.

Intusschen waren L. de Potter en zijne gezellen, die in Duitschland de

Fransche Omwenteling vernomen hadden, in allerijl uit Straatsburg naar

Parijs vertrokken. De aanwezigheid van dien woelzieken republikein in

Frankrijks hoofdstad was voor de Regeering een dreigend gevaar, voor

Gendebien en zijn aanhang een machtig steunpunt.

Als naar gewoonte zou men op 24en Augustus 1830 den verjaardag des Konings

vieren; te Brussel besloot het gemeentebestuur er eene ongewone pracht aan

bij te zetten en gansch het Park te verlichten; onvoorzichtig besloot men

de gehate belasting op het gemaal te behouden om de 40,000 frank kosten te

dekken. Eeeds den 22en werden briefjes rondgestrooid: «Maandag 23en

Augustus, vuurwerk; Dinsdag 24en, verlichting! Woensdag 25en,

omwenteling!» Verwittigd dat er oproer op handen was, besloot de politie

de verlichting uit te stellen, onder voorwendsel van mogelijk slecht weder;

en nochtans namen de overheden, als de gouverneur van Brabant Van der

Fosse, de bestuurder der politie De Knijff, de bevelhebber der burgerwacht

Germain of de burgemeester De Wellens, niet de minste voorzorg om in

voorkomend geval den opstand te beteugelen! Toch kende men de oproerige

taal der dagbladen der oppositie, die met eene ongehoorde woede de

Regeering en zelfs den Koning sedert tien dagen aanvielen, en de hoofden

trachtten op hol te brengen. Van zulken aard was de houding der Brusselsche

burgerwacht, die gewoonlijk na iedere oefening de wapens aflegde, doch ze

nu beweerde te behouden, dat men ze niet meer durfde bijeenroepen. Men

wist, door de verslagen der politie, dat groepen werkloozen in de

arbeiderskwartieren eene dreigende houding aangenomen hadden, en dat

onbekende zendelingen drank betaalden, geld uitdeelden en toespraken

hielden.

Die opruiers waren agenten der Fransche clubs, welke te Parijs eene geheime

regeering naast het Ministerie vormden; deze, bedrijvig, hartstochtelijk en

rumoerig, gansch in strijd met de vreesachtige voorzichtigheid van

Louis-Philippe, spraken van propaganda en wilden dat men de hand op België

legde. De hoofden dezer partij, zooals de generaals Lamarque en De

Richemont, onderhielden eene drukke briefwisseling met de Belgische

Franschgezinden. In 't midden van Oogstmaand zond de Club _Les Amis du

Peuple_ verscheidene agenten uit Parijs naar België om er de geesten op te

winden. Het zijn die agenten welke, in den nacht van 25en tot 26en

Augustus, te Brussel het oproer verwekten, dat aanleiding tot de

Omwenteling geven zou.

* * * * *

Onvoorzichtig had de politie dien avond, in den Muntschouwburg, de

vertooning van _La Muette de Portici_, van Auber, toegelaten. Dat stuk was

sedert de woelzieke vertooning van 1en Augustus verboden, daar het

onderwerp, de opstand van den Napolitaan Masaniello tegen de Spaansche

verdrukkers, uitstekend geschikt was, om aan het publiek de gelegenheid tot

revolutionnaire betoogingen te verschaffen.

[Illustration: Verwoesting van het huis van Libry-Bagnano in den nacht van

25 tot 26 Augustus 1830]

Gedurende de opvoering weerklonken herhaaldelijk de kreten: «Weg met den

Koning! Leve Frankrijk!» Bij 't einde van 't schouwspel schoolde de menigte

saam op het geroep: «Weg met Van Maanen! Weg met Libry!» Aangeleid door

voornaam gekleede belhamels, die terstond na het oproer verdwenen, liep de

menigte naar de bureaux van de _National_ de ruiten inslaan, verwoestte

daarna den boekwinkel van Libry, keerde zich vervolgens tegen de huizen van

den Procureur-Generaal en van den bestuurder der politie die hetzelfde lot

ondergingen, en stak ten slotte het vuur aan het hotel van den minister van

justitie Van Maanen, den impopulairen gunsteling van Koning Willem I.

Die volksoploop, zonder plan of leiding, kon gemakkelijk door het

garnizoen, hoe gering het ook was, onderdrukt worden; maar op dit oogenblik

betoonden de regeeringspersonen, door hunne ongelooflijke zwakheid en hun

volkomen gemis aan tegenwoordigheid van geest, een bepaald plichtverzuim.

De burgemeester van Brussel was op zijn buiten! De bevelhebber der

burgerwacht hield zich uit schrik in zijn huis opgesloten! Generaal de

Bijlandt wachtte vruchteloos op bevelen; de militaire gouverneur hield zich

alsof de zaak hem niet aanging; de troepen, die intusschen de wapens gevat

hadden, moesten uit eigen beweging optreden, en om 5 uur 's morgens hadden

zij nog geen bevel tot handelen gekregen! Politie en leger toonden zich zoo

onmachtig en lijdzaam, dat de stoutmoedigheid der oproerlingen weldra geen

palen meer kende en de oploop zich ongehinderd uitbreidde. In plaats van de

troepen krachtig tegen de muiters te doen optreden, trok men ze rond den

middag (26en Augustus) voor de Bank en de Paleizen samen, waar ze tot den

3en September in eene onverklaarbare werkeloosheid gehouden werden.

Bij de oproermakers had zich intusschen eene bende plunderaars gevoegd en

dat gepeupel brak de wapenwinkels open, plunderde de handelsmagazijnen,

vernielde het hotel van 't Provinciaal Bestuur en stak de woningen van een

generaal en een kolonel in brand. Benden werklieden, meestal dronken,

liepen naar de voorgeborchten en vernielden de weeffabrieken Basse in de

stad, Rey te Kuregem, Bal en Fortin te Vorst, Wilson te Stalle: het was hun

vooral te doen om de mechanieken te verbrijzelen die het getal

handarbeiders verminderden. De beweging begon meer en meer te ontaarden in

eene soort van straatrooverij, die zich om politieke beweegredenen niet

bekommerde. Wel is waar stak 's morgens een vreemde belhamel de Fransche

vlag op het stadhuis uit; doch Ducpétiaux verving ze dadelijk door de oude

driekleur van de Brabantsche omwenteling, die op luid applaus door de

samengeschoolde menigte begroet werd; reeds 's avonds droeg men in Brussel

uitsluitend zwart-rood-gele linten. Van dit oogenblik af nam de beweging

een Belgisch karakter aan.

Gezien de achteloosheid der overheden besloten enkele krachtdadige burgers

ernstige maatregelen te nemen om de orde te herstellen. Zij verkregen van

den gouverneur de herinrichting eener nieuwe burgerwacht, daar de

bevelhebber der oude nergens te vinden was. Reeds waren 's namiddags 300

burgers op de Groote Markt vereenigd en gewapend, en hun getal klom 's

anderendaags tot 2000; meest alle de Franschen, die zich in groot getal te

Brussel bevonden, namen plaats in de rangen der wacht en verkregen, daar

zij oud-gedienden waren, één of ander bevelhebberschap. Aan het hoofd werd

de volksgeliefde Baron Emmanuel d'Hoogvorst geplaatst, onder wiens bevelen

de dappere generaal Van der Smissen en de oud-officier uit Oost-Indië,

Karel Pletinckx, stonden; beiden vroeger uit den dienst getreden, de eerste

wegens eene beenbreuk, de andere bij gebrek aan bevordering.

De benden van het gepeupel achtervolgden eischend en dreigend de

burgerwacht, zoodat den 27en 's avonds, bij het zicht der nieuwe

gewelddaden dezer plunderaars en brandstichters, twee burgernachtronden op

hunne woeste groep schoten, wat hun niet weinig schrik inboezemde.

Het gemeentebestuur, dat overigens even min kloekmoedigheid betoonde als de

regeeringspersonen, had nochtans de belasting op het gemaal afgeschaft.

Baron d'Hoogvorst en Graaf de Bijlandt vaardigden den 28en, wanneer de rust

eenigszins hersteld was, elk eene proclamatie uit, waarin beloofd werd dat,

«zoolang de goede orde, welke door de burgerwacht gewaarborgd was, niet

gestoord werd, de versterkingstroepen die men verwachtte, de stad niet

zouden binnendringen.» Dat was eene capitulatie voor de muiters.

Reeds waren de overheden zonder invloed; zij hadden niets meer te zeggen;

het kwartier-generaal der burgerwacht oefende reeds feitelijk de macht uit;

de hoofden der wacht weigerden zelfs met minister Van Gobbelschroy te

onderhandelen; en de dagbladschrijvers der oppositie, Jottrand, Ducpétiaux

en Lesbroussart, steunende op de misnoegden die grondwettelijke vrijheden

wilden veroveren en de Hollandsche overheersching afschudden, leidden op 't

Stadhuis de handelingen van Baron d'Hoogvorst. Den 28en 's avonds

vergaderden op 't stadhuis 50 notabelen, onder welke talrijke edelen als de

twee De Mérode's, graaf de Lalaing, de twee d'Hoogvorsten; Baron de Secus,

afgevaardigde, werd tot voorzitter en Sylvain Van de Weyer tot secretaris

gekozen. Buiten de tusschenkomst van den gouverneur of van den gemeenteraad

stelden zij een Adres aan den Koning op, waarin zij, verre van te denken

aan een voorstel van scheiding tusschen België en Holland, eenvoudig den

vorst bezwoeren de eischen der Belgen in te willigen, en verklaarden «dat

indien de natie niet gerustgesteld werd, niets aan de goede burgers van

Brussel verzekerde, dat zij zelf geene slachtoffers hunner pogingen tot

rustherstelling zouden worden.»

Aldus had de triomf van de Oppositiepartij, die den Brusselschen adel en de

burgerij beheerschte, op de Fransche bent en het gepeupel, aan den oploop

een gansch ander karakter weten te geven: men deed de gewelddaden eeniger

roofzieke en aangehitste benden voor den wettigen opstand van eene recht

eischende bevolking doorgaan! De staf der wacht wilde uit den stand der

zaken partij trekken, om zijne eischen te doen gelden; de raad der

notabelen neemt, zonder eenig recht, openlijk de leiding der beweging: 't

is op dit oogenblik dat de omwenteling eigenlijk begint.

* * * * *

Het Adres werd toevertrouwd aan een afvaardiging samengesteld uit Felix de

Mérode, J. d'Hoogvorst en Rouppe, twee oud-burgemeesters van Brussel, en

(o wonder!) S. Van de Weyer en A. Gendebien, welke laatste bij het vernemen

der gebeurtenissen te Brussel, in allerijl uit Bergen teruggekeerd was en

zijn reis naar Parijs had opgegeven.

Koning Willem, diep getroffen bij het nieuws over het gebeurde te Brussel,

was uit Het Loo naar Den Haag geijld, om te beraadslagen met de prinsen en

de ministers. Van Maanen raadde de onderdrukking door het geweld aan; de

prins van Oranje verklaarde zich voor toegeving en verzoening genegen. Men

besloot 6000 man op marschpas, onder het bevel der twee prinsen, naar

Brussel te zenden en ook de Staten-Generaal voor 13en September samen te

roepen. Die halfslachtige maatregel, door Willem's gewone besluiteloosheid

ingegeven, werd nog verergerd door het feit, dat hij geen bepaalde volmacht

aan den prins van Oranje verleend had. Na een dag te Antwerpen verloren te

hebben, kwamen beide zonen van Willem hun hoofdkwartier te Vilvoorde

vestigen, in plaats van op Brussel te rukken (30en Augustus).

Het langzame naderen der troepen, de verbijstering en de werkeloosheid der

overheden, de stoutmoedigheid der dagbladen der oppositie, de koenheid van

zekere leiders, die reeds van een Voorloopig Bewind durfden spreken, het

nieuws van den opstand te Luik, waar men de Luiksche kleuren liet wapperen,

en van het oproer te Verviers en te Leuven brachten in de hoofdstad eene

altijd aangroeiende gisting teweeg: hoe meer de Regeering aarzelde en zich

achteruittrok, hoe grooter de eischen werden.

's Anderendaags ontboden de twee prinsen in hun kamp, niet den gouverneur

of den burgemeester, maar Baron d'Hoogvorst, bevelhebber van de

burgerwacht. Hij kwam met generaal Van der Smissen en de twee burgerlijke

raadgevers van den staf, Van de Weyer en Rouppe, en noodigde ze uit om zich

alleen onder hun geleide naar Brussel te begeven. Maar de prinsen eischten

de verwijdering der Brabantsche kleuren en den intocht hunner troepen

binnen Brussel. Toen d'Hoogvorst die eischen van op 't Stadhuis liet

afkondigen, weerklonk uit de menigte de kreet: «Te wapen! naar de

barricaden!» 8000 man namen de wapens, de winkels werden gesloten en de

kassijsteenen in de straten uitgebroken, door degenen die dat kunstje te

Parijs geleerd hadden! Eene tweede afvaardiging onder Baron de Secus'

geleide trok in den avond nog naar Vilvoorde, om de prinsen over te halen

geen gewapenden aanval tegen de hoofdstad te ondernemen. Na twee lange uren

bespreking, stemde de prins van Oranje er in toe, onder waarborg van zijn

persoon en zijne vrijheid, alleen door zijn staf vergezeld, binnen Brussel

te komen; de burgerwacht zou worden uitgenoodigd hem te gemoet te gaan; de

kroonprins rekende op zijne populariteit om de gemoederen tot rust te

brengen en zich op te dringen. Maar een bittere teleurstelling wachtte hem:

niet alleen werd hij ijskoud onthaald, hoorde te allen kante het geroep:

Leve de vrijheid! dreunen, zag slechts overal de Brabantsche kleuren,

ontwaarde alleen verwoede gezichten, maar aan 't stadhuis gekomen werd hij

zelfs bedreigd en moest zijn paard over eene barricade doen springen om

zijn Paleis te bereiken. Zijn ridderlijke moed kon niemand meer bewegen!

Niettegenstaande den aanslag tegen hem gericht, besloot hij Brussel niet te

verlaten vooraleer eene verzoening bewerkt te hebben. Met dat doel

vaardigde hij eene proclamatie uit die de bevolking aanmaande om de orde te

handhaven, haar belovende dat de troepen niet zouden binnentrekken. Daarna

benoemde hij eene commissie, onder voorzitterschap van den oud-minister

hertog van Ursel, gelast om met hem de geschikte maatregelen te treffen,

doch hij beging de ongelooflijke fout, op aanraden van Baron d'Hoogvorst,

er ook Sylvain Van de Wever en Rouppe in op te nemen.

Dienzelfden dag kwamen de afgevaardigden uit Den Haag terug; het onthaal

van het Hollandsche volk was zoo vijandig geweest, dat men een oogenblik

mocht vreezen voor hun leven. Op hun aandringen tot invoering der

ministerieele verantwoordelijkheid, verwijdering van minister Van Maanen,

rechtmatigheid in de benoeming der ambtenaren en in de verdeeling der

Staatsinstellingen, antwoordde hun Willem ontwijkend dat hij geen

beslissing kon nemen, die den schijn zou hebben afgedwongen te zijn. Tot

tranen bewogen, zeide hij: «Ik wil niet het bloed mijner onderdanen doen

stroomen; ik heb een afschuw van bloedvergieten. Maar ik zou Europa tot

spot verstrekken, indien ik met het pistool op de keel, week vóór onzinnige

bedreigingen, vóór klachten en grieven, die alleen bestaan in de

verbeelding van eenige ruststoorders.» De vorst beloofde echter een

buitengewone bijeenkomst der Staten-Generaal tegen 19en September. De

minister La Coste hoorde zelfs met welwillendheid Gendebien's programma

eener vreedzame oplossing aan, door L. de Potter reeds vroeger in een brief

aan den Koning voorgesteld, namelijk _de onmiddellijke scheiding van België

en Holland_, met den prins van Oranje als onderkoning of

luitenant-generaal. Dit werd het ordewoord der omwenteling. Nog in den

nacht van len tot 2en September zocht Gendebien, die, naar aanleiding van

de zending naar Den Haag, in 't Paleis in gehoor ontvangen was, den prins

tot dit denkbeeld over te halen, en durfde hem voorstellen om hem den

volgenden middag als Koning der Belgen te doen uitroepen. Prins Willem wees

dit voorstel van den huichelaar met verontwaardiging af: «Het nageslacht,

sprak hij, zal niet zeggen dat een Nassau de kroon van zijns vaders hoofd

rukte om ze op het zijne te plaatsen;» hij wilde geen ander rol vervullen

dan die van bemiddelaar.

's Anderendaags wandelde de prins in de Warande en in de omstreken; de stad

scheen rustig; hij gaf een groot gastmaal aan de voornaamste overheden,

onder welke ook d'Hoogvorst met zijne twee adjudanten, Rouppe en Van de

Weyer; in den avond kwam de bevolking, opgeruid door enkele Fransche en

inlandsche muiters, weer in beroering. Op de Groote Markt kreet men tegen

het niets-zeggend Verslag door de afvaardiging uit Den Haag meegebracht;

men scheurde het van de muren en verbrandde het met eene Proclamatie der

Raadgevende Commissie, die kalmte en vertrouwen aanbeval.

Den 3en September ontving de Prins de te Brussel aanwezige leden der

Staten-Generaal, waaronder degenen die pas uit Parijs teruggekeerd waren.

Zij achtten zich geoorloofd te verklaren, dat België's vurigste wensch de

volledige scheiding tusschen de Zuidelijke en Noorderlijke provincies was,

zonder andere gemeenschap dan het regeerend stamhuis, en dat,

niettegenstaande de opgewondenheid der gemoederen, het behoud van het

vorstenhuis het eenparig verlangen der Belgen bleef. In dezen zin had ook

de Raadgevende Commissie eenparig gestemd. Om 11 uur kwam d'Hoogvorst, de

opperbevelhebber der burgerwacht, omringd door zijne officieren, verklaren

dat hij niet langer voor de veiligheid van den prins borg kon staan, en

verzocht hem Brussel te verlaten; hij drong insgelijks aan op den aftocht

der troepen en op het toestaan der bestuurlijke scheiding.

De prins aarzelde; doch het nieuws van den opstand van Leuven dat zijn

garnizoen verjaagd had, en de aankomst der voorwacht der Luiksche

vrijwilligers gaf hem de overtuiging dat hij aan den wassenden stroom niet

langer zou kunnen wederstaan. Nochtans, vooraleer met minister Van

Gobbelschroy en den hertog van Ursel bij zijnen vader naar den Haag te

vertrekken om eene verzoening te bewerken, deed hij door de Burgerwacht en

den Staf een proclamatie onderteekenen, waarin zij zich «op hunne eer

verbonden, geene verandering van dynastie te dulden en de stad,

bepaaldelijk de paleizen, te beschermen;» dit belangrijk document werd

onderteekend, onder anderen door Sylvain Van de Weyer, Rouppe, Jolly, graaf

Van der Meenen en Van der Linden d'Hoogvorst. Alsdan beval de prins aan de

troepen van 't Paleis, Brussel voor Vilvoorde te verlaten en aan die van

generaal Trip, hunnen aantocht op Leuven te staken.

Op dit oogenblik was dit gedrag van Oranje, hoe eerlijk en ridderlijk ook,

eene grove fout. Hij had bemerkt hoe de overheden overrompeld waren; alléen

zijne aanwezigheid, zelfs nog zonder krachtdadig optreden, was eene

bemoediging voor de ware patriotten, die een overeenkomst met het huis van

Oranje wilden sluiten, en een waarborg voor de rust; zijne afwezigheid

integendeel versterkte de bent der wachten en der Fransche woelmakers in

hare stoutmoedigheid.

* * * * *

Wij hebben gezien hoe de beweging het gansche land aangestoken had. Om

dezelfde reden als te Brussel, namelijk de laatdunkendheid en het

plichtverzuim der ambtenaren, gelukte het aan een groepje heethoofden

gisting onder het volk te verwekken en langzamerhand de burgerij en den

adel in haren opstand mede te sleepen. Kolonel Gaillard werd met zijne

troepen uit Leuven verjaagd; te Verviers wapperde een oogenblik de Fransche

vlag; honderden vrijwilligers vertrokken naar Brussel, uit Bergen, Doornik

en Namen; alleen Gent en Antwerpen, waar de groothandel en de

grootnijverheid van een oproer veel te duchten hadden, bleven rustig.

Maastricht werd in bedwang gehouden door haren krachtdadigen bevelhebber

Dibbits. Niet zelden gingen de opstootjes met roof en brand gepaard.

Te Luik staat de verbijsterde gouverneur Sandberg, door een onbehendig

akkoord met de oproermakers, zijne overheid letterlijk in handen van den

jongen advocaat Charles Rogier af, door hem toe te laten eene vrijwillig

gewapende macht te vormen om de rust in de stad te handhaven, terwijl

Generaal Van Boecop met de bezetting in de citadel zou blijven. Door zijn

populariteit weet Rogier het gepeupel in bedwang te houden en de plundering

te beletten. Maar weldra willen eenige der Luiksche vrijwilligers naar

Brussel trekken; Rogier wordt met de pistool op de borst gedwongen zich aan

hun hoofd te stellen, en gaat naar de hoofdstad met 300 Luikenaars en een

paar kanonnen. De aankomst der Luiksche troepen te Brussel bracht de

opstandelingen en niet het minst de Franschgezinde partij in geestdrift

(7en September). De verdediging der stad tegen den terugkeer der Hollanders

werd stelselmatig ingericht; barricaden werden opgeworpen of voleindigd

door de ingenieurs Roget en Teichman. Uit de provincieplaatsen kwamen

voortdurend aanbiedingen van vrijwilligers aan: Aalst bood 700, Ninove en

omstreken 1500 man; de Borinage, met 15,000 mijnwerkers, was heel en al

bereid: Dendermonde en Charleroi vroegen dat men aan hunne bezettingen de

kanonnen zou gaan ontnemen en beloofden den steun der bevolking; maar ook

de vreemdelingen te Brussel aanwezig, 4000 Franschen, benevens Spanjaarden,

Italianen, Engelschen, stelden zich ten dienste der revolutionnaire

leiders. Overigens stroomden voortdurend nieuwe Franschen toe, onder welke

talrijke agenten van de Clubs van Parijs.

De Fransche regeering, die uit voorzichtigheid door eene vredelievende

houding het stamhuis van Orleans door de Mogendheden trachtte te doen

erkennen, was nochtans gepraamd door de ophitsende taal der

propagandapartij die België wilde inlijven; voor 't oogenblik moest ze den

Belgischen opstand werkeloos aanschouwen, daar haar leger niet gereed was;

de Omwenteling, veel te vroeg losgebroken, vóór den tijd door hare

Franco-Belgische inrichters voorzien, had de Juli-monarchie verrast. Die

overhaasting der belhamels had Louis-Philippe radeloos gemaakt. Nu moest

hij de gebeurtenissen hun gang laten gaan; deze voorzichtige bedaardheid

maakte Gendebien wrevelig: «Gij aarzelt, liet hij aan den Koning door

tusschenkomst van L. de Potter zeggen, maar Frankrijk zou hier 200,000

Belgen vinden, bereid om de Rijngrens met geestdrift te verdedigen. Later,

als Frankrijk gedwongen zal zijn oorlog te voeren, zullen wij vrede

gesloten hebben met het Nederlandsche Gouvernement en Frankrijk zal 60,000

Belgen te bestrijden hebben.»

De Fransche gezant Lamoussaye verzekerde slechts dat, indien Willem de

tusschenkomst van Pruisen inriep, Frankrijk dan met alle mogelijke krachten

zou tusschenkomen.

Zeer waardig was de houding van L. de Potter en Tielemans te Parijs;

terwijl de Franschgezinde partij te Brussel de inlijving bij Frankrijk

verzocht, bleven zij beslist bij het denkbeeld van een bestuurlijk

afgescheiden of geheel onafhankelijk België; bij een onderhoud met

Louis-Philippe verklaarde L. de Potter uitdrukkelijk dat de Belgen de

vereeniging met Frankrijk niet wilden, maar hij wenschte eenvoudig

Frankrijks ondersteuning om hunnen opstand te doen gelukken; dit kon de

vorst niet toestaan. De lagere bevolking van Parijs echter was de

Brusselsche oproerlingen zoo genegen, dat Tielemans reeds op 29en Augustus

schreef dat alleen een oproep tot de Parijsche bevolking onmiddellijk

10,000 vrijwilligers zou verschaffen. L. de Potter werd, op een banket hem

door de Parijsche burgerwacht aangeboden, door den hoofdman der Fransche

propagandisten, den beroemden La Fayette, omhelsd: die verbroedering en

andere tooneelen meer hadden het sein gegeven tot een nog talrijker vertrek

van Fransche vrijwilligers naar Brussel (31en Augustus).

Gendebien was woedend over de tusschenkomst der afgevaardigden van de

Staten die, uit Parijs teruggekeerd, aan zijn plan eene andere richting

gegeven hadden. Hij en Van de Weyer hadden liever den prins als gijzelaar

te Brussel gehouden, om alzoo de bestuurlijke scheiding aan den Koning af

te persen; en nu was zijne hoop vervlogen. Dan veranderde hij van stelsel

en kwam met het ontwerp eener Voorloopige Regeering vooruit. Het werd door

de vergadering der notabelen met gretigheid onthaald, doch de

volksvertegenwoordigers lieten het spoedig varen, bij het nieuws dat Gent

en Antwerpen niet verroerden.

Op dat oogenblik was de bestuurlijke scheiding van Noord en Zuid de eenige

passende oplossing. Levae, De Potter's briefwisselaar, Lesbroussart, zijn

vriend, L. de Potter zelf en tot Gendebien toe, kleefden dit denkbeeld

sterk aan. Trouwens, Gendebien had zich kunnen overtuigen dat de wil van

adel en geestelijkheid, die de Juli-omwenteling afkeurden, en van de

burgerij, die de voordeelen der aanwezigheid van een Hof niet verliezen

wilde, zich algemeen en krachtdadig tegen de Fransche inlijving verklaarde:

Lesbroussart schreef dat, indien de Koning wilde toegeven, «zijn stamhuis

nooit beter zou gevestigd geweest zijn.» L. de Potter stelde zijn programma

op in de volgende bewoordingen: «De scheiding is nu een voltrokken feit,

dat gij, Belgen, aan uw toekomstig opperhoofd als eene voorafgaandelijke

voorwaarde van zijn koningschap moet opdringen. Daarna zult gij, gij

alléen, u eene Belgische grondwet geven die gij door den koning der

Nederlanden zult doen bezweren, wil hij koning der Belgen zijn. Zweert hij

niet, verklaart dan vrank en koen uwe volkomen onafhankelijkheid, en sticht

eene Bondsrepubliek.»

* * * * *

Er bleef nu te zien, hoe de koppige en altijd weifelende Willem de

voorstellen waarmede de prins van Oranje belast was, zou ontvangen. Den 3en

September had hij met tegenzin het ontslag van Van Maanen onderteekend;

eene maand vroeger zou die beslissing alles weerom in rust gesteld hebben;

men eischte nu veel meer; toen dit nieuws den 6en te Brussel bepaald

vernomen werd, oefende het niet het minste uitwerksel uit. Wanneer den

kroonprins bij zijnen vader op het vrijwillig toestaan der bestuurlijke

scheiding krachtig aandrong, stuitte hij, niettegenstaande de toetreding

van de Belgische ministers De la Coste en Van Gobbelschroy, op eene

halsstarrige weigering; de Koning verschanste zich achter de verdragen van

1815 en de artikels 229 tot 234 der Grondwet, die de procedure bij geval

van noodzakelijke herziening nauwkeurig bepaalden. Hij weigerde zelfs den

prins met de ministers naar Brussel te laten terugkeeren, alhoewel deze, op

zijn hoofd, de herstelling der orde verzekerde, indien de Koning hem

volmacht gaf om naar goeddunken in 't algemeen belang te handelen.

Door op dit oogenblik de scheiding te verwerpen, heeft de Vorst, die ook

van het andere middel, het geweld der wapenen niet wilde, om zoo te zeggen

moedwillig België verloren. Door zijne voortdurende weifelingen, -- den

eenen dag concessiën verleenende, en den anderen dag het kanon latende

bulderen -- , heeft de Koning de grootste schuld aan de verdeeling van het

Rijk der Nederlanden. In plaats van te handelen, aarzelt hij en vaardigt

tot de Belgen een Proclamatie uit, waarin hij het voorstel tot scheiding

aan de uitspraak der Staten-Generaal onderwierp en verder de goede burgers

aanmaande hunne zaak van die der oproermakers af te zonderen (5en

September); de gouverneur durfde eerst het stuk niet laten aanplakken, en

de raad der notabelen zond eene afvaardiging bij prins Frederik om het te

te doen intrekken; anders vreesde men een nieuwen oploop en het hijschen

der Fransche vlag. De prins stemde er in toe in dien zin naar Den Haag te

seinen. Maar de Antwerpsche bladen drukten alras den tekst der proclamatie,

zoodat verdere geheimhouding nutteloos werd; dadelijk verbrandden de

burgerwachten dit stuk op de Groote Markt te Brussel.

In de hoofdstad had men 't volk in den waan gebracht dat de prins van

Oranje zijn terugkeer voor den 6en had beloofd, en daar hij niet verscheen,

zijn woord verbroken had. Daarop werd wapenvoorraad verzameld, en nieuwe

barricaden werden opgericht; Van der Smissen en Van der Meeren, geholpen

door den Spaanschen kolonel Juan van Halen en den oud-geneesheer Ernest

Grégoire, drilden de vrijwilligers en richtten de korpsen in. Na eene

kleine botsing tusschen de Luikenaars, die in Leuven lagen, en de

koninklijke voorposten werden Jozef d'Hoogvorst en Gendebien bij prins

Frederik gezonden, die beloofde zijn troepen weldra uit Kortenberg terug te

trekken en het kamp te Vilvoorde op te breken; den volgenden dag ontving

hij nog eene afvaardiging van Belgische volksvertegenwoordigers om hem te

bidden toch geen geweldigen aanval op Brussel te doen, waarin hij

toestemde; en den 8en vestigde de prins zijn hoofdkwartier te Antwerpen.

Middelerwijl was er te Brussel, tusschen de notabelenvergadering met den

revolutionnairen staf der burgerwacht en de voorzichtige leden der

Staten-Generaal, een geschil ontstaan. Gendebien, Van de Weyer, J.

d'Hoogvorst en Felix de Mérode wilden dat De Secus, De Gerlache en de

anderen een _Voorloopig Bewind_ zouden aanstellen. Maar de

volksvertegenwoordigers, die zich aan de wettelijkheid hielden, waren,

ondanks hunne verbintenis na 't vertrek van den Prins van Oranje aangegaan

om Brussel niet te verlaten, van denkbeeld veranderd en besloten toch, in

spijt van de hekelingen en beschuldigingen der heethoofden, zich

voorzichtigheidshalve naar de zitting der Staten-Generaal te begeven en

geen Voorloopig Bewind in te richten (8en September).

Over deze onbestendigheid en de afwezigheid der volksvertegenwoordigers

eerst gebelgd, verheugde zich alras de revolutionnaire groep over hun

vertrek naar Den Haag, daar het bleek dat hunne aanwezigheid te Brussel den

vooruitgang der Omwenteling stremde.

Daar de oprichting van een Voorloopig Bewind mislukt was, stelde Gendebien

toen voor eene _Commissie van Openbare Veiligheid_ aan te stellen, te

kiezen uit een dubbele lijst van candidaten door de hoofden der 8

afdeelingen van de Brusselsche burgerwacht en een klein getal notabelen

opgemaakt; om aan de instelling een schijn van wettelijkheid bij te zetten,

deed men ze door het bange gemeentebestuur bekrachtigen; ondanks de

pogingen der revolutionnairen kreeg de Commissie slechts eene beperkte

opdracht, namelijk de vestiging van het stamhuis verzekeren, het

grondbeginsel der scheiding van Noord en Zuid handhaven en de openbare orde

herstellen. De samenstelling der Commissie, die feitelijk maar vijf leden

telde, betoonde klaar hare inzichten: Gendebien, Van de Weyer, Rouppe,

Felix de Mérode en Meeus aan 't hoofd der zaken stellen was de vijanden der

Regeering rechtstreeks laten optreden; dit was zooveel als na den opstand

_de Omwenteling bepaald uitroepen_(10en en 11en September).

Na alzoo de machten van gouverneur en stadsregeering overweldigd te hebben,

ruimden de leden der Commissie insgelijks de rechterlijke macht uit den

weg, en schorsten den Procureur-Generaal; deze verliet dadelijk Brussel,

weldra gevolgd door den gouverneur Van der Fosse, den burgemeester De

Wellens en talrijke hooggeplaatste ambtenaren (14en September).

Doch driemaal faalden de pogingen der liberale leiders om een Voorloopig

Bewind op te richten, dank zij den tegenstand van de gematigden, met de

barons d'Hoogvorst aan 't hoofd, die eene opene deur voor de verzoening

wilden behouden.

* * * * *

Intusschen waren de Belgische leden der Staten-Generaal in Den Haag

aangekomen; zij vonden daar de bevolking uiterst verbitterd en woedend over

het gevaar dat de kroonprins in Brussel geloopen had. De _Arnhemsche

Courant_, in navolging van de _Noordstar_, had in zijn nummer van 7en

September bedreigingen geuit: «Te wapen! Weg met de muiters! Muitersbloed

is geen broedersbloed!» Ook moest Baron de Gerlache tegen de woelige

menigte door de politie beschermd worden: het werd een strijd van volk

tegen volk!

Wanneer de Vorst de volksvertegenwoordigers in Den Haag zag aankomen, moet

hij nog versterkt geworden zijn in zijne meening dat de gebeurtenissen te

Brussel zoo erg niet waren als men ze voorstelde en dat de volksbeweging

niet zoo ernstig was aangezien de afgevaardigden der natie hunne plaats in

't Parlement kwamen nemen. Zoo werd Willem begoocheld.

Op 13en September opende de Koning de laatste en buitengewone sessie der

Staten-Generaal; in zijne troonrede sprak hij, zeer bewogen, zijnen wensch

uit om de oplossing der Unie van Noord en Zuid slechts langs

grondwettelijke wegen te zien geschieden; Willem, die zijne populariteit

bij zijn volk zocht te vrijwaren, maakte zich den tolk der Hollanders; hij

verkondigde dat het noodig was de troepen op te roepen, en verklaarde dat

hij nooit «voor partij geest zou wijken, nooit zou toestemmen in

maatregelen die de welvaart en de belangen van 't vaderland aan de

hartstochten en het geweld zouden opofferen.» Daarop werd aan de Staten

voorgesteld dadelijk de twee volgende vraagstukken te overwegen en

bespreken: Is het noodzakelijk de nationale instellingen te wijzigen?

Behoort het in dit geval, de inrichting, zooals zij tusschen de twee groote

deelen van het Rijk door de verdragen en de Grondwet voorgesteld is, te

veranderen?

Hoe belangrijk de discussie ook was, hoe gunstig de oplossing voor het

algemeen belang mocht wezen, toch was dit de zaak, die eene snelle

afhandeling eischte, op de lange baan schuiven. Gedurende de

beraadslagingen over het Adres, in antwoord op 's Konings rede, namen de

Hollanders eene bepaald vijandige houding aan; er werden zeer harde

woorden gesproken. Donker-Curtius, een lid der Commissie, verklaarde dat

hij geen anderen uitweg zag dan het geweld der wapenen; De Gerlache durfde

uitroepen, in naam der afgevaardigden van het Zuiden, dat, indien men hunne

wenschen niet aanhoorde, zij niet als lijdzame toeschouwers den ondergang

van hun vaderland zouden aangezien hebben.

De troonrede verwekte te Brussel zooveel opspraak, dat de Commissie der

Openbare Veiligheid, ondanks de pogingen der Luiksche vrijwilligers die

kortaf met de regeering wilden afbreken, een Adres aan de afgevaardigden in

Den Haag moest zenden, waarin men hevig protest aanteekende tegen de

militaire inzichten van de regeering; de twee dragers werden daarbij nog

belast, de Zuidnederlandsche afgevaardigden uit te noodigen Holland te

verlaten, maar kwamen weldra met het verbazende nieuws terug dat de leden

der Staten den raad gegeven hadden met den prins van Oranje te

onderhandelen. Het volk kreet verraad, de Luiksche vrijwilligers bereidden

een aanval op het stadhuis. Weldra beschuldigde men de Commissie van te

groote gematigdheid en tevens van kleinmoedigheid.

Om ze te prikkelen, hadden andere vurige leiders als Ch. Rogier, Renard,

Ducpétiaux en de Franschen Niellon, Grégoire en Chazal inmiddels, met de

toestemming van Gendebien, het _Middelverbond_ gesticht, meestal uit

Luikenaars, Luksemburgers en andere Walen samengesteld. Rogier, onder

voorwendsel dat hij vreemd aan de stad was, deed het voorzitterschap aan

Duepétiaux toevertrouwen, maar bleef in werkelijkheid de ziel van die

vereeniging, waarvan talrijke leden de Fransche vlag wilden opsteken (16en

September).

In de St Joriszaal vereenigd, durfde het Middelverbond welhaast zijn

eischen aan de Veiligheidscommissie opdringen; deze, wier gezag,

voortdurend door de uiterste partij ondermijnd, aan 't wankelen was, deed

nochtans beslissen dat men de koninklijke troepen niet zou aanvallen, en

toen den 18en een bende Luikenaars toch de voorposten der Hollanders te

Vilvoorde en Tervuren was gaan aanvallen, keurde zij deze gewelddaad door

eene proclamatie stellig af (19en September).

Gendebien, het bewind aan Felix de Mérode en S. Van de Weyer overlatende,

was naar Rijsel vertrokken om zich in betrekking te stellen met de

Parijsche ballingen, die de Belgische Vereeniging in Frankrijks hoofdstad

gesticht hadden.

* * * * *

«Nu begint de regeeringloosheid, schreef Levae aan De Potter; de handel is

vernietigd door den onzekeren toestand waarin men verkeert, daar men geen

besluit durft nemen: hierdoor zijn vele arbeiders zonder werk; daaruit

ontstaan samenscholingen en woelige tooneelen die weldra zouden kunnen

noodlottig worden, want de ellende zal tot buitensporigheden leiden, indien

men er niet krachtig in verhelpt; het staat vast dat eene _geheime macht_

de werklieden ophitst om onverdedigbare of belachelijke aanspraken te

maken. Ik vrees dat de menigte zich een dezer dagen zal ergeren over de

onzekerheid waarin men ons laat, en dat men ze tot eene tegenomwenteling

zal opjagen waarvan de goede burgers de slachtoffers zouden wezen. De

groote feil van onzen tegenwoordigen toestand is dat wij geen opperhoofd

hebben.»

Die _geheime agenten_, welke Levae bedoelt, waren de Fransche Clubmannen,

die sedert 't begin van het oproer de Brusselsche werkloozen met

drinkpartijen op de Hoogstraat en elders vergastten, en nu het gepeupel,

dat vóor 't Stadhuis aanhoudend samenschoolde, wapenden en ophitsten.

Levae's sombere voorspelling werd dadelijk bewaarheid. De vreedzame

proclamatie der _Veiligheidscommissie_ werd afgerukt; het gepeupel liep

samen op de Groote Markt onder den kreet «Wapens! Wapens!», en ondanks

Rogier, ontwapenden zij de burgerwacht gedurende den nacht; 's anderendaags

bestormden 1500 gewapende muiters het Stadhuis en stelden een einde aan de

overheid der Commissie. De verschrikte burgerij, bang voor plundering, zond

dadelijk twee vertoogschriften naar prins Frederik te Antwerpen om zijne

terugkomst te vragen. Brussel was aan de regeeringloosheid overgegeven

(20en September).

Zonder dien triomf der aanvoerders van de jacobijnsche Club van het

Middelverbond, ware de omwenteling spoedig gedempt geweest: evenals het

overgroote deel der Brusselsche burgerij, bleven de vertegenwoordigers der

Zuidelijke Provinciën in de Staten inderdaad de wettelijkheid getrouw. 't

Was juist den volgenden dag dat het Adres op de koninklijke troonrede,

gansch in den Belgischen zin opgesteld, door de leden der Tweede Kamer werd

aangenomen met 86 stemmen tegen 19 (Hollanders). Bevreesd bij 't vernemen

der gebeurtenissen te Brussel, hadden de Belgische afgevaardigden, zelfs

degenen die altijd tot de hevigste oppositie hadden behoord, herhaalde

malen (17en tot 20en September) bij den Koning aangedrongen, opdat hij

zonder dralen zijn toevlucht tot het geweld zou genomen hebben; zij vroegen

dit, niet alleen omdat het noodzakelijk was tot bescherming hunner

eigendommen, maar omdat zij niet meer vrij waren met de noodige

onafhankelijkheid te stemmen.

Alzoo vond de Koning zich na lange aarzeling gedwongen om aan zijn lijdzame

houding een einde te maken; de tocht tegen het regeeringlooze Brussel werd

besloten, doch Willem beging de ongelooflijke fout zijn eigen zoon, prins

Frederik, met het opperbevel te belasten. In den nacht van 20en tot 21en

September ontving hij het bevel Brussel binnen te trekken, en na zich

overtuigd te hebben van de gunstige stemming der burgerij, vaardigde hij

eene proclamatie uit waarin hij volledige kwijtschelding beloofde: «alleen

de voornaamste daders van al te misdadige handelingen om te kunnen verhopen

dat zij aan de gestrengheid der wetten zullen ontsnappen, en de

vreemdelingen, die misbruik makende van de hun verleende gastvrijheid,

wanorde onder u zijn komen stichten, zullen rechtmatig gestraft worden;

hunne zaak heeft niets met u gemeen.»

Inmiddels had E. d'Hoogvorst door eenen slimmen trek, ondanks de ontbinding

der burgerwacht, zijne plaats als «burgerlijk hoofd dier wacht» weten te

behouden, en deed als bevelhebber der _vrijwilligers_ Van der Meeren en

Pletinckx benoemen; maar de poging van het Middelverbond om een Voorloopig

Bewind in 't leven te roepen, faalde volkomen.

Had de prins in den avond van den 21en tot den 22en de stad willen innemen,

niemand had hem tegenstand geboden; doch hij had officieel zijne intrede in

de hoofdstad voor den 23en aangekondigd! Hij liet dus aan de opstandelingen

den tijd om zich te wapenen, enkele kanonnen voor de stadspoorten te

sleepen, de straten open te breken, nieuwe barricaden op te werpen en

hulpbenden uit Leuven, Waalsch-Brabant, het Centrum en de Borinage te

ontvangen. De Luikenaars en de vreemdelingen betoonden eenen koortsachtigen

ijver. Meer en meer helde de burgerij nochtans tot de overgave over. Alléen

Pletinckx, Ducpétiaux en Ad. Roussel drukten zich krachtdadig voor den

weerstand uit; doch deze twee laatsten, als parlementairen bij prins

Frederik gezonden, werden aangehouden en op Antwerpen gezonden.

De andere revolutionnaire kopstukken hadden zich, bij 't naken van 't

gevaar, reeds vroeger vreesachtig uit de voeten gemaakt: den 21en vluchtten

S. Van de Weyer en Rouppe naar Valencijn, waar zij, in het _Hôtel du Grand

Canard_ aan Gendebien en Chazal, aldaar vergaderd met De Potter, kwamen

aankondigen dat alles verloren was; weldra kwamen ook Van der Burght,

Moyard, Fleury, Van der Smissen, Van der Meeren, Levae en Niellon ze

vervoegen; Felix de Mérode begaf zich in Frankrijk naar zijn kasteel van

Trelon; Vleminckx en P. Rodenbach verschuilden zich te Rijsel. Rogier bleef

de laatste: slechts op het oogenblik dat de Hollandsche troepen Brussel

binnenrukten, koos hij het hazenpad langs de Hallepoort, liet de Luiksche

vrijwilligers, wier bevelhebber hij was, in den steek en ging zich

verschuilen in het Zoniënbosch! Verscheidene der belhamels hadden zich uit

vrees van herkend te worden, den baard laten afscheren. Talrijke groote

burgersfamiliën vluchtten uit Brussel naar Gent en Antwerpen.

Alsdan beslisten de Franschen en andere vreemdelingen, die een zoo

belangrijk deel aan het oproer hadden genomen en door 's prinsen

proclamatie bedreigd waren, zelf de verdediging der stad, met de opgekomen

boeren, de vrijwilligers van Luik en het Brusselsche werkvolk en gepeupel,

op zich te nemen: don Juan van Halen, Ernest Grégoire, oud-generaal

Mellinet, P. Parent, Burggraaf de Culhat en vooral Engelspach, gezegd

Larivière, schikten de manschappen aan de poorten en op de barricaden;

Baron d'Hoogvorst, het eenige lid der Veiligheidscommissie dat op post

gebleven was, zetelde alléen op 't Stadhuis. Zooals eene vrouw uit het volk

het schilderachtig zei: «nu zag men die heeren van het Stadhuis met hun

zwarte kazakken niet meer. Waar zijn nu die verdoemde kapoenen, nu er moet

gevochten worden? Het zijn nu de kielen die de stad moeten verdedigen.»

Wetende dat de hoofden van den opstand Brussel verlaten hadden en dat de

grootste regeeringloosheid binnen de stad heerschte, dachten prins Frederik

en zijne generaals, die over 10,000 man en 26 kanonnen beschikten, zeer

weinig aan strijd; zij meenden «dat zij maar de fourriers hadden vooruit te

zenden om op het stadhuis de biljetten van inkwartiering te ontvangen»,

daar de gezeten Brusselsche burgerij, bang voor nieuwe plundering, niets

liever verlangde dan dat het Nederlandsche leger de stad weer tot rust

bracht. Maar juist bij de mindere standen, die aan zichzelven overgelaten

nu te Brussel den boventoon voerden, lag die waaghalzerij en die

geestkracht die aandrang tot weerstand geeft. Ook gaven de werk- en

ambachtslieden, doch zij alléen, blijken van bewonderenswaardigen moed

gedurende de Septemberdagen. In kleine groepjes verdeeld, zonder beleid,

zonder onderrichting, zonder aanvoerders, hebben die bakkersgasten, die

beenhouwersknechten, die timmerlieden, die daglooners, met geluk den aanval

van welonderrichte troepen afgeslagen.

* * * * *

Den 23en September, om zeven uur 's morgens trokken de koninklijke troepen

op Brussel af in vier kolommen verdeeld; deze zouden de stad binnenrukken

op vier verschillende punten, langs de Vlaamsche-, de Antwerpsche-, de

Leuvensche- en de Schaarbeeksche poort. Generaal Schuurman bemeesterde

aldra deze laatste, trok naar de Warande en bezette de paleizen; de

Leuvensche poort werd ook spoedig ingenomen. De derde kolom slaagde er wel

in, de Antwerpsche poort te bemachtigen, maar gezien den tegenstand der

mannen met de blauwe kielen, oordeelde de bevelhebber het raadzamer bij de

Lakenbrug post te vatten, om in voeling te blijven met de rest van 't

leger. Aan den Vlaamschen Steenweg echter liet zich de vierde afdeeling in

eene hinderlaag lokken, en werd teruggeslagen. Vruchteloos waren de

pogingen der koninklijke troepen tegen de barricade van het Koninksplein,

verdedigd door ongeveer twaalfhonderd boeren en werklieden, en aangevoerd

door Mellinet, Parent en De Culhat. Daar ook stond Charlier van Luik,

bijgenaamd «het Houten Been», die met zijn kanon wanorde en dood in de

Hollandsche rangen zaaide; het moorddadige vuur der scherpschutters, die in

de omliggende hotels post gevat hadden, verplichtte ze weldra naar de

Warande te wijken. Alzoo bleef de sleutel van de stad in de handen der

oproerlingen.

Hier werd door de Hollanders eene grove fout begaan; in plaats van

doortastend te handelen, verspilde de prins den zoo kostbaren tijd in een

straatgevecht, altijd den aanvaller zoo nadeelig. Zeer gemakkelijk had de

hij Brussel kunnen insluiten, indien men de afdeeling van generaal

Cort-Heyligers niet onverrichterzake tusschen Leuven en Tienen had laten

kruisen. Doch 's namiddags reeds had men den prins verteld dat men, om

Brussel te bezetten, de stad straat per straat, huis per huis zou moeten

innemen, door verwoesting of beschieting, en stelde hem voor dat er slechts

twee wegen overbleven: de stad beschieten of zonder dralen af te trekken.

Frederik echter verafschuwde het bloedvergieten en de verwoesting der stad;

gehoor gevend aan zijne toegevendheid, vergetend dat het uur van

krachtdadig optreden geslagen was, liet de prins bevel geven het vuur te

staken en zond zelfs in den avond een parlementair tot de opstandelingen.

Dat was de nederlaag bekennen!

Bij het vallen van den avond boden de barricaden een buitengewoon

schouwspel aan. Daar de Hollanders in de Warande en op de boulevards

teruggetrokken waren en de taptoe geslagen hadden, verlieten de Belgische

vrijwilligers en hunne Fransche aanvoerders de barricaden, lieten ze

gansch alleen staan en gingen in de omliggende herbergen over hunne

heldendaden pochen! Hoe de prins de barricaden 's nachts niet overrompeld

heeft, valt nooit te begrijpen!

In den nacht begaf baron d'Hoogvorst zich naar het hoofdkwartier van den

prins om dezen tot de ontruiming der stad over te halen. Frederik

antwoordde: «dat hij Brussel bezet had in de hoop orde en rust in de stad

te herstellen; dat hij deze niet kon ontruimen dan op bevel van den Koning;

doch, daar het hem vooral ter harte lag de verwoesting van Brussel zooveel

mogelijk te voorkomen en een strijd te eindigen, die niets anders dan de

noodlottigste gevolgen na zich kon sleepen, zelfs voor het rustige deel der

bevolking, zou hij het slagveld niet verder uitbreiden, en zich tot eene

verdedigende houding bepalen.» _En inderdaad, gedurende de drie volgende

dagen hebben zijne troepen hunne stellingen niet meer verlaten._ Zoo weinig

begreep Frederik de toestanden, dat hij nog hoopte «op de beteugeling der

anarchie door de burgerwacht!» Die naïeveteiten, dit gemis aan energie

leggen uit, waarom de prins, wat anders onbegrijpelijk voorkomt, de

benedenstad niet ingenomen heeft.

De terugkomst 's nachts van Rogier, die inmiddels het geluk der

vrijwilligers vernomen had, moest alle hoop op onderhandelingen of overgave

doen verzwinden. Overigens, bij 't nieuws der bestorming van Brussel kwamen

talrijke vrijwilligers uit Halle, Genappe, Waver, Nijvel, Binche

aangesneld; tonnen buskruit werden uit de omstreken gestuurd; de stormklok

luidde overal. Ook de vluchtelingen van Valencijn, die nieuws gekregen

hadden van de heldhaftige verdediging van Brussel, keerden in allerijl

terug; zij bevonden zich reeds op den middag bij Edingen (Enghien), overal

een krachtdadigen _Oproep tot het Volk_ verspreidende, die den stoet der

vrijwilligers, welke hen volgden, van dorp tot dorp aanzienlijk deed

aangroeien (24en September).

Om 9 uur 's morgens was de strijd in de hoofdstad opnieuw begonnen. Tot dan

toe hadden die kleine pelotons werklieden en boeren, wier moed sedert den

eersten dag den triomf van den opstand verzekerd had, gestreden zonder

bepaald doel en eenvoudig om de overheid te bevechten.

[Illustration: Gevecht in de Warande te Brussel (24 September 1830)]

Met den terugkeer der gevluchte leiders wordt de strijd ingericht. Rogier,

om den opstand te besturen, vestigde op 't Stadhuis eene _Bestuurlijke

Commissie_ met D'Hoogvorst en den oud-genieoffieier Jolly; hij benoemde

don Juan van Halen als opperbevelhebber der patriotten en stelde

Engelspach-Larivière tot bijzonderen agent der uitvoerende macht aan.

Mellinet, Niellon, Chazal, Grégoire en andere Franschen kregen een commando

of werden aan het hoofdkwartier verbonden. Het plan der vrijwilligers was

voortaan zeer eenvoudig: Prins Frederik in de Warande insluiten en hem

beletten in de stad te dringen; daarom slopen zij in de voornaamste hotels

der Wetstraat en der Koningstraat en beschoten van daaruit, onzichtbaar en

verschanst, de dappere maar blootgestelde Hollandsche troepen. Alsdan liet

de prins houwitserbommen op de stad werpen.

Tot hiertoe had de verschrikte burgerij lijdzaam de beweging gadegeslagen;

de beschieting der stad wekte haar uit die onverschilligheid op. Om haar

bepaald tot de Omwenteling over te halen, liet de Bestuurlijke Commissie,

te middernacht, eene proclamatie in de straten aflezen, waardoor zij, op

leugenachtige wijze, de burgers tegen eene tweedaagsche plundering der stad

door de Hollandsche soldaten waarschuwde! Het uitwerksel was verbazend: de

bedrogen burgerij sloot zich bij de barricademannen aan.

De vluchtelingen van Valencijn waren intusschen met 300 vrijwilligers in

Brussel aangekomen; dit versterkte den moed der patriotten in de hoogste

mate. Op bevel van Rogier durfde zelfs Van Halen eenen vermetelen aanval op

de Warande wagen, die natuurlijk mislukte; zijn stafoverste Pletinckx

aarzelde niet om aan de Hollandsche voorposten een antwoord der

Bestuurlijke Commissie te overhandigen, waardoor alle onderhandelingen

verworpen waren, maar hij werd aangehouden en op Antwerpen gericht. Doch

Van Halen's koene daad en de nieuwe proclamatie der Commissie, die aan de

gesneuvelden een nationaal grafmonument op het St Michiels-, nu

Martelaarsplein, beloofde, versterkte nog den moed der patriotten. Na een

strijd van drie dagen, hadden de Hollandsche troepen, verre van eenigen

vooruitgang te maken, zelfs terrein verloren; en terwijl zij zich aan

ontmoediging overgaven, klom de onversaagdheid der vermetele patriotten in

dezelfde mate. En weer bleven 's nachts de barricaden verlaten; prins

Frederik en zijne generaals, aarzelend en radeloos, handelden echter minder

dan ooit; 's anderendaags zou het overigens reeds te laat wezen.

Want, op Zondag 26en September vernam de Brusselsche bevolking dat de

Bestendige Commissie door een _Voorloopig Bewind_ vervangen was,

samengesteld uit D'Hoogvorst, Rogier en Jolly, die zich nu het

driemanschap, graaf Felix de Mérode, Gendebien en Sylvain Tan de Wever

toevoegden; hunne eerste daad was een oproep tot de Belgische soldaten _die

zij van hunnen eed ontsloegen_. Reeds was de trouw der Belgen, die onder de

wapens waren, aan 't wankelen gebracht door den indruk der behaalde

voordeelen hunner strijdende landgenooten; talrijke soldaten werden

afvallig en namen de vlucht; het leger was door de afscheiding tusschen

Hollanders en Belgen met ontbinding bedreigd!

Prins Frederik en zijne generaals waren ontmoedigd door den hardnekkigen

weerstand en door het nieuws van den voortdurenden aantocht van nieuwe

vrijwilligers uit Henegouwen, waar al de garnizoenen éen voor éen,

uiteengingen of zich gedeeltelijk bij het oproer aansloten. Daarbij werd

den 26en het Hollandsche leger ingesloten door den brand die het Paleis der

Staten-Generaal en het Koninklijk Paleis bedreigde. In dien toestand

oordeelde prins Frederik dat de hem opgedragen taak van rustherstelling en

bescherming der vredelievenden onmogelijk te volvoeren was en besloot tot

den aftocht; omstreeks middernacht werd het bevel in dien zin gegeven en om

drie uur hadden de troepen de Warande ontruimd; tot groote verbazing der

vrijwilligers vonden deze 's anderendaags in den morgen het slagveld

verlaten ...

Die overwinning verzoende alle partijen om triomf te vieren; door het

gemeenschappelijk vergoten bloed werd de opstand eene nationale zaak. De

gematigden en de vreedzame burgerij, die tien dagen te voren om de troepen

geschreven hadden, sloten zich nu bij het zegepralende werkvolk en het

gepeupel aan en schaarden zich aan de zijde der revolutiemannen; voortaan

zal er maar éene partij meer bestaan, met éen doelwit: het leger naar

Holland terug te drijven.

De vier Septemberdagen hadden aan de Hollanders 150 dooden en 2000

gekwetsten gekost; de Belgen telden 450 dooden en 1300 gekwetsten; al de

eer der overwinning werd den Franschman Mellinet toegeschreven.

* * * * *

Het onverwachte nieuws der bevrijding der hoofdstad verspreidde zich

bliksemsnel; van den uitslag van den strijd te Brussel hing immers het

behoud van het Hollandsch bestuur in bijna alle steden en gemeenten af;

alom namen de inwoners de wapens op, verjoegen de troepen uit Brugge,

Bergen, Doornik, Namen, Philippeville en Mariembourg, twee dagen later uit

Meenen en Ieperen, en kwamen de rangen der Brusselsche overwinnaars

vergrooten. Aldus had de nederlaag van prins Frederik de afvalligheid van

bijna gansch België tot gevolg; ook ging het Hollandsche leger door de

desertie der Belgen in weinige dagen tot een staat van geheele ontbinding

over.

Nauwelijks had de geestelijkheid van het omliggende platteland het oproer

te Brussel vernomen, of haar strijdlust hernam met dezelfde kracht als ten

tijde der Brabantsche omwenteling. De opstand tegen «den protestantschen

dwingeland» werd met gloed gepredikt en de boeren-vrijwilligers, met den

bekenden naam van «patriotten» bestempeld, werden vóor hun vertrek door den

dorpsherder gezegend. In Vlaanderen hadden de geestelijken afgewacht welken

keer de zaken te Brussel zouden nemen; en als het bleek dat de Waalsche

revolutionnairen sterker waren dan de regeering, hebben zij de beweging

gevolgd. Nu bleek het genoeg door die spoedige wapening hoe de stijve en

verwaande houding der Hollandsche ambtenaren het lagere volk en de

buitenlieden afkeerig van het Noorden gemaakt had. Ook stroomden uit Ronse

en Kortrijk, uit Ninove en Aalst enz. reeds op 26en September groote benden

opstandelingen naar Brussel toe: meest allen behoorden tot die

gemeentewachten die de regeering zoo onvoorzichtig had ingericht.

Op Maandag 27en September, was de volksvereerde Louis de Potter

triomfantelijk te Brussel binnengetreden en door het volk met uitbundig

gejubel onthaald. Reeds 's anderendaags werd hij in het Voorloopig Bewind

opgenomen, en vormde met Rogier, Van de Wever en E. de Mérode het

_Hoofdcomiteit_, dat met de uitvoerende macht bekleed was.

Met weergaloozen ijver en wonderbaar vernuft, bemoeide het Comiteit zich

met het herinrichten van leger en bestuur; zonder geld noch middelen

regelden zij het nieuwe beheer.

't Was in 't vuur van den strijd te Brussel, dat de Staten-Generaal in den

Haag eindelijk het principe van de bestuurlijke scheiding tusschen Noord en

Zuid aangenomen hadden, in de Tweede Kamer met 55 stemmen tegen 45, in de

Eerste met 31 tegen 7 (29en September). Twee dagen later benoemde koning

Willem eene commissie belast met het onderzoek van de maatregelen door deze

verandering geëischt, de inrichting en de bepaling der betrekkingen

tusschen de twee groote deelen van het Rijk; maar de Belgen namen aan dit

werk zelfs geen deel meer.

Alhoewel de Vorst, na ontvangst van een Adres geteekend door vele

aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje den 4en October aan het hoofd der

Zuidelijke gewesten geplaatst had, en, in afwachting dat de scheiding van

Noord en Zuid, overeenkomstig de grondwettelijke vormen, bekrachtigd werd,

hem toeliet te regeeren met een bestuur uitsluitend uit Belgen

samengesteld; alhoewel de prins dit door zijne proclamatie te Antwerpen 's

anderendaags kond maakte en daarbij de vrijheid van onderwijs en van taal

beloofde, voldeed deze bestuurlijke scheiding bijna niemand meer. Het bloed

der gesneuvelde strijders had den haat tegen den Hollander zoozeer

opgejaagd, dat het denkbeeld der volstrekte Belgische zelfstandigheid meer

en meer veld won; wel hadden Gent, Antwerpen, St Nikolaas en Dendermonde

zelfs tegen de bestuurlijke scheiding verzet aangeteekend; het was te laat:

noch protesten, noch proclamatiën konden meer baten.

Den 4en October, twee dagen na de sluiting der laatste zitting der

Staten-Generaal, vaardigde het Hoofdcomiteit het volgende decreet uit: I.

De Belgische provinciën, met geweld van Holland losgerukt, zullen eenen

onafhankelijken Staat vormen. II. Het Hoofdcomiteit zal zich ten spoedigste

met het ontwerp eener Grondwet bezighouden. III. Een Nationaal Congres,

waarop al de belangen der provinciën zullen vertegenwoordigd zijn, zal

bijeengeroepen worden, en over de Grondwet beraadslagen.

[Illustration: Voorlopig bewind (Schilderij van PICQUÉ) Joly Sylvain van de

Weyer Jos. van der Linden E. V. d'Hoogvorst Al. Gendebien Ch. Rogier L. de

Potter Baron de Coppin Felix de Mérode]

België's zelfstandigheid was onherroepelijk gevestigd.

* * * * *

De prins van Oranje, alhoewel niet met bepaalde volmacht gewapend, had

nochtans alle hoop niet opgegeven. Hij had rondom zich te Antwerpen drie

ministers, La Coste, Van Gobbelschroy en den hertog van Ursel, en tien

getrouw gebleven Belgische afgevaardigden, onder welke Lehon, De Brouckère,

De Gerlache en Surlet de Chokier. Hij poogde door allerlei beloften, als

instelling der ministerieele verantwoordelijkheid en der jury, zijne

verloren populariteit te herwinnen. Tegelijkertijd knoopte hij

onderhandelingen met de leden van het Voorloopig Bewind aan. Hierin was

Lord Ponsonby, de Engelsche gezant te Brussel, hem reeds voorgekomen. Deze

kende de kuiperijen van Gendebien met de regeering van Louis-Philippe en de

tusschenkomst van den Franschen gezant Generaal Vallazé gedurende de

Septemberdagen, en spande al zijn pogingen in om de vereeniging van België

met Frankrijk te verijdelen. Kon men de scheuring van het rijk der

Nederlanden niet beletten, zoo bleef dan nog, als dam tegen Frankrijk, een

onafhankelijk België, onder den Engelschgezinden prins van Oranje, het

verkieslijkst; de scheiding van Noord en Zuid intusschen was voor Engeland,

dat onder de mededinging van den Hollandschen zeehandel en van de Belgische

nijverheid erg leed, van groot œconomisch belang.

Aan den anderen kant zond de prins van Oranje den Russischen prins

Kolovsky, die, uit zijn gezantschap te Wurtemberg ontslagen, nu Gent

bewoonde, bij de generaals D'Hoogvorst en Van Halen, alsook bij De Mérode,

Van de Weyer en L. de Potter; zeer lang bepleitte hij de zaak van den held

van Quatre-Bras, maar stuitte op de weigering der leden van het Voorloopig

Bewind. Nochtans verklaarden tien Belgische volksvertegenwoordigers dat ze

hem als onderkoning van den grondwettelijken Belgischen Staat wilden doen

uitroepen; de prins bad daarop zijn vader om ondersteuning van Rusland en

Engeland en bood Louis-Philippe, in ruiling van een openbare afkeuring van

de kuiperijen der Fransche partij te Brussel, zijne voorspraak bij den

Frankrijk bedreigenden Czaar, zijnen schoonvader, aan; uit al zijne macht

wenschte hij het schoonste deel van het koninkrijk voor zich te herwinnen,

met het inzicht het later met Holland te hereenigen.

De prins wist niet dat zijn vader hem intusschen in alles tegenwerkte.

Willem had inderdaad, den 2en October, zijn minister Verstolk van Soelen

gelast een rondschrijven aan Pruisen, Oostenrijk en Rusland te richten om

hulp te vragen, en zijn gezant Falck te Londen bad om de dadelijke zending

van Engelsche troepen; alleen Pruisen bracht op onze oostelijke grenzen een

leger samen, maar moest daarmee ophouden voor de dreigementen van den

Franschen zaakgelastigde (11en October). In Holland zelf had Willem zijn

volk te wapen geroepen, denzelfden dag dat Oranje te Antwerpen zijne

verzoenende proclamatie had uitgeplakt! Verder riep hij Van Maanen opnieuw

in 't ministerie van justitie en verleende het opperbevel der troepen aan

prins Frederik, bijgestaan door Chassé, commandant van Antwerpen; alzoo

vuurde Willem de oude oneenigheid tusschen zijne beide zonen opnieuw en

geweldig aan. Aan den prins van Oranje liet de Vorst, die tot dan toe de

omwenteling niet wilde erkennen, maar nu plots een oogenblik akte van

afstand wilde doen, de toelating geworden om de souvereiniteit van België

te aanvaarden, maar mits zulke voorwaarden, dat zij van eene verregaande

verblindheid omtrent den staat van zaken getuigt (13en October). Van wege

den prins zelf waren het hersenschimmen wanneer hij hoopte zijne

voorstellen te zien aanvaarden; want noch de geestelijkheid die in hem den

protestant zag, noch de adel die zich grootendeels door de priesters liet

leiden, noch de kleine burgerij en de werklieden die zich reeds te ver

gewaagd hadden en die onrechtstreeksche wederaanhechting bij Holland

verwierpen, wilden van hem weten; en hoe overtoegevend hij zich in zijne

besluiten ook toonde, toch waren de verordeningen van het Voorloopig Bewind

nog veel breeder opgevat, en alzoo werd hem de loef afgestoken.

Want, nadat het Voorloopig Bewind enkele uitstekende mannen, als De

Gerlache, Van Meenen, Nothomb, Lebeau, Devaux, De Brouckère, belast had

met het opstellen van een ontwerp van Grondwet en een Kieswet voor de

benoeming van 200 Congresleden, vaardigde dit krachtdadig en onvermoeibaar

Comiteit, onder den invloed van den philosoof en republikein L. de Potter,

zeer vrijzinnige besluiten uit, zooals de vrijheden van vereeniging, van

godsdienst, van drukpers, de openbaarheid der gerechtsdebatten, zelfs de

volledige vrijheid voor de schouwburgen, maar ook de vrijheid van

onderwijs. Alras verwezenlijkte het Bewind het programma der Unie of liever

overschreed het.

De prins van Oranje, wiens toestand hachelijk werd door het vertrek der

Belgische afgevaardigden (6en-10en October) en door de opstootjes in

Antwerpen zelf, werd door burgemeester en raad genoopt om deze door een

beslissende daad te stillen, en waagde zijne laatste troeven. Den 16en

October, vaardigde hij eene nieuwe proclamatie, zonder voorkennis van den

Koning, uit, in deze bewoordingen: «Belgen, ik herken u als eene

onafhankelijke natie; kiest vrij uwe afgevaardigden voor het Nationaal

Congres. Ik stel mij in de provinciën die ik bestuur, aan het hoofd van een

beweging welke u leidt naar eenen nieuwen en vasten staat van zaken,

waarvan de nationaliteit de kracht zal uitmaken»; overigens stelde hij

Ducpétiaux en Pletinckx in vrijheid en beloofde de schifting van de

Hollandsche en Belgische soldaten.

Door deze ongelukkige proclamatie verloor de prins ineens zijn spel. Want,

niet alleen werd hij reeds twee dagen later bepaald over boord geworpen

door het Voorloopig Bewind, dat hem het recht ontzei te spreken «van

provinciën die _hij_ bestuurde» en van «politieke nationaliteit die _hij_

zou stichten»: niet alleen deed hij het Hollandsche volk in woede

ontvlammen «omdat hij Holland had verloochend», maar zijn stoute stap werd

door Koning Willem als hebbende zijn macht te buiten gegaan veroordeeld en

in volle zitting der nieuw vergaderde Staten-Generaal van het Noorden

afgekeurd (20en October); na die harde bestraffing van zijn vader trok, vol

zelfverloochening, de ontmoedigde prins naar Londen, in de hoop aldaar bij

de conferentie der Mogendheden meer bijval te vinden, doch niet zonder

vooreerst tot de Belgen zijn wenschen voor hunne welvaart gericht te hebben

(25en October).

Het is anders ontegensprekelijk dat deze proclamatie den laatsten slag

toebracht aan de stervende macht zijns vaders; zij verjoeg de

angstvalligheid van een massa wankelmoedige lieden, die uit schrik of

berekening nog vreesden met de Nassau's af te breken, en die dit

voorwendsel aangrijpende, om hun geweten en hunne belangen in veiligheid te

houden, zich verhaastten te verklaren dat indien zij naar 't Congres of tot

eene openbare bediening geroepen werden, zij zouden aannemen.

«Wat alle denkbeeld overtreft, zegt De Gerlache, is het getal verzoekers

belust op een deel van den buit. Iemand die deel uitmaakte van het pas

gevestigde gezag en die voortijds in de grootste onbekendheid leefde, zag

zich bestormd door eene menigte versch ontstane vrienden, die er in

toestemden zich te wagen in de openbare ambten, uit loutere liefde voor het

vaderland en, zooals zij voorgaven, om er de verraders uit te sluiten, die

zij officieus kwamen aanklagen.»

* * * * *

Het gansche Vlaamsche land werd nu afvallig, uitgezonderd Antwerpen door

Chassé bewaard en Maastricht door Dibbits verdedigd. Te Gent had de

Patriotische Maatschappij de Brabantsche kleuren opgestoken; het Voorloopig

Bewind, om Brussel tegen die gelukzoekers te bevrijden, had het

Parijsch-Belgisch legioen, den 7en October onder burggraaf de Pontécoulant

aldaar aangekomen, naar Gent gestuurd; na eene botsing met de oude

burgerwacht, die hare ontbinding en hervorming tot gevolg had, begon

Pontécoulant de beschieting der citadel, waarin de Hollandsche kolonel

Destombes zich opgesloten had (13en October), doch zich vier dagen later

moest overgeven; ook te Brugge werd hij eene week later belast een opstand

te gaan dempen; maar in Zeeuwsch-Vlaanderen werd zijn troep plunderaars

door de Hollanders deerlijk te Oostburg teruggeslagen (len November).

[Illustration: Campenhout zingt de Brabançonne in het “Café Cantoni”

(Schilderij van VAN HAMMÉE)]

Terzelfdertijd rukten met twee duizend man luitenant-kolonel Niellon en de

kommandant der artillerie Kessels op tegen het leger van prins Frederik en

Bernard van Saksen-Weimar, een 40,000 man sterk; deze troepen, juist

ontredderd door de schifting van Hollandsche en Belgische soldaten,

stonden langs de Rupel en Nete, met den rechtervleugel te Boom, het centrum

voor de bruggen van Waalhem en Duffel, den linkervleugel boven Lier;

Niellon verraste Lier zonder slag of stoot, versterkte het, sloeg een

tegenaanval af en verplichtte het gansche leger zich onder de muren van

Antwerpen terug te trekken. Bij dit nieuws stelde Chassé de havenstad in

staat van beleg. 's Anderendaags overrompelt generaal Mellinet, met het

tweede leger, de brug van Waalhem en sluit zich den 24en op Ouden-God met

Niellon aan. Reeds den volgenden dag namen zij Borgerhout en Berchem in,

alwaar graaf Frederik de Mérode doodelijk gekwetst werd; enkele dagen

vroeger was de tooneelspeler Jenneval, de dichter der _Brabançonne_, te

Lier gesneuveld.

[Illustration: Fac-simile van een handschrift uit de Koninklijke

Bibliotheek te Brussel]

Op het zicht der vluchtende Hollanders staat het lagere volk te Antwerpen

op; straatgevechten ontstaan; de strijd wordt vooral rondom de poorten

geleverd; een gedeelte der Hollandsche troepen begint den aftocht naar

Breda, terwijl het andere de muiters beschiet.

Den 27en 's morgens trok eene afvaardiging van Antwerpsche notabelen bij

generaal Chassé om hem te vragen het gevecht te staken; zij overhandigden

hem tevens eenen brief van den oud-tolbeambte Frans Vanden Herreweghe,

afgevaardigde van het Voorloopig Bewind, die hem vroeg zijne troepen in de

citadel en het arsenaal terug te trekken en een wapenstilstand met de

patriotten te sluiten. De bevelhebber nam het voorstel aan, gaf bevel aan

zijne manschappen om zich over de wallen naar het kasteel te begeven en

leverde de sleutels der stadspoorten aan Vanden Herreweghe.

Kessels en Niellon, nauwelijks met de vrijwilligers de stad binnengerukt,

deden zich door de verdedigers der citadel, onder den schijn dat zij

vredeonderhandelaars waren, inlaten, en legden de verklaring af, dat de

gesloten wapenstilstand, als zijnde geteekend door een onbevoegde

burgerlijke overheid, geene verbindende kracht had voor de Belgische

troepen. Daar Chassé ze naar den afgevaardigde van 't Bewind verzond,

durfden zij met dien Vanden Herreweghe en Mellinet rond den middag aan den

generaal een geschreven voorstel richten, waardoor zij de citadel, het

arsenaal en de krijgsvloot met al het oorlogsmateriaal opeischten met

tijdsbepaling van vier uur om te beslissen.

Doch nog vóór twee uur hadden reeds de onstuimige patriotten, ondanks den

wapenstilstand, op de Hollanders van het arsenaal geschoten. Deze waren

genoodzaakt dit vuur te beantwoorden; de aanvoerder Kessels, die eerst

getracht had zijne vrijwilligers te doen ophouden, richtte op het einde

zelf een kanon tegen de hoofdpoort der omheining en deed ze springen. Dan

gaf de lankmoedige Chassé, op aandringen van Saksen-Weimar, ondanks zijn

afkeer, maar woedend over die «hatelijke trouweloosheid», het bevel om het

St Andries-kwartier met houwitserbommen, granaten en kogels te beschieten.

Ook de vloot beantwoordde den aanval der vrijwilligers met haar grof

geschut tegen de kaaien te richten: het bombardement van de prachtige

koophandelsstad eindigde slechts om 7-1/2 uur, na overal vernieling en dood

gezaaid te hebben. De openbare gebouwen, de private huizen stonden weldra

in lichterlaai; het arsenaal, waarin zooveel schatten opeengestapeld waren,

werd ook de prooi der vlammen (27en October).

Alsdan kwam een nieuwe afvaardiging van Antwerpsche ingezetenen, dragers

van eenen brief van den moedigen en standvastigen Rogier, om Chassé tot een

nieuwen wapenstilstand over te halen, wat deze toestond. Bernard van

Saksen-Weimar scheepte daarop een deel der troepen in, en liet aan Chassé

eene genoegzame bezetting.

Alhoewel de gansche schuld van dit verschrikkelijk bombardement aan de

verwatenheid der Belgische vrijwilligers lag, werd Chassé's handelwijze

door de leden van het Voorloopig Bewind en hunne dagbladen, als de uiting

van een barbaarschen wraaklust en Hollandschen handelsnijd voorgesteld, en

«steeg er bij dit nieuws een kreet van afgrijzen door gansch België op.»

«De gematigdste burgers, schrijft De Gerlache, riepen uit dat geene

verzoening met de Hollanders meer mogelijk was, dat een stroom van vuur en

bloed ons voor altijd van Willem en zijn stamhuis scheidde!» De laatste

hoop van den prins van Oranje was verzwonden; zijne zaak was reddeloos

verloren.

In eene maand dus was het Hollandsche leger van den Belgischen bodem

verjaagd. En nochtans ontbrak het de omwenteling aan hoofdmannen, aan

voorbereiding, aan richting. De koene handelingen van het onbemiddelde

Voorloopig Bewind en voornamelijk de werkdadigheid van Rogier kan men

hierom niet genoeg bewonderen. Trouwens het waren de menschen niet die de

gebeurtenissen leidden, maar wel de gebeurtenissen die met ongemeene

snelheid de menschen met zich sleepten.

De weifelingen van den koning, de machteloosheid van den prins van Oranje,

de ontbinding van het Hollandsche leger, de schuldige lamlendigheid van de

militaire gouverneurs, alles was de revolutionnaire aanvoerders en de

Belgische vrijwilligersscharen zoo buitengewoon gunstig geweest, dat die

spoedige overwinning niemand moet verwonderen.

Chassé's krachtdadig optreden stuitte dien geweldigen aanloop; het was het

einde der Belgische zegepraal. De Hollandsche legers sloten zich weer

aaneen, 's Konings oproep tot den strijd werd met geestdrift door zijn

Hollandsch volk begroet; met algemeenen wedijver kwamen burgers, studenten,

werklieden de rangen van het leger en van de schutterij aanvullen en

stortten de groothandelaars en de reeders hunne schatten in de Staatskist.

Het gansche volk stond, in het Noorden, op tegen de «verraders» van het

Zuiden; niet dat men België wilde veroveren, want de Tweede Kamer drukte

«haar verlangen uit, om wettelijk volkomen van eene mislukte verbintenis

verlost te worden», doch eenvoudig om het bedreigde Nederland te

verdedigen.

Het woord was echter niet meer aan het gekletter der wapenen, maar aan de

diplomatie van de groote Mogendheden. Evenals deze de beide landen door

hunne handteekeningen vereenigd hadden, zouden zij ze door protocollen en

verdragen van elkander scheiden.

Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel · 第 42 / 49 题