VICTOR FRIS

De rampzalige aftocht uit Rusland had de macht van den grooten dwingeland

bepaald geknakt. Wel poogde Napoleon met nieuwe krachten den aanval der

legers van het Verbond van al de Europeesche mogendheden te stuiten, doch

hij werd te Leipzig (October 1813) verslagen. Terstond hieven al de volken,

die Bonaparte zoolang onder zijn hiel gehouden had, het hoofd op en

schudden het gehate juk met een zucht van verlichting af. Overal brak bij

het naderen der troepen der Geallieerden de opstand los en sloeg van

Westfalen naar Holland over. Amsterdam gaf het sein der verlossing (15en

November 1813); de Pruisen en de Russen verjoegen de Fransche generaals,

terwijl de Engelschen in Zeeland landden.

Reeds op 16en November aanvaardden twee patriotten, de graven van Hogendorp

en van der Duyn, de souvereiniteit der oud-Vereenigde Provinciën in naam

van den prins Willem van Oranje; veertien dagen later ontscheepte de zoon

van den oud-stadhouder te Scheveningen, en op 1en December nam hij in den

Haag den titel van Souvereinen Vorst der Vereenigde Provinciën.

Intusschen rukten de verbonden legers Frankrijk binnen; het leger van het

Noorden onder Bernadotte's bevel trok langs België op Parijs af. De

schielijke vlucht der Fransche ambtenaren en de aantocht der Pruisen en der

Kozakken werden alhier met geestdrift onthaald, vooral in de Vlaamsche

gewesten, waar de herinnering aan den Boerenkrijg nog zoo levendig was.

Den 4en Februari 1814 vaardigde, in naam der Vreemde Mogendheden, generaal

Karel van Saksen-Weimar een proclamatie tot de Belgen uit, waarin hij hun

de onafhankelijkheid liet verhopen en ze aanspoorde om troepen te lichten

ten einde hunne vrijheid te verdedigen. In overeenkomst met generaal Bülow,

stelde hij een Voorloopig Bestuur aan, en benoemde den

Oostenrijkschgezinden hertog van Beaufort-Spontin tot gouverneur-generaal;

deze werd al spoedig (den 29en Maart), op bevel van keizer Frans I,

vervangen door den generaal baron de Vincent, die echter slechts den 5en

Mei, een maand na Napoleon's troonafstand, bezit nam van zijn ambt. Den

30en Mei 1814 werd door het eerste verdrag van Parijs beslist, op het

aandringen van den Engelschen gevolmachtigde, dat Holland een uitbreiding

van grondgebied zou verkrijgen; door twee afzonderlijke en geheime akten

werd zelfs de uitgestrektheid dezer uitbreiding aangeduid, n.l. tusschen

Frankrijk, de zee en de Maas, ja zelfs tusschen de Maas en den Rijn. Drie

weken later bepaalden de gevolmachtigden der Geallieerden, in Conferentie

te Londen vereenigd, de voorwaarden der vereeniging van Holland met de

Belgische gewesten, bestaande uit de vroegere Oostenrijksche Nederlanden en

't Prinsbisdom Luik met het Groothertogdom Luksemburg; prins Willem van

Oranje werd verzocht deze bij te treden, en in den meest liberalen zin te

werken om de volkomen _versmelting_ der beide landen te verwezenlijken

(21en Juni 1814). Die voorwaarden, in acht artikelen vervat, werden door

den Prins van Oranje een maand later aangenomen, doch voor 't publiek tot

het volgende jaar verborgen gehouden. Volgens artikel I moest die

vereeniging innig en volkomen zijn; beide landen moesten slechts één Staat

vormen, beheerd door de reeds in Holland aangenomen Grondwet, met de

noodige wijzigingen volgens de nieuwe omstandigheden. De volgende artikelen

verzekerden aan alle godsdiensten gelijke rechten en bescherming, aan alle

burgers gelijke benoembaarheid tot de openbare ambten; de Belgische

provinciën zouden «op geschikte wijze» in de Staten-Generaal

vertegenwoordigd zijn en voortaan met de Hollandsche provinciën lasten en

voordeelen dragen. De gedwongen, bepaalde afstand van de Kaapkolonie en van

de helft van Suriname was de belooning van Engeland voor deze weldaad

tegenover het huis van Oranje, dat Luksemburg verkreeg in ruiling zijner

bezittingen in Duitschland.

Op 31en Juli 1814 gaf baron de Vincent het opperbestuur van ons land over

in handen van den Souvereinen Vorst der Nederlanden. Eindelijk waren de

verwachtingen die Willem sedert twintig jaren omtrent het bezit van België

gekoesterd had, verwezenlijkt.

* * * * *

De vereeniging van Holland met België, welke de Engelsche diplomatie sedert

lang beoogde, was eenvoudig een schikking in 't belang van Europa, dat

tusschen Maas en Rijn een sterken dam tegen de toekomstige pogingen der

Fransche veroveringszucht wilde opwerpen. De monarken van het Heilig

Verbond hadden het vorstenhuis van Oranje-Nassau willen bevoordeeligen.

Niet eens had men onze bevolking geraadpleegd; ook was er in de Zuidelijke

Provinciën bijna niemand die de vereeniging met Holland toegedaan was; men

gevoelde weinig aantrekking voor dat land dat men niet kende. Overigens,

beide streken vertoonden zulk verschil in zeden, belangen, godsdienst en

zelfs in taal, dat dit gedwongen huwelijk met weinig ingenomenheid van wege

beide partijen aangezien werd.

Wel waren Noord en Zuid stamgenooten, maar de geschiedenis had ze sinds

bijna 250 jaren gescheiden gehouden. Terwijl België zonder politiek leven,

zonder eigenlijke zelfstandigheid van den Spanjaard naar den Oostenrijker

was overgegaan, om eindelijk door den Franschman te worden veroverd, had

Holland eene gewichtige historische rol gespeeld; en terwijl men in 't

Zuiden nog den druk van het vreemde juk gevoelde, boogde het Noorden met

fierheid op de trotsche overleveringen zijner heldendaden en zag daarom met

eene zekere minachting op het naburige volkje neder.

Op intellectueel gebied veel hooger staande, beschouwden de Hollanders de

Belgen geheel als ondergeschikten, en deze houding kwam het verschil in

karakter nog verscherpen.

Terwijl benoorden den Moerdijk taal en zeden van zuiver Germaanschen aard

gebleven waren, hadden, sedert de 16e eeuw, in het Dietsche zoowel als in

het Waalsche gedeelte der Zuidelijke Nederlanden, Fransche taal en Fransche

zeden de hoogere klassen veroverd; en die invloed van het naburige

Frankrijk was niet weinig versterkt gedurende de twintigjarige

overheersching van de Republiek en van het Keizerrijk. In scholen,

gerechtshoven, bestuur, vergaderingen, vereenigingen, dagbladen, openbare

of private briefwisselingen zwaaiden in de Vlaamsche gewesten de Fransche

spraak en de Fransche denkbeelden onbetwist den schepter.

De Hollander, aan de voorvaderlijke levensgewoonten getrouw gebleven, was

stijf, koel, plechtig en teruggetrokken; de Belg, onder Franschen invloed

beweegbaar en losser in handel en wandel geworden, was van de moderne

denkbeelden die de Fransche Omwenteling met zich gevoerd had, doordrongen;

daarom ook werd de Fransche wetgeving in 't Zuiden met genoegen onthaald,

terwijl men ze in 't Noorden beschouwde als eene «nieuwigheid» door den

overweldiger opgedrongen.

Even stoer stonden tegenover elkander de dweepzieke Katholieken van 't

Zuiden en de bekrompen Calvinisten van 't Noorden; de laatsten overtrotsch

om hunne onmiskenbare verstandelijke superioriteit, de eersten fier op

hunne zegepraal tegenover Jozef-de-Tweede's liberale hervormingen, en

tevens bereid om, na hunne lange onderwerping tijdens het Fransch bestuur,

de overhand van hunnen godsdienst te herstellen.

Die verschillen, waarbij nog moet gevoegd worden de tegenstelling der

staathuishoudkundige belangen van beide landen -- handeldrijvend en dus

voorstanders van vrijen in- en uitvoer in 't Noorden, levend van nijverheid

en landbouw en daardoor beschermingsgezind in 't Zuiden -- waren oorzaak

dat er weinig neiging tot vereeniging bestond bij de Belgen, tenzij bij

zekere ontwikkelde lieden; zoodat de onhandige pogingen van de enkele

Orangisten, die de openbare meening tot de vereeniging moesten voorbereiden

tijdens het voorloopig bestuur van den hertog van Beaufort, de zaak van

prins Willem bijna in gevaar brachten.

Machtig integendeel was de Fransche partij, gesteund door de regeering van

Lodewijk XVIII, die de hereeniging met Frankrijk wenschte. Zij was uit zeer

uiteenloopende bestanddeelen samengesteld. Zij bestond ter eener zijde uit

de partijgangers der Fransche denkbeelden. Deze stonden in bewondering voor

het regeeringsstelsel door de Republiek ingevoerd, dat in België aan de

verschillende grondgebieden, aan de afwisselende locale gewoonten en

verouderde rechtsgebruiken, de eenvormigheid van bestuur, wetboeken en

rechtbanken, benevens de concentratie der openbare machten opgedrongen had.

Dan had men de menigte der uit Frankrijk teruggekomen Belgische

krijgslieden en ambtenaren die den grooten keizer gediend hadden, en wie

het tegen de borst stootte dat hun land onder de heerschappij van het

kleine Holland gesteld was. Eindelijk waren daar nog de Fransche ballingen

en uitwijkelingen, conventioneelen en bonapartisten, die de vervolgingen

van de clericale «Terreur blanche» uit Frankrijk ontvlucht waren.

Een aanzienlijk gedeelte der bevolking, voornamelijk de geestelijkheid en

de adel, in een woord, de leiders der Brabantsche Omwenteling die zich

later met keizer Leopold verzoend hadden, betrachtte, na den val van

Napoleon, den terugkeer van onze provinciën onder het Oostenrijksch

bestuur. De twee bevoorrechte standen beschouwden die herstelling van het

gezag der Habsburgers als innig verbonden met de herstelling van het Oud

Regime, waarvan zij droomden.

* * * * *

De ontvluchting van den Corsicaanschen dwingeland uit het eiland Elba

bedreigde plotseling het pas gevormde Rijk der Nederlanden. Willem maakte

gebruik van de algemeene verwarring in Europa, om zich op 14en Maart 1815

den titel van Koning der Nederlanden toe te kennen. Daarna bezocht hij de

Zuidelijke gewesten, waar hij met uitbundige vreugde ontvangen werd: alzoo

betoogden de Belgen hoe gelukkig ze waren, van het langdurige Fransche juk

verlost te zijn, onder hetwelk zij niets anders dan afpersing, knevelarij,

geweldenarij en dwang gekend hadden.

Zonder dralen riep hij 25,000 Belgen te wapen, die in spoed opgekomen en

met evenveel Hollanders vereenigd, onder bevel van den prins van Oranje,

zijn oudsten zoon, het Engelsch leger van Wellington gingen versterken. De

Nederlandsche troepen vochten met leeuwenmoed te Quatre-Bras, en twee dagen

later, toen het Fransche Keizerrijk ten onder ging in de vlakte van

Waterloo (18en Juni 1815), zei Wellington dat hij hunne dapperheid niet

genoeg kon prijzen. Die strijd van Hollanders en Belgen zij aan zij, droeg

veel bij tot eene toenadering tusschen beiden. De Nederlandsche Leeuw werd

te Waterloo opgericht als een gedenkteeken van Europa's bevrijding en van

Nederlands roemrijk aandeel in die overwinning.

Het Congres van Weenen erkende Willem als koning der Nederlanden, als

belooning voor zijne krachtdadige tusschenkomst; en door het tweede Congres

van Parijs verkreeg hij eene uitbreiding van grondgebied, n.l. het

hertogdom Bouillon, Philippeville en Mariembourg (20en November 1815).

Uit een œconomisch oogpunt was het Rijk, waarover Willem nu heerschte, eene

prachtige schepping; nooit was een land zoo plotseling in een zoo

voordeeligen toestand geplaatst, want het was tegelijkertijd machtig door

de rijkdommen van den grond, den handel en de scheepvaart. Bezat Holland

groote havens, waar onophoudend de belangrijke handelsvloot van hare

millioenrijke kooplieden de schatten van het weelderige Insulinde of van

andere koloniën binnenvoerde, België, met zijne vruchtbare landouwen -- de

klassieke grond van landbouw en veeteelt -- met zijne ijzer-, kool- en

loodmijnen, door eene nijverige bevolking uitgebaat, vond in zijnen grond

de schatten, die Holland op den Oceaan zocht. Beide landen vulden elkander

aan.

Overigens, was het volk in twee groote afdeelingen gesplitst en in vele

opzichten gescheiden, in andere opzichten hing het samen; er bestond meer

dan een overgang tusschen de twee landstreken, dien men tot het vormen van

een gemeenschappelijk leven kon benuttigen. Doch evenals alle willekeurig

geschapene inrichtingen, bezat dit kunstmatige rijk slechts weinig vastheid

op zich zelf, en het moest recht gehouden worden door de talenten van zijn

Vorst.

[Illustration: Willem I]

Deze Vorst, wien de moeilijke taak was opgedragen, de samensmelting van

deze twee landen te voltooien, bezat groote hoedanigheden. Hij was een

toonbeeld van huiselijke en persoonlijke deugden; hij onderscheidde zich

door zijne minzaamheid en rechtschapenheid; hij was zeer verstandig en

bezat een sterk geheugen.

Willem I streefde er naar, de genegenheid zijner onderdanen te winnen, en

verleende op gestelde dagen, iedere week, gehoor in zijn paleis aan groot

en klein, arm en rijk. Zeer werkzaam, strekte hij zijne bedrijvigheid uit

over bezigheden van zeer uiteenloopenden aard.

Maar de Vorst was ook een man van zaken, dien de geldzucht bijna tot de

gierigheid dreef. Zijne verwaandheid over de onfeilbaarheid van zijn

oordeel, zijne koppigheid en zijn gemis aan doorzicht, droegen veel bij tot

zijne impopulariteit, en zijn bestuur vonden de Belgen des te

onverdragelijker, daar hij protestant en Hollander was.

Ziedaar de man van wiens persoonlijk karakter en bestuurlijke begaafdheid

het afhing in hoeverre de Hollanders en de Belgen zich broederlijk als

zonen van hetzelfde vaderland zouden leeren beschouwen.

De prins van Oranje, de oudste zoon van den Koning, en Wellington's

leerling in den krijg, verschilde volkomen met zijn vader wat karakter en

denkwijze betreft. Zeer eigenzinnig en, als gemaal eener Russische

groothertogin, zeer hoogmoedig, werd hij weldra door den Koning uit het

bestuur van het krijgswezen ontzet, en gedurende tien jaren van de

staatszaken verwijderd.

Zeer ontwikkeld en zeer geliefd, oefende prins Frederik, Willem's tweede

zoon, als grootmeester der Nederlandsche vrijmetselarij, een zekeren

invloed uit op de liberale partij in Zuid-Nederland. Het beleid van 't

krijgsbestuur werd hem in 1817 opgedragen; doch evenals zijn vader, miste

hij bezieling en geestdrift en kon die dus aan anderen niet mededeelen.

Willem koos in den beginne voorname en ervaren mannen als ministers, meest

allen Noord-Nederlanders. Maar noch Gijsbert Karel van Hogendorp, een

ontwikkeld staatsman, een edel en open karakter, aan wien de koning zijne

kroon verschuldigd was en die zeer goed ingelicht was omtrent het bestuur

van het land; noch de bekwame en kundige Falck, die inschikkelijker was,

noch Van Nagel, noch Roëll, konden lang overeenkomen met een Koning, die

alles alleen wilde doen en voor de persoonlijke regeering was in den echten

zin van het woord.

[Illustration: A. R. Falck]

Hoe kwam het dat in den beginne het bestuur van Willem in 't buitenland

geprezen werd als het toonbeeld van een goede liberale regeering? Dit

dankte hij aan zijne zelfstandige houding op het Congres te Weenen

tegenover de reactionnaire vorsten van Pruisen en Rusland; voorts aan de

gastvrijheid die hij aan de bannelingen van alle natiën verleende, op het

oogenblik dat de Europeesche landen onder de bloedige verdrukking van de

vorsten van de Sainte-Alliance zuchtten; en eindelijk aan het schenken van

eene Grondwet aan zijne onderdanen.

* * * * *

Uit eigen beweging had Willem, in Maart 1814, een Grondwet aan Holland

gegeven. Deze verleende het volk meer vrijheid en meer waarborgen dan in de

voormalige Vereenigde Provinciën, maar verzekerde ook aan den Vorst een

uitgebreider macht dan ooit een stadhouder bezeten had. Dadelijk na de

oprichting van de Nederlanden tot koninkrijk, was een commissie tot stand

gekomen om de Grondwet te herzien en om de noodige veranderingen er aan toe

te brengen, in overeenstemming met den nieuwen staat van zaken (22en April

1815). G. K. van Hogendorp zat die commissie voor, samengesteld uit 12

Hollanders en 12 Belgen. Onder deze laatsten telde men de reactionnaire

graven de Mérode, de Méan en de Thiennes met den griffier Raepsaet, verder

radicalen als Dotrenge en Leclercq, en twee knappe en vooruitstrevende

mannen, Gendebien vader en Holvoet.

Hevige redetwisten grepen plaats over de ministerieele

verantwoordelijkheid, die verworpen werd ondanks de liberalen. Men kon het

ook niet eens worden over de aanduiding van de hoofdstad, Amsterdam of

Brussel, en daarom besloot men geene melding hiervan te maken. De nationale

vertegenwoordiging vooral was het voorwerp van langdurige beraadslagingen.

Niettegenstaande Hogendorp's tegenwerpingen die slechts ééne Kamer

wenschte, werd, op Raepsaet's voorstel, beslist dat men er twee zou hebben,

die den verouderden en volkomen iets anders beteekenenden naam van

Staten-Generaal behielden.

De Belgische aanhangers van het Oud Regime vroegen de vertegenwoordiging

der drie standen; maar dit was onmogelijk in Holland, waar de abdijen

afgeschaft en de ambachtsgilden verdwenen waren. Dan stelden ze voor om den

adel en de bisschoppen in de Eerste Kamer te doen treden; dit alweer werd

afgestemd en de geestelijkheid hield daardoor op als een bijzondere stand

herkend te worden.

Men besloot dat de Hooge Kamer bestaan zou uit 40 of 60 leden, levenslang

door den koning benoemd; en de Tweede Kamer uit 55 Hollanders en 55 Belgen

gekozen voor 3 jaar door de Provinciale Staten, met jaarlijksche

vernieuwing van een derde.

Vruchteloos verzette zich Gendebien tegen de gelijkheid in het getal der

afgevaardigden van de Tweede Kamer, omdat België 3 millioen inwoners en

Holland er minder dan 2 millioen bezat. Van Maanen antwoordde dat de

Vereenigde Provinciën sedert twee eeuwen als een zelfstandige Staat

bestonden, en het overwicht der Belgen niet zouden dulden, en Hogendorp

voegde er bij, dat men het belang der Hollandsche koloniën met hunne

millioenen inwoners en de intellectueele ontwikkeling der Noorderprovinciën

niet uit het oog mocht verliezen. In die omstandigheden werd het voorstel

der regeering door al de Hollanders en door twee Belgische afgevaardigden

(De Méan en De Mérode) aangenomen.

Het was zoo moeilijk om de artikelen te doen aannemen, over de volkomen

geloofsvrijheid, over de gelijke bescherming van alle godsdiensten en over

de benoembaarheid van alle burgers tot de openbare ambten, dat het noodig

was de verplichting in zake gewetensvrijheid in te roepen, door de groote

Mogendheden in het Protocol van Londen of Verdrag der acht artikelen den

Koning opgelegd; dit werd nu eerst aan de bevolking bekend gemaakt.

Nauwelijks was het ontwerp opgesteld (18en Juli 1815), of de Raad van de

Kroon stelde een lijst der Belgische notabelen op, die de Grondwet zouden

aannemen of verwerpen. Ze waren ten getale van 1600, één per twee duizend

inwoners, en werden benoemd door een soort van bekrachtigende stemming door

middel van het algemeen stemrecht. Het ontwerp van Grondwet was, op

voorhand, in 't geniep medegedeeld aan de bisschoppen De Broglie van Gent,

Pisani van Namen en Hirn van Doornik. Den 28en Juli richtten zij

_Eerbiedige Opmerkingen_ tot den Koning, waarin zij de gewetensvrijheid als

eene gevaarlijke nieuwigheid bestempelden, en zich beklaagden dat de

geestelijkheid, vroeger de eerste stand in den Staat, nu uit de wetgevende

vergaderingen en uit de lijst der notabelen gesloten was, en dat zij niet

eens het recht bezat de onwaardigen van deze lijst te schrappen. Daar de

Koning aan die eischen geen gehoor gaf, besloot de strijdlustige en

dweepzieke bisschop van Gent in het perk te treden.

In zijn herderlijken omzendbrief van 2en Augustus verbood hij aan al de

notabelen van zijn bisdom voor de nieuwe Grondwet, die de vrijheid van

godsdienst en de gelijkheid van de eerediensten waarborgde, te stemmen. Het

gevolg was dat, terwijl de Staten-Generaal in Holland eenparig de Grondwet

aannamen, de Belgische notabelen, op 18en Oogst 1815 te Brussel vergaderd,

met 796 stemmen tegen 527, diezelfde Grondwet verwierpen. In de vier

arrondissementen van Oost-Vlaanderen telde men slechts 67 stemmen vóór en

168 tegen. Bijna al de ontkennende stemmen waren gegrond op de artikelen

190 en volgende, aangaande de gewetensvrijheid; 126 briefjes hadden dit

uitdrukkelijk verklaard.

De Koning, die zulks niet verwacht had, en overigens gebonden was door het

Verdrag van Londen, toonde zich erg verbolgen. Nochtans, daar het ontwerp

de meerderheid had in de Nederlanden door de eenparige stemmen van de

Staten-Generaal in het Noorden, besloot hij over de moeilijkheid heen te

stappen. Hij verklaarde dat hij de afwezige notabelen, 280 in getal, als

goedkeurende stemmers beschouwde; hij vernietigde het honderdtal

ontkennende gemotiveerde briefjes die hij onwettig vond, en na deze

zonderlinge berekening kondigde hij af dat de Grondwet aangenomen was (24en

Augustus 1815).

De Grondwet verzekerde de vrijheid van persoon, van eigendom en van

geweten, en ook, doch slechts in zekere mate, die van drukpers; want een

streng besluit, den 20en April 1815 tijdens Napoleon's inval uitgevaardigd,

waarbij zekere persmisdrijven, als het verspreiden van valsche geruchten en

dergelijke, met brandmerk, zes jaar gevangenisstraf en duizend frank boete

gestraft werden, werd niet ingetrokken.

De koninklijke macht was beperkt door eene volksvertegenwoordiging, maar de

vorst benoemde de leden van de Eerste Kamer, en in de Tweede Kamer bezaten

de afgevaardigden noch het recht van wijziging noch dat van initiatief.

Verder bestond er geene ministerieele verantwoordelijkheid; de ministers

waren de dienaren van den vorst, niet van de natie.

De begrooting moest door de Staten-Generaal goedgekeurd worden; doch was

verdeeld in een buitengewoon budget dat alléen jaarlijks onderzocht werd,

en in een gewoon budget waarover slechts alle tien jaren moest gestemd

worden, zoodat een toezicht over de financiën schier onmogelijk was.

In het rechtswezen had een eenvoudig besluit van November 1814 reeds de

jury, die de koning eene instelling der barbaarsche tijden noemde,

afgeschaft; en de onafzetbaarheid der rechters was slechts voor lateren

tijd beloofd.

Een additioneel artikel bepaalde dat alle gevestigde overheden in hun ambt

bleven en alle in zwang zijnde wetten hun kracht behielden, totdat daarin

op andere wijze zou worden voorzien. Dit liet, onder 't deksel van

wettelijkheid, de deur open voor allerlei willekeur, daar het opstellen van

sommige noodwendige wetten op de lange baan werd geschoven.

Men ziet daardoor dat de Vorst zich een aanzienlijk overwicht in de

regeering voorbehouden had. Het koninkrijk der Nederlanden was

constitutioneel alleen in naam, 't was eene monarchie door eene Grondwet

gematigd.

En nochtans was die Grondwet, vergeleken bij hetgeen toen ter tijde op

Europa's vasteland gebeurde, zoo vrijzinnig, dat zij in den grond algemeen

goed onthaald werd. Zelfs de katholieke De Gerlache keurde ze goed; maar

wat de Belgen ergerde, waren de voorwaarden betrekkelijk de gelijkheid van

't getal volksvertegenwoordigers, en hetgeen in 't bijzonder de katholieken

niet konden aannemen was de gewetensvrijheid. Wat juist bijdroeg tot de

scheiding tusschen Noord en Zuid, alhoewel de Mogendheden aan Willem de

volkomen samensmelting van de twee landen opgedragen hadden, was de

gelijktallige volksvertegenwoordiging en het aanstellen van twee

hoofdsteden, Brussel en den Haag, waar afwisselend de Staten zouden

zetelen, alsof de keus van Antwerpen zich niet had moeten opdringen.

* * * * *

Nauwelijks had Willem, den 21en September 1815, te Brussel zijn eed

afgelegd en zijn plechtige inhuldiging gevierd, of een hardnekkig verzet

werd door de Belgische bisschoppen tegen art. 190 en 191 van de Grondwet

begonnen.

De inrichting van de katholieke kerk in België was sedert jaren door

Napoleon's Concordaat geregeld. Tijdens het Voorloopig Bestuur had men

besloten dat de kerkelijke zaken in de handen der geestelijken zouden

blijven. Den 26en Mei 1814 was de vurige Maurits de Broglie, een zoon van

den Franschen maarschalk van dien naam, naar zijn bisdom Gent teruggekeerd,

gestaald door den langen weerstand dien hij den machtigen Keizer had

geboden. Die vreemdeling, teleurgesteld omdat België aan de heerschappij

van de Bourbons, die krachtdadige beschermers van de geestelijkheid,

ontsnapte, en in beginsel een protestantschen vorst vijandig, onderhield

gedurende zes jaren een zeer gevaarlijke gisting onder de Belgische

onverdraagzame en dweepzieke katholieken. Reeds den 8en October 1814 deed

hij door zijnen vicaris-generaal, den Franschman Lesurre, een memorie

opstellen, gericht tot de afgevaardigden op het Congres van Weenen. Daarin

vroeg hij: de teruggave aan de geestelijkheid en aan de kloosters van al

hunne oude voorrechten, de herstelling van de tienden en van de kerkelijke

rechtbanken, de toekenning van het bestuur van het onderwijs aan de

prelaten, het verbod van oprichting van protestantsche tempels; maar hij

liet nochtans toe, dat de vorst binnen zijn paleis de protestantsche

godsdienstoefeningen mocht houden. De leden van het Weener Congres lieten

dit stuk natuurlijk zonder antwoord.

Wij hebben gezien hoe heftig Maurits de Broglie het volgende jaar het

ontwerp van de Grondwet bestreed. Door talrijke edellieden en door de

reactionnaire partij in 't algemeen ondersteund, voerde de geestelijkheid

een hevigen strijd tegen de Grondwet, ter wille van de artikelen over de

gewetensvrijheid. De ultra-katholieke partij zag niet in, dat een terugkeer

tot den ouden staat van zaken onmogelijk was; zij hield geen rekening met

den ommekeer in de denkbeelden teweeggebracht. Door gansch West-Europa

eischte de openbare meening de onbeperkte vrijheid van denken; in België

zelf bestond er een aanzienlijke liberale groep, radicalen, oud-Vonckisten

of Voltairianen, die niet alleen de godsdiensten onverschillig, maar ook

vijandig waren, benevens gematigden of doctrinairen die den voorrang van

de burgerlijke macht op de geestelijke luide verkondigden. En het was juist

dit kenmerk van den Nieuwen Tijd, die zucht naar ontvoogding van den

menschelijken geest, die de klerikale partij zoo hevig bekampte.

Ook toen de bisschoppen in hunne _Herderlijke onderrichtingen_, oorzaak van

het verwerpen van de Grondwet door de Belgische katholieken, verklaarden

dat zij «dit verderfelijk grondbeginsel, gansch tegenstrijdig met het

katholiek geloof, dat alle godsdiensten even goed zijn» niet konden

aannemen, voer de Koning in zijne bekrachtigingsverordening van de Grondwet

uit «tegen deze lieden die de maatschappij tot voorbeeld van

verdraagzaamheid en van evangelische liefde zouden moeten strekken». In

zijn verzet tegen de aanmatiging der Belgische geestelijkheid, wist hij

overigens dat hij volkomen in den geest zijner Hollandsche onderdanen

handelde.

Toen de Grondwet toch aangenomen werd, kondigden de bisschoppen een

_Leerstellige Uitspraak_ (Jugement doctrinal) af, waarin ze zeiden dat de

Katholieke Kerk het volk verplichtte zich te verzetten tegen de Grondwet.

Zij verboden aan al de geloovigen, wilden zij zich niet schuldig maken aan

het ergste verraad tegenover de heiligste belangen van den godsdienst, de

verschillende eeden af te leggen, die de Grondwet voorschrijft; verder

teekende bisschop De Broglie, die de voornaamste opsteller van het

mandement was, protest aan tegen art. 196, waardoor aan den Koning was

opgedragen om te zorgen dat de verschillende eerediensten zich onderwierpen

aan de wetten van het land. Dientengevolge noodigde de bisschop van Gent

zijne geestelijkheid uit, om de absolutie te weigeren aan de notabelen,

afgevaardigden en burgemeesters die den eed aan de Grondwet zouden zweren

(14en Mei 1816). Dadelijk weigerden talrijke openbare ambtenaren hun ambt

te bekleeden, en de leiders van de katholieke partij, de fanatieke Robiano

de Borsbeek, de graaf de Mérode en de hertog van Beaufort wilden hunnen

zetel, ondanks 's Konings misnoegen, in de Eerste Kamer van de

Staten-Generaal niet aanvaarden.

De weigering van absolutie had, vooral in Vlaanderen, eene geweldige

gisting in de gemoederen verwekt. De _Leerstellige Uitspraak_ oefende

nochtans den invloed niet uit, dien De Brogue verhoopt had, want Paus Pius

VII en de legaat Consalvi, alhoewel geenszins den weerstand van de

bisschoppen lakende, toonden zich niet geneigd om de betrekkingen met de

Nederlandsche regeering te bederven. De laatste prins-bisschop van Luik,

prins de Méan, was door Willem tot aartsbisschop van Mechelen aangeduid;

maar uit Rome verwachtte men nog zijn aanstelling tot dit ambt. Als lid der

Eerste Kamer had reeds deze grijsaard den grondwettelijken eed afgelegd,

doch onder voorbehoud van de pauselijke goedkeuring. De vernuftige

Reinhold, gezant van Nederland bij het Vatikaan, gelukte er in het geschil

tot eene minnelijke schikking te brengen: De Méan stelde eene openbare

verklaring op, waarin hij bekende dat zijn eed hem tot niets verplichtte

dat in strijd was met de leer der Kerk, en dat hij de grondwettelijke

bescherming, zonder onderscheid aan alle eerediensten toegezegd, slechts

uit een burgerlijk oogpunt opvatte (18en Mei 1817). Daarop werd De Méan

door den Paus aangesteld, en hield weldra als aartsbisschop zijne plechtige

intrede te Mechelen. De verklaring van den primaat stilde de gemoederen;

vele geestelijken en leeken, die tot dan toe den eed hadden geweigerd,

legden hem in denzelfden zin af.

In Vlaanderen nochtans bleef de toestand gespannen: de absolutie werd

voortdurend aan de partijgangers van de regeering geweigerd; de

geestelijkheid ruide de dweepzieke bevolking door allerlei vlugschriften

op. De regeering besloot het gerecht te doen optreden.

Priester De Foere uit Brugge, beticht ophitsende artikels in zijn Fransch

tijdschrift te hebben geschreven, werd, krachtens het besluit van 20en

April 1815, tot twee jaar gevangenis veroordeeld (21en Maart 1817).

Die onpolitieke daad werd vijf dagen later door een bevel van aanhouding

gevolgd, door den procureur-generaal tegen bisschop De Broglie

uitgevaardigd. De bisschop vluchtte naar Frankrijk; zijn proces werd bij

gebrek aan een Hooger Gerechtshof door een Voorloopig Hof beoordeeld. Hij

werd bij verstek tot de deportatie verwezen om zich tegen de aflegging van

den eed verzet te hebben en zonder oorlof in briefwisseling met den Paus

getreden te zijn (8en November 1817). Om zich over zijne ontvluchting te

wreken, liet de regeering zijn vonnis te Gent, op eenen marktdag, tusschen

twee tentoongestelde misdadigers aan de kaak aanplakken. Dit was de

aanhangers van den bisschop nutteloos uitdagen; daarmee vernielde men den

goeden indruk door het rechtmatige vonnis tegen hem teweeggebracht, en de

verbannen prelaat won veler genegenheid. Dit bleek klaar, toen de regeering

de met De Broglie in briefwisseling staande vicarissen-generaal van Gent

wederrechtelijk voor het tribunaal daagde: zij zag ze vrijspreken en het

gepeupel het vonnis met luid gejubel begroeten.

De dood van den strijdlustigen prelaat (20en Juli 1821) bracht dadelijk

eene verzoening met de geestelijkheid teweeg. Na zes jaren strijd legden de

vicarissen-generaal van Gent den voorwaardelijken eed af, en een menigte

priesters volgden dit voorbeeld.

Het scheen dus dat de Koning en de katholieke geestelijkheid voortaan in

vrede gingen leven; maar in Vlaanderen zetten de priesters in 't geniep

hunne kuiperijen tegen de regeering voort en verspreidden ondanks de

waakzaamheid der overheden ontelbare libellen onder het volk; de onhandige

besluiten van 1825 zouden den strijd hardnekkiger dan ooit aanvuren.

Gedurende dien wapenstilstand tusschen Kerk en Staat, waren er, door de

onbehendigheid van de regeering, andere oorzaken van misnoegdheid ontstaan.

Gansch België door morde men, omdat de Zuid-Nederlanders benadeeld werden

in het verleenen van de openbare ambten. Men had opgemerkt dat er in 1815

onder de ministers slechts een Belg, de hertog van Ursel, aan het

departement van den Waterstaat aangesteld, was; wanneer hij dit ambt in

1819 neerlegde, werden al de Belgische ingenieurs, door hem benoemd,

vervangen door Hollanders. Al de hoogere ambten in het diplomatisch korps,

in het leger, eigenden deze laatsten zich toe; ook in alle burgerlijke

betrekkingen genoten zij de voorkeur. Men wees er op, hoe de voornaamste

instellingen van de regeering en van het bestuur in het Noorden gevestigd

waren; het was kenmerkend hoe, alle twee jaren, bij de verplaatsing van de

Staten-Generaal naar Brussel (art. 98 van de Grondwet), het Hof, de

Staatsraad en de ministers wel tijdelijk verhuisden, maar de bureaux in den

Haag bleven en de overgekomen beambten reis- en verblijfkosten ontvingen,

als waren zij in den vreemde. Voor het overige gedroegen zich de

Hollandsche ambtenaren, namelijk in het verachterde Vlaamsch-België, waarop

zij met minachting neerzagen, met eene trotsche stijfheid, die hun de

sympathie van de bevolking ontnam en hevige verbittering tegen de

«Kaaskoppen» deed ontstaan.

* * * * *

Intusschen vleide zich de Koning met het denkbeeld dat hij de gunst en de

dankbaarheid der zuidelijke bevolking zou winnen, met zich in te spannen

voor hunne œconomische belangen. Hij gebruikte de Hollandsche

koopvaardijvloot om de talrijke producten der Belgische nijverheid naar den

vreemde en vooral naar de Nederlandsche koloniën uit te voeren. Daarom

moesten havens ingericht worden. De Scheldekaai en de Stapelplaats in

Antwerpen werden voltooid; het getal binnengeloopen schepen steeg tusschen

1818 en 1829 van 585 tot 1028; ook te Oostende kwamen jaarlijks meer dan

500 vaartuigen binnen. De eerste stoombooten verschenen op de Schelde reeds

in 1824. Van Gent naar Terneuzen werd eene breede vaart (1825-1827)

gegraven, die aan de eerste stad eene prachtige haven schonk sedert het

aanleggen van de dokken. Het kanaal van Pommerœul naar Antoing liet de

koolschepen toe van de Hene naar de Schelde te varen, zonder op Franschen

bodem te gaan, het Zuid-Willemskanaal (1822) bracht Maastricht met 's

Hertogenbosch in verbinding, en de vaart van Charleroi naar Brussel zou

weldra Rupel en Samber verbinden. Overal werden steenwegen door het land

getrokken om het vervoer te vergemakkelijken, en dusdoende handel en

nijverheid te bevoordeeligen.

In 't algemeen mag men zeggen dat de Koning, wat de stoffelijke belangen

betreft, België meer begunstigde dan Holland. Om Engelands mededinging op

Insulinde te kunnen weerstaan, gaf het handelshuis gebroeders De Smet te

Gent aan de regeering den raad om de invoerrechten op de Engelsche

manufacturen in Java te verhoogen, en terzelfdertijd onze nationale

scheepvaart en handel krachtig te steunen. Einde Maart 1824 kwam de

_Algemeene Handelsmaatschappij_ tot stand, met een fonds van 37 millioen,

waarvan 4 door den Vorst zelf ingeteekend. Zij stelde zich tot doel den

uitvoer te vergemakkelijken door uitsluitend nationale schepen te

gebruiken, en zoo ziet men den handel, die in 1824 de som van 215 millioen

gulden bedroeg, in drie jaren tijds tot 350 stijgen.

Deze Handelsvereeniging was de noodzakelijke aanvulling der _Algemeene

Maatschappij tot begunstiging der nationale nijverheid_ (28en Aug. 1822),

die mijnen en fabrieken tot den heerlijksten bloei ontwikkelde. Dit machtig

genootschap, gesticht met een kapitaal van 50 millioen, schoot aan de

nijveraars aanzienlijke gelden voor. De belangstelling van Koning Willem in

John Cockerill's onderneming te Seraing is voldoende bekend. Gent, dat

16,000 spinners en wevers telde, leverde bijna alleen de veertig duizend

stuks katoen die Java jaarlijks gebruikte; van 1823 tot 1825 klom het getal

textielfabrieken met elf, en in 1830 telde de stad niet minder dan 62

weefgestichten; de Phoenix, eene belangrijke mekaniekfabriek aldaar, werd

insgelijks door den Koning gesteund.

Brussel behield het monopolium van weelde- en modeartikels, zooals

borduurwerk en lint. Te Verviers en te Dison nam de lakenweverij een

nieuwen bloei; de tapijtweverij en het porseleinwerk kwamen weer op te

Doornik. Met behulp der regeering verrezen hoogovens met coke te Couvin en

te Seraing, en bijzonderen bouwden er te Couillet. Men ontgon de koolmijnen

in de Borinage en in het Luikerland met koortsachtigen ijver, en in 1825

bracht de glasblazerij van Val-St-Lambert bij Luik hare eerste kristallen

op de markt. Daarbij verspreidde zich snel het gebruik der stoommachines

met hooge drukking; Gent bezat er slechts drie in 1819, en tien jaren later

reeds 50. Eerst voerden de bijzonderen, kort daarop de stedelijke besturen

(1827), de gasverlichting in. Nieuwe nijverheden, als het kaarsgieten en

het maken van kunstbronzen, rijzen op, dank zij de milde bescherming van de

regeering.

Men mag dan ook zeggen dat het Nijverheidsfonds, dat is het millioen gulden

dat de Staten-Generaal jaarlijks ter beschikking van den Koning stelden om

de nijverheid te begunstigen, meer bij Belgische dan bij Hollandsche

fabrikanten terecht kwam. Dank zij den aanhoudenden uitvoer naar Insulinde

was het loon der arbeidende klassen tamelijk hoog, en werk was er bijna

altijd verzekerd; bij verplichte staking zag men dikwerf den Koning met

aanzienlijke sommen ter hulp der werkloozen komen.

Willem zorgde ook voor den Belgischen landbouw en veeteelt; maar hier

stuitte hij op den ouden slenter en op de onwetendheid van de Vlaamsche

boeren; echter door de belasting op de vreemde granen konden de inlandsche

hunne waarde behouden. Want Willem had de koopwaren, waarvan men er genoeg

bezat om ze te kunnen uitvoeren, door middel van zeer hooge invoerrechten

beschermd, niettegenstaande den tegenstand van de Hollanders, partijgangers

van den vrijhandel. De weefstoffen, de ijzerwaren, de stoomwerktuigen, de

steenkolen uit België konden alzoo tegen de vreemde voortbrengselen

concurreeren.

De tentoonstellingen der nationale nijverheid te Gent (1820), te Haarlem

(1825) en te Brussel (1830) gaven klinkende bewijzen van den nationalen

voorspoed. En de cijfers der bevolking, die op den tijd van 13 jaar

(1816-1829) van 615 tot 733 duizend in Oost-Vlaanderen en van 519 tot 601

duizend in West-Vlaanderen geklommen was, getuigen genoeg van den

stoffelijken vooruitgang.

[Illustration: B. Schreùder]

Willem wilde tegelijk op intellectueel gebied bewerken, wat hij op

œconomisch terrein volbracht had. Wat den Vorst in Vlaamsch-België vooral

getroffen had, was de diepe onwetendheid, een gevolg van den rampzaligen

achterlijken toestand van het onderwijs. Daar de lagere volksscholen zeer

verwaarloosd waren, besloot de Koning in 1815 in België de Hollandsche

schoolwet van 1806 toe te passen, waarbij het lager onderwijs, onzijdig en

kosteloos, door gediplomeerde onderwijzers gegeven, onder het toezicht van

den Staat verstrekt werd. Te Lier werd eene kweekschool voor onderwijzers

opgericht, onder het bestuur van den knappen Schreùder, een katholiek

onderwijzer uit Holland, die zich schitterend van zijne taak kweet. Weldra

was er geen enkel dorp zonder lagere school; in vijftien jaar tijds liet

Willem's regeering meer dan 1100 schoolgebouwen en 650 woningen voor

onderwijzers oprichten, en de vier duizend Staatsscholen telden op het

einde meer dan drie honderd duizend leerlingen. Volgens een ministerieel

verslag van 1826 zouden er, op eene bevolking van zes millioen zielen, nog

slechts 240,000 personen aan te treffen zijn, die noch lezen noch schrijven

konden. Ruim voorzagen gemeenten, provinciën en Staat in het onderwijs en

de toelage aan jaarwedden steeg van 158,000 fr. tot 448,000 fr.

Tegelijk was de beurt aan het middelbaar onderwijs. Door het reglement van

25en September 1816 werden, bij de twee nog bestaande keizerlijke lycea te

Brussel en Luik, de athenea van Brugge, Gent, Doornik, Antwerpen,

Luksemburg, Namen en Maastricht gevoegd. De ingedommelde stedelijke

colleges werden heropgebeurd. Van 1818 tot 1825 klom het getal leerlingen

van de Latijnsche scholen met een derde, en de colleges en athenea telden

in laatstgenoemd jaar 5,500 studenten.

Hetzelfde hooger genoemd besluit van 1816 richtte in het Zuiden drie

hoogescholen op, evenveel als in het Noorden; namelijk te Leuven, te Luik

en te Gent; het getal studenten klom voor de drie, van 892 in 1820 tot 1557

in 1828. Naast talrijke Belgen waren aan de hoogescholen als professoren

aangesteld jeugdige Hollandsche geleerden, zooals Kinker, Thorbecke,

Holtius en Ackersdijk, of Duitschers als Warnkœnig, Haus en Biernbaum.

Die prachtige inrichting van het onderwijs was grootendeels het werk van

den knappen minister Falck. Voegt men daarbij de lofwaardige pogingen van

het bijzonder initiatief, vertegenwoordigd door de machtige vereeniging

_Tot Nut van 't Algemeen_, die zich uit Noord-Nederland naar

Vlaamsch-België uitbreidde, en in het belang van het volksonderwijs

openbare bibliotheken en scholen voor volwassenen stichtte, dan rijst voor

ons oog een prachtig tafereel van de verstandelijke wedergeboorte van onze

Vlaamsche gewesten.

Om het gebouw te bekronen werd de Brusselsche Academie voor wetenschappen

en fraaie letteren, door keizerin Maria Theresia gesticht, maar door de

Fransche Republiek afgeschaft, door Willem I opnieuw in 't leven geroepen

(18en November 1816) en 't Instituut der Nederlanden schitterde weldra

onder de geleerde genootschappen van Europa. Hier en daar werden zelfs

muziekscholen opgericht; en zoo ook was 't aan Willem te danken, door de

stichting der schilderscholen te Antwerpen en te Amsterdam, dat onze

Vlaamsche schilderschool omstreeks 1830 met Wappers en anderen mocht

herleven. Onnoodig te zeggen hoe dusdoende Willem zich de gunst der

liberalen verwierf.

[Illustration: J. R. Thorbecke]

Te Gent werd de _Maatschappij voor Nederlandsche Letterkunde_ (1821)

gesticht, en te Brussel het _Museum voor Natuurwetenschap en

Geesteswetenschappen_. Scholen voor handwerkkunst, gestichten voor

doofstommen, benevens talrijke inrichtingen van weldadigheid, volledigden

het stelsel. De bedelarij, een der plagen van 't land vóor de vereeniging

met Holland, werd, door toedoen van de _Maatschappij van Weldadigheid_,

door 's Konings initiatief in 1821 gesticht, derwijze ingekrompen dat men

weldra in het koninkrijk der Nederlanden niet meer dan 46,000

noodlijdenden telde, met de gevangenen, krankzinnigen en vondelingen

inbegrepen.

* * * * *

Dit heerlijk gebouw voor geestesontwikkeling werd geenszins geëvenaard door

dit der wetgeving. Anti-franschgezind en anti-revolutionnair, wilde Willem

de laatste sporen der Fransche overheersching alhier doen verdwijnen.

Alhoewel Napoleon's wetboek in 't Zuiden bepaald ingeplant was, beschouwde

hij het, met de Hollandsche rechtsgeleerden, als slecht en gevaarlijk.

Nochtans bleef het volgens art. 2 der Grondwet, in gebruik tot verdere

schikking. Doch de besluiten van het Verbrekingshof te Parijs hielden op

rechtsgezag te hebben in Nederland. Overigens, volkomen ingenomen met de

Hollandsche landswetten, toonde hij weldra zijn neiging om tot dezelve

terug te keeren. Den 21en Augustus 1814 herstelde een besluit de stokslagen

in 't leger; wij hebben gezien hoe den 6en November de jury afgeschaft was

geworden alsook de openbaarheid van het rechterlijk onderzoek. Het ontwerp

door 't ministerie in 1820 ingediend, tot verandering van het Burgerlijk

Wetboek, leed schipbreuk voor de krachtdadige verdediging der Fransche

wetgeving door de twee Belgische afgevaardigden Dotrenge en Reyphins; men

vergenoegde zich dus met de volgorde der artikels van het _Code Napoléon_

te veranderen en er een onbeholpen Nederlandsche vertaling van te geven.

Wij zullen verder zien hoe deerlijk insgelijks het ontwerp van een

Strafwetboek, met echt middeleeuwsche bepalingen doorspekt, in 1827 moest

ingetrokken worden.

Hooger heeft men gelezen, dat ofschoon art. 227 der Grondwet de vrijheid

van drukpers uitriep, het draconisch reglement van 20en April 1815 de

persmisdrijven, in zeer vage bewoordingen aangeduid, op zeer strenge wijze

strafte: een buitengewoon bijzonder Hof was gelast de betichte

dagbladschrijvers te vonnissen. Onder de drukking der Groote Mogendheden

werd den 28en September 1816 de _Wet der 500 gulden_ gestemd: zij bedreigde

met een boete van dit bedrag, en bij hervalling met een gevangenzetting van

één tot drie jaar, al degenen die vreemde vorsten aanvielen of gispten. Op

deze wijze kon men voortaan alles als persmisdrijf bestempelen.

Priester De Foere had, gedurende De Broglie's moeilijkheden, zijn vranke

schrijven met twee jaar gevangenis moeten bekoopen. Wel is waar werd door

eene wet in 1818 de bijzondere vorm van procedure van het besluit van 1815

afgeschaft; de drukpersovertredingen zouden in het vervolg voor de gewone

en niet meer voor buitengewone rechtbanken gebracht worden, maar de strenge

straffen werden behouden.

In 1819 deed de regeering den schrijver Van der Straeten een geruchtmakend

proces aan, daar hij haar in zijn vlugschrift: _De l'État actuel du Royaume

des Pays-Bas_, gelaakt had; doch eene openbare inschrijving kwam de boete

van 3000 gulden dekken waartoe hij veroordeeld werd. Vier jaar later werd

die publicist opnieuw vervolgd en in de gevangenis opgesloten voor zijne

snedige artikels in zijn blad _L'ami du roi et de la patrie_; ziek

gevallen, stierf hij drie dagen na het vonnis, en dit nieuws verwekte het

land door eene hevige ontroering. Onophoudend werden de dagbladen der

oppositie vervolgd; en alhoewel zekere dezer vonnissen gewettigd waren, als

de veroordeelingen van Ph. Lesbroussart en pastoor Zinzerling, had de

handelwijze der regeering, die rondom sommige zaken te veel gerucht maakte,

of aan andere, onbeduidende gevallen te veel gewicht en belang bijzette,

tot gevolg dat de veroordeelden in de oogen des volks met de

martelaarskroon omstraald glinsterden.

Willem's pogingen om eene «nationale» taal in te voeren verwekten ook

hevigen tegenstand. Gewis spraken ongeveer vier millioen en half van zijn

onderdanen op zes Hollandsch of Vlaamsch; maar in de Zuidelijke Nederlanden

was van lieverlede het Fransch de gewone taal der zaken en der openbare

instellingen geworden; de hoogere klassen, zelfs in Vlaanderen, gebruikten

deze bijna uitsluitend; zij was ook de taal der ontwikkelden: advocaten,

notarissen, geneesheeren, die in deze spraak hunne studiën hadden gedaan.

Overigens, gedurende het twintigjarig Fransch regime was alleen het gebruik

van 't Fransch wettelijk geweest. In Vlaanderen zelf vond in 't algemeen

het gebruik der beschaafde Nederlandsche taal weinig bijval; men hield van

het gebruik der Vlaamsche dialecten; men legde, en zoo deed nog de

_Gentsche Almanak_ van 1823, den nadruk op het verschil tusschen Hollandsch

en Vlaamsch. De geestelijkheid bijzonderlijk beweerde dat het Hollandsch,

zelfs door geleerde en onberispelijke personen geschreven, altijd de kiemen

der ketterij in zich droeg..

Willem begon met in October 1814 een decreet uit te vaardigen waardoor het

gebruik der talen vrij verklaard werd, als tijdens het Oostenrijksch

bestuur. Niettegenstaande de vermaningen van Hogendorp, die den koning tot

voorzichtigheid aanspoorde, besliste eene koninklijke verordening van 15en

September 1819, dat van af 1en Januari 1823 de «nationale taal» -- die

voorzeker die niet was van de Waalsche gewesten -- in de provinciën

Limburg, Oost- en West-Vlaanderen en Antwerpen de eenige taal van het

ambtelijk verkeer zou wezen; bij arrest van 26en October 1822 werd deze

bepaling uitgebreid tot de steden en gemeenten van de arrondissementen

Brussel en Leuven; de ambtenaars die na den vastgestelden termijn de

Nederlandsche taal niet machtig zouden zijn, zouden naar het Fransch

gedeelte verplaatst worden.

Daargelaten nog de woede der in de Vlaamsche gewesten gevestigde Walen wien

men aldus eene onbekende taal opdrong, verhief zich bij de afkondiging dier

besluiten een storm van protesten, voornamelijk van wege de

Vlaamschonkundige advocaten, de Waalsche studenten der Hoogescholen of al

degenen die zich tot de openbare ambten voorbereidden zonder het Vlaamsch

te willen kennen. Talrijke zonen van begoede Belgische familiën zagen zich

aldus een loopbaan sluiten die zij reeds betreden hadden of gingen

betreden.

Het taalverschil veroorzaakte menige wrijving in het Parlement evenals in

het leger. Terwijl de Zuidnederlandsche afgevaardigden, waaronder

Vlamingen, die slechts een dialect en niet de beschaafde omgangstaal

kenden, zich bijna uitsluitend van het Fransch bedienden, begonnen vele

Hollandsche vertegenwoordigers met opzet het Nederlandsch te gebruiken bij

alle besprekingen, morrende wanneer de vertaling door de

Vlaamsch-onkundigen geëischt werd. Ook zag men Hollandsche soldaten met

hunne makkers van het Zuiden handgemeen worden; de Hollandsche sergeanten

kwelden de Vlaamsche recruten, en gaven soms aan de Waalsche arrest wegens

hunne onkunde van het Vlaamsch.

Die wassende afkeer tusschen Noord en Zuid had, nog vóór 1820, bij

klaarziende toeschouwers de onmogelijkheid van de versmelting van de beide

volken doen inzien, en hen doen besluiten dat de redding in eene federatie

lag, waarin Belg en Hollander hunne zelfstandigheid zouden bewaren.

* * * * *

De toestand werd nog door noodlottige toevallen verergerd. Het verschil

tusschen de stoffelijke belangen van Holland en België, door den

financieelen toestand van de twee landen nog grooter gemaakt, zou weldra

aanleiding geven tot het eerste openbare geschil tusschen beide volken.

Volgens latere berekeningen, bezaten de Zuidelijke Nederlanden, in 1814,

eene schuld van omstreeks 100 millioen gulden. De Hollandsche Staatsschuld,

integendeel, was zoo groot dat Napoleon, toen hij Holland in 1810 bij zijn

Keizerrijk binnenpalmde, door een soort van bankroet, geweigerd had de twee

derden er van te erkennen. Willem wilde die oneerlijkheid niet

bekrachtigen, en om de schuldeischers van den Staat te voldoen, nam hij

zijn toevlucht tot een voor de Staatskas zeer nadeelig stelsel: de oude

schuld werd verdeeld in werkelijke schuld voor een derde, en uitgestelde

schuld, zijnde deze de door Napoleon afgeschafte twee derden. Mits eene

storting van 100 gulden per titel van 45 gulden rente, erkende men aan

drager, vooreerst 2000 gulden kapitaal in werkelijke schuld die eene

jaarlijksche rente van 50 gulden opbrachten, en daarbij 4000 gulden in

uitgestelde schuld, die door jaarlijksche trekking tot de loopende schuld

overgingen. Door dit erbarmelijk stelsel bevond zich Holland in 1815 voor

eene werkelijke schuld van 573 millioen en eene verdaagde van 1 milliard.

Nu, volgens 't Verdrag der acht artikelen en de Grondwet van 1815 moest

België natuurlijk de helft dezer schuld dragen.

Een amortisatiefonds werd in 1816 in 't leven geroepen; men kon voorzeker

de begrooting der Staatsuitgaven merkelijk verminderen, maar de schuld

vermeerderde van jaar tot jaar; in 1820 was de werkelijke schuld reeds met

50 millioen gulden vermeerderd en tien jaar later betaalde de Staat

jaarlijks nog 10 millioen gulden meer aan zijne schuldeischers. Nu, 't was

de Koning zelf die zich door de Grondwet het opperbestuur van 't Geldwezen

had doen toevertrouwen; elk toezicht over de financiën was verder

onmogelijk ter oorzake van de tienjarige begrooting. Dit toezicht werd nog

verminderd toen de vorst het _amortisatie-syndikaat_ schiep, een

vereeniging van kapitalisten belast met het onderhoud van wegen, bruggen,

vaarten en mijnen en de ontvangst hunner rechten; dat geheim beheer werd

zeer erg besproken.

Om het deficiet te dempen moest de Regeering voortdurend naar nieuwe

geldmiddelen uitzien, en schiep tolrechten en belastingen. Overweegt men nu

den aard der beide landstreken, het Zuiden agrarisch en industrieel, het

Noorden handeldrijvend, zoo ziet men dat hunne belangen regelrecht tegen

malkaar in strijd waren. Den vrijhandel in België uitroepen was landbouw en

nijverheid dooden; beschermende rechten in Holland opleggen was handel en

scheepvaart stremmen. Er bestond aldus een noodzakelijke mercantiele

naijver. In dien nood begon Willem met de invoerrechten op vreemde

koopwaren en gemaakt werk, die aan de Belgische nijverheid zulke hooge

vlucht gaven, uit te schrijven (25 tot 30%); in 1819 deed hij zelfs, trots

den tegenstand der Hollandsche groote kooplieden, eene belasting op suiker

en koffie stemmen. Maar gehoor gevende aan de klachten die hem van wege de

handelsaristocratie uit 't Noorden gewerden, veranderde in 1821 de Koning

plots van zienswijze.

Tot dan toe hadden de Belgische afgevaardigden in de Staten-Generaal eene

tamelijk lijdzame rol gespeeld; zij hadden geen ander verlangen dan den

nieuwen Staat te versterken, en de tegenstand van de meesten was altijd

kalm en hoffelijk geweest. Doch bij het zicht van de nieuwe handelspolitiek

en het nieuwe belastingstelsel der Regeering, greep er een plotselinge

ommekeer in hunne houding plaats, zoodat de donkere voorspellingen over de

ontbinding der Nederlanden, van een pessimist als den Oostenrijkschen

afgezant Binder, zich weldra dreigden te verwezenlijken.

Het aan de Staten-Generaal voorgelegde wetsontwerp deed de inkomrechten op

de vreemde producten, die rechtstreeks met de nationale mededongen, tot 3

of 6% dalen; voor de Belgische fabrikanten was dit zooveel als de

afschaffing der invoertarieven. Wel is waar besteedde men tegelijk een

jaarfonds van 1,300,000 gulden tot ondersteuning van zekere takken der

inlandsche nijverheid; maar dit kon geenszins opwegen tegen het nadeel door

de vermindering der tolrechten berokkend. Daarbij stelde de Regeering een

wetsontwerp met nog twee nieuwe belastingen voor, op het _Gemaal_ en het

_Geslacht_, dat wil zeggen: eene belasting op brood en vleesch, waarvan de

eerste op de Zuidelijke Nederlanden des te drukkender woog, daar boeren en

werklieden er zich schier uitsluitend met brood voedden, terwijl in 't

Noorden de aardappelteelt algemeen geworden was.

De bespreking dier wet gaf aanleiding tot een levendig verzet van wege de

Belgische afgevaardigden; voor de eerste maal sloten zij zich eendrachtig

aaneen: de blokpolitiek vangt aan. Dotrenge en Reyphins, die nochtans zeer

Oranjegezind waren, vielen de principes van den vrijhandel heftig aan en

toonden het nadeel door de twee belastingen aan het kleine volk berokkend;

zij aarzelden niet te wijzen op het politieke gevaar dat de wet voor 't

bestaan zelf van 't koninkrijk opleverde, door de tegenstelling der twee

bevolkingen nog te verscherpen. Lecocq en Dotrenge noemden de wet een

broedermoord; de eenige Belgische afgevaardigde die de wet durfde

verdedigen werd door 't publiek uitgefloten. Doch de wet werd aangenomen

met 55 stemmen tegen 51; de meerderheid was die van al de afgevaardigden

van 't Noorden, de minderheid bestond, op drie uitzonderingen na, uit al

de Belgische volksvertegenwoordigers. Even scherp bleek de tegenstelling

der vertegenwoordigers van de beide deelen des koninkrijks in de Eerste

Kamer enkele dagen later; van de 21 ja-stemmers behoorden er 18 tot het

Noorden, van de 17 neen-zeggers waren er 15 uit het Zuiden (4en Juli 1821).

Zoo erg was de Koning verbitterd dat hij zeven zijner zuidelijke

Kamerheeren, die eene afkeurende stemming uitgebracht hadden, enkele dagen

nadien afzette.

Bijzondere besluiten brachten het volgende jaar het nieuwe stelsel in

werking. Doch dadelijk werd de persoon van den Koning zoo scherp beschimpt

door spotprenten en pamfletten, dat deze de aanhechting van België bijna

betreurde. Klachten verhieven zich overigens ten allen kante,

niettegenstaande enkele latere wijzigingen aan de toltarieven; onophoudend

werden de zwaardrukkende belastingen op gemaal en geslacht (8 Januari 1823)

aangevallen, en zij zullen in 't vervolg een der hoofdthema's zijn van de

oppositie.

* * * * *

't Is rondom dit tijdstip dat de autoritaire inzichten van den Vorst zoo

klaar uitschijnen; zijne rechtstreeksche tusschenkomst in 's lands zaken

doet zich sterk gevoelen. De bekwame ministers die hem bij den aanvang zoo

knap ter zijde gestaan hadden, had hij éen voor éen uit den weg geruimd;

hij moest plooibaarder mannen hebben, die eenvoudig de uitvoerders zijner

bevelen en geene raadgevers der kroon wezen zouden; zijne laatste ministers

hebben geen beduidenden invloed gehad op den gang van het bestuur, met

uitzondering misschien van Van Maanen; daarom valt ook op den Vorst alleen

de verantwoordelijkheid der onbehendige en onpolitieke maatregelen der

laatste jaren zijner regeering.

De man, dien Willem tot zijn vertrouweling verkozen had, Van Maanen, had

beurtelings de Fransche Republiek en Bonaparte gediend; bedrijvig en

buigzaam, bezat hij ook de koppigheid van zijn meester, die hem alléen

eenig initiatief liet in zijn ministerie van rechtswezen; hij was de

Belgen weinig genegen, en hij was het, die op ongelukkige wijze de

bewoordingen van 't Verdrag van Parijs herinnerende, België een uitbreiding

van Hollands grondgebied noemde en Hollands oppermacht uitriep. 's Konings

werktuigen waren de andere ministers, en voornamelijk die Staatssecretaris

Van Streefkerk, dien men vergeleek bij eene klok, stom of luidend naar

geliefte des Vorsten.

[Illustration: C. F. van Maanen]

Willem's gedrag wijkt niet veel af van dit der verlichte despoten der 18e

eeuw en in meer dan een opzicht biedt hij eene treffende overeenkomst met

Keizer Jozef II aan. Zijn strijd om het onderwijs onafhankelijk te maken

van de katholieke geestelijkheid bewijst dit volkomen.

Volgens art. 226 der Grondwet was het openbaar onderwijs het voorwerp der

voortdurende zorgen der Regeering. Reeds vroeger had De Broglie en de

geestelijkheid die schikking fel bekampt, aan een protestantsche regeering

het recht betwistende om zich met het onderwijs in het katholieke België in

te laten en dit recht uitsluitend voor zichzelf eischende. Bij de stichting

der drie universiteiten en der athenea hadden de priesters hunnen haat niet

verborgen tegen deze instellingen, wier zuiver burgerlijk karakter hen

ergerde, en door smaadschriften en sermoenen trachtten zij het onzijdig

onderwijs als calvinistisch, ja zelfs, ongodsdienstig voor te stellen. Op

den Vlaamschen buiten waar de geestelijkheid onbetwist de plak zwaaide,

werd een hevige strijd gevoerd tegen de lagere scholen door middel van

biechtstoel en weigering van absolutie. Men verspreidde het gerucht dat de

Koning het katholieke volk wilde protestantiseeren.

Tegenover het Staatsonderwijs poogden de clericalen een mededingend

confessioneel onderwijs op te richten. De Koning en de regeering, sterk

door de Grondwet, besloten het voorrecht van den Staat hardnekkig te

verdedigen; Willem I gevoelde overigens den geheimen invloed der

Congregatie en der Jezuïeten, die alsdan Frankrijk beheerschten, en wilde

hun pogingen in België verijdelen. Op 22en Juli 1822 werd bij koninklijk

besluit verboden het lager onderwijs te geven zonder toelating. Anderhalf

jaar later werd dit besluit toegepast op de geestelijke vereenigingen, die

zich met onderwijs ophielden; voortaan zullen zij nog slechts als leden

hunner orde personen kunnen opnemen die een bekwaamheidsbewijs bezitten.

Die verordeningen hadden den val tot gevolg van de scholen der Broeders der

Christelijke Leering, die alhier uit Frankrijk overgekomen waren en in 't

Walenland het lager onderwijs zochten te bemachtigen; weldra werden zelfs

hunne vereenigingen ontbonden en hunne orde afgeschaft, daar zij aan eenen

overste van vreemde nationaliteit gehoorzaamden.

Intusschen was de minister van binnenlandsche zaken en openbaar onderwijs,

de klaarziende Falck, als gezant naar Londen gezonden, en vervangen door

den buigzamen Van Gobbelschroy, een ontwikkelden Belg, die, met de beste

inzichten bezield, zich met den meesten ijver op de uitbreiding van 't

Staatsonderwijs toelegde. Door 's Konings toedoen besloot hij insgelijks

het middelbaar onderwijs aan den invloed der geestelijkheid te onttrekken.

Een besluit van 14en Juni 1825 beval de sluiting van al de niet erkende

Latijnsche scholen en colleges; alleen de wereldlijke Latijnsche scholen

werden toegelaten. Alzoo sloot men de _kleine bisschoppelijke seminariën_,

die onder voorwendsel van tot den geestelijken stand op te leiden, aan de

zonen der burgerij het voorbereidend hooger onderwijs verschaften. Wanneer

later deze hunne humaniora in den vreemde, vooral in de Jezuietengestichten

van St Acheul, in Frankrijk, en Freiburg, in Zwitserland, wilden gaan

voleindigen, werd hun voor 't vervolg de toegang tot de Staatshoogescholen

van Gent, Leuven en Luik ontzegd.

Zoolang de Koning zich als verdediger van het Staatsonderwijs aanstelde,

bleef hij binnen de palen der Grondwet. Maar ondoordacht en vermetel was

zijne poging, toen hij zich in de opleiding van de Belgische katholieke

geestelijkheid wilde mengen. Hierin handelde hij voorzeker te goeder trouw;

men heeft hem ten onrechte voorgesteld als een godsdienstigen ijveraar voor

het Protestantisme; het staat vast dat hij volstrekt geen vijand was van

het Katholicisme. Zooals hij in Holland met de Hervormde gemeenten gedaan

had, zoo wilde hij alhier den voorrang van de burgerlijke macht boven de

geestelijke vestigen. Daarom was hij voornemens, voor de toekomst, eene

verstandige, verlichte, verdraagzame, nationale geestelijkheid te vormen,

door middel eener hervorming der godgeleerde studiën. Zoodat de

Calvinistische vorst hoopte te slagen, daar waar zijn katholieke

voorganger, Jozef II, bezweken was! Zelfs de tegenwerpingen zijner omgeving

konden hem zijn besluit niet doen verzaken.

Den zelfden dag (14 Juni 1825) dat Willem de kleine seminariën afschafte,

verordende hij de oprichting bij de Hoogeschool van Leuven van het

_Wijsgeerig College_, voor de jongelingen van alle bisdommen die zich tot

den geestelijken staat voorbereidden. Zij zouden gezamenlijk met de

studenten der Faculteit der wijsbegeerte zekere lessen in de philosophie

volgen. De bestuurder en de onderbestuurders, alsook drie leeraars, zouden

door den Vorst benoemd worden, met goedkeuring van den aartsbisschop. Den

11en Juli volgt een verbod in de groote seminariën studenten te ontvangen

die het Wijsgeerig College niet doorloopen hebben; en het verbod tegen

degenen die in den vreemde zouden gaan studeeren, wordt ook op de

toekomstige seminaristen toegepast.

«Die noodlottige besluiten zijn misschien de ergste misslag in de regeering

van koning Willem I en zij getuigen van eene groote verblindheid, van een

jammerlijk Staatsbeleid». Hoe kon de Koning toch verwachten dat de

Belgische geestelijkheid, die voortdurend aanspraak maakte op gansch de

leiding van het openbaar onderwijs, zou toelaten dat een leek, en dan nog

een Calvinist, de opleiding van de toekomstige priesters zou besturen? De

Paus en de bisschoppen teekenden verzet aan; de aartsbisschop van Mechelen

weigerde, niettegenstaande herhaald verzoek des ministers, de plaats van

opziener van het College; talrijke vlugschriften vielen de stichting aan,

en de katholieke dagbladen kantten zich met hardnekkigheid tegen 's Konings

inmenging in geestelijke zaken. Doch wanneer de koninklijke maatregels in

de Staten-Generaal door de katholieke volksvertegenwoordigers De Stassart,

Surmont de Volsberghe en vooral De Gerlache heftig werden gelaakt, vond de

Regeering eenen krachtigen steun in de twee knappe Belgische redenaars, de

liberale oppositieleiders, Reyphins en Dotrenge. Zij juichten de

uitdrijving van de Ignorantins toe, en wezen op de pogingen van de

Jezuïeten om in de Nederlanden terug te keeren. Ook was de overwinning van

de ministers Van Maanen, Van Gobbelschroy en Goubau, bestuurder van den

katholieken eeredienst, volledig. Vele Belgische ontwikkelde groepen

stemden met die anticlericale besluiten in, en Louis de Potter, een rijk en

knap publicist, die zich door een geweldig anticlericalisme onderscheidde,

prees de stichting van het _Collegium Philosophicum_ en den strijd van de

regeering voor het Staatsonderwijs.

De liberalen waren bereid zich om het ministerie te scharen, wilde men

hunne grieven aanhooren. In dien zin was het slot van Dotrenge's

redevoering vol beteekenis. «Sire, zei hij, beschut ons vóór de Jezuïeten,

doch verlos ons van de belasting op het gemaal».

* * * * *

Het scheen dus dat de Belgische oppositie verbroken was. Nochtans werd er,

gedurende het debat over het onderwijs, een woord door den leider van de

katholieken uitgesproken, dat voor de toekomst een schrikbaar voorteeken

was. Baron de Gerlache, oud-advocaat te Parijs, thans te Luik gevestigd,

waar hij beurtelings naar den gemeenteraad, naar de Provinciale Staten en

sedert het vorige jaar naar de Staten-Generaal gezonden werd, had, in eene

zeer welsprekende rede, waarvan de indruk door het uiterlijke van zijn

persoon nog verhoogd werd, zich, niet gelijk zijne collega's op de

leerstellingen van het kanonieke recht en van het Concilie van Trente

beroepen, maar, evenals de liberale katholieken, en voornamelijk Lamennais

in Frankrijk, op de vrijheid van het onderwijs, die hij afleidde uit alle

andere vrijheden, als de vrijheid van godsdienst en van drukpers; dit was

voor 't vervolg den weg afbakenen voor een verbond, dat op dien stond

nochtans door niemand voorzien werd.

Om de woede der clericalen te stillen, besloot Willem enkele toegevingen te

doen. Reeds vroeger was Reinhold, zijn gezant te Rome, met het Vatikaan in

onderhandeling getreden, om een concordaat tot stand te brengen in den zin

van dit van Napoleon, dat in België van 1801 tot 1815 in zwang was; een

pauselijke nuntius was zelfs te dien einde in België geweest, maar moest

onverrichterzake terugkeeren. Zoo bleef de zaak tot in 't begin van 1826,

wanneer een katholieke afgevaardigde, de graaf de Celles, zich aanbood om

de onderhandelingen te hernemen. Paus Leo XII en Koning Willem toonden zich

even inschikkelijk. De Jozefist Goubau moest van het bestuur van den

katholieken eeredienst aftreden, dat bij 't ministerie van binnenlandsche

zaken gevoegd werd (1826); Reinhold werd als gevolmachtigde te Rome door

graaf de Celles vervangen. Doch deze botste tijdens de besprekingen op

talrijke moeilijkheden hem door de dweepzieke omgeving in 't Vatikaan in

den weg gelegd en klaagde er bij zijne regeering over dat hij nu niet meer

kon verkrijgen wat men twee jaar vroeger gemakkelijk zou bekomen hebben.

Eindelijk op 18en Juni 1827 teekende de Celles het concordaat met den

kardinaal Capellari. Ieder bisdom zou een seminarie bezitten. Wat de

verkiezing der prelaten betrof, deze moest geschieden door het kapittel,

dat den Koning een kandidatenlijst zou voorleggen, waarop deze de

kandidaten, die hem niet bevielen, zou doorschrappen; de Paus duidde dan

den titularis aan.

De bulle van 17en Augustus kondigde daarenboven de oprichting van drie

nieuwe bisdommen aan, nevens de vijf bestaande, namelijk te Brugge, te

Amsterdam en te 's Hertogenbosch, en bevestigde dat voortaan alléen de

bisschoppen voor de opvoeding hunner geestelijkheid te zorgen hadden.

De Belgische katholieken onthaalden het sluiten van het concordaat met luid

gejuich; verscheidene hunner afgevaardigden stemden zelfs de begrooting

zonder verzet.

De Hollandsche Calvinisten evenals de Belgische liberalen keurden

integendeel de vernedering des Konings vóór den Paus streng af; zij

verweten aan de regeering dat zij niet alleen van haar recht van benoeming

der bisschoppen afstand gedaan had, maar daarbij nog het Wijsgeerig College

van Leuven opofferde. Fel aangevallen in de liberale dagbladen en

voornamelijk in den _Courrier des Pays-Bas_ door de pen van den heftigen

Louis de Potter, zocht de regeering de waarde van het concordaat en van de

pauselijke bulle te verzwakken. Reeds op 5en October zond Van Gobbelschroy

een vertrouwelijken omzendbrief aan de gouverneurs, om hun te laten weten

dat de invloed des Konings op de benoeming der bisschoppen grooter was dan

't concordaat liet vermoeden, dat niets veranderd was aangaande het

onderwijs der seminariën, dat het volgen der leergangen in het Wijsgeerig

College eenvoudig van verplichtend, vrij geworden was, en eindelijk dat men

alle overeenkomst tot het bezetten der ledig staande bisschoppelijke zetels

zou verdagen. Om de liberalen te paaien, deelde zelfs Van Gobbelschroy,

die met Louis de Potter bevriend was, dien omzendbrief aan den publicist

mede, die zich verhaastte hem in zijn dagblad af te kondigen.

[Illustration: J. M. Schrant]

Die mededeeling (14en October 1827) en het wezenlijk behoud van het _statu

quo_, verwekten bij de katholieken eene geweldige verontwaardiging. Van dan

af hernam de strijd der geestelijkheid tegen de regeering met nieuwe woede.

Gesterkt nog door het voorbeeld van Frankrijk, waar een katholieke prelaat

de _Université de France_, dat is geheel het onderwijs, bestuurde, en waar

Karel X de wet op de heiligschennis had doen aannemen, begonnen de

Belgische priesters het onderwijs der professoren van de hoogescholen en

athenea aan te klagen, donderden zij van op den preekstoel tegen de

«_Duivelscholen_» en verdoemden het «_Schoolvee van Van Gobbelschroy_».

Pastoor Schrant, van Amsterdam, die in de oogen zijner Zuidnederlandsche

collega's de onvergeeflijke zonde begaan had een leerstoel aan de

Hoogeschool te Gent te aanvaarden, moest dit bezuren. De katholieke

dagbladen kondigden de lijsten af der leden van het _Nut van 't Algemeen_,

aan welke de priesters besloten de absolutie te weigeren. Nooit had de

schoolstrijd zoo erg gewoed. In hunne redevoeringen en preeken gingen

zekere dorpsherders zoover, dat de Regeering ze vóór de rechtbank moest

dagen en laten veroordeelen. De katholieke vertegenwoordigers in 't

Parlement, wier verzet tot dan toe eerbiedig en bedaard geweest was, namen

insgelijks eenen heftigen toon aan.

Had dan nog de regeering op den steun der liberale partij kunnen rekenen;

maar door hare halsstarrigheid in het weigeren van zekere politieke,

sociale of œconomische eischen, en niet minder door hare dubbelzinnigheid,

die wantrouwen inboezemde, bevond zij zich weldra gansch alleen.

* * * * *

Intusschen had zich in België eene gewichtige verandering op intellectueel

en politiek gebied voorgedaan. Tot omstreeks 1827 had de bevolking zich

weinig om de Staatszaken bekommerd; zelfs de dagbladen zonden geene

reporters naar de zittingen der Staten-Generaal. Immers onze voorouders,

gedurende drie eeuwen onder vreemd juk gebogen, van alle deelneming aan het

openbaar bestuur verstoken, voor de meerderheid in de grootste onwetendheid

gedompeld, toonden zich onverschillig voor de politieke besprekingen. Aan

die onverschilligheid had het ingewikkelde kiesstelsel voor de

Staten-Generaal geen klein aandeel; immers de verkiezingen geschiedden in

twee graden, de _kiezers_ betalende honderd gulden in grondbelasting, kozen

een zeer beperkt getal _stemgerechtigden_, die de volksvertegenwoordigers

benoemden; zoo konden de kleine burgerij en het kleine volk, van de

verkiezing volkomen uitgesloten, zich natuurlijk voor deze niet warm maken.

Voegt daarbij nog de drukking van den koninklijken commissaris, die de

verkiezing voorzat en allen strijd tegen den officieelen kandidaat

verijdelde.

Doch met het jaar 1827 doet zich een bepaalde vooruitgang in de politieke

opleiding voor. Eene nieuwe generatie van jonge redenaars en publicisten is

ontstaan, gedeeltelijk gevormd in de Staatshoogescholen. In de liberale

fractie zien wij Le Hon en Ch. de Brouckère met een vroeger onbekenden

gloed voor de vuist spreken, en in navolging der Fransche doctrinairen der

Kamer als Royer-Collard en Benjamin Constant, in wel doordachte

redevoeringen, den misprijzenden trots, waarmede de ministers vroeger op de

redenaars nederzagen, tarten en onophoudend de regeering op het bankje

zetten. Ch. de Brouckère durfde zelfs in 1828 in de Staten-Generaal het

recht van initiatief gebruiken, dat aan de volksvertegenwoordigers ontzegd

was. Met de opkomst van het liberale ministerie Martignac in Frankrijk

wordt de vrijmoedigheid der partij nog grooter.

Het waren de liberale afgevaardigden en hunne vrienden die het overgroote

getal der Belgische dagbladen opstelden. Niet minder dan de weerklank

hunner stem buiten het Parlement, wist de snedigheid hunner pen de natie op

te wekken tot belangstelling in haar beheer; en de eenparigheid waarmede

sindsdien stelselmatig al de Belgische afgevaardigden, buiten drie of vier

afvalligen, tegen die van het Noorden stemden, was geen geringe factor om

de gemoederen eindelijk met politieken hartstocht te bezielen.

In die bewerking der openbare meening hebben de advocaten-publicisten eene

overwegende rol gespeeld; Gendebien, Lebeau, Devaux en hunne aanhangers,

reeds geërgerd door de Taalbesluiten die hunne persoonlijke belangen

gekrenkt hadden, verwoed nog om de hardnekkigheid waarmede de regeering de

opstellers der artikels, die de handelingen van het bestuur aanvielen,

vervolgde en strafte, verklaarden een onverzoenbaren oorlog aan het

ministerie van Koning Willem.

Hadden Van Maanen en zijne collega's nochtans op zekere punten van

politieken en œconomischen aard toegegeven, dan zou de vroegere goede

verstandhouding met de liberale partij misschien hebben kunnen

voortbestaan. Dit was het geval toen de liberalen door de Provinciale

Staten van Luik, Namen en Henegouwen, verzoekschriften aan den Koning deden

zenden om de belastingen op het geslacht en het gemaal af te schaffen. De

Koning in zijne koppigheid beschouwde dit verzoek als eene onwettelijke

daad en weigerde het in aanmerking te nemen; de Vorst wist overigens dat de

strekking der Belgische liberalen ten opzichte van een constitutioneele

regeering door den oligarchischen geest der Noord-Nederlanders afgekeurd

werd.

Het vraagstuk der vrijheid van drukpers bood aan de liberalen een gunstiger

oorlogsterrein. Dagelijks zagen zij hunne dagbladen voor de minste critiek

der bestaande verordeningen of der ministerieele handelwijze voor de

rechtbank dagen, krachtens het strenge Besluit van 20en April 1815. Zoo

werd, in Maart 1828, Ducpétiaux, opsteller bij den liberalen _Courrier des

Pays-Bas_, vervolgd om een verdediging der doodstraf, geschreven door een

referendaris van 't ministerie van justitie, weerlegd te hebben. De

publicist richtte alsdan tot de Tweede Kamer een verzoekschrift, waarin hij

tegen zijne vervolging verzet aanteekende.

Dit gaf aanleiding tot het hartstochtelijkste debat dat sedert Waterloo in

de Staten-Generaal plaats gevonden had. De jeugdige Ch. de Brouckère,

alhoewel een zoon van den gouverneur van Limburg, hekelde fel het gedrag

van het gerecht en drong aan op de afschaffing van het draconische

reglement: «Het schijnt mij dagelijks klaarder, sprak hij, dat men de pers

in de Nederlanden dooden wil. De natie echter wil bevrijd zijn van al die

uitzonderingswetten.» Wel is waar beloofde de Koning in zijne troonrede,

bij de opening der Staten-Generaal, de wetgeving voor de perszaken te

veranderen; die belofte bleef echter een doode letter; integendeel beval

minister Van Maanen aan de rechtbanken met nog meer strengheid tegen de

dagbladen te werk te gaan.

Ducpétiaux, in een nieuw artikel (28en October 1828), had verzet durven

aanteekenen tegen de onwettelijke uitdrijving van twee jonge Fransche

schrijvers, beticht een tamelijk zwak hekeldicht tegen de belasting op het

gemaal geschreven te hebben; hij werd in de gevangenis geworpen. Op 5en

November dient daarop Ch. de Brouckère een wetsontwerp in, tot afschaffing

der besluiten op de drukpers. Vijf dagen later kondigt de _Courrier des

Pays-Bas_, die zich door de aanhouding van Ducpétiaux niet had laten

afschrikken, een hoogst geweldig artikel af van den vroegeren bondgenoot

der regeering, Louis de Potter. «Laat ons die schim van het gevaar der

Jezuieten, waarmede de regeering voortdurend schermt en ons bedot,

verwerpen, schreef hij ongeveer; laat ons voortaan beschimpen, hoonen en

vervolgen de _ministerieelen_!» Het woord stond er. Door de noodlottige

dwaasheid der regeering, door hare nuttelooze strengheid kwam zij voor

altijd den steun der liberalen te verliezen.

De vranke publicist, van ophitsing beschuldigd, werd met Ducpétiaux in de

gevangenis der Kleine Karmelieten opgesloten; intusschen bepleitte

vruchteloos De Brouckère in de Tweede Kamer de vraag van de vrijheid der

drukpers: met 61 stemmen tegen 44, 't zij al de vertegenwoordigers van 't

Noorden met zeven van 't Zuiden, werd zijn wetsontwerp verworpen (3en

December).

Op 13en December 1828 kreeg Ducpétiaux van 't Assisenhof van Zuid-Brabant

éen jaar gevangenisstraf; acht dagen later, niettegenstaande de

welsprekende pogingen van zijn advocaten Van Meenen en Van de Weyer, werd

Louis de Potter tot 18 maanden gevangenisstraf en 100 gulden boete

veroordeeld. De aanspraak van den beschuldigde tot het publiek na de

pleidooien, -- een echt rekwisitorium tegen de regeering -- werd door de

aanwezigen op luid handgeklap onthaald, de uitspraak van het vonnis

integendeel op gejouw en gefluit; en 't was onder de kreten, door de

woelige menigte geuit, van «Leve De Potter! Weg met Van Maanen!» dat de

veroordeelde naar zijn gevangenis teruggevoerd werd. Het gepeupel wierp de

vensterglazen van het Ministerie van Justitie uit.

Dit proces vond gansch België door eenen ongehoorden weerklank en het

oefende een beslissenden invloed op den verderen gang der zaken uit. De

Potter, die in den grond een woelgeest was, en er naar hunkerde om in

België de rol van O'Connell in Ierland te spelen, ging door voor een

martelaar.

Terwijl de regeering zich alzoo moedwillig de verschrikkelijkste

verbittering der liberale dagbladschrijvers en advocaten op den hals

haalde, hadden de katholieken ook de wapens niet neergelegd. Hunne leiders

die vroeger tegen de moderne vrijheden der Grondwet gepruild hadden, waren

nu gedeeltelijk gewonnen tot het godsdienstig liberalisme van F. de

Lamennais, en zij beriepen zich voortdurend op zijne verklaringen, sedert

de sluwe De Gerlache de vrijheid van onderwijs als onafscheidbaar verklaard

had van die van godsdienst en van drukpers.

* * * * *

't Is met dit sophisme als grondslag dat nochtans de _Unie der Liberalen en

Katholieken_ tot stand kwam, die den politieken tegenstand van Noord en

Zuid in een strijd van volk tegen volk zou doen ontaarden. Dank zij hare

dwaze houding was de regeering er aldus volkomen in geslaagd deze twee

elkander hoogst vijandige partijen in malkaars armen te werpen.

Wanneer men de denkbeelden van den rationalistischen Louis de Potter en van

den radicalen Gendebien van vóór 1828 met die van den ultramontaanschen De

Gerlache of den dweepzieken De Secus vergelijkt, vraagt men zich af, hoe

dergelijke eendracht van het jakobinisme en van het geestelijk fanatisme

--wat Willem en zijne ministers het _Monsterachtig verbond_ van de roode en

de vierkante muts noemden -- kon tot stand komen. 't Zijn de gematigde

liberalen als Lebeau, S. Van de Weyer en de katholieke democraten als J.-B.

Nothomb en Ph. Vilain XIIII, die deze toenadering mogelijk maakten. Beide

fracties verzochten de zoo hevige geschillen tusschen beide partijen op

zijde te schuiven, om alleen voor de herstelling der bepaalde grieven te

ijveren en de «vrijheid in alles en voor allen» te eischen.

Wij hebben gezien hoe De Gerlache, in den grond een aanhanger van

gewetensdwang en bestuurlijk absolutisme, met eene machiavellistische

arglistigheid, het vrijheidsbeginsel als een lokaas aan de liberalen

toegeworpen had. Reeds in Maart 1827 ontwikkelde Paul Devaux, een talentvol

jong publicist, in den _Mathieu Laensberg_ (later _Le Politique_) van Luik

het plan van een verbond op grond van de volledige ontwikkeling der

vrijheden door de Grondwet beloofd. Eerst fel bestreden door Bartels in _Le

Catholique_ van Gent, door Kersten in _Le Courrier de la Meuse_ van Luik,

alsook door den liberalen _Courrier des Pays-Bas_, vond Devaux' voorstel

allengskens eene algemeene bijtreding. Reeds op 23en Juli 1828 kondigde het

Luiker liberaal dagblad de sluiting der _Unie_ aan......

Kort na deze netelige onderhandelingen werd het wetsontwerp De Brouckère

verworpen en Louis de Potter veroordeeld.

Terstond kwam door toedoen der dagbladen van alle gezindheid een ontzaglijk

petitionnement tot stand (November 1828), waarvan de onderteekenaars in 't

Walenland en te Brussel in de eerste plaats, de afschaffing van de

belasting op het gemaal en van het besluit op de drukpers van 1815 vroegen,

doch in Vlaanderen (45,000 onderteekenaars op het globale getal van 70,000)

vooral het opheffen van het Staatsmonopolium van het onderwijs wilden:

aldaar was de geestelijkheid van huis tot huis de onderteekenaars gaan

vinden, en de talrijke kruisjes in plaats van handteekeningen onderaan de

petities, bewezen voldoende op welke wijze men deze had verkregen.

De regeering bestempelde die beweging als _schandalig_.

Een tweede petitionnement, uitgaande van de Brusselsche katholieken als den

ouden graaf de Mérode-Westerloo, burggraaf Vilain XIIII en den

correspondent der Jezuieten L. Robiano de Borsbeek, vroeg uitsluitend de

vrijheid van onderwijs (Januari-Februari 1829) en verkreeg nog meer bijval

dan het eerste. Er werd algemeen en met onrust opgemerkt hoe intusschen op

den buiten de geestelijkheid, met eene zonderlinge bedrijvigheid, de boeren

aanspoorde om zich op de lijsten der gemeentewacht te doen inschrijven, en

hoe buitengewoon de burgers der Belgische steden zich eveneens daartoe

beijverden. Ook de liberalen lieten niet los, en Lebeau en Rogier in _Le

Politique_ van Luik onderhielden de geesten in eene ongemeene gisting.

Plots verscheen er een vlugschrift, door Louis de Potter in zijn gevangenis

opgesteld, dat de eendracht der anti-ministerieelen nog zou versterken

(Juni 1829). Hij stelde de voltrekking van de _Union des Catholiques et des

Libéraux_ met genoegen vast en preekte de wederzijdsche verdraagzaamheid

aan om des te sterker den gemeenschappelijken vijand te bestrijden. Die

aanmaning tot samenwerking maakte een overgrooten opgang, omdat zij uitging

van een zoo hevig anti-clericaal.

Ditmaal werden de ultra-liberale en katholieke fracties door die

plotselinge bekeering van De Potter geërgerd. De overtuigde liberalen

vreesden voor hunne principes in dit samengaan met de ultramontanen, en Ch.

Durand gaf een pamflet uit in antwoord op de _Union_. Ook de Belgische

katholieken vonden het noodzakelijk, in een vlugschrift, hun gedrag bij

hunne Fransche geestverwanten te verrechtvaardigen. Doch de stoot was

gegeven. Ver van nu het hachelijke van haren toestand in te zien, volhardde

de regeering in hare koppigheid.

Toen de verzoekschriften zoo overvloedig op de banken van de

Staten-Generaal regenden, had Ch. Le Hon voorgesteld den Koning een adres

aan te bieden, om zijne aandacht op den staat van gisting in de Zuidelijke

Provinciën in te roepen; het adres werd aangenomen door de Tweede Kamer

maar door de Eerste verworpen.

De wet op de instelling van de jury bij de rechtbanken, door de

vertegenwoordigers van 't Zuiden voorgesteld, onderging dit lot reeds bij

de stemming in de Tweede Kamer.

Alsdan ontstonden overal Grondwettelijke Vereenigingen of Comiteiten tot

herstelling der _Grieven_. Immers sedert October 1828 had de _Courrier de

la Meuse_ een statistiek opgesteld, waardoor, met overvloed van cijfers uit

officieele oorkonden, de partijdigheid der regeering bewezen werd in zake

benoemingen tot de openbare ambten. Op 7 ministers telde men slechts éen

Belg, op 14 bestuurders in de ministeries insgelijks éen; onder de 300

hoogere beambten der ministeries, vond men 17 Belgen. In het leger trof men

2377 Hollandsche officieren tegenover 417 Belgen aan; men insinueerde zelfs

dat de Belgen slechts tot hoogere graden klommen, in Oost-Indië «om aldaar

de bloedbelasting te betalen», terwijl men wist dat het aandeel der Belgen

in het koloniaal leger, gedurende den opstand van Dipo-Negoro op Java

(1826-1830), slechts een vijfde bedroeg. Overigens die zoo ongunstige

verhouding van officieren in de troepen, verklaart zich door het feit, dat,

bij de organisatie, van 't leger in 1814-15 en den oproep tot de

oud-militairen om zich aan te melden met hunnen vroegeren graad, veel

Hollanders en weinig Belgen zich aangeboden hadden; men voege daarbij dat

degenen die zich in de Zuidelijke Nederlanden met bestuurlijke of militaire

zaken ophielden, in zeer klein getal waren. Doch zooals zij voorgesteld

was, bleef die verdeeling der openbare ambten eene schreeuwende

ongerechtigheid. Sindsdien volgden nog andere statistieken die het

Hollandsch «nepotisme» geeselden en de openbare meening verontwaardigden.

Daarbij kwam nog het wijzen op de politieke overheersching van België door

de Hollandsche ambtenaren, die zich tegenover het Zuiden als tegenover een

wingewest gedroegen; de oppositie noemde de Grondwet eene aan het Zuiden

opgedrongen keure, hekelde de taalbesluiten, het officieel onderwijs; ja,

zelfs het belastingstelsel werd wegens onrechtvaardige toepassing

aangevallen, alhoewel het klaar was dat de Hollanders, die zestien gulden

per hoofd betaalden, vijf gulden meer dan de Vlamingen en juist het dubbel

van de Walen in de Staatskist stortten.

Voor de herstelling dezer grieven, 't zij echte, 't zij ingebeelde, voerden

nu vlugschriften en dagbladen een hevigen strijd, en de Constitutioneele

Vereenigingen ijverden natuurlijk niet het minst voor de vrijheid van

drukpers. Op dit laatste punt moest de regeering eindelijk toegeven, en 't

was om zoo te zeggen met eenparigheid van stemmen dat het besluit van April

1815 door de Staten-Generaal afgeschaft werd; de zeer vrijzinnige wet van

16en Mei 1829 verving het hatelijke dwangreglement.

Doch in hare verblindheid tegen de Belgische «factie» had de regeering

besloten de aanvallen der Belgische pers door aanvallen tegen hare

opstellers te beantwoorden; daarom stichtte zij te Brussel een officieus

blad, _Le National_ (Mei 1829); de Koning beging de onvergeeflijke fout het

bestuur van dit blad toe te vertrouwen aan den Florentijn Libry, graaf van

Bagnano, die sedert jaren uit Frankrijk geweken, zich uitgaf voor een

slachtoffer van de reactie der Bourbons. Met een ongehoord cynisme,

overlaadde hij de partijgangers der Unie en de katholieken met

persoonlijken hoon en smaad, en hij aarzelde niet te schrijven -- wat de

zaak der regeering meer kwaad dan goed deed -- onder andere «dat men de

Belgen een muilband moest aandoen evenals de honden». Maar plots kwam het

uit dat de kampioen des Konings, de vertrouweling van Van Maanen, tweemaal

in Frankrijk voor schriftvervalsching in handelszaken tot dwangarbeid en

brandmerk veroordeeld geweest was; en de _Courrier des Pays-Bas_ drukte

terzelfdertijd drie geheime besluiten af, die het blad zich had weten te

verschaffen, waardoor de Vorst aan den verdediger der regeering 85,000

gulden op het Nijverheidsfonds verleende. Een kreet van algemeene

verontwaardiging steeg in België bij die verpletterende openbaring op. Van

toen af in vergaderingen en drankhuizen durfde men de vraag stellen of

Frankrijk een opstand in België gewapenderhand zou ondersteunen.

* * * * *

Rekenende op de gevolgen die een officieel bezoek kan hebben, ondernam

Willem, eene omreis in de Zuidelijke Provinciën. Overal zag hij de blijken

van welstand en voorspoed; het feestelijk onthaal dat hem daar te beurt

viel versterkte hem in de overtuiging dat de aanvallen tegen zijne

regeering gericht, slechts het werk van enkele opruiende dagbladschrijvers

waren, en dat de gisting niet tot in de massa gedrongen was. Tijdens zijn

bezoek aan Luik (23en Juni 1829) kon de begoochelde Vorst niet nalaten zijn

antwoord aan het gemeentebestuur van Luik met de volgende woorden te

eindigen: «Ik zie nu wat ik moet denken over de zoogezegde grieven waarover

men zooveel gerucht gemaakt heeft. Dat is aan enkele bijzonderen te wijten

die uit eigenbelang handelen. Dit is een schandelijk gedrag!...» Dit

onvoorzichtig smaadwoord tegen de opstellers der vertoogschriften gericht,

kreeg zooveel weerklank, dat Willem's oogen hadden moeten opengaan. Te

Brugge stichtte Constantijn Rodenbach dadelijk, in clericale navolging der

«Geuzen» van de 16e eeuw, de _Orde der Schande_ (Ordre de l'Infamie), die

op hare kenteekens de leus voerde: «Trouw tot aan de schande!» (Juli 1829).

Bij het opgehitste lagere volk ontstond een ware haat tegen den Hollander

en al wat Hollandsch was.

Het koninklijk bezoek had dus geenszins de bedaring verwekt die men

verhoopt had, wel integendeel. Ziende dat de nieuwe wet op de drukpers de

liberalen niet gestild had, besloot de regeering aan de katholieken zekere

toegevingen te doen, om de Unie te trachten te verbreken en de vrijzinnige

oppositie in toom te houden.

Immers ook te Rome had Paus Leo XII het verbond van de Belgische

katholieken met de liberalen met een zeer kwaad oog aanschouwd; duchtende

voor 't gevaar dat die eendracht voor 't geloof kon opleveren, zond hij in

de Nederlanden den zeer vrijzinnigen nuntius Capaccini, die de Belgische

geestelijkheid zou aanmanen niet katholieker te willen zijn dan de Paus. De

kardinaal beijverde zich om het concordaat te doen uitvoeren en kon door

den Koning drie nieuwe bisschoppen, namelijk voor Luik (Van Bommel), voor

Gent (Van de Velde) en voor Doornik (Delplancq) doen aanvaarden. Pius VIII,

die intusschen den meer toegevenden Leo XII opgevolgd was, bekrachtigde

hunne benoeming op 18en Mei 1829.

Evenveel genoegen baarde aan de katholieken het koninklijk besluit van 20en

Juni, waarbij het bezoeken van het Wijsgeerig College van Leuven als

facultatief verklaard werd; daarbij stond Willem, door eene andere

verordening van 2en October, de heropening, mits zekere beperkingen, van de

kleine bisschoppelijke seminaries weder toe.

Andere toegevingen werden gedaan in den zin van de petities; de afschaffing

van de belasting op het geslacht werd beloofd (19en Mei 1829); den 5en Juli

werd bepaald dat op 1en Februari 1831 de nieuwe rechterlijke inrichting in

werking zou treden, dat men dienvolgens onafzetbare magistraten zou hebben.

De regeering liet zelfs een ontwerp van een gewijzigde wet op 't onderwijs

verhopen.

Maar deze toegevingen die enkele maanden vroeger met gejubel zouden

onthaald geweest zijn en die het petitionnement konden verhinderen, daar

zij de hoofdgrieven uit den weg ruimden, kwamen nu te laat. De clericalen

beschouwden deze vergunningen als eene onvoldoende afkorting; de liberalen

weigerden allen steun aan de regeering, zoolang de ministerieele

verantwoordelijkheid niet toegestaan werd. In geen enkele klasse der

bevolking telde de regeering nog vrienden.

De opening der kleine seminaries, verre van de katholieken te bevredigen,

had hunne aanspraken nog hooger gemaakt; zij eischten de algemeene vrijheid

van onderwijs, zonder toezicht. Op 4{en} November 1829 stelden de

katholieke edelen Robiano de Borsbeek, De Mérode en D'Hoogvorst eene nieuwe

petitie in dien zin op; de geestelijkheid belastte zich opnieuw met het

inzamelen der handteekeningen en der kruisjes, en pastoors en onderpastoors

teekenden ditmaal aan 't hoofd der lijsten; op de 360,000 onderteekenaars

waren er 240,000 uit Vlaanderen alleen.

De schilder Geirnaert heeft ons, in een treffend tafereel, weldra door den

steendruk verspreid, de handelwijze der geestelijken in deze beweging

geschilderd. Zijne teekening wordt nog bevestigd door de beschrijving die

Schuermans en Holtius, in hunne brieven aan Van Maanen, van de

bedrijvigheid der geestelijkheid geven.

Zekere klaarziende liberalen, zooals de advocaat Napoleon de Pauw van Gent,

aarzelden niet dit petitionnement, bij de Staten-Generaal, als eene

verkrachting van art. 161 der Grondwet aan te klagen.

De clericale partij, die intusschen te Gent een Vlaamsch orgaan, _De

Vaderlander_, gesticht had, antwoordde, kort na die aanklacht, met een

vertoogschrift, dat de teruggave eischte van de goederen der

geestelijkheid, door de Fransche Revolutie verbeurd verklaard.

De polemiek der Unionistische pers van Gent, Brussel en Luik tegen de

Hollandsche _overheersching_ en tegen de _dictatuur_ van Van Maanen werd

des te driester, daar de regeering en het gerecht het hoofd verloren

hadden; en de gevallen van persovertredingen werden zoo talrijk, dat de

gevangenissen van dagbladschrijvers opgepropt waren. De drukpers, in hare

woede tegen de gehuurde penneknechten der regeering, ging alle palen te

buiten. Men aarzelde zelfs niet de populariteit van den prins van Oranje te

ondermijnen en hem op de lasterlijkste manier te beschuldigen: wanneer in

den nacht van 25-26 September 1829 de diamanten zijner echtgenoote in 't

paleis te Brussel op eene geheimzinnige manier gestolen werden, werden door

zekere vuige lieden plakkaten op de muren van Brussel gehecht, waarin de

kroonprins openlijk verdacht gemaakt werd.

Ondanks die gevaarlijke voorteekens uitte de Koning bij de opening der

Staten-Generaal te 's Gravenhage (19en October) zijne vreugde over de

blijken van genegenheid hem door de Belgische natie in zijne omreis

gegeven; hij kondigde enkele maatregelen aan voor 't welzijn van het

koninkrijk en drukte op het ontwerp van herziening der onderwijswet. Zoo

verzoeningsgezind was de troonrede, dat de Hollanders deze verklaring als

een aftocht der regeering aanzagen. Maar de Belgische afgevaardigden,

aangevuurd door de hevigheid der dagbladen en verbitterd wegens de

schandelijke drukking door de officieele ambtenaren op de laatste

verkiezingen uitgeoefend, hadden beslist de tienjarige begrooting te

verwerpen, indien de regeering aan al hunne eischen niet toegaf. De nieuwe

petities, die reeds op 15en November in de Staten-Generaal toekwamen en die

zoozeer de Hollanders verbitterden, waren niet van aard om de spanning

tusschen de Noordelijke en Zuidelijke afgevaardigden te verzachten. Aan De

Gerlache, die naar de audientie van den Koning gegaan was, om dezen tot

nieuwe toegevingen over te halen, sprak Willem I al zijne minachting uit

voor de liberalen, die hij heerschzuchtige woelgeesten noemde, en zijne

misnoegdheid over de nooit tevreden clericalen; de pers overlaadde hij met

smaadwoorden, en hij uitte zijne vrees voor die soort van geheime en

onverantwoordelijke tegenregeering, die voortdurend beroep doet op de

verderfelijkste hartstochten der onwetende en bijgeloovige massa. «Al de

rechtmatige eischen heb ik ingewilligd, ging Willem voort, doch ik wil niet

dat men de rollen omkeere. Indien het volk souverein is, kan de koning het

niet zijn, want twee onverantwoordelijke machten kunnen in den Staat niet

tegelijkertijd bestaan. Nu, mijne regeering is eene monarchie, getemperd

door een Grondwet. Alle vraagstukken zijn er duidelijk in bepaald; al de

tegenstrijdige theorieën zijn ongrondwettelijk, oproerig en revolutionnair!

Ik ken mijn recht, ik ken mijn plicht, ik zal de bezworen Grondwet uit al

mijne krachten rechthouden!»

Dezelfde autoritaire geest ademde de beruchte _Koninklijke Boodschap_,

enkele dagen later uitgevaardigd (11en December 1829); en dat juist op 't

oogenblik, dat voor de eerste maal de hoogere ambtenaren het gevaar der

toenemende gisting aan de ministers aanwezen.

Die boodschap vergezelde het ontwerp van wijziging der pas aangenomen wet

op de drukpers van 16en Mei 1829, die de Koning al te liberaal gevonden had

en die hij wilde zien verscherpen.

Na een lofrede op de daden zijner regeering sedert 1815, viel hij heftig de

opstellers van het petitionnement aan «die op schandelijke wijze zijne

weldaden miskenden», noemde de pers «onteerd en verlaagd», waarschuwde voor

de «onbedachte aanmatigingen en misplaatste bemoeiingen» van zekere

woelgeesten, en deed zijn inzicht kennen om de kuiperijen van de

kwaadwilligen te beteugelen. Maar ook repte Willem van de «rechten van zijn

huis», verklaarde zonder omwegen zijne aanspraak op de alleenheerschappij

en verwierp dienvolgens de ministerieele verantwoordelijkheid. Om den

indruk van dit stuk nog te versterken, liet de regeering het gerucht

loopen, dat om den weerstand te verbrijzelen, zij de hulp van een Pruisisch

leger zou inroepen.

's Anderendaags zond minister Van Maanen de Koninklijke Boodschap tot al de

rechters en ambtenaren, met verzoek om hem, op straffe van afzetting, in de

vier en twintig uren hunne toetreding te sturen «tot de grondbeginselen

welke de Vorst uitdrukkelijk verklaard had de regelen van zijn bestuur te

zijn». Die bemoeiing der Regeering met de denkwijze zijner beambten en die

dwang tot aflegging eener sterke politieke geloofsbelijdenis keurde zelfs

de gouverneur van Zuid-Holland, graaf van der Duyn, ten strengste af. De

uitslag dezer willekeurige, daad liet zich niet wachten; de katholieke

_Courrier de la Meuse_ noemde de Boodschap «het manifest van het

despotismus tegen de vrijheid»; de andere bladen schandvlekten de houding

der Hollandsche afgevaardigden die gedurende de debatten der volgende dagen

van «de alleenheerschappij des Konings» hadden durven gewagen; talrijke

vlugschriften als die van den katholieken Barthélémy Dumortier en den

radikalen Adelson Castiau, beiden van Doornik, vroegen de afdanking van den

«hatelijken» Van Maanen, den boozen genius des Konings; ook L. de Potter,

van uit zijn gevangenis te Brussel, zond zijne _Lettre de Démophile au Roi_

in 't licht, waarin hij, na de doctrine der souvereiniteit der Keure

tegenover die der souvereiniteit des Konings gesteld te hebben, durfde

schrijven: «Sire, uwe hovelingen en uwe ministers, uwe vleiers en uwe

raadgevers bedriegen u en brengen u op een dwaalspoor; het stelsel waarin

zij de Regeering doen volharden, bedreigt haar met een onvermijdelijke ramp

en voert ze onwederroepelijk ten ondergang».

In de Staten-Generaal verhieven Le Hon en De Brouckère, De Stassart en De

Gerlache insgelijks de stem tegen de onvoorzichtige handelwijze, der

Regeering en bezwoeren ze de voornaamste eischen hunner landgenooten in te

willigen. De vruchteloosheid hunner pogingen inziende, besloten de

afgevaardigden van het Zuiden al hunne macht tegen de tienjarige,

begrooting van wegen en middelen te richten, en zij hadden de voldoening,

dank zij de ondersteuning van enkele afgevaardigden van het Noorden, die te

verwerpen met 55 stemmen tegen 52; de jaarlijksche uitgaven gingen slechts

met eene stem door. Voor 't overige, als bewijs dat niemand de omverwerping

der regeering vergde, stemde men op staanden voet met eenparigheid van

stemmen een nieuw ontwerp van wegen en middelen, voor éen jaar, door 't

Ministerie voorgesteld; uit die voorloopige begrooting was eindelijk de

belasting op het gemaal verdwenen (19en December 1829). Deze was de eerste,

maar gevoelige nederlaag van Koning Willem in de Staten.

Wel veranderde hij 't Ministerie, maar behield Van Maanen; Van

Gobbelschroy, nu aangesteld voor nijverheid en koloniën, werd vervangen

door een anderen Belg, De la Coste, gouverneur van Antwerpen (29en

December). In plaats dus van te trachten een ministerie van verdrag te

vormen, waarin enkele leiders der oppositie zouden getreden zijn, bleef de

Koning aan zijn stelsel hechten en behield tevens zijn gehaten

vertrouweling. Meer nog; om zich te wreken zette hij op 8en Januari 1830

zes ambtenaren, leden der Staten-Generaal, van hunne bediening af, omdat

zij tegen de begrootingen gestemd hadden, en een volkomen minachting voor

de grondbeginselen der regeering toonden. Op die onbehendige gewelddaad

antwoordde de Belgische oppositie met, in 17 dagbladen tegelijk, eene

_nationale inschrijving_ te openen om de leden der Staten, slachtoffers van

het despotismus, schadeloos te stellen. Enkele dagen later stelde L. de

Potter, altijd op het voorbeeld van den strijd in Ierland, de stichting van

eenen _Vaderlandschen Bond_ voor, steunende op eene weerstandskas, die

hunne vroegere jaarwedden aan de afgezette ambtenaars zou uitbetalen.

* * * * *

De gezanten der vreemde Mogendheden lieten bij dien toestand van opwinding

in de Nederlanden, hunne ongerustheid aan hunne wederzijdsche regeeringen

kennen. De Fransche gezant seinde zelfs het valsche gerucht over, als zou

Willem zijn inzicht te kennen gegeven hebben, hier 25,000 Pruisische

soldaten te ontbieden om de rebellen te straffen. De strijdlustige

Polignac, die met toestemming van Rusland het «groote plan» had opgevat

België in te palmen, dacht er zelfs aan, troepen op de Belgische grenzen

samen te trekken. Maar Frankrijks gevolmachtigde, Lamoussaye, had zich

deerlijk omtrent 's Konings bedoelingen bedrogen; verre van er aan te

denken om den weerstand met geweld te beteugelen, zagen Willem en zijne

ministers met verachting neder op die oppositie welke hij voor een handvol

twistzoekers en woelgeesten aanzag. De jongste daad dezer bent, het plan

van den _Vaderlandschen Bond_, besloot de regeering voorbeeldig te

straffen. Onverhoeds werden de papieren en de briefwisseling, die De Potter

onvoorzichtig bij zich in de gevangenis gehouden had, aangeslagen. Uit de

correspondentie bleek dat Tielemans, een referendaris bij 't ministerie van

buitenlandsche zaken, de ware ingever van het ontwerp geweest was.

Die ontdekking bracht in de ministerieele kringen eene ware verbijstering

te weeg; nu begreep men hoe de oppositie terstond over al de besluiten of

ontwerpen der regeering ingelicht werd: de hoogere beambten der bureaux, de

personen uit de onmiddellijke omgeving der regeering speelden de

verklikkers en verschaften wapens aan de tegenpartij,

Vruchteloos wilde Tielemans zijn plan als een «Utopie» doen doorgaan; hij

werd aangehouden met L. de Potter en met de twee opstellers van _Le

Catholique des Pays-Bas_, die den _Vaderlandschen Bond_ aanbevolen hadden,

Bartels en J.-B. de Nève, voor het Assisenhof van Brabant verzonden,

beticht een aanslag en eene samenzwering beraamd te hebben om de regeering

om te werpen of te veranderen. Na een debat van elf dagen werden L. de

Potter tot acht jaar, F. Tielemans en Adolf Bartels tot zeven en J.-B. de

Nève tot 5 jaar ballingschap verwezen (30en April 1830).

De Brusselsche bevolking, op wie de koene pleidooien van Van Meenen en Van

de Weyer een diepen indruk gemaakt hadden, vernam deze nieuwe veroordeeling

met de grootste verslagenheid. De politie, overigens zeer slecht ingericht,

kon er niet in slagen de opstellers van een hevig plakkaat te ontdekken,

waarin, voor de eerste maal, een oproep tot het geweld te lezen stond:

«Slaapt gij, Belgisch volk? Ontwaakt en wet uwe dolken, om ze in den boezem

uwer verdrukkers, Van Maanen en consoorten, te ploffen ... Vrijheid voor

den heer De Potter! Weg met het ministerie, of de _omwenteling_! Leve de

vrijheid!»

De gisting groeide nog aan, wanneer drie dagen na 't proces,

niettegenstaande het voorafgaandelijk protest van De Potter's advocaten,

dezes aangeslagene papieren en zijne briefwisseling met Tielemans door

Libry-Bagnano in druk gegeven werden: de griffier van het tribunaal had ze

met toestemming van minister Van Maanen aan den ellendeling geleverd!

Vruchteloos kloegen de beide veroordeelden dit schandelijk misbruik bij den

Koning en de Staten-Generaal aan; beiden moesten zonder genoegdoening het

land verlaten; Frankrijk weigerde de ballingen te ontvangen, die daarop

besloten een toevluchtsoord in Zwitserland te zoeken; in Pruisen, dat zij

doortrokken, ontmoetten zij allerlei moeilijkheden.

De misnoegdheid sloeg van de straat naar de openbare tribune over. Wel is

waar werd eindelijk het langdurige werk der herinrichting van het gerecht

door de aanneming van een minder wreed strafwetboek volmaakt; maar bij de

bespreking der herziening der wet op de drukpers van 16en Mei 1829, die de

regeering al te vrijzinnig geoordeeld had, werden zulke harde woorden door

de afgevaardigden van het Zuiden uitgesproken, dat zekere ministerieelen

van het Noorden, in woede ontstoken, allen eerbied voor hunne collega's

vergaten. Den 18en Mei 1830, daar men aan de Staten twee Nederlandsche

verslagen aanbood, zonder ze in 't Fransch volgens gewoonte samen te

vatten, bedreigde de Belgische volksvertegenwoordiger Barthélémy de

Hollanders met het gezamenlijk vertrek der Zuidelijke afgevaardigden.

Tweemaal onderging het ministerieele ontwerp eene nederlaag, en slechts met

merkelijke wijzigingen kwam de wet er door (1en Juni 1830).

Na de kleine seminaries te hebben heringericht, begonnen de nieuwe

bisschoppen, de strijdlustige Van Bommel, Delplancq en Van de Velde, hunne

herderlijke omreis in hunne bisdommen. Het jubileum van Mei, dat

aanzienlijke aflaten verleende, had het gansche land door aanleiding

gegeven tot eene ongemeene opwelling van godsdienstigheid; ook het

toedienen van het vormsel, waarvan sinds lange jaren vele personen

verstoken gebleven waren, gaf aanleiding tot tooneelen van overdreven

vroomheid. In Juni vormde Delplancq in het arrondissement Bergen alléen

40,000 personen en Van Bommel in Limburg meer dan 20,000. Volkomen

beheerschte de geestelijkheid de plattelandsche bevolking; en gezien den

oorlog, die zekere onverzoenbare pastoors de regeering, niettegenstaande

hare laatste toegevingen, aandeden, kan men zich een denkbeeld vormen van

de gisting, waarin de buiten gehouden werd. Is het dan te verwonderen dat

wij later op de lijst der revolutionnaire _Association Belge_ van Parijs,

de namen van drie priesters ontmoeten, J.-J. de Smet en Vandermensbrugghen

van Gent en De Haerne van Ieperen, als «bijzonder geschikt om eene beweging

op touw te zetten»?

Willem was intusschen zelf naar Brussel gekomen om den toestand der

gemoederen te toetsen; hij besloot nieuwe toegevingen te doen. De belasting

op de koffie, door de Belgen gevraagd, werd op 12en Mei ingevoerd. Het

ontwerp der nieuwe onderwijswet werd ingetrokken, en den 27en Mei vaardigde

hij eene verordening uit, die zonder de algemeene vrijheid van onderwijs te

verleenen, toch de besluiten van 14en Juni en 14en Augustus 1825

vernietigde. Zoo paaide hij de katholieken. Om de gunst der liberale

advocaten te winnen, stond hij, de volgende week (4en Juni), het gebruik

der Fransche taal in de Vlaamsche gewesten, als gerechts- en ambtspraak,

opnieuw toe. Met vreugde werden beide besluiten door de belanghebbenden

onthaald.

Het scheen nu dat de hoofdgrieven der oppositie uit den weg geweerd waren;

de dagbladen der Unie spraken hunne hoop uit op eene verandering van

regeeringsstelsel; de verzoening scheen nakend; de prins van Oranje was

zelfs in onderhandeling met Rome om de katholieken uit de Unie te doen

treden, wat den tegenstand zou verbroken hebben.

Doch plotseling kwam een nieuwe onbehendigheid van het ministerie den

heilzamen uitslag van die reeds eenigszins laattijdige overeenstemming

vernietigen.

Gedurende den laatsten veldtocht tegen de regeering had de _Courrier des

Pays-Bas_(Augustus-October 1829) in navolging van den _Courrier de la

Meuse_, den Staatsalmanak uitgeplozen, en, met statistieken, de

begunstiging van Holland en de verongelijking van België in de vestiging

van alle voorname Staatsinrichtingen, getoond: het Krijgsgerechtshof en het

Muntwezen waren te Utrecht gevestigd; het Krijgsarsenaal te Delft; de

Krijgsschool te Breda; eindelijk in den Haag, waar reeds alle twee jaren de

Staten-Generaal bijeenkwamen, waren de Ministeries, de Rekenkamer, het Hof

van Adeldom en de Kanselarijen der koninklijke orden gevestigd. Deze

kritiek had de regeering, niet zonder grond, weerlegd, met te toonen dat

België voortdurend het gevaar van eenen Franschen inval liep, 't geen dus

de vestiging der openbare instellingen in het Noorden noodzaakte, en met te

wijzen op zekere belangrijke uitgaven, welke zich de regeering in het

uitsluitend voordeel van België getroost had. Aan de tegenwerping dat de

Hollanders alléen de groote Staatsambten bekleedden, antwoordde men door

eene andere lijst, die bewees dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal, door

den Koning benoemd, dertig Belgen en zes-en-twintig Hollanders telde, de

Staatsraad twaalf Hollanders en elf Belgen, de Rekenkamer evenveel Belgen

als Hollanders, en dat de hoogste post des rijks, namelijk die van

Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, bekleed was door een Belg, Burggraaf du

Bus de Ghisignies, tot groot misnoegen der hoogere kringen in Holland.

Die verklaringen konden echter niet opwegen tegen den indruk in België

verwekt door de afkondiging der lijsten van den _Courrier des Pays-Bas_.

Men beschouwde zich als diep verongelijkt.

En nu, in zulk een toestand kwam eene verordening van 21en Juni 1830 den

zetel van het nieuwe Hooger Gerechtshof in Den Haag vestigen. Opnieuw

haalden de dagbladen der oppositie hunne statistieken uit den hoek; opnieuw

werd geschreeuwd over de Hollandsche overheersching. Overigens, er werd

klaar bewezen dat dit besluit onbillijk en onzinnig was, daar in tien jaar

de Belgische gerechtshoven vijf maal meer burgerlijke processen te

beoordeelen gehad hadden dan het Hof in den Haag. De hartstochtelijke

aanvallen der Belgische drukpers haalden haar nieuwe vervolgingen op den

hals; er was bijna geen enkel dagblad der oppositie, of een zijner

opstellers was voor de rechtbank gedaagd. En intusschen stortte

Libry-Bagnano de hatelijkste scheldwoorden en lasterlijkste aantijgingen

uit in _Le National_, over de tegenstrevers der regeering, zonder aanzien

van personen; zoodat verkleefde dienaars van het huis van Nassau zelf zijne

verwijdering aanraadden.

Ziehier hoe op 21en Juni 1830, de Oostenrijksche gezant, graaf de Mier,

zich over de Belgische toestanden in een vertrouwelijk schrijven aan zijne

regeering uitdrukte: «Sedert de tien jaar dat ik dit land bewoon, heb ik

slechts een voortdurend veranderen van stelsel, in al de takken van

bestuur, aanschouwd. Ik heb slechts zien breken en maken, zich eerst aan

iets wagen en koppig volharden om dan achteruit te gaan en met kwade luim

toe te geven; een slechte wet voorstellen, veranderen, intrekken, dan

opnieuw, aanbieden; het gemaal belasten, dan vrijstellen; het wijsgeerig

college verplichtend, later facultatief maken en het eindelijk afschaffen;

de studiën in den vreemde verbieden en ze weer toelaten; eene zoogezegde

nationale taal opdringen, die door de helft der natie niet begrepen wordt

en dan met tegenzin op die willekeurige handelwijze terugkomen; de drukpers

vrijlaten en ze weer intoomen; -- met een woord, bestendigheid in niets. Is

het dan te verwonderen dat zulk een staat van zaken een bijna algemeene

ontevredenheid verwekt heeft, en dat deze redenen, gevoegd bij eenige niet

minder belangrijke, dit talrijk petitionnement veroorzaakt hebben, dat men

eerst als oproerig bestempelde, en later voer belachelijk heeft willen doen

doorgaan? Maar dit petitionnement voor de herstelling der grieven heeft

grootendeels den uitslag bekomen, dien zijne inrichters beoogden -- , en de

regeering, ofschoon zij deze als voorgewende grieven en de oppositie als

woelziek uitgeeft, heeft de wezenlijkheid dezer grieven herkend met ze te

herstellen, heeft zich door de bent overwonnen verklaard met aan hare

klachten toe te geven, en heeft zich zelf gelogenstraft, met heden aan de

kwaal te meesteren, die zij gisteren nog ontkende. Zoo is 't dat, dank zij

't petitionnement, de belasting op 't gemaal uit de Staatsbegrooting

verdwenen is, dat het heffen van een accijnsrecht op de koffie een stelsel

ingevoerd heeft, minder nadeelig voor de landbouwbelangen der Zuidelijke

provinciën, dat de bepaling, die de beambten met burgerlijke onbevoegdheid

sloeg, wanneer het bestuur hun geen eervol ontslag verleende, afgeschaft

is. Zoo is 't eindelijk, dat, op dezelfde wijze, de besluiten op onderwijs

en taal afgeperst geworden zijn. Moet dit alles de regeering en den Koning

niet kleineeren in de oogen zijner eigene onderdanen, en ze vernederen bij

de andere regeeringen?»

Men begrijpe goed den zin dezer gegronde opmerkingen; de vreemde gezant

veroordeelt Willem's regeeringstelsel niet om zijne veranderingen, hij is

geenszins een voorstander van het koppig vasthouden der slechte besluiten;

maar hij laakt het verkeerde beleid van den Vorst die altijd in der haast,

zonder voorafgaandelijke inlichtingen, zonder voldoende kennis der

toestanden, verordeningen uitschreef die alras, zoo niet onbillijk, dan

toch onvoorzichtig bleken te zijn.

Alhoewel klaarziende opmerkers, zooals Thorbecke, in dien tijd hoogleeraar

te Gent, alsdan reeds eene scheuring voorzagen, leefde het opperbestuur te

midden van de gisting der gemoederen in een vast zelfvertrouwen, in een

bewustelooze zekerheid. Uitgaande van den geest der Hollandsche bevolking

die elke andere drijfveer op den achtergrond schoof en zich alleen gevoelig

betoonde voor de œconomische belangen, dacht de regeering dat het voldoende

was grooten bloei en welstand aan de Zuidelijke provinciën te verzekeren,

om hunne genegenheid te verwerven. Dit denkbeeld versterkte zich bij den

Koning, na de opening in Juli 1830 van de Nationale Tentoonstelling te

Brussel, die, overigens een welverdienden bijval genoot. De vooruitgang van

nijverheid, wetenschap en kunsten, waarvan zij getuigenis aflegde scheen

hem een verheerlijking van zijn bestuur; de stoffelijke voorspoed van het

koninkrijk bleek hem een waarborg voor de openbare rust.

En inderdaad, op dat oogenblik, dacht niemand noch aan scheiding, noch aan

omwenteling. De latere getuigenissen van de hoofdleiders van de beweging,

L. de Potter, J.-B. Nothomb, baron de Gerlache, stemmen daaromtrent

eenparig met de toenmalige verslagen van de gezanten overeen. De oppositie

bleef steeds binnen de palen der wettelijkheid, toen eensklaps de

gebeurtenissen in het naburige Frankrijk, die toenmaals veel meer dan nu

zulke hevige weerkaatsing op de Belgische aangelegenheden uitoefenden, het

koninkrijk der Nederlanden, dat heerlijk gebouw door de Mogendheden in 1814

opgericht, op zijn grondvesten deden beven en met geweld instorten.

Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel · 第 38 / 49 题