Taal en Volk

Van de zeven millioen inwoners, die België bewonen, zijn er vier millioen,

die behooren tot den Nederlandschen stam, en die, behalve een paar honderd

duizend, Nederlandsch spreken, terwijl slechts drie millioen het Waalsch of

Fransch als moedertaal gebruiken.

De Belgische stammen, die vóór meer dan twintig eeuwen ons land bewoonden,

waren Kelten, behoorende tot het ras, dat ook geheel Frankrijk bevolkte.

Naar alle waarschijnlijkheid waren deze voorafgegaan door een nog oudere

bevolking, wier overblijfselen men gevonden heeft in de grotten langs Maas

en Lesse, in de streken langs Hene, Schelde of Rupel.

De Keltische stammen in 't zuiden van ons land en die met de Romeinen

steeds in aanraking waren, ondergingen meer en meer hun invloed. Weldra

doorsneden de heirbanen het bijna ondoordringbare kolenwoud. De Latijnsche

taal drong langzamerhand in het Keltische leven, waardoor het Waalsch is

ontstaan. Toch valt het niet te loochenen, dat ondanks zijn Romaansche

afkomst, het een groot getal Germaansche elementen in zich heeft opgenomen,

vooral het Luikerwaalsch. De oorzaak daarvan ligt waarschijnlijk in het

langdurig verblijf der Austrasische Franken in de omstreken der Maas. De

uitdrukkingen «Waal en Waalsch» zijn de benamingen door de Germanen aan de

Romanen gegeven.

Sedert het Karolingische tijdvak heeft het Waalsch zijn grenzen weinig

veranderd. Wel is de naam van Luik oorspronkelijk Germaansch evenals

Herstal, maar dit is geen bewijs dat het Germaansch of Nederfrankisch

vroeger zuidelijker werd gesproken en het Waalsch vooruitgeschoven is. Daar

tegenover staan vele Waalsche namen van plaatsen, die altijd door een

Vlaamsche bevolking zijn bewoond geweest.

Taalgrens. -- Trekt men van St.-Omaars in Frankrijk nagenoeg een rechte

lijn tot aan Maastricht, dan wijst deze vrij juist de taalgrens aan

tusschen de Nederlandsch sprekende en Waalsche bevolking, en komt nagenoeg

overeen met den Romeinschen steenweg van de zee over Bavaai naar Keulen en

den noordelijken zoom van het uitgestrekte Kolenwoud, dat België in vroeger

tijden van het westen naar het oosten doorliep. Ten noorden van dien zoom

woonde de rustig landbouwende Frankische stam, waarvan de overgroote

meerderheid der Vlamingen afstamt. Soms in een en hetzelfde dorp maakt de

straatweg de scheiding tusschen het Waalsch en het Vlaamsch element. Eeuwen

reeds wonen de beide volksstammen naast elkander. Zij hebben hetzelfde lot

ondergaan, vreedzame en woelige tijden met elkander doorleefd, en toch

heeft dit alles niet geleid tot verwisseling van taal.

In de eerste en tweede eeuw onzer jaartelling was het grootste deel van

laag-België naar alle waarschijnlijkheid nog bewoond door Keltische

stammen, doch toen de Germanen van den beneden-Rijn in de vierde eeuw er

verschenen, waren de eersten verdwenen, misschien ten gevolge van zware

overstroomingen, die in de IIIe eeuw plaats hadden, en er bijna alle sporen

der Romeinen hadden weggevaagd. Wat er hier en daar wellicht van overbleef,

loste zich op in den Frankischen bond.

Een ander Germaansche volksstam, de Friezen, had zich van uit het noorden

allengs langs de zeekusten uitgebreid tot voorbij de monding der Schelde,

tot het Zwin in Vlaanderen, doch waren door Pepijn van Herstal en Karel

Martel teruggedrongen. Toen later Karel de Groote talrijke familiën van

Saksen in Vlaanderen overplaatste, versmolten zij spoedig met de Frankische

stammen. Laag-België bleef dus Germaansch gebied en de taal door de

bevolking gesproken was zuiver Nederfrankisch. De oud-Germaansche liederen,

die Karel de Groote liet opteekenen, waren waarschijnlijk in dien

oud-Vlaamschen tongval geschreven. Van de laatste helft der XIIe eeuw

dagteekenen de eerste tot ons gekomen producten onzer Nederlandsche

Letterkunde, waartoe Limburgers, Vlamingen en Brabanders het meest

bijdroegen. Ze zijn in het Middelnederlandsch, de omgangstaal van de lage

landen, ten zuiden van den Rijn tot aan de grenzen van het groote Kolenwoud

in België gesproken.

In de XIIIe eeuw, te zamen met de toenemende macht der burgerij, bereikte

die letterkunde, vooral in Zuid-Nederland, haar hoogsten bloei. Jacob van

Maerlant van Damme († omstreeks 1300), «de Vader der Dietscher Dichtre

algader», evenals de luimige zanger van het meesterlijk gedicht van «den

Vos Reinaerde» (1270), gaven uitdrukking aan de burgerlijke gedachten en

gevoelens van dien tijd.

Het Nederlandsch in België bevat vier dialecten: het zoetluidende

West-Vlaamsch, dat meer op de taal der middeleeuwen gelijkt, en dat ook in

Zeeland wordt gehoord; het Oost-Vlaamsch; het Brabantsch, dat in de Kempen

het zuiverst klinkt; het Limburgsch, dat in meer dan een opzicht het

Middelfrankisch nadert. Doch daarnaast is voor heel Vlaamsch-België het

beschaafde Nederlandsch de schrijftaal, die ook met elken dag door den

ontwikkelden Vlaming zuiverder wordt gesproken en geschreven. Naast de

groote aantrekkelijkheid, die het verleidende Fransch hier op de menigte

uitoefent, is het hardnekkig doordrijven der taalparticularisten een groot

gevaar voor het behoud onzer taal. Hier geldt geen kinderlijke bewondering

en gehechtheid aan een gewestspraak, hoe zoet ze ook moge wezen, maar wel

de kracht, de eenheid van onzen stam. Daarom zorge men dat overal onze taal

zoo zuiver mogelijk worde gesproken en zich ontwikkele tot een rijk,

welluidend, helder en beschaafd Nederlandsch.

Behalve in Nederland en in Vlaamsch-België wordt het Nederlandsch in een

deel van het Noorder-departement in Frankrijk, in Zuid-Afrika en in de

Nederlandsche koloniën in Oost- en West-Indië gesproken, te zamen door

nagenoeg tien millioen menschen.

Vlaamsch Belgie sedert 1830 Eerste Deel · 第 30 / 49 题